vrijdag 24 september 2010

Weemoed die des avonds komt

Weemoed die soms komt,

Bij een wandeling door ’t Stad

Lectori salutem,

Per trein naar Antwerpen reizen, het vernieuwde station binnen rijden en dan door het immense gebouw wandelen, het was altijd al iets waar ik graag naar uitkeek, als ik me had voor genomen nog eens naar de stad te gaan. Het vernieuwde station bracht me onmiddellijk naar de metro, geen salle des pas perdus, geen overweldigende gewelven, maar een handige doorsteek van het ondergrondse perron naar de metro, richting Groenplaats. We werden verwacht in de Stadsbibliotheek, waar in de Nottebohmzaal een tentoonstelling was ingericht van het werk van Willem Elsschot in vertaling. Klara had een rondleiding georganiseerd en we waren een van de gelukkigen.

Eerlijk is eerlijk, we vonden en vinden dat Antwerpen wel op een wat luidruchtige manier publiciteit maakt voor de auteur Elsschot – wanneer krijgt Walschap enige erkenning? – zonder hem de eer te doen toekomen die hem echt wel toekomt. De finesse van zijn taalgebruik, daar kan men niet over schreeuwen, dat kan men enkel proeven bij het lezen. Het blijft een moeilijk evenwicht, want aangezien wat onbekend is niet gemind kan worden, moet men ook boeken en auteurs onder de aandacht blijven brengen.

Nu zagen we dus hoe kaas in alle mogelijke talen aan de orde kwam, hoe het boek in vele landen vertaald werd, zonder dat we goed weten of die vertalingen ook successen werden. Voor Kaas blijkt dat in Duitsland pas laattijdig geweest te zijn. En dan hing daar een uitvergroting van het gekende gedicht “het huwelijk” met de regels “maar doodgaan deed zij niet” of “tussen woord en daad staan wetten en praktische bezwaren in de weg en de weemoed die des avonds komt”. Versregels die we zelf ook wel ten onpas in de mond nemen of ergens in een tekst inlassen, maar toch, even goed exquis als die bekende regels van Adriaan Roland Holst, Nescio of Lodewijk van Deyssel, enfin, er zijn er wel meerdere. Versregels die op het oog helder lijken en toch, pas met de jaren hun volle rijkdom openbaren, versregels die de achttienjarige naar de strot grepen en hem immuun maken voor het geschreeuw van performende dichters of dichtende performers, wier regels we maar niet in het hoofd horen naklinken.

De gids deed zijn best ons uit te leggen wat er te zien is, maar in wezen, ach, het is gewoon leuk in die zaal rond te wandelen, de aankleding te zien en daartussen de vitrines waar de vertaling van Elsschot ons wachten. Kaas, Käse en het dwaallicht, in het Engels en andere talen. Plots viel me iets op, waar ik mij vroeger al over verwonderd had, dat er Afgaanse zeelui in Antwerpen zouden aanspoelen. Een ironie waarvan ik mij vagelijk bewust was, maar die mij steeds argwanend maakte als mensen erover spraken, over het boekje. Bengalen? Phillippinos? Russen? Maar Afganen? En dan een briefje met een rommelig geschreven adres, een naam die er in onze contreien weinig onderscheidend uitziet, dat lijkt op een vondst, een mogelijkheid die zich eindelijk niet kan voordoen. Zou Maria Van Dam het dwaallicht zijn? Het is altijd mijn idee geweest dat het spel dat Elsschot speelt in het verhaal een weemoed weerspiegelt die velen onder ons wel eens kennen, het doelloos gaan dwalen en liever dan het heldere licht van het hoofdstraat een dwaallicht naar de rauwe wereld willen volgen, maar het finaal niet doen. Tegelijk kan men het boek slechts lezen en er de volle ironie, Spielerei van over ons laten komen.

Als we Elsschot in onze eigen bibliotheek tegenkomen, dan is er niet die spontane groet, dan is er ergens een huiver en ook een verlangen, want het herlezen roept herinneringen op, maar het is ook een nieuwe kennismaking. De gids vertelde het verhaal van Alfons de Ridder die rond vijf uur in de namiddag het huis verlaat en pas tegen tienen weer thuis komt, recht in de rug. Een paar jaar geleden zond Klara al eens een reeks uit waarin met de oude mevrouw Ida de Ridder over haar vader gesproken werd. Het was toen een mooie ervaring, maar ergens, met alle respect voor de dame, voor Alfons de Ridder, maar liever hebben we te doen met zijn boeken zelf.

Het is ons een niet altijd helder of we echt wel het werk naar waarde schatten als we zo bezig zijn met de persoon van de auteur, alhoewel in dit geval die persoon zelf wel intrigerend mag heten. Het verborgen leven, naast het harde werken voor zijn opdrachtgevers en uitgevers. In zijn dagelijkse werk zat al veel creativiteit, zoals in het gedicht over de mosterd van Tierentijn, een Gents bedrijf. Het portret van de man laat een burger zien, bij uitstek de burger die velen zeggen te verachten, de hypocriet ook die niet vaak blijk geeft van zijn escapades maar in zijn boeken juist laat zien dat hij ergens zijn gedachten in dromerijen weg stopt, gedichten, verhalen en die met grote zorg weet te brengen.

Veel heeft hij niet geschreven, maar hoe heeft hij geschreven en in welke taal. Misschien zou men diens boeken echt met de nodige zorg in het buitenland kenbaar moeten maken, want geen is er die zo het moderne levensgevoel heeft laten kennen. Ja, zelfs zijn gedicht, het huwelijk dat Elsschot op behoorlijk jonge leeftijd schreef en niet in hoge ouderdom of toen het huwelijksgeluk begon te slijten, kan men maar moeilijk anders zien dan als een inventio, waarin de dichter een thema uitwerkte dat tot dan toe, zeker in Vlaanderen, onbespreekbaar was, maar wellicht voelden weinigen de last van de weemoed.

Toen we het fraaie bibliotheekgebouw verlieten, zagen we dat in Carolus Boromeuskerk een huwelijk plaats had, waarvan we het beste durfden te hopen voor de echtelieden. Op een terras lazen we verder in ons boekje, over de stichting van Nieuw-Amsterdam/New York en genoten van het drukke stadsleven. Vervolgens wandelden we door de buurt, zagen enkele winkels waar dames in groot ornaat op zoek waren naar een nog grootser aankleding – Neen, niet op de Meir – en passeerden we langs de Kathedraal waar we Bello en Patrache gingen groeten en de schilderijen en het houtsnijwerk bewonderen. Op de terugweg liepen we via de Meir naar het Centraal Station, keken nog eens naar het Astridplein en begaven ons dan welbewust in de zaal der verloren stappen. Enige weemoed toch, want het station was levendiger dan ooit, nieuwe tapperijen en andere mogelijkheden om wat euro’s te besteden maakten het station van een kathedraal der moderniteit opnieuw een centrum van levendigheid. Na jaren van veronachtzaming werd de trein opnieuw een bijzonder iets en kregen de stations opnieuw hun plaats in het bestaan.

Banaler kan zo een dagje in Antwerpen niet zijn natuurlijk, maar het was een moment, er waren momenten waar we het voelden zinderen, het verbeelden van de werkelijkheid, het mogelijke werd werkelijkheid. Misschien past het wel even dank te zeggen aan Willem Elsschot, maar vooral, te begrijpen dat hij zijn burgerlijkheid handig uitspeelde om het leven stoïcijns en toch – docht het ons toen we het station uitreden – met vol gemoed te leven.

Vale,

Bart Haers

Lange Zapper

Kleinbeeld

Elegie voor een ongebouwde brug

Een stad ken je aan de skyline, je bent verbonden met die stad als je van de skyline tot in de kleine straten kan doordringen, als je in het geheel de delen herkent. Wie Antwerpen van over het water ziet, van Sint-Anneken of van op het water, weet dat er altijd die ene toren zal zijn, maar dat erom heen altijd weer nieuwe elementen toegevoegd zijn geworden. De stad groeide en verviel om nu al twee eeuwen bijna zonder ophouden uit haar voegen te barsten.

De auto is een handig middel om zich te verplaatsen, de vrachtwagen een noodzakelijk middel om goederen te verplaatsen. Beide nemen ruimte in en verplaatsingen in grote getale kan leiden tot congestie en tot grote ongevallen, maar toch kunnen we er geen afstand van doen. Hoeft ook niet, maar er zijn ook nog andere zaken waar we geen afstand van willen of kunnen doen, de rust en het geluk van het huis in de tuin, van een gedroomd harmonieus bestaan. Men kan er verwaten op neerkijken, maar iedereen zal ergens wel zijn of haar Arcadië hebben, durven dromen ervan.

Nu, van dat Arcadië blijft, zegt men, in Vlaanderen niet veel meer over, want overal zijn er steden en dorpen, overal van die zogenaamd saaie villawijken. Eerlijk is eerlijk, ook wij vragen ons wel eens af hoeveel gronden kunnen we bebouwen voor het ons welbevinden, de ruimte helemaal opgeven om te kunnen ademen en leven. Zorgzaam omspringen met die open ruimte is dus wel degelijk geboden. Maar het geeft ook aan dat de ruimte om het verkeer rond en om Antwerpen niet zomaar te geef blijkt, want Schilde of Ekeren, die zullen hun inwoners niet nog een autoweg door het dorp willen jagen. Er ontstaat, ontstond een conflict van belangen dat ons in ernstige mate zorgen baren moet.

Maar de esthetiek van een hoge viaduct, die zoals de grote overspanning van La Défense een verlengde vormt van de Arc du triomphe in het centrum van Parijs, dat heeft toch ook een grote charme. Zo een bouwwerk, waarin het kunnen en kennen van deze tijd vorm krijgt, daar keken we eerlijk gezegd naar uit. Want het zou een ambitie uitdrukken die we de laatste decennia duidelijk verloren hebben. Ach, het gaat niet enkel om de betonboeren, het gaat ook om bouwkunde en om de idee dat er morgen ook nog leven mag verwacht worden.

Wie ook maar durft te gewagen over de esthetiek van bouwwerken, van publieke werken als autowegen, die loopt het risico voor gek of naïef gescholden te worden, terwijl we maar al te geschokt zijn als een of andere plaats niet of net wel voor het verkeer toegankelijk blijkt, zoals ons eens overkwam in Kluisbergen, waar midden in het bos een drankslijterij oudere en andere mensen op frisse pinten Oudenaerdschen en oud bruin onthaalt. Zelf vond ik het pijnlijke dat langs een bosweg zoveel verkeer gesluisd moest worden, terwijl anderen liever een viervaksbaan voor de wielen geschoven hadden gekregen. In sommige streken en regio’s wil men die moeite niet doen, houdt men bos en beemden verkeersvrij, waar je nog hartelust kan wandelen, tot een Michelin of een andere gids komt vertellen dat een afgelegen kasteeltje de omweg waard is en dan… Een goed afgewogen besluitvorming in deze zou ons cultuurlandschap of, waar het nog te vinden is, een natuurlijk landschap wellicht minder ontsluiten, zodat er grotere brokken onversplinterd landschap als biotoop kunnen dienen en zo de biodiversiteit ten goede komen.

We begrijpen deels de keuze wel een reeks tunnels te bouwen om de ring te ontlasten, want de omgeving van de stad moet leefbaar blijven, maar we begrijpen ter nauwer nood dat men geen argumenten vond om de actiegroep Ademnood de pas af te snijden en vinden des meer dat ook de St®aten-generaal zich aan een aperte vorm van bijziendheid bezondigd heeft, waarvoor er geen absolutie te halen valt. De reden dat ook op andere plaatsen zinvolle alternatieven voor wegverkeer worden geblokkeerd met analoge argumenten speelt hier zeker in mee, maar het is vooral de aard van de argumenten die ons heeft gestoord. De verdachtmakingen aan het adres van de ministers, de regering, de BAM, niet over het financiële plaatje, want dat dient correct te zijn, maar over tracé en bouwmodus, maakt ons mistroostig.

Want ja, zal men nu nog argumenten vinden voor een aanpassing van het Schipdonkkanaal? Te vrezen valt dat de opeenvolgende stappen in de besluitvorming ertoe zullen leiden dat de haven van Zeebrugge een moeilijk te bereiken kusthaven blijft, waardoor het wegverkeer alleen nog maar zal toenemen en daar kan alleen een nieuw, volwaardig kanaal een antwoord bieden, maar de vrees dat lokale besturen dit kanaal zullen afblokken, dat actiegroepen op allerlei emoties zullen spelen, zonder andere belangen te accepteren, zou wel eens voor de regio en de haven nadelig kunnen uitpakken.

Het viaduct, stelde ik mij voor, zou wel eens iets kunnen hebben van het aquaduct in Segovia, vlakbij de stad, natuurlijk en vroeger bron van leven, maar nu nog altijd een overweldigend beeldbepalend element in het stedelijke landschap. Ook het beeld van zo een volkomen onnuttig gebouw als een belfort…oeps, daar zal men wel afblijven, want dat is een reden voor veel bezoekers om de stad te bezoeken. En Gugenheim in Bilbao? Onze omgang met beelden, met stadsgezichten is nogal, tja, beperkt en laat weinig vernieuwing toe, laat staan de inplanting van nieuwe elementen.

Over smaken en kleuren – zegt een oude wijsheid – kan men niet discussiëren, maar we staan dan wel vaak paf dat mensen in de kunsten vallen voor kunst die nog nauwelijks als zodanig te erkennen valt, Fabres hespen op de Aula van de Gentse universiteit, Lady Gaga in haar recente outfit, ook al met fijne vleeswaren, maar inzake publieke werken de grootste argwaan en weerzin aan de dag leggen. Het is een tegenspraak die we niet kunnen duiden in termen van ervaren van schoonheid of het begrijpen dat van noodwendige ingreep in het landschap. Toen de maïsteelt in Vlaanderen steeds massaler om zich heen greep, konden we dat ook betreuren, maar goed, de landbouwer wil oogsten en moet ervan leven, op de een of andere manier.

Te gronde denken we dat in de afgelopen jaren vooral een spel om de macht is gespeeld en de brug of viaduct was het haast toevallige punt waarop lieden zich lieten gelden. De steden in onze regio liggen onvoorstelbaar dicht bij elkaar en vormen een megalopolis, binnen nog groter Europees geheel, waar we al of niet blij om kunnen zijn. Ter vergelijking, Nederland begint nu aan een nieuwe reeks deltawerken, grote bouwwerken om dijken te verstevigen zodat woongebieden noch door de zee noch door overstromende rivieren, Rijn, Maas en Schelde bedreigd zouden zijn, maar die op hun beurt in het landschap hun merktekens zullen nalaten. Waterstaat kreeg al kritiek te verwerken, politici denken ernstig na over de betekenis van die kritiek, maar lijken wel vastbesloten die dijken te verstevigen om te verhinderen dat het land gevaar loopt. Rampen als die van 1953 zullen niet meer voorkomen, daar rekent men op, daarom doet men het ook en dan worden de afwegingen gewichtiger, want er zijn levens in het spel. Voor de niet te bouwen viaduct bij Antwerpen riep men ook mensenlevens in, maar met fijn stof is het natuurlijk zo gesteld dat dit er nu ook al is en vaak in onbeheersbare hoeveelheden, omdat het verkeer rond de stad stil staat.

We hadden zo graag gezien dat Antwerpen er een paar nieuwe torens bij kreeg en een viaduct die de stad een doorkijk op de haven mogelijk zou maken. De tunnels zullen allicht ook hun dienst bewijzen, maar of het eenzelfde betrokkenheid, fierheid zou oproepen als zo een viaduct, daar durven we aan te twijfelen. De stad had een stadsdichter kunnen uitnodigen die brug en de aura ervan tot leven te wekken, zoals Lannoye deed met de Boerentoren, bij nader toezien een bron van esthetisch genoegen op een plaats die er op het oog weinig geschikt voor leek en lijkt. Of de Oudaan, de toren waar de politie huist? Niet te vergelijken? Voor ons wel, alleen, het zijn duidelijk andere tijden.

Bart Haers

woensdag 22 september 2010

De argwaan van Picqué

Van oude demonen,

verlos ons heer

maar laat ons niet vergeten wat gebeuren kon

Al sinds de jaren 1980 horen we in Vlaanderen de trommel roffelen dat Vlaanderen onder verrechtsing dreigt ten onder te gaan. Na 1989 was de verrassing groot dat het Sovjet-rijk zo snel in elkaar stuikte en dat het Westen de koude oorlog zou gaan winnen. Maar dat leek geen aanleiding om het falen van dat systeem ernstiger te onderzoeken, waartoe nochtans de nodige aanleiding toe bestond.

In diezelfde periode speelde, naar we nu kunnen oordelen voor het laatst, de discussie over amnestie op en bleef ook dat verleden in Vlaanderen en België onverwerkt. Het incivisme mocht niet vergeten worden, de redenen voor het niet vergeten waren duidelijk en de discussie of de holocaust nu echt het enige problematische aspect van het regime van Hitler was, bleef ook onbesproken. Of Hitler en zijn kornuiten wel zo rechts waren bleef al helemaal buiten beeld. Nochtans heeft in 2007, net voor zijn overlijden, de Nederlandse politieke en sociale wetenschapper J.A.A. van Doorn aangetoond dat de SPD mee het klimaat geschapen heeft voor het succes van de NSDAP, want, zo meende hij, de partij heeft vakmanschap noch het toebehoren tot een politieke samenleving erkend als redelijke uitkomsten van de ontvoogding van de arbeiders. Het eerste kon niet omwille van het strenge egalitarisme, het andere niet omwille van het internationalisme. Het boeiende essay kreeg helaas weinig aandacht hier te lande.

In de jaren na 1991 heeft men het Vlaams Blok, later Vlaams Belang buiten de uitvoerende politieke structuur gehouden, terwijl de rekrutering van kiezers duidelijk wees op een vervreemding vanwege de vroegere volkshuissocialisten en in globo het klassieke electoraat van de BSP, later SP en tot slot SP-a, of is het SP.a? Vandaag staat een andere partij in de kijker, N-VA en Franstalige politici laten verstaan te weten waar die partij de mosterd haalt. Misschien oogt het allemaal niet zo extreem, maar het gaat om nazaten van oud-collaborateurs, zoveel is zeker. Toch kan men gemakkelijk aangeven dat nogal wat leden van de progressieve intelligentsia - dit zou een pleonasme zijn - in hun stamboom een of meer prominente medestanders van de collaboratie tellen. Dat de generatie die nu in de N-VA actief is nog weinig herinnering heeft aan die generatie van toen, laat men voor het gemak achterwege, dat de hevigste aanhangers van het oude gelijk, dat van de collaboratie al in de jaren 1978 en volgende de VU verlaten hadden, ziet men ook over het hoofd.

De politieke conjunctuur in Vlaanderen zou eindelijk diepgaander en microscopischer onderzoek verdragen, omdat de verschuivingen in het electoraat sinds 1991 nooit zo heftig zijn geweest en dus zal men dit moeten trachten te begrijpen. Franstalige politici zouden overigens ook over deze vragen moeten nadenken, willen zij hun natie in deze tijden ten beste dienen. Noch de universiteiten, noch het leerplichtonderwijs blinken uit in kwaliteit, er zijn maar weinig auteurs die in Parijs aan de bak komen en Albert Frere blijft zijn eigen regio negeren. Okay, ook in Vlaanderen kan het investeringsklimaat heus wel beter, maar het culturele klimaat laat zien dat heel wat Vlamingen in het buitenland hoge ogen gooien, al vinden die mensen het niet altijd nuttig te laten weten dat zij Vlaming zijn. Sommige overigens presteren buiten weten van de publieke opinie boven verwachting, maar goed, dat heeft met het pontificale karakter te maken van de kunstensector en de wereld van de ideeën, publicaties.

Hiermee zijn we weer bij de opzet van deze bijdrage, namelijk aangeven dat er in Vlaanderen boeiender ontwikkelingen aan de hand dan het in leven houden van oude demonen, van collaboratie en nazisme. De plannen voor de onderwijshervormingen die Pascal Smet vorige week op tafel legde, werden door velen met zorg bekeken, maar in de media kwam er behalve van de top van het Katholiek onderwijs, weinig weerwerk. Academici klagen dat de kennis van wis- en natuurkunde achteruit gaat, dat vertrouwdheid met teksten, in dode en levende talen achteruit gaat, dat de ontplooiing van de leerling meer dan ooit afhangt van het thuisfront. Maar net dat thuisfront in Vlaanderen is vaak goed onderlegd, wil de kinderen met kunsten en wetenschappen vertrouwd maken. Reactie van de politici en technici: we moeten het onderwijs zo hervormen dat dit voordeel niet meer speelt. Zoals eens in de SU en Hitler-Duitsland ontstaat een klimaat waarin mensen zelf hun kinderen bijbrengen wat de staat en het publieke onderwijs hen onthouden wil. Waardoor het probleem van de achterstand bij een deel van de jongeren er alleen maar groter op wordt.

Maar misschien nog meer is het zo dat ondanks de grote verschillen wat de samenleving aan technologische mogelijkheden kent, dat vakmanschap en ambachtelijkheid in de beste zin van het woord voor de intelligentsia en experten van geen tel is. Tot slot moeten we aangeven dat het vermaledijen van de zogenaamde elitaire cultuur en het voortdurend promoten van een geldgeile entertainmentindustrie nu ook niet bepaald een privilegie is van rechts. Het zijn helder formulerende en welbespraakte intellectuelen die van slag om slinger aan komen draven met de bewering dat Vlaanderen er een conservatieve artistieke smaak op na houdt, maar over programma's als mijn restaurant zal men hen niet horen, laat staan dat ze hun neus ophalen voor de betere keuken.

Laten we vooral niet vergeten dat het nazisme er geweest is en velen kon verleiden, maar laten we dus ook niet vergeten dat sinds 1945 de samenleving in Europa er volkomen anders is gaan uitzien. De kwesties die we nu aanhangig moeten maken in de opinievorming werden door mensen als René Cuperus, Paul Scheffer, Ayaan Hirsi Ali en J.A.A. van Doorn aangedragen. Ook Tony Judt kan men maar moeilijk rechts noemen, net zo min als Timothy Garton Ash... Waarom het publiek dan altijd weer bestoken met platvloerse berichten, afgetapt van Fox en Britse tabloïds? Waarom politiek bedrijven herleiden tot een oorlog met de taal als ultiem wapen? Deze kwesties belichten zou duidelijk maken dat het met de democratie en de samenleving ernstig gesteld is, maar dat het de burgers niet echt deren kan omdat zij via bladen als Le Monde, FAZ, The Economist en andere info-kanalen wel degelijk behoorlijke info kunnen verwerven. Met deze vaststellingen voor ogen lijkt het ons van den gekke om steeds maar weer mensen vast te zetten in een verleden waarvan men zelf ook niet de volle draagwijdte wil kennen: het burgerlijke verzet tegen Hitler of tegen Stalin ontgaat ons wel eens vaker.

vrijdag 17 september 2010

Tentoonstelling Charles van der Stappen

Beelden vertellen meer

Lectori salutem,

Daar liepen we weer door de zalen van de Koninklijke Musea voor schone Kunsten te Brussel, een uitgelezen ruimte om de schoonheid in vele vormen en gedaanten te ontmoeten. Wie uit de aanzuigkracht van het Magrittemuseum weet te blijven, kan echt wel genieten van de zalige rust die in de zalen hangt, voor sommigen zal het saai en duf lijken, maar ontdekken wat een beeldhouwer als Charles Van der Stappen ons naliet, blijft toch boeiend. We kennen beelden van de man in het Jubelpark en ook in de Botanische tuinen blijkt hij nog opvallend aanwezig maar als naam is hij mettertijd in de vergetelheid geraakt.

Opvallend toch dat deze voorloper die tussen het classicisme en het realisme staat inderdaad aan de moderniteit een gezicht gaf, wat fel afsteekt bij wat anderen in diezelfde periode nog lijkt te gelden. We zien van hem aan de Kleine zavel het beeld van Willem de Zwijger, we weten dat hij een beeld maakte van de stedenbouwers en gaf daarmee zijn kijk op de moderniteit, zonder het klassieke te verloochenen. Zoals wel vaker het geval is, blijven beeldhouwers vaker onbekend en onderbelicht, terwijl zij precies mee onze omgeving aankleden.

Toch vormt het kijken naar beelden, driedimensionele structuren, een moeilijker zaak dan men op het eerste zicht zou denken. In die zin blijft het merkwaardig hoe gemakkelijk we beelden omver willen halen. Het vergt meer inspanning om te kijken naar een beeld en er de taal van te begrijpen dan naar film of picturale beelden. Al of niet geïdealiseerd, al of niet van connotaties en iconografische topoi omgeven, wat betekenis toevoegt aan het gewone weergeven van een werkelijkheid, staat het beeld daar en kan men er moeilijk omheen, al zal men wel eens vergeten te kijken.

De kleine tentoonstelling laat zien hoe rijk de inventiviteit van de kunstenaar kan zijn. Het past daarbij te zien hoe bijvoorbeeld Georges Minne of Rik Wouters op hun eigen manier voortbouwden op wat Charles van der Stappen was begonnen. De leerlingen lieten begrijpen dat de leermeester hen meer dan techniek had bijgebracht. Als we rondlopen in Brussel, Gent of Brugge zien we ten allen kante traditionele beelden, maar ook valt het op dat vroeger reeds ook het bijzondere een plaats kon krijgen in het stadsbeeld. De aankleding van de stad was vanouds een belangrijke bezigheid van de stedelijke magistraat en in de negentiende eeuw kreeg dat een uitgesproken didactisch karakter. De beelden van Van der Stappen laten zien, zoals bijvoorbeeld “de goedheid” dat dit fraai kon uitpakken. De vormgeving van Mort d’Ompdrailles doet ons nadenken want dit beeld, ontworpen in 1892, lijkt op een bizarre manier, ondanks het mytische karakter een nieuwe tijd op te roepen. Het beeld verwijst naar een roman van Leon Cladel (Een van de romans van Leon Cladel bezorgde hem zelfs een maand gevangenis, wat we ons vandaag niet meer kunnen inbeelden.), die Van der Stappen ongetwijfeld kende en besprak met Edmond Picard, een van de opvallende figuren in de late negentiende eeuw in Brussel, als jurist en als intellectueel. De strijder die zijn maat weg voert, uit het strijdgewoel? In elk geval doet het denken aan later bij Rodin, Minne en anderen zo opvallend zal worden, het oog voor het menselijke en voor het realistische, zonder de beate verering van een schoonheidsideaal, dat al te vaak niets zeggend en vaag, maar vooral weinig uitgesproken was.

Kortom, het verheugde ons dat we van deze tentoonstelling konden genieten en menen dat dit kleinschalige voorstellen van een kunstenaar voor de toeschouwer echt wel een ontdekking kan zijn. De naam was ons niet onbekend maar wie de man was, wat hij deed en wat hij ons naliet, blijkt nu plots van een grotere betekenis, terwijl de esthetische ervaring ons vooral bijbleef, dat beelden veel kunnen vertellen en onze kijk op schoonheid weer eens wat meer stof gaf. Het is aangenaam af en toe zo een feest mee te maken.

Vale

Bart Haers

donderdag 9 september 2010

een beeld van de stad

Vorstinnen van Brugge

Ooit op televisie een serie,
Een beeld ook in een verhaal
Van een Franse koningin
Die de dames in de stad arrogant

Verweet zich met haar te meten
Wellicht roept de stad ook elegantie op
Nodigt dames uit het beste beentje voor te zetten
Spoort hen aan zich te meten
Zich te presenteren

Ons stoort het geenszins
Zoveel schoonheid te aanschouwen
Zoveel elegantie
Zelfbewustzijn

Maar ook betreuren we het
Als zij zo snel weer verdwijnen
Andere oorden zoeken
Waar ’t leven meer lijkt te bieden

Brugge, stad van vorstinnen eens
Wat doe je om hen hier te houden
Deze elegantie, zelfbewustzijn
Welgeschapen figuren?
Laat hen toch verwijlen, die vorstinnen
Bart Haers

dinsdag 7 september 2010

De Wereld draait door

Hans Keilson

Een honderdjarige in de studio, die praat over zijn boeken en die zich geen aura van miskenning of heldenmoed laat aanmeten, het wekte onze verbazing. Wie is die man, die nu plots in New York tot de auteur, minstens een van de auteurs van de 20ste eeuw wordt gerekend? Een boeiend en onverwacht moment, een gelegenheid ook om vast te stellen wat goede televisie kan zijn, een opening bieden voor fenomenen, gebeurtenissen en inzichten die nog geen algemene erkenning of betekenis hebben. We vinden onszelf zo graag gebeten om te weten, maar de waarheid is dat we ons niet graag van ons a propos willen laten afbrengen.

Tot nog toe was de man mij onbekend, maar het verschijnen en de manier waarop hebben me wel voor hem ingenomen. Of ik zijn geschriften in handen kan krijgen, weet ik nog niet, maar we kijken er wel naar uit. Zou ik dan meesurfen op een hype? Misschien wel, maar in deze was er een televisiemoment, een gesprek met een oude man, die zich liet kennen als nederig en toch zelfbewust man, nederig, ten aanzien van de goede fortuin, zelfbewust tegenover de verwachtingen over Nobel- en andere prijzen. Hoevelen onder ons zouden er dan niet zijn, die ook iets te melden hebben, maar niet passen in een televisieformat? Het is wellicht het verschil tussen De Laatste Show en DDWD.

maandag 6 september 2010

Uit de bibliotheek van toen

Kleinbeeld


De schrijver en het vat inspiratie


Beste,

Ik las in Knack deze week een stukje over de korte doorlooptijd van boeken, zelfs geen drie maanden wordt een boek nog gegund om het te maken, drie weken moet volstaan. Laten we eerlijk zijn, er zijn boeken die het op drie weken kunnen maken en er goed uitkomen, maar een boek als De Seizoenen, van Clem Schouwenaars is tegelijk gedateerd en verrassend actueel. Blijkbaar is het zo dat een auteur die teveel van het dagelijkse rumoer in het boek stopt, dat boek ook – volgens sommigen – hopeloos dateert, maar wie er goed over nadenkt, komt tot de bevinding dat geen enkel boek, verhaal aan de tijd ontsnapt, hoe tijdloos men ook schrijven wil. Voor de kwaliteit van een boek is het feit een concreet tijdskader er een rol in speelt, het gebruik van telefoon, de eindeloze installatieperikelen van de RTT etc. en de tikmachine aan bod komen van geen tel.

Wat me nog meer aan het hart gaat en verwondert is dat ik met de inzichten, althans de politieke, over het burgerlijke, links en rechts hoegenaamd geen band heb, maar toch het werk en hoe hij omgaat met die denkbeelden wel kan smaken. Tot spijt van wie het benijdt immers denk ik dat vandaag, anders dan in de jaren toen dit boek er kwam, de idee van de working class hero wat potsierlijk is geworden en dat kleinburgerlijkheid en burgerlijke cultuur nog altijd elkaars tegengestelden zijn en blijven. Maar tegelijk is dat wat men het volkse noemt, Clems aandacht voor de zogenaamde mens soms wat gemaakt lijkt, ongemakkelijk ook maar net daarom zo wezenlijk deel uitmaakt van wat we vandaag kaviaarsocialisme noemen, een verontwaardiging over het lot van den armen maar vooral het systeem willen wijzigen om er iets aan te verhelpen, zonder die arme in de ogen te hoeven zien. Het universeel menselijke houdt hem bezig, van de uniciteit merkt hij zoveel niet en toch, ondanks het kuddegedrag, blijken de figuren waarmee hij contact heeft, Frits, Noël, Lily, Mireille, de postbode en de boer, Cyriel, ze hebben allemaal iets dat hen onderscheidt van de anderen. Het leven in de stad, het leven te lande, hij stelt het scherp tegenover elkaar, maar er is meer dat het verbindt, dan hij vooraf gedacht had, want de anonimiteit van de stad en de sociale controle op het land, geen van beide sluit eenzaamheid uit of vormt een voorwaarde dan wel hinderpaal voor vrijheid.

Fascinerend blijft het ook hoe men links en hoogstaande cultuur met elkaar lijkt te verbinden of de schoolvosserij, de kommaneukende leerkrachten aanpakt en tegelijk vergeet dat niemand toegang krijgt tot de schone kunsten tenzij na introducties, inderdaad liefst niet via de school alleen, maar ook via het onderwijs. Het denken en leren denken over de dingen en er tegelijk een plaats in krijgen, vormt in De Seizoenen een boeiend thema. De verwijzingen naar Bach en andere muziek, de idee op het thema van de Kunst der Fuge een dichtbundel te schrijven, moderner kan men zo te zien niet uit de hoek komen en tegelijk zien we dat de auteur zich ook wel ergert aan beunhazerij, aan een intellectualisme dat zichzelf een rad voor de ogen draait.

Bij Clem Schouwenaars lijkt er ook nog iets anders spelen, het ontdekken van de vrije liefde, van een leven als Casanova, dat hem op het ouder wordende lijf geschreven lijkt en de onmogelijkheid van anderen om met een vrouw tot intiem contact te komen. De wereld voor HIV-Aids de wereld ging teisteren komt aan bod, maar toch ook, de wijze waarop hij vrouwen hun smoezen kwalijk neemt, de redenen waarom ze voor zichzelf de vrijheid nemen voor een vluggertje of voor een buitenechtelijke relatie. Het praten, eindeloos over de eigen onmondige en onhandige echtgenoot, met wie ze toch maar getrouwd blijven, Eric Rohmer, zeg maar.

Wat moeten we met de monologue intérieur van Anton Zevenbergen die het boek volume en dynamiek geeft? Soms lijkt het nauwelijks de toogfilosofie te ontsnappen, maar slagen we daar zelf altijd wel zo goed in? Is het ook niet zo dat geregeld merken dat wat we menen te denken en voor origineel houden in wezen de communis opinio weerspiegelt? De auteur kan niet anders dan binnen de tijdsgeest te blijven, lijkt het wel en Anton Zevenbergen ontdekt dat het de schrijver verkieslijker is nederig te blijven en dat wat men schrijft inderdaad te zien als iets van de tijd. Opmerkelijk blijft dus dit boek, want het vertelt ons hoe het leven ons wel eens een slag toebrengt, zelfs een voorspelbare ontgoocheling, ontdekt Zevenbergen, terwijl het ook laat zien dat afzondering, de confrontatie met het zelf best wel wonderlijke resultaten kan afwerpen. Vorm en inhoud, de cyclus der seizoenen, de ups and downs in de verschillende levens maken het verhaal tot iets wat we de laatste tijd niet zo heel vaak meer merken, dat is dat een auteur zijn held laat evolueren doorheen een beperkte tijd. Zijn de inzichten spectaculair? Achteraf gezien niet, maar het blijft wel een evolutie en daarom een zoektocht wat een (ouder wordende) man met het leven kan aanvangen, waarbij Zevenbergen zichzelf niet wil sparen.

Toch raakte deze auteur vergeten, of, erger, deed men weinig om zijn werk onder de aandacht te houden. Toch komt het me voor dat hij een van die andere stemmen is, die naast Claus best gehoord kunnen worden, wil men het literaire gebeuren na WO II enigszins in kaart brengen. Maar belangrijker is nog dat zijn werk aandacht verdient, omdat het een grote authenticiteit aan de dag legt. Geen authenticiteit die berust op de biografische werkelijkheid, maar de beleefde werkelijkheid. Nog eens, zijn linkse gedachtegoed is ons vertrouwd genoeg, zelf staan we er behoorlijk kritisch tegenover. Maar wie niet links kijkt is gezien, lijkt het wel meer dan ooit, want wie niet progressief links is, is rechts, onvermijdelijk. De linksigheid waar we mee geconfronteerd worden komt ons nogal elitair voor, bekijkt mensen nogal eens als simpele duiven zonder persoonlijke betekenis als ze gewoon hun dagelijkse leven leiden. Clem Schouwenaars laat zien dat hij die misvatting ook niet deelt. Maar hij wil niets met burgerlijkheid te maken hebben, het portret van de notabelen van het dorp is duidelijk genoeg.

Wie zal hem tegenspreken? Wel, men kan gemakkelijk vaststellen dat de schrijvers, kunstenaars het al die tijd van die vermaledijde burgerij hebben moesten, de dames en heren die tijd hebben om te lezen, om naar de muziek van Bach of Reich, Glass of Mertens te gaan luisteren en Jan Fabre of Luc Tuymans, Landuyt of Rik Poot te kijken er mee vertrouwd te raken. Ergens in een van zijn boeken heeft Schouwenaars het over de marmeren corbillard van de beeldhouwer Gerard Holmens wat me altijd is blijven verrassen. Holmens was onder andere bevriend met Fernand Kessels een fietsen- en autohandelaar, wier kinderen in de muziekwereld hun plaats vonden. Fernand Kessels was ook bevriend met Eddy Merckx, om maar te zeggen, de wereld is heel klein, in Vlaanderen dan toch. De burgerij, de wereld van handelaars, fabriekanten, ondernemers en de gekende Belgian Dentist, dat was en is een biotoop waarin de kunstenaar gemakkelijk opgenomen wordt en die vaak zorgt voor het dagelijkse brood met beleg van de schrijver en de kunstenaar. Verwondering dan ook toen de criticus Zevenbergen verneemt van zijn krant dat zijn recensies van dichtbundels niet meer passen bij de linkse (?) krant, wellicht de krant van Koppen van den Eynde. Die situatie is ons niet onbekend, maar vandaag zien we dat kranten met recensies een soort marketingspel spelen, reputaties maken en kraken zonder dat er echt ruimte is voor polemiek.

Beste, de tijd van de vergetelheid is voor een schrijver erger dan het nabestaan voor de gewone mens, want zijn of haar werk verdwijnt in het stof en het moet al lukken dat iemand het werk terug opgraaft. En toch, te vrezen valt dat het schandelijke misbruik dat de stad A nu maakt van Willem Elsschot om redenen van city-marketing voor de schrijver en zelfs de ondernemer Alfons de Ridder nog net iets erger is. De schrijver en dichter, met die ongemeen sarcastische kijk op mens en wereld, wordt dit jaar met zoveel ernst uitgedragen, dat men er het genieten van het werk bij inschiet. We weten wel, toen in 1991 het Mozartjaar gevierd werd, toen later andere –jaren aan de orde waren, omtrent van Goch en anderen, bleven we steeds verweest en verdwaasd toekijken hoe de handelaars de zaak overnamen en er een zootje van maakten. Tegelijk zal men het vertikken voor het werk van Georges Rodenbach aandacht te wekken - er is nu wel iets ten goede veranderd -, hoezeer die ook voor Brugge ook een referentie is, omdat hij Brugge als een dode stad zou beschrijven, terwijl de goede lezer merkt dat het de protagonist is die verstorven in zijn verdriet de stad met melancholie en dood omkadert, terwijl net in het andere boek, Le Carilloneur de Bruges, de stad als strijdperk dient tussen de oude en de modernen, iets wat overigens ook bij Schouwenaars en terugkerend thema is, ook wat architectuur betreft. Waar we het over hebben, mijn beste? Over het feit dat het boek, de vertelling, de roman allerminst dood hoeft te heten, dat het de inspiratie is die de auteur de mogelijkheid biedt, een wereld te scheppen die beklijven kan. Opvallend toch hoe een hele generatie opgroeide met de idee van Claus dat alle malheur in deze wereld, Vlaanderen van internaten en pastoors kwam, nu weer volop voor het internaat kiest voor hun kinderen. Voor priesters niet, die staan aan de kant, kunnen zelfs niet meer treuren om de wereld die voorbij is, maar dat is een ander verhaal.

Graag besluiten we dan ook deze kanttekeningen bij het herlezen van De Seizoenen ons behalve een nostalgisch gevoel van het herlezen toch ook duidelijk maakte dat het lezen van boeken uit die tijd, we dachten ook aan Cresus, ons ervan overtuigt dat Schouwenaars meer verdient dan een kleine schare bewonderaars. De vorm van het werk, de stijl en het register, het wisselen van taalregisters blijft ons boeien en hopen dan ook dat de auteur niet echt vergeten raakt, want hij is wellicht een van die stemmen die mee het literaire leven vorm hebben gegeven in Vlaanderen. We hoeven het niet eens te zijn met hem om te begrijpen dat zijn werk betekenis heeft en het herlezen meer dan waard is. Maar lezen vergt tijd en toch, we steken er graag enkele uurtjes in.


Vale,


Bart Haers

vrijdag 3 september

Een heruitgave vindt men in de betere boekhandel, op initiatief van de Gevallen Engel en verzorgd door Booksandthings.

zie ook:
De Gevallen Engel vzw, Sint-Jacobskapelle, Diksmuide www.degevallenengelvzw.be
en Books and Things, Edegem, Antwerpen www.booksandthings.be

vrijdag 3 september 2010

De wilde natuur fascinans et tremendum

Fascinatie en verwondering
Het getemde en het wilde landschap

Simon Schama, Landschap en Herinnering, Olympus Non Fictie, 2007 pp 701, prijs: 17,50


Begin deze zomer vond ik een boek terug, dat ik jaren geleden, in 1996 had genoten en waarna ik het spoor ervan bijster was geraakt. Simon Schama is voor historici altijd al een uitdaging geweest omdat hij zich vaak op sporen begeeft die het bekende beeld in de war sturen kan en onze denkbeelden over natuur en cultuur op de helling zetten kan. De kwestie blijft hoe we de natuur, die we danig naar onze hand hebben gezet, kunnen blijven bejegenen als was die natuur nog vreemd aan ons. Niet iedereen was even opgezet met dit boek, wegens teveel en soms wat te gezocht, maar wellicht gaat het erom dat de gekende stemmen over bos en zee, berg en woud, rivieren en tuinen al eindeloos is uitgemolken, maar ook omdat al te vaak een discussie ging over principes en over de grote lijnen, zonder dit in de ervaring te gieten van het menselijke avontuur. We merken ook dat we onze ruimtelijke ordening niet zomaar kunnen aanpassen aan onze noden, al was het maar om onze voorraden grondwater op peil te houden. Bossen bijvoorbeelden houden heel wat water bij en geven het tijd om voldoende weg te zakken in de bodem.
Toen ik las hoe Dimitri Verhulst van een reisje van zijn moeder met haar nieuwe liefde naar het Zwarte Woud zo een kleinburgerlijke onderneming maakte, vond ik dat kenschetsend want in de jaren 1980 gingen nog maar weinig mensen naar de Jura of het Zwarte Woud, zeker niet als groepsreis. Het blijft wel aangenaam om er te wandelen, de stadjes te bezoeken en in sommige meren is het aangenaam zwemmen of zeilen. Maar tegelijk, de onderdoordringbaarheid is voor ons toch wel relatief, want er liggen goede wegen in het gebied en men kan zeggen dat het een prachtig park is. Sommigen zullen deze kwalificatie maar niets vinden, maar van de oude ongereptheid blijft niet zo heel veel over. In het spoor van Heine, Schiller en Goethe trokken we ook eens door het Thüringerwald en vonden we er heel veel rust en stilte, maar ook hier viel het ons op, van de gemakken van de beschaving komen we zelden los: bossen in overvloed, maar ook autowegen en natuurlijk mooie landhuizen, parken, hotels… prachtig was het wel, maar men komt er niet na veel inspanningen, maar via goed aangelegde wegen en met goede kaarten bij de hand. Toch blijven we graag de woudervaring koesteren. De beschrijving die Simon Schama geeft van deze parken, sorry, wouden, doorheen de tijden kan men best spectaculair noemen, omdat hij aantoont hoezeer we de natuurlijk gedachte natuur, vooral dan bossen, bergen en rivieren zo graag als sporen van het oude Europa zien, onaangeroerd door de mens, terwijl de mens van rivieren en bossen al lang een eigen creatie schiep, waarin deze zich thuis voelde. Het donkere van de wouden? We verlangen ernaar, maar we koesteren graag en bewust de illusie. Schama beschrijft de illusie van Yosemite, de sequoia-bossen, de big trees, om aan te geven hoe ook de oorspronkelijke bewoners van het gebied ermee omgingen. Maar indrukwekkend blijven ze wel. Alleen, de weg erheen is geen uitdaging meer of veel minder dan dit ooit het geval was.
Tacitus beschrijft Germania als een groot en ondoordringbaar woud, waar nauwelijks beschaafde mensen woonden, terwijl al langer duidelijk is dat de cultuur van de oude Germanen niet zo ruw was en ongekunsteld als de Romeinse auteur het wilde laten uitschijnen. Zijn opzet bestond er dan ook in de Romeinen een spiegel voor te houden en te laten zien dat als zij zich niet een weinig van hun steedse decadentie ontzegden, zij niet in staat zouden zijn de druk van deze wilde volkeren te weerstaan. De kritiek van Tacitus op de Romeinse zeden en gewoonten en de val van Rome kan men chronologisch niet samen zien, want Rome, het Romeinse rijk verdween pas een viertal eeuwen later en bleef in het Oosten nog 1400 jaar intact.
Ook de wandeling door Sherwood, het rijk van Robin Hood in het gezelschap van Simon Schama bracht ons heel wat leesplezier, maar ook het inzicht dat het Engeland, dat lange tijd fier was op zijn bossen en wilde landschappen al lang onder invloed van bosbouw en woudkap staat en dat er van die wildheid nog weinig rest. Laat u daarom echter het genot van een wandeling door Essex, Surrey of hoger op, voorbij Oxford niet ontzeggen, de bossen blijven er groter en indrukwekkender dan in Vlaanderen of Nederland, waar we al helemaal ons hele areaal aan de sturende hand van de houdvesters onderworpen hebben. Reeds Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen van 1154 tot 1191 vaardigde voorschriften uit om het koningswoud, waar nu het Zoete Waasland ligt, te beschermen, want alle hoge eiken leken als sneeuw voor de zon te verdwijnen.
We verwijzen niet zomaar naar Vlaanderen en Nederland, want in NRC was bij verschijnen van het werk van Schama in 1995 al de opmerking gemaakt dat deze gewesten niet aan bod kwamen, maar dat is bijna vanzelfsprekend, omdat in Vlaanderen en Nederland er nog heel weinig natuurlijk landschap over blijft en al helemaal geen bosgebieden van enige omvang. Polders en wateringen, aardige houtwallen en op heuveltoppen goed onderhouden bossen, eerder parkbossen maken het landschap tot fraai aangelegde recreatiezones waar stadmensen graag komen toeven en er al in de vijftiende eeuw huisjes en huizen van plezier zochten en vonden. De zondagse wandeling naar het Leen bij Eeklo of het bos van Lembeke? Dat zijn bescheiden bosarealen in een uitermate verstedelijkt gebied en eenzaam kan je er zelden wandelen.
Zou het toeval zijn dat Schama begint met de familiegeschiedenis en het feit dat zijn grootouders in het woud ten oosten van Polen, waar het bosbestand echter ook door onder meer handelaars uit Holland, Londen en Duitsland vanaf de zestiende eeuw ernstig onder druk kwam te staan. De familie Schama liet zich in met het transport van de afgezaagde bomen naar de kust, waar ze verscheept werden naar Europa, omdat hier de grote eiken en beuken, nodig voor de bouw van huizen en vooral schepen domweg al lang door houtvesters waren weg gestroopt. Gestroopt? Er valt doorheen het verhaal een merkwaardige tegenspraak op te merken tussen de officiële politiek van bescherming van de (Koninklijke) wouden en de feitelijke exploitatie van diezelfde rijkdommen. Alleen Frankrijk lijkt zich te hebben ontpopt, onder Colbert tot een strak georganiseerd systeem van woudbescherming, maar ook daar zal men vooral bosaanplanten vinden waar men (oer-)bos verwacht had.
Toen we goed dertig jaar geleden voor het eerst echt Oorlog en Vrede lazen en de troep van Kapitein Denissow naar Leipzig volgden, was het ons al op gevallen hoezeer Tolstoj erop wees dat Napoleon zich de ruigheid van het landschap niet had kunnen voorstellen, ook al was hij wel bekend met de geografie van de streken waar hij doorheen moest trekken op weg naar Moskou. Hij sprak over de weg van Smolensk naar Moskou, maar had zich als Europeaan niet verwacht aan de grote afstanden, de relatieve leegheid van het landschap en het feit dat de mens het landschap maar gedeeltelijk in cultuur had gebracht. Ook later, toen we met de veldtocht van Hitler naar Rusland bezig waren, viel het ons op dat we telkens weer te horen, te zien en lezen kregen dat het weer de successen van de eerste maanden in vastlopende fronten deed verkeren en vervolgens in een uitputtingsoorlog deden uitlopen. Zelfs Leningrad omsingelen bleek een moeilijke opdracht en al duurde die 900 dagen, kostte die onderneming het leven van vele inwoners van de stad, toch was de wildheid van de omgeving van de stad uiteindelijk de onoverkomelijke hindernis. In Stalingrad, een enorme industriestad aan de Wolga was al niet minder een probleem van landschap, of liever, van het ontbreken van wegen en leefbare omgeving. Voor de Russische troepen was dit telkens weer pas een voordeel als de generaals en troepen die gesteldheid in eigen voordeel wisten om te zetten. Vasily Grossman beschreef hoe hij bij zijn tocht in het spoor van de troepen vanuit het achterland van Stalingrad naar Berlijn getroffen werd door het verandering van de omgeving, van de woeste vlakten rondom Koersk naar het landbouwgebied van Oekraïne en vervolgens, een soort apotheose, het vertuinde Duitsland.
Merkwaardig dan ook dat net de ideologie van het Nazisme zich entte op zowel de traditie van het Teutoburgerwald, waar in de eerste jaren van onze jaartelling Varrus door de Germaan Hermann werd verslagen, in het jaar 9 en vervolgens, in 69 na christus nog eens herhaald door Julius Civilis, die de Bataven aanvoerde tegen de Romeinen. De bedenking dat de nederlaag door Varrus geleden zoveel invloed kon hebben, in een volop geïndustrialiseerd land blijft heel vaak onderbelicht, maar we hebben de indruk dat de uitgebreide lezing door Schama van Tacitus net hier een impliciete oefening op vormt: Hitler en de NSDAP waren en zijn in die zin een uitgesproken gevolg van de modernisering van Duitsland, alle verwijzingen en uitputtende exploitatie van de (romeinse) mythe over het oude Duitsland ten spijt. Schama wil aantonen dat de natuur door cultuur begeesterd werd en dat de sprookjes en verhalenschat over het woudleven in Duitsland al zo lang niet meer aan de realiteit beantwoordde dat het gebruik ervan al in de negentiende eeuw bij wijlen geforceerd was, onmogelijk te handhaven. Ook “de reis naar het Morgenland” van Herman Hesse, een scherpe criticus van het nazisme, van een Duitse hang naar een onherstelbaar verloren paradijselijk leven in het woud, laat zien hoe de stedelijke jeugd van Duitsland als Wandervögel de natuur gingen opzoeken. De reis naar het Morgenland was en blijft een ironische schets van hoe we ons uit de stedelijke en verstedelijkte terug willen trekken en in de natuur onszelf terug vinden. Uiteraard niet in de mooi afgebakende velden en beemden, maar net in het woeste land van de bossen.
Schama ontwikkeld een schema dat hij ook aan de rivier en het gebergte toetst, plaatsen waar de natuur ongerept zou zijn, terwijl zelfs daar de mens zich meester van heeft gemaakt. Chamonix vandaag? De Alpen, met de goed bewegwijzerde paden door het gebergte en zelfs het beklimmen van bergen verloopt grotendeels langs gebaande wegen. De opeenvolging van de expedities, van schetsen in woord en beeld van het hooggebergte, van de heuvels van Wales en Schotland, van Arcadië ook, hebben in de loop van de negentiende eeuw het toerisme naar het wilde van de bergen op gang gebracht. We stonden ook wel eens op de Sustenpas en waren ontdaan door het gemak waarmee reizigers van de wegen en paden gebruik maakten. We vonden het eindelijk bevreemdend en de reden?
Vanuit Innertkirchen voert de weg omhoog door het spaarzaam bewoonde Gadmental. Enkele kilometers voor het hoogste punt slaat naar rechts een weg af richting de 4,5 kilometer lange Steingletsjer waarvan het uiteinde op 1.940 meter hoogte ligt. Bij de gletsjertong ligt een klein meer, dit is vanaf de parkeerplaats in enkele minuten te bereiken.
Dit kan men lezen op Wikipedia. Erg verrassen kan het niet maar wel is het tekenend voor de wijze waarop we ons van de toegang tot dit gebied hebben verzekerd, net als de tandradsporen en de kabelliften. Het zijn prachtige uitvindingen, maar hoe schat men het verlies aan charme, aan uitwerking als je de hele weg op de weg kan blijven of onder de masten van de kabellift moet laveren? Toch, we zien hoe we van de infrastructuur bijna gedachteloos gebruik maken en zien nauwelijks nog hoe moeizaam het leven er ooit moet geweest zijn, al was het tegelijk wel zo dat men al heel wat langer dan wij geneigd zijn aan te nemen het leven geriefelijk wist in te richten. Dat spanningsveld brengt Simon Schama telkens weer aan de orde.
Et in Arcadia ego
Ook hier zien we hoe de betekenis van het Arcadia in de literatuur en de verbeelding aan de orde komt. Onvermijdelijk want Arcadia is zowat het icoon, het centrum van onze verbeelding van het wilde land, maar tegelijk ook, volgens Schama, volgens Mary Beart en John Henderson, het paradijs waar we ons kunnen laven aan de overvloed van het natuurlijke leven. Arcadië zou ons in een beweging alles moeten bieden, het vreselijke en gewelddadige waar Pan, Bacchus en de Amazones te vinden zijn, maar ook een gebied waar we kunnen ontspannen, waar we ons aan de geneugten van een niet door conventies en goede zeden hoeven gebonden te weten. Overal waar we er nog ruimte toe vinden richten we kleine stukjes Arcadië op. Voor elk wat wils, maar tegelijk, zoals we op onze reizen mochten merken geldt dit als een bedenkelijke verleidingstruck. Want als reisgidsen of literaire gidsen ons de weg wijzen vinden ook anderen de weg en is het gauw gedaan met de rust en zaligheid. Jawel, er waren plaatsen waar we die rust en stilte vonden, maar we mochten vaststellen dat we dan de tijd moesten nemen om te dwalen, te verdwalen ook.
De kritiek die over dit boek werd uitgebracht, mag niet doen vergeten dat het werk ons ertoe aanzet na te denken over onze verhouding tot de natuur, maar vooral dat we de natuur soms ver moeten zoeken. Wellicht moeten we die natuur ook verder zoeken als het ons eigen gedrag betreft, werden we het gewoon te menen als we ons al eens wild gedragen ons in onze natuurlijke staat bevinden. Recent vielen een aantal artikelen te lezen waarin over vrouwen verteld wordt die rond hun 30ste tot de bevinding kwamen dat hete betrekkingen met vrouwen voor hen toch wel iets kon betekenen. Men sprak van vervloeiende seksuele geaardheid. Of dit voor mannen ook geldt, blijft onduidelijk, maar feit is dat we ook in dit domein zoeken naar het natuurlijke, reden wellicht waarom zovele lezers en kijkers zich aan de Helaasheid der dingen konden laven, omdat het een beeld biedt van een wildheid die hen vreemd is. Wat ons niet zinde en zint is dat Verhulst dit voor een begin van de rit houdt, terwijl het wellicht eerder boeiend zou zijn die vermeende wildheid te cultiveren aan het einde van de rit. We hoeven dan niet te denken, zoals Schama stelt, aan een halve hectare grond om ons eigen tuintje te bewerken, maar kunnen in gedachten, woorden en daden, zonder schade een leven indenken waarin we weten dat we de disciplinering van de natuur wellicht onvermijdelijk is, ook onze menselijke natuur, maar ook en evenzeer, dat die disciplinering zonder momenten van loslaten, van dwalen en verdwalen wellicht zeer beklemmend kan werken. Daarom ook lijkt het ons dat Simon Schama met zijn onderzoek aandacht vraagt voor de illusie dat ons reizen naar goed van vele gemakken voorziene reisbestemmingen ons de illusie geeft de vrije natuur te vinden, zoals we in het uitgangsleven misschien wel eens ons vrije zelf denken te vinden, terwijl ook daar de illusie van het moeten en aangereikte de bevrijding zelf niet werkbaar blijkt. Het alternatief? Opnieuw de tijd durven te nemen om te dolen, Baedeckers, Michelins en andere “vaut le détour”achter ons te laten, wetende dat we in de polder of aan de oevers van een rivier toch nog altijd in cultuurland leven, maar te genieten van wat er echt is. Met andere woorden, Simon Schama spiegelt ons de charme voor van een begeesterd landschap, naar de hand van de mens gezet, maar dat opnieuw toch iets van wildheid kan krijgen, als we er zelf voor open staan. Arcadië kunnen we dan wel degelijk betreden en het hangt van ons af of we Pan, Bacchus ontmoeten dan wel een lieflijk Arcadië waar we een fraaie nimf het hof kunnen maken en haar verleiden kunnen tot hemelse vreugden, met erdoor heen geweven de draden van aloude wildheid, de natuurlijke drift als leidraad.
Het spreekt voor zich dat Schama zich niet aan de geijkte bronnen heeft gehouden, de historische kritiek ontbreekt niet noch de zin voor nuancering. We lezen dit boek daarom opnieuw met rode oortjes, want we herinneren ons wandelingen op de heuvels van de Beaujolais, van warme middagen in de buurt van de Saône en aan de kust van Bretagne. We ontdekken dat we ons terecht afvroegen waarom mensen zich naar de natuur zoeken te begeven en zich onderdompelen in dezelfde massa’s als ze in de stad plegen te doen. We kunnen de expedities nog wel achterna, voor ons blijft er maar iets te ontdekken als we onderkennen dat die vertuining van het landschap, de toegankelijkheid het resultaat is van een culturele dynamiek. Met Frank Ankersmit komen we op het terrein van de sublieme historische ervaring. Zoals we in Vladslo noch Passendale echt de oorlog kunnen vinden, maar ook in musea de werkelijkheid van WO I kunnen onderkennen, slechts bij het lezen van zowel Ernst Jünger als Erich Maria Remarque, Céline en Duhamel, kunnen we iets dichter bij komen. Een nacht in de herfst in een huisje in de Cayenne, de frontstreek in West-Vlaanderen zoals de intussen bijna vergeten Clem Schouwenaars dat beschrijft, kan de frontervaring benaderen, maar het bloed, het zweet en de tranen ontbreken dan nog, om het gedonder van het geschut niet te vergeten. Die wildheid hebben vele van de soldaten niet gezocht, al waren vele jonge mannen in Europa bereid voor wat glorie en decorum vrijwillig naar het front te trekken. Hoe na de oorlog dat verschoten landschap van de IJzervlakte liever niet hadden gerestaureerd, lijken we vandaag te vergeten. Ook de Vlaamse jeugd, jonge studenten die via Nederland in Engeland waren geraakt, bleken bereid zich voor die strijd vrijwillig te hebben ingezet, maar werden even goed dupe van hun offervaardigheid. Toch is de oorlog, zoals Jünger schreef een uitzinnige ervaring waarin mensen zich ook goed konden voelen, zich tot leven voelden komen. Het moet er ons op attenderen toen we, of liever de generaals aan beide zijden van het front het vertuinde landschap uiteen hadden geschoten, de wens om het vertrouwde te herstellen van Nieuwpoort tot Bazel al gauw de overhand kreeg en na WO II ook Duitsland al gauw die levenskracht hervond, althans het Westen. Het roept bij ons vragen op over wat we het Platoonse wereldbeeld zijn gaan noemen: dat er een soort ideale wereld zou bestaan, onvervangbaar, onverwoestbaar, waarnaar we onze eigen wereld vanzelf zouden schikken. U weet wel, niet elk paard is Brunello, maar elk wezen dat op Brunello lijkt, is een paard. Vandaar dat we vandaag nog denken dat we honden en andere dieren kunnen fokken naar een ideaaltype. Ook van de wildheid koesteren we zo een ideaalbeeld, sex, drugs ’n rock ’n roll, toch? Met andere woorden, hoe zou zo een studie over de menselijke psyche, maar ook over het menselijke lichaam en de betrekkingen tussen lichamen eruit zien, als we het boek van Schama als leidraad of schema zouden volgen?
Bart Haers
Dinsdag 31 augustus 2010