Als de ziele knijpt


Kleinbeeld

Hoe we gezond worden
De geestelijke gezondheidszorg in het vizier


Hoe we het menselijk handelen begrijpen? Er zijn de algemene
inzichten en er is het particuliere geval. Is het onwetenschappelijk
dat individuele te bekijken? Of het individuele bekijken en dat met
vakmanschap te bekijken, niet tot betere resultaten kan leiden, blijft
te zeer buiten het debat. 
Aan het einde van de mis, net voor de communie sprak, sorry, spreekt de gelovige een mooie mantra uit: “Heer, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden”. Voor u steigert, voor u een referentie aan een katholiek gebed niet vindt kunnen, komt het mij voor dat deze gedachte vandaag voor een persoon wie de ziele knijpt best eens helend kan werken. Het is een smeekbede waarvan ik de oorsprong niet ken, maar dat niet vreemd kan zijn aan de gedachten en handelingen die de evangelisten te boek hebben gesteld en waar nagenoeg tweeduizend jaar ernstig is over nagedacht. Nu de samenleving ontkerkelijkt zonder echt te seculariseren, moeten we ons afvragen of onze omgang met onze geestelijke gezondheid niet soms ongezond wordt.

Was vroeger het zielenheil een belangrijk item en voorwerp van grote zorg, tot het scrupuleuze toe, dan lijkt vandaag de gezondheid van de geest, ons mentale welbevinden een zaak van het allergrootste belang. De vraag blijft dan wat we als gezond beschouwen op mentaal vlak. Het gaat dan om alertheid, oplettendheid, voorkomendheid en nog andere deugden, zoals zelfbeheersing, zelfbewustzijn. Zelfs vandaag zien we dat mensen bijna vanzelf een zekere afstandelijkheid aan de dag leggen als mensen zich boos maken of zich al te openlijk te goed doen aan drank en andere zaken. We menen dat matigheid niet deugt, maar vinden dat mensen die zich niet in de hand hebben afstotelijk zijn, of toch niet te frequenteren.

Uiteraard zijn er massa’s boeken en artikelen gepubliceerd over dat onderwerp en artsen, farmaceutische bedrijven zoeken zich de pleuris naar middelen, terwijl sommige middelen die kortstondig welbevinden kunnen bewerken, zoals extacy, xtc verboden worden. Er is het gevaar van verslaving, natuurlijk, maar hoe lang is het geleden dat prozac op de markt gebracht werd, met openlijke publiciteit of artikelen waarin informatie werd verstrekt? Niemand kan de werking van geneesmiddelen die depressie behandelen of andere mentale en psychische aandoeningen zomaar betwisten, maar wel merkt men dat de depressie voor een industrie heeft gezorgd, waarbij het niet altijd duidelijk is waarom de ene arts wel en de andere geen resultaten bereikt. Het zou veilig zijn hierover geen uitspraken te doen, maar zoals ik in het vorige stuk over de betekenis van Freud voor deze tijd   al heb aangegeven dat dit onmiskenbaar ligt aan de houding van de arts, dat wil zeggen of die echt zoekt naar een gepaste behandeling of zich baseert op een protocol, zonder verder na te gaan of het protocol van behandeling in de gegeven zaak wel van toepassing is. Het aspect dat elke aandoening heel gerichte aanpak vergt, doet niets af van de algemene uitspraken over gezondheid en de werking van het brein, de hormonen en dergelijke, wel dat de arts er zich van bewust is dat elke aandoening binnen dat algemene kader bijzondere zorg vergt.

Maar wat is nu geestelijke gezondheid, als het zo moeilijk blijkt mensen die op de een of andere manier uit de bocht zijn gegaan terug op het goede spoor te zetten. Misschien moeten we beginnen met de vaststelling dat als mensen in gedrag of spitsvondigheid kunnen uitblinken, dan kan het ook dat mensen net onder de maat gaan presteren of bijvoorbeeld er niet in slagen normale verhoudingen met anderen te ontwikkelen. Er zijn te vele afwijkingen, zoals die welke met ouderdom te maken (kunnen) hebben zoals Parkinson of Alzheimer, MS en ALS, die hier buiten beschouwing moeten blijven, omdat het aandoeningen zijn die ons vooralsnog overkomen en waar niet veel aan te doen valt, al lijkt dat met Parkinson wel beter te worden. Nu duidelijk is dat verschillende vormen van depressie een biologische oorzaak hebben en met maoremmers en andere medicijnen die inwerking hebben op het probleem van de stemmingsproblematiek, zou men kunnen stellen dat nagenoeg elke aandoening inderdaad verholpen kan worden met medicijnen en blijkbaar is dat tot op zekere hoogte ook zo. Manische depressiviteit kan blijkbaar door volgehouden medicatie en daarbij inbegrepen therapietrouw van de patiënt onder controle gehouden worden wat voor de patiënt een hele verbetering inhoudt en de levenskwaliteit in gunstige zin beïnvloedt.

Juist deze gegevens strekken ertoe zich af te vragen waarom buiten het bereik van de psychiatrie toch nog zoveel mensen er niet altijd in slagen met zichzelf en anderen een goede verhouding te ontwikkelen. Tussen blakende mentale gezondheid en allerlei aandoeningen die men (tijdig) kan opmerken en behandelen ligt blijkbaar een terrein waar mensen zich niet goed in hun vel voelen. Dr. Temmerman vertelt in een artikel van de boekenbijlage van De Standaard over een boek van Fredrikson over een gezonde vrouw, goed gevormd en vinnig, alert en verstandig die toch aan haar huwelijk ten onder gaat omdat ze zich maar moeizaam tegen haar man weet te beschermen. In een ander artikel lezen we dan weer dat mannen zich niet goed in hun vel weten en niet altijd weten wat de vrouwen van hen verwachten, een flinke vent te zijn of een doetje dat de vuilzakken buiten zet en al eens stofzuigt en andere huiselijke taken vervult. Wie de tegenstelling zoekt en het extreem weet uit te werken, zal er wellicht een probleem mee hebben en dat is precies wat sommige mensen in het ongerede brengt.

Onze zelfbepaling en omgang met geliefden en anderen, collegae en volkomen vreemden, vormt vandaag een groter vraagstuk dan ooit, omdat de oude vormen en gebruiken – gelukkig – zijn vervaagd, maar toch, een gebrek aan respect begrijpen als assertiviteit kan misschien goed uitpakken, maar na verloop van tijd leidt het onmiskenbaar tot conflicten. Assertiviteit als uitdrukking van een sterke persoonlijkheid, kan verhullen dat de betrokkene voor zichzelf ook vergeet wie en wat hij of zij zelf is. Assertiviteit en eigen grenzen aangeven zijn evenwel nodig om niet de greep op het eigen bestaan te verliezen, maar of dat gepaard moet gaan met overdreven uitingen van minachting voor de anderen? Maar net de evolutie in de samenleving, waarbij de schoolmeester, zelfs de professor volkomen van elke autoriteit verstoken zouden zijn. Wie, vraagt een eenvoudige ziel zich dan af, zal onze bloedjes van kinderen in de beginselen van lezen en schrijven, rekenen en een begin van kennis over onze samenleving introduceren? Waarom zou men de hoogleraar sowieso van kennis verstoken achten. Goed, het kan zijn dat deze of gene een zeer grote kennis heeft over een heel specifieke tak van de wetenschap en daarbij zo geconcentreerd op die problemen is, dat de rest voor hem eindelijk mag ontploffen, maar we kunnen toch redelijkerwijze aannemen dat een hoogleraar aan een reguliere universiteit of hogeschool in zijn of haar vak beslagen is en dus past het niet a priori aan deze of gene alle autoriteit te ontnemen. Toch is het dat wat wel meer gebeurt vandaag, waardoor men vooral zichzelf interessante inzichten ontzegt. De onderwijzer, leerkracht en anderen hebben wel degelijk kennis, blijken bij nader contact zeer gedreven en zijn doorgaans graag bereid hun kennis te delen. Evengoed kan men dan wijzen op deze of gene die zijn of haar kennis niet helemaal ter goeder trouw aanwendt, maar dat is nu eenmaal des mensen en vroeg of laat zal dat ook blijken.

Waar het naar onze mening op aankomt, is dat we opnieuw gaan nadenken over de kwaliteiten van de goede mens, de beschaafde mens en dat we deze gedachten ook durven aan te brengen in het debat. De Vlaamse regering en ook de specialisten ter zake ondernemen al lang velerlei acties om zelfdoding of zelfmoord te voorkomen, maar het laat zich aanzien dat we nog steeds met hoge zelfmoordcijfers geconfronteerd worden. Het komt ons niet toe kritiek op de aanpak te formuleren, want er bestaan naar eenieder zal begrijpen weinig probate middelen om dit soort daden te voorkomen. Men beweert dat het met eer en gezichtsverlies te maken heeft, maar misschien komt het voort uit een gebrek aan wat Michel Foucault le soin, le souci de soi noemt. In de opvoeding thuis en in het onderwijs zou men hier meer aandacht aan kunnen besteden, met name voor een zekere mentale hygiëne, waarbij men de panische angst voor het onvolkomene leert te beheersen en in te zien dat men wel degelijk veel te leren heeft, ook als men vers van de school- of universiteitsbanken komt. Men hoeft dit niet als een vernederende houding te zien, wel kan men het leren zelf, het levenslang leren als een voorwaarde voor levensvervulling voorstellen. Overigens, zoals sommige wijze dames en heren schrijven, betreft levenslang leren niet enkel schoolse kennis, maar gaat het ook om het omgaan met zichzelf en met anderen.

Inderdaad, we komen gevaarlijk dicht bij het door sommigen vermaledijde gezeur over normen en waarden, terwijl er toch niets op tegen kan zijn jongeren met een iet of wat uitgewerkte deugdenleer kennis te laten maken. Het komt mij voor dat in dictatoriale regimes de deugdenleer wel eens geperverteerd wordt, zoals Aldous Huxley, Georges Orwell en anderen hebben beschreven. Historisch weten we dat Himmler een toespraak hield in Poznan, waar hij zijn ondergeschikten, de hoofden van de SS toesprak en fatsoenlijk noemde wie onbewogen kon blijven bij het doden van commissarissen van de KP en vooral van Joden. Het gaat uiteraard niet over dit soort deugdenleer. Maar de verwijzing laat wel toe aan te geven dat het in de moderniteit altijd mogelijk is gebleken met het bestaande vocabularium op een zeer aangepaste wijze om te springen. Dat is nu eenmaal de eigenschap van taal. Overigens vond ook Ludwig Wittgenstein in de Eerste Wereldoorlog dat hij en zijn manschappen op een hospitaalboot op de Donau fatsoenlijk waren gebleven. Ook generaals als Haig tot slot vonden dat zij uitermate excellerenden in het verslaan van de vijand, ook al offerden ze daar onnodig veel eigen manschappen voor op.

Sloterdijk beschrijft in zijn boek “Je moet je leven veranderen” hoe net Wittgenstein vond dat je bepaalde dingen niet altijd dient te zeggen maar gewoon moet voordoen. De deugdenleer, ook die welke vrijzinnigen uit de Verlichting hebben geput dient met de nodige zorg te worden voorgeleefd. Sommigen ventileren graag de kritiek dat de kerk mensen kraakte en zelf niet altijd blijk gaf van het vermogen de mens te behandelen zoals het evangelie voorschreef. Die kritiek is slechts gedeeltelijk terecht, omdat het om mensen gaat die binnen het systeem en van de autoriteit die het instituut hen gaf misbruik maakten. Ook ik kende in de kerkelijke kringen mensen die je liever niet dicht bij zag komen, maar de meesten, denk ik, waren fatsoenlijke lui, dames, met hun kleine kantjes. Ook aan de andere kant kom je bovenmate charmante mensen tegen en anderen. Overigens, soms staat een mens ervan verstelt dat zogenaamd hoffelijke heren en dames tegen onbekenden echt wel heel bruut kunnen uitpakken. Een kwestie van gebrek aan achting.

Wat dit alles met suïcide te maken heeft? Het komt me voor dat veel mensen door dat gebrek aan mentale zelfzorg ook de ruimte ontberen over hun eigen zelfbeeld na te denken en zo een weg uit de problemen te vinden. Bovendien weet de huidige minister van sociale zaken ook wel hoeveel instellingen en organisaties zich met grote bekwaamheid van de ondersteuning van mensen met psychische problemen kwijten. Alleen, de omgeving van mensen reageert vaak pas te laat. Zal men dat de patiënt verwijten die vooral zijn of haar diepgravende problemen en ongenoegen wenst te verstoppen? Niet echt, terwijl wie aandachtig kijkt naar iemand doorgaans wel aanvoelt dat er dingen fout lopen. Meer dan aanvoelen kan het niet zijn, denk ik, maar het gaat hier niet om een wetenschappelijke waarheid, wel om een menselijke betrokkenheid.

Boris Cyrulnik heeft beschreven hoe belangrijk het is dat mensen in hun buurt anderen weten die hun veerkracht kunnen helpen te vangen in geval van problemen. De moeilijkheid tot spreken en tot overleggen, ondersteunen van beide kanten is schaamte, of minstens schroom en dus kan het van belang zijn dat iemand dat verhaal toch aandurft, hoe lastig het ook kan zijn. Goethe schreef met “Das Leiden des Jungen Werthers” een brievenroman over iemand die de situatie van een moeilijke  liefdesrelatie niet aankon. Hij mocht van de schone Charlotte houden, maar niet zoals hij het zich had voorgesteld. Zijn breuk met het leven was niet haar fout, maar zijn onvermogen te begrijpen dat zij vrij was haar keuze voor haar vriend gestand te doen. Bij besprekingen kijkt men doorgaans naar de houding van Werther en neemt hem zijn tomeloosheid niet kwalijk, terwijl men in het gewone leven zulk gedrag doorgaans niet goed weet te keuren. De positie van Charlotte komt zelden in beeld, hoewel zij in feite bedrogen wordt door Werther, omdat ze hem haar vertrouwen en vriendschap aanbiedt en tegelijk haar grenzen aan die vriendschap wenst te stellen. Een goede bespreking van het boek gaat niet alleen over het gedrag van Werther, zoals Goethe dat in de brieven aan het licht brengt, hij laat ook zien dat zij, Lotte best wel redelijk is.

Ook Couperus laat ons zien, via een roman – neen, niet Eline Vere – hoe het kan, door Constance baronesse van der Welcke te laten groeien van een tomeloze jonge vrouw, voorbij de ontgoochelingen van het leven tot een rijpe dame die van het leven kan genieten, ook al is niet alles volmaakt. Jawel, het gaat om “De boeken der Kleine zielen, een zedenschets zoals er maar weinig geschreven zijn en waar het naturalisme tot een rijk humanisme openbloeit: het verhaal van hoe mensen hun weg door het leven vinden, ondanks het ontberen van het heilige weten. 

Het gaat, men zal het wel begrepen hebben over de grote vragen van de filosofie, over het goede leven. Lange tijden is dat in termen van moreel gedrag behandeld, zonder dat het nog ging over hoe we zo goed als mogelijk kunnen leven. De discussie over de vraag of mensen van nature egoïstisch zouden zijn en vooral het persoonlijke genot zouden nastreven is nog steeds volop aan de gang, wat andere discussies bijna onmogelijk maakt. Het valt op dat de evolutiebiologen, evolutiepsychologen ook heel vaak vooral een verklaring zoeken in de evolutie van de soort voor gedragsvormen die men of hinderlijk vindt, bijvoorbeeld het niet omkunnen met emoties, of gedrag en handelingen die men gunstiger wil inkleuren, zoals gesublimeerd machogedrag. Nu zijn we de laatste om te ontkennen dat de ontwikkeling van de soort ook voor het individu gevolgen heeft en dat een andere conclusie dan dat een persoon de set van mogelijkheden en kenmerken meedraagt die de soort doorheen de ontwikkeling van (mislukte) primaat tot homo sapiens sapiens verworven heeft geen zin heeft. Overigens, die soort, zoals Fukuyama ook betoogt in zijn werk over de politieke orde, was nooit een eenzame wolf in de wildernis, maar leefde in kleine groepjes, een tot twee families in een eigen territorium. De ontwikkeling van de mens doorheen wat we de economische ontwikkeling kunnen noemen, impliceert  dat tot aan de landbouwrevolutie, rond 10.000 Before Present, de aangroei van de leden van de soort opvallend langzaam verliep en dus de variatie ook slechts traag uitwaaierde, maar dat de landbouwgemeenschappen en vervolgens de handelssamenlevingen en nog later de industriële samenlevingen heel snelle bevolkingsexplosies kenden wat tot grote verscheidenheid ten goede en ook wel ten kwade leidde. .

Over de gevolgen hiervan horen we evolutiebiologen veel minder en evolutiepsychologen hebben zelden een andere uitleg dan dat de groep van bekenden de eerste band van solidariteit vormt, terwijl dit voor het individuele specimen, het individu, de persoon in wording van groot belang is. De hele discussie over asociaal gedrag van jongeren die alleen maar streetwise zijn, of de belhamels uit het boek van Dimitri Verhulst, het gaat erom dat velen in de industriële samenleving niet de kans gezien hebben zich een beter lot te zoeken dan wat aangereikt werd.

Asociaal gedrag, borderline, depressie? Er is geen aandoening of men zoekt naar oplossingen, maar heel vaak botsen zorgverleners op een moeilijk te slopen muur bij degene die de hulp anders best zou kunnen gebruiken. De interpretatie bij die hulpbehoevenden van hun situatie lijkt weer een manier om zichzelf te verschonen, goed te praten en het vergt van de zorgverstrekker heel wat aandacht om door die muur heen te komen. Het punt is, denk ik, dat je dat niet kan met algemene en/of universeel geldige oorzaken. De therapeut, maar ook eventueel een leerkracht of een ouder kan of moet proberen de kieren te vinden, waardoor hij of zij boodschappen kan doorgeven. Die boodschappen betreffen een positieve houding, moeten vertrouwen geven, zelfvertrouwen (her-)bouwen en aan het einde van de eerste etappe kan de patiënt, niet in klinische zin, maar als lijdende persoon, zich bloot geven, de eigen situatie onder oog zien. Vandaar vertrekken dan nieuwe etappes, sommige duren lang, andere worden in een oogwenk afgewerkt.

Degene die de lijdende mens leiding geeft, kan niet zijn eigen doelstelling voor ogen houden, maar moet kijken wat in de gegeven omstandigheden mogelijk is, moet zijn of haar inspanningen om de betrokkene te helpen zien als een werk van reconstructie en iets van lange adem. Maar de vraag is of de sociale zekerheid, de samenleving de tijd willen nemen met zo een persoon in problemen. Een ander element van de discussie ontgetwijfeld  vormt de zekerheid, of al of niet de patiënt, in klinische zin dan, genezen zal worden. En aangezien we wel weten wanneer iemand genezen kan raken van een appendicitis en vooral de operatie dus of wanneer iemand met een verzwakt hart en een pacemaker weer uit de voeten kan, zal men ook aanvaarden, ook de patiënt zelf hoever hij of zij verder kan na de therapie. De kwestie van de geestelijk, mentaal gezonde mens blijft een moeilijke zaak om invulling te geven. Voor de patiënt zelf is het duidelijk niet zomaar gegeven om zich met zijn of haar tekort te verzoenen. Net die etappe in het genezingsproces wordt zo moeilijk als zinvol aanzien, omdat we elkaar voortdurend opjutten beter te worden, subliem te worden. De zaak is niet dat jan of Mieke zich verzoenen met hun depressie, wel met de mogelijkheid dat ze wel eens zouden kunnen hervallen als ze zich niet heroriënteren. .

Verdraagzaamheid tegenover mensen met een probleem op het vlak van de geestelijke gezondheid blijkt altijd weer moeilijk, waarbij we niet mogen vergeten dat er toch al veel veranderd is. Een aantal zaken worden niet meer als aandoeningen bekeken, zoals homoseksualiteit, terwijl anderzijds het begrip voor mensen die om velerlei redenen met zichzelf en de wereld in conflict leven, niet altijd even groot is. Bovendien kan men ook niet altijd begrip opbrengen voor de personen die zich met zo iemand inlaten, hetzij professioneel, hetzij als naasten. Die kwestie moet echt wel eens goed onderzocht worden. Want we weten dat er geen best practices zijn, maar dat de kwaliteit van de helende mens er juist in bestaat dat hij of zij datgene weet aan te boren dat wat voor de betrokkene van onvoorstelbaar belang is, het hervinden van zelfbewustzijn en zelfrespect, eigenliefde zelfs.

Gegeven dit alles zal men toch wel moeten begrijpen dat de overheid in de mate van het mogelijke de zorgverstrekkers in de geestelijke gezondheidzorg dient te ondersteunen, maar dat het een moeizaam proces is zodat die begeleiding van personen echt wel veel tijd vergt. Men heeft geen hulp nodig als men even wat langer rouwt, maar wel als die rouw het functioneren als persoon schade toebrengt, want er kan sprake zijn van onuitgesproken (zelf-)verwijten, er kan sprake zijn van onbegrip voor het falen van anderen of het eigen falen overdrijven. Het leven, zoals reeds Desmond Morris in “de Naakte Aap” wist, overkomt ons altijd in zekere mate, reden waarom het een leerproces blijft met gebeurtenissen om te gaan die ons niet zinnen of pijnigen. Dat leerproces kan men in de familie en daarbuiten aangaan, via de school, de sportclub of de academie van schone kunsten, de padvinderij ook. Soms gaat dat enigszins fout of zelfs grondig fout. De zorg op maat is dan nodig en die aanreiken vergt ook de vorming van mensen die deze zorg kunnen verlenen. Welke opleiding heeft zo iemand nodig?

Ik begon deze reflectie met een mantra “Heer, ik ben niet waardig…” want ik denk dat het vaak het probleem is voor mensen die lijden aan hun leven en het leven met anderen. Een hulpverlener is geen god, maar een vakman of vakvrouw, die weet te luisteren en niet zozeer adviezen geeft, maar, door aangrijpen, vastnemen en loslaten een vorm vindt voor de patiënt om de problemen te overwinnen en weer voort te kunnen met het leven.

Bart Haers  
29 januari 2012 

Reacties

  1. Een bezinning over een belangrijk onderwerp. Als vrijwillig hulpverlener bij de hulplijn Tele-Onthaal heb ik kunnen merken dat heel veel Vlamingen met verborgen (mentale) problemen worstelen, die ze vaak niet dan anoniem durven ter sprake brengen. Er is veel verdriet en onmacht, verwarring en verdooldheid onder ons. Bij TO krijgen we in Vlaanderen elk jaar tussen honderd- en tweehonderdduizend oproepen... Bovendien heb ik dertig jaar geleden, tegen het einde van de pubertijd, zelf enkele maanden psychiatrische hulp nodig gehad. Ik heb daar een tweede kans gekregen in het leven. Ik kan getuigen dat die klinieken soms zeer goed werk leveren. Het lijkt dat in Vlaanderen bij de gewone mens nog grote vrees bestaat om als "gek"/zotte mens bestempeld te worden, en dat men psychiaters en psychotherapeuten nog teveel wantrouwt, wat een rem betekent op het aangaan van helende contacten, van een therapie. Want zoals prof. en therapeut Piet Nijs betoogt in verscheidene van zijn werken: voor de meeste mensen met problemen op het vlak van geestelijke gezondheid kan enkel de combinatie aarde aan de dijk zetten: praten én pillen. Het helende vermogen van een goed gesprek is groot en wordt nog te vaak niet goed erkend. Naar mijn ervaring is er ook een verband tussen het lage aantal zelfdodingen en andere mentale aandoeningen zoals depressie bij onze bevriende volken van onder de Sahara juist omdat die mensen in ontmoetingen, in gesprekken, veel meer open en intens te werk gaan. En daarnaast omwille van een dubbel verschil bij de opvoeding: enerzijds krijgen zij veel langer een veel intens warmer nest, met vele jaren borstvoeding, gedragen worden op heup, borst of schouder van moeder of buurvrouw; en daarnaast krijgen de oudere kinderen al veel sneller reële verantwoordelijkheid in het leven. Zij worden verwacht de kleintjes mee op te voeden, te dragen, te bewaken, te voeden... Dat geeft van heel prille leeftijd een diepe "sence of purpose", een besef van het eigen nuttig zijn en van de zin van het leven in de zorgende omgang met anderen. Ik was een van de eersten in ons gewest die vanaf 1997 in opiniestukken in de kranten aandacht vroeg voor het probleem van de depressie en de zelfdoding, en voor de andere kant, het gelukkig zijn. Het doet mij plezier dat beide thema's vandaag gemeengoed zijn geworden. Ik vermoed dat er een verband is met de heilzame, laat daar geen twijfel over bestaan, feminisering van de samenleving. De vrouw staat communicatiever, met meer empathie en met meer zorgende houding naar medemensen in het leven. Met vriendelijke groet, Stefaan Hublou Solfrian

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Geachte, zoals u kon opmaken uit het stuk, was het mijn opzet vooral de stellingen van een aantal wetenschapsfilosofen verder te onderzoeken. Een van de hoofdpunten in hun requisitoir bestaat erin dat juist de persoonsgerichte psychiatrie en zeker de psychotherapie hen niet zint. Terwijl de algemene inzichten over het brein etc echt niet kunnen helpen om de concrete anamnese goed af te handelen.
    Ik denk wel dat eigendunk in onze samenleving wel eens heel hinderlijk zou kunnen zijn. Of Afrikanen die met onze cultuur in aanraking komen, goede wilden blijven, durf ik te betwijfelen, maar daarover moet het debat ook maar eens gaan. De dictators en corruptie in Congo etc hebben een bizarre voedingsbodem, denk ik.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten