Ideologisch kort door de bocht


Reflectie

De revolutie en de antiverlichting
 Filosofie was noch is eenduidig

De waarden van de Verlichting, zijn
niet altijd puur theoretisch, maar
zoals Benjamin Franklin liet zien,
ook praktisch, met het inrichten
van openbare leenbibliotheken. Hoe
duur het lidgeld was, kan ik helaas
niet meegeven, maar toch. 
Dit stuk ontstond na het herbeluisteren van een uitzending van het programma TRIO op Klara, van zaterdag 3 november. Of in feite is dit reflectie op wat zo algemeen in de lucht blijft rondzoemen, de gedachte dat een filosoof zich niet met de indicidentele feiten hoeft in te laten. 

Luisterend naar de vele stemmen die zich met het publieke belang inlaten, viel het weer eens op hoe de oplossingen al werden aangedragen nog voor de problemen al goed en wel geformuleerd waren of zelfs maar zijn. Zo wil de ene de te sluiten staalbedrijven in het Luikse nationaliseren. Anderen willen dan weer de voortrekkers zijn terwijl anderen menen dat men over politieke kwesties kan twisten zonder dit mensen zou raken.

Het moet gezegd, onze samenleving is wonderlijk, maar ook bizar, onvoorstelbaar welvarend en niet billijk. Wat mensen ook verwachten of hopen, vergt ook nog altijd veel energie om het te realiseren. De politiek kan mensen ondersteunen, maar het blijft een feit dat het werk bij de burgers zelf ligt. Links meent nogal eens dat die ondersteuning fors mag doorduwen of voortvarend mag gericht zijn op het bereiken van een meer billijke samenleving. Maar aangezien de vragen over de verhouding tussen politiek, het collectieve en het individuele net iets te zeldzaam blijken in het grote, altijd durende debat, is het net wel nodig om die trias beter te bekijken.  Cruciaal daarvoor is dat men een zeker belang toekent aan de feiten van elke dag, banaal en zo vaak voorkomend als het maar kan wezen. Want individuele levens onderscheiden zich wel, maar de manier waarop lijkt voor sommigen van ondergeschikt belang. Oud worden? Ach, dat is een economisch probleem, terwijl het in wezen in de eerste plaats een individueel probleem is, in de particuliere levenssfeer en gedeeld met de naasten.

Nu kunnen we kijken naar courante zaken als openbare aanbestedingen voor een trein, of naar de houding van burgers tegen voorzieningen voor derden, kinderopvang of zelfs bejaardenhomes – wat zou nu de passende term zijn: woonzorgcentra? – die men niet in de buurt wil. Mits goed overleg blijkt het wel mogelijk lastige omwonenden toch met goede argumenten te overtuigen. Het is een niveau van overleg dat het in de media niet altijd goed doet, terwijl het toch duidelijk moet zijn dat politici er belang bij hebben oog te hebben voor het goede verloop van dergelijke processen. De wetgeving over gunningen voor openbare voorzieningen, voor psychiatrische patiënten of jongeren met een drugsprobleem vergt openbaar onderzoek en waar mensen vroeger zelden in het verweer gingen, blijken zij nu wel heel snel bereid verzet aan te tekenen. Ook als die voorzieningen voor hun gemeenschap een goede zaak kan zijn, spelen vooroordelen hun rol en uiteraard lokale verhoudingen.

Het niveau waarop we naar de samenleving kijken, niet het niveau van abstractie, maar het niveau van functioneren, waarbij handelingen directe gevolgen hebben, voor naasten, voor buren, dan wel gewoon de eindeloze herhalingen van hetzelfde in een groter geheel, bepaalt meteen mee hoe we zicht krijgen op wat publiek is en wat informeel dan wel in de particuliere sfeer aan de hand is. Dat betekent dat we goed kunnen nagaan waarom men vandaag zo negatief spreekt over individualisme, waarbij men dat begrip niet ziet als de uitdrukking van de zelfontplooiing. Individualisme hanteren als passe-partout voor het maximaliseren van het  persoonlijke voordeel en het minimaliseren van de kost, c.q. nadelen van het publieke voor de eigen persoon zou men misschien beter kunnen opvatten als egoïsme, of in extreme gevallen van solipsisme. Overigens kunnen we hier wel de aandacht op een kleine eigenaardigheid vestigen, met name dat wie dat egoïsme al eens afdoet als negatief, ook niet altijd graag bereid is tot teambuilding en andere vormen van coöperatie. Het is van belang net daarom het verschil tussen egoïsme en individualisme goed voor ogen te houden. Individualisme betekent het toekennen van een grote waarde aan de individuele persoon, niet enkel de eigen individualiteit maar ook aan die van anderen. En neen, we kunnen ertussen gooien dat de ander niet per se de vijand, de hel is.

Een ander element dat ons bezig moet houden is de vraag over hoe lijdzaam we kunnen leven of horen te leven. De opstandige mens, aldus Albert Camus, blijkt best bereid in opstand te komen en te weigeren wat hem aangedaan wordt, maar tegelijk geeft hij niet op zijn plaats te verwerven. Hij weigert, maar geeft niet op. Het is van belang in de discussie over wat sommigen progressief noemen en als zodanig aanprijzen, terwijl ze afwijzen wat ze conservatief noemen, aan te geven dat deze lieden vergeten dat hun aanprijzen en afwijzen niet voorkomt  uit een opstandigheid die ze zelf ervaren, maar een die ze willen delen. Beter nog, l’homme Révolté is niet a priori een revolutionair.

Het gaat bij Camus om de omstandigheden die ons tot opstandigheid brengen, maar ook om de bereidheid om door te gaan, zoals Sysiphus. Men kan nu denken dat dit weinig met ons vraagstuk te maken heeft, maar Camus zelf, hoewel geen filosoof van beroep, heeft zich in essays, romans en toneelwerk wel over de vragen gebogen van opstand en opstandigheid. Het zou kunnen dat we in de discussie over de Verlichting en Antiverlichting andere sporen moeten volgen, dan Ico Maly bij Trio vertelde en waarbij het ging over zijn doctorale studie over de positie van de N-VA, op basis naar hij zegde van teksten. Burke, zo kregen we te horen was niet alleen antirevolutie, hij koesterde in wezen een net zo utopische droom als de Franse Revolutionairen. Het valt te bezien of dit klopt, want waarom zou men zich niet mogen kanten tegen de revolutie en nog meer tegen de bloederige excessen ervan. Ico Maly vergeet verschillende elementen in overweging te nemen, bijvoorbeeld dat Schotten en Welshman maar ook Ieren die de vorming hadden zich in het koloniale avontuur konden inschrijven en zo ontsnappen aan de beperkingen van het leven in hun excentrische gebieden. Een tweede element is dat Engeland, bij uitbreiding het koninkrijk onder William, King Billy, de koning-Stadhouder een vreedzame revolutie afwerkte, waarbij de middenklasse een grotere rol kreeg in het koninkrijk en daarmee ging gepaard een toenemende scholing en studiemogelijkheden. Maar goed, ik vermoed dat de filosoof Ico Maly het niet wil begrijpen dat een filosoof ook zijn eigen tijd niet altijd even objectief benadert. Het kan ook niet zomaar, want als de eigen positie in het geding is, of het eigen overleven, moet men precies de analyse van die eigen tijd maken.

Maar wat stond er in de 18de eeuw tegenover de Aufklärung? De verlichting voorstellen alsof het alleen de Franse versie was, de club van d’Holbach en Diderot, is wel heel kort door de bocht, hoeveel sympathie men ook kan en moet opbrengen voor de auteur van Jacques le Fataliste et son maître. Want precies dat boekje laat zien dat Diderot wel bewust atheïst was, in de dingen des daags was hij eerder stoïcijns dan objectief. Van belang is dat Jonathan Israël ons voorgehouden wordt als het evangelie dat ons verklaart wat de Verlichting dan wel was. In zekere zin biedt hij best boeiende denkbeelden, maar toch schiet Israël tekort omdat we bij hem niets lezen over de Lettres Philosophiques van Voltaire, die zo in Frankrijk een hoop inzichten uit de (Schotse) Verlichting wist aan te dragen. Werd Voltaire geboren in 1694, dan Diderot in 1713 – tiens, tiens, weer een feestelijk jaar voor de boeg -  dus bijna 20 jaar later. Het mag ons niet ontgaan want het komt erop neer dat zij in twee verschillende soorten koningschap opgroeien. Maar er is meer, d’Holbach en Voltaire kunnen gemakkelijk en riant leven, maar d’Holbach is erfgenaam terwijl Voltaire gebruik gemaakt heeft van de loterij om een fortuin te verwerven. Diderot heeft er veel langer over gedaan om onafhankelijk te kunnen leven.

De tegenstelling die Jonathan Israël ziet tussen de radicale Verlichting en de andere halfslachtige vernieuwers komt mij nog altijd vreemd voor. Het argument is niet dat het genootschap van Diderot en d’Holbach – verdorven is het niet – een minderheidspositie innamen, het argument is veeleer dat bijvoorbeeld inzake filosofische ontwikkelingen anderen ook hun steen bijdroegen, ook zogenaamde conservatieven als Burke. Er waren er anderen, in Frankrijk, die de bestaande orde zeer stevig verdedigden, zoals de leden van het Parlement van Parijs – Voltaire komt uit zo een nest, maar bestreed net die Parlement, juridische instellingen, geen politieke – of een aantal priesters. Andere waren dan weer best bereid vooruit te gaan.

De discussies in die tijden overspanden vaak generaties, want neem nu de discussie over de Newtonse natuurkunde, die werd in Frankrijk geïntroduceerd door Emilie du Châtelet, die de Principia Mathematica vertaalde met eigen commentaar en een begin maakte met de studie van het licht, als golf en als deeltjes. Overigens, voor wie naar de 18de eeuw kijkt zonder oog te hebben voor vrouwen in het verhaal, zal merken dat de zogenaamde radicale Verlichting niet echt vrouwvriendelijk was. De idee aan Voltaire toegeschreven dat men best ook ideeën moet toelaten die weinig welgevallig zijn, en ook al wil men er zich tegen verzetten, toch zal men de persoon verdedigen,  is precies iets wat het Verdorven Genootschap noch  Rousseau ernstig nemen en dat zowel in de Franse als de Russische Revolutie voor veel bloedvergieten zal zorgen. ,,I disapprove of what you say, but I will defend to the death your right to say it.'' is een toegeschreven gedachte maar hoewel men de dame die het schreef ten goede moet houden dat zij wel degelijk de esprit van Voltaire weergaf. Heeft hij niet, ondanks de ruzies ook Diderot en Rousseau op weg geholpen? Als gezegd, Voltaire leende aan de Hertogen van Wurtenberg en participeerde in de driehoekshandel (slaven, suiker en goud) maar heeft dus ook mensen verdedigd wier rechten schromelijk miskend waren. In het praktische leven stond hij dus voor die vrijheid.  

Wie dus spreekt over Verlichting en Antiverlichting roept bij mij wel enig wantrouwen op. Het ontbreekt iemand als Ico Maly naar mijn inzicht aan een zeker gevoel voor maat. Behalve de troon, die zelf de Jezuïeten heeft uitgeschakeld A.D. 1762 zijn er voldoende vijanden voor Diderot en dat heeft hij geweten, want op zeker ogenblik mag hij drie maand toeven in Vincennes. Daar zal Rousseau hem komen vinden en onderweg onder een boom de nodige inspiratie opdoen.

Men kan het denken van Denis Diderot niet afwijzen, want het is belangwekkend genoeg en het atheïsme dat hij poneerde was zowel politiek geïnspireerd als gegrond in de ervaring dat de teksten van de openbaringen niet konden bewezen worden, soms zelfs fout leken. Maar het geeft wel de blindheid van deze tijd weer als men alle verdienste bij die ene Diderot of dat ene salon van d’Holbach wenst neer te leggen. Alleen al de biografie van Madame de Châtelet laat overtuigend zien dat zucht naar kennis en wetenschap geen zaak was van een salon alleen. Dat niet iedereen even voortvarend koos voor het afwijzen van de religie hoeft nog niet te betekenen dat die anderen geen verdienste hadden. De onophoudelijke vervolgingen van tegenstanders van de kroon en de kromstaf kan men niet ontkennen, maar tegelijk kan men ook niet voorbij aan het gegeven dat de encyclopedie die d’Holbach financierde al gauw 4000 intekenaars had die de delen afnamen. Veel is dat niet, kan men zeggen, maar tegelijk is het wel opvallend dat ondanks de afkeer van de kringen rond het hof en de kerk er toch zoveel mensen waren die de delen kochten. Ook kan men niet voorbij aan het feit dat in die achttiende eeuw vele academies en loges tot ontwikkeling kwamen. Het komt me dan ook niet overtuigend voor, dat discours van Jonathan Israel en bij afgeleide denk ik dat Ico Maly zich vergist als hij ad primum de Verlichting in navolging van Israël beperkt tot de kring van Diderot, ad secundum meent dat de ideeën van vrijheid en gelijkheid – waar blijft de broederschap - alleen gezien kunnen worden zoals Diderot en co het voorstelden en ad tertium dat de samenleving zich tijdens die 18de eeuw in verschillende delen van Europa zeer breed ontwikkelde. Onder meer de verkoop van boeken in de tweede helft van de 18de eeuw, ook romans, maar juist dat is wel het begin van belezenheid. Nu, sommigen zullen dan verwijzen naar romans als bron van zielig vermaak, maar ik weet niet of die benadering wel klopt. Dit aspect van de cultuur van de achttiende eeuw blijft onbegrijpelijk genoeg onderbelicht in debatten over de ideeëngeschiedenis.  

Mag ik dan vaststellen dat de Verlichting veel ruimer en breder was dan een Ico Maly meent te mogen afleiden uit een (gebrekkige) lezing van de geschiedenis? Mag ik ook vaststellen dat de vrijheidsgedachte en zelfs de gelijkheidsgedachte, de gedachte dat rechtsbedeling transparant moet verlopen niet enkel in hoofde van Diderot en co bestond? En tot slot, de tegenstanders van de Verlichting? Mensen die inderdaad bekrompen konden uitpakken, dat klopt, maar vaak zat er enig politiek opportunisme achter. Men moet dan wel de biografie van Louis XV le bien-aimé beter bekijken, want tot spijt van wie het benijdt was de koning een vrij modernistisch bestuurder. Hij botste op de weerstand van het Parlement van Parijs dat de eigen macht wilde bestendigen en schorste besluiten van de koning of weigerde die te acteren. Met andere woorden, wie die XVIIIe eeuw nader beschouwt, merkt dat filosofen zich soms maar moeilijk aan feiten, contingentie ook maar iets gelegen laten liggen, terwijl Diderot en Rousseau niet buiten de tijd, laat staan buiten de samenleving stonden.

Niemand kan de inbreng van Diderot negeren of zelfs miskennen. Het belang van zijn bijdrage geldt niet enkel de grote maatschappelijke kwesties, de rol van de koning en de kerk en de noodzaak van het atheïsme om komaf te maken met de structuren die de waardigheid van de persoon in het gedrang brengen. Nu is Denis Diderot wel niet van adel, maar zijn vader was een gespecialiseerde smid, die onder andere scalpels maakte en zelf kon Denis bij de Jezuïeten op school, in Langres, wat aangeeft dat hij behoorde tot die klasse die links zo graag te kijk zet als kleinburgerlijk. Voor mij vormt dat geen probleem, maar Diderot kon pas met de (financiële) steun van d’Holbach voluit gaan. Deze overwegingen spelen geen rol als men het louter over het denken heeft. De werkelijkheid dat er niet zoiets bestond als een tegenverlichting of Antiverlichting en ook nooit echt heeft bestaan, alleen verschillende snelheden en vooral veel adaptatie.

Er is nog een element dat altijd weer frappant aangeeft hoe moeizaam men redeneringen opbouwt. Op college kregen we de Amerikaanse Revolutie, de Franse en later de Russische revolutie te verstouwen. Nu lijkt men de Amerikaanse Revolutie, die uiteraard ook een Europees fenomeen was, waaraan intellectuelen deelnamen als Benjamin Franklin, Thomas Jefferson en John Adams, niet te zien in dat grote verhaal van Liberté, Égalité, Fraternité, maar de aanzet tot… Het blijft mij verbazen dat men dit soort analyses kan maken zonder zich diepgaander met de gang van zaken in te laten. De verdrijving van de Girondijnen door de Jacobijnen wordt nog steeds gezien als het turning point van de revolutie. Dat men niet zelden de verkeerde mensen naar de guillotine stuurde, noemt men vandaag een ongewenst neveneffect. De eredienst van de Rede? Een kleine ontsporing.

Verwijzen naar Diderot en vergeten dat in het toenmalige Amerika iemand als Benjamin Franklin van drukkersgast tot krantenuitgever wist op te klimmen en in die hoedanigheid een begin maakte met de openbare bibliotheek en andere publieke voorzieningen zal voor Ico Maly geen feit van belang wezen, terwijl het m.i. toch niet van belang gespeend mag heten dat men ook praktische zaken doet. En de wetenschappelijke activiteit van Franklin mag dan wel bizar lijken, hij was toch bezig met elektriciteit en probeerde er profijt van te halen. Maar goed, terwijl er op Wikipedia over Diderot geen onvertogen woord valt, meent men dat er bij Benjamin Franklin wel degelijk een en ander aan te merken valt. En dan is er nog de advocaat John Adams of … inderdaad, gaat men kijken, zelfs in de Oostenrijkse Nederlanden, waar volgens eminente historici als Marc Reynebeau niets te beleven viel, dan merkt men dat er mensen zijn die bibliotheken uitbouwen en dan blijkt de bisschop van Brugge toch wel een en ander in de wandkasten hebben staan dat men progressief kan noemen. Prof. em. Dr. Yvan van den Berghe heeft in een vorig leven een doctorale studie geschreven over de geest die waaide over de West-Vlaamse polder aan de vooravond van de Brabantse Omwenteling – die men niet enkel een conservatieve reactie mag noemen, want er waren lieden bij die vonden dat de zaak niet snel genoeg vorderde. De vraag overigens waar Jozef II heen wilde met de samenleving is zeer zeker ook meer waard dan een sneer naar ministers die teveel wilden regelen. Goed, hij wilde te snel vooruitgang boeken, maar tegelijk is duidelijk dat hij de Joden in het rijk emancipeerde en dat hij voluit mikken wilde, ook in de Oostenrijkse Nederlanden op ontwikkeling van industrie en infrastructuur. Men moet evenwel dieper kijken in de archiefkasten, want in de meeste algemene geschiedenissen  zijn net dat soort kwesties van ondergeschikt belang. Het Vlaanderen en Brabant van de 18de eeuw was overigens ook volgens Prof. dr. Chris Vandenbroecke voortvarend en had – op de koloniale handel na – de Noordelijke Nederlanden economisch bijgebeend. Het komt me dan ook voor, dat we de focus niet enkel kunnen richten op wat Philipp Blom het Verdorven Genootschap  van d’Holbach en Diderot noemde, in navolging van de tijdgenoot.

Volgt er nu uit dat er vandaag geen antiverlichtingsbeweging mogelijk zou zijn? Ik durf het te betwijfelen, net omdat er ampel mensen zijn die zoeken naar God en zekerheid, in de religie en in het sciëntisme. De bijdragen van zeer velen tijdens die eeuw van transitie, ondanks de schijn van politieke stabiliteit, blijven vaak onbekend omdat men zich richt op enkele figuren, die dan uitvergroot worden. Het wekt de indruk van correctheid als men dan Edmund Burke en Denis Diderot tegenover elkaar plaatst. Nu, Diderot stierf voor de Franse Revolutie uitbrak, in 1784, waardoor de vraag niet gesteld kan worden hoe Diderot de Revolutie, laat staan de ontsporing van de Terreur zou begrepen en bejegend hebben.

Of ik zo kan bestrijden dat een partij als N-VA antiverlichting zou zijn of gewoon conservatief, zal wel niet veel uitleg behoeven. Dat was ons opzet niet en kan het niet zijn, want het is toch maar zo dat we niet een tijd leven van gewetensdwang en dat men alleen diezelfde progressieve richting kan uitkijken want wat conservatief is, zou tegen de vooruitgang gericht zijn. Mag men dan niet meer in overweging nemen of een bepaalde evolutie, vernieuwing wel zo wenselijk is? Mag men niet van gedachten wisselen over de modaliteiten die leidend moeten zijn bij het uitrollen van die vernieuwing.

Ik had het gesprek van Werner Trio, Tinneke Beeckman en Ico Maly al eens gehoord – op 3 november en ik had toen al iets gepleegd onder de titel filosofisch populisme naar aanleiding van een artikel de krant De Standaard - maar bij het herbeluisteren en lezend hoe men blijft fulmineren tegen alles wat niet recht in de leer heet te zijn, bedacht ik mij dat het begrip Anti Verlichting  wel heel erg flou blijft. Ico Maly verwijst niet naar de debatten rond het werk van Leibniz, alvast niet in de enkele teksten die ik gelezen heb. Of ik zin heb om zijn refutatie van de N-VA te lezen? Ik weet het zo nog niet. Er liggen nog andere zaken op mijn tafel die ook van belang zijn. Het punt dat ik wil maken is dat men de Verlichting soms wel heel eng kan opvatten, zodat zelfs Voltaire een reactionair lijkt. Net de man die op zeker ogenblik tegen de rechtbanken in mensen gaat verdedigen die zich slachtoffer weten van een gerechtelijke dwaling. Dat praktische maatschappelijke handelen is ook een facet van die Aufklärung, zoals we dat ook bij Benjamin Franklin vinden. Maar goed, filosofen mogen zich niet met de praktijk van het maatschappelijke leven inlaten, tenzij als koning-filosoof.

Bart Haers 

Reacties

  1. Beste,

    een leestip: the anti-Enlightenment tradition van Zeev Sternhell of mijn doctoraat. Er is niets flou aan het concept van de antiverlichting. Bovendien Israel heeft wel degelijk over Voltaire geschreven, maar ziet hem als gematigde verlichting, niet als radicale verlichting.

    groeten,

    ico maly

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Bovendien, in het boek spreek ik wel degelijk over Jefferson, over de Amerikaanse revolutie en nog veel meer... Kritiek spuien als u het object van kritiek niet gelezen hebt is nooit een goed idee

    groeten

    Ico Maly

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Geachte heer Ico Maly, ik had het over het gesprek dat ik hoorde en ik denk te hebben begrepen dat Voltaire inderdaad tot de gematigde Verlichting behoorde en voor zover ik Jonathan Israël goed begrepen heb, vond hij dat het belang van de Verlichting niet bij Voltaire te zoeken valt, maar juist bij het genootschap van Diderot, d'Holbach en anderen. Het lijkt mij dat die benadering van Jonathan Israël te beperkend is. Net zoals democratie moeilijk te verzoenen valt met de gedachte van bijvoorbeeld Jan Blommaert dat die zo ver doorgedreven kan worden dat de representativiteit van afgevaardigden een perfecte afspiegeling van de samenleving moet laten zien. Natuurlijk is het moeilijk om iedereen te vertegenwoordigen en ik zelf dat het goed is mensen laten blijken dat ze zich niet vertegenwoordigd weten. Maar dan dienen er ook argumenten komen en kan er een debat ontstaan. De Verlichting is voor mij van bijzonder belang juist omdat het bij nader toezien een periode vormt die zo verschillend is en vele nuances inhoudt, dat er best belangrijke inzichten uit naar voor komen, al mag men ook niet blind zijn voor de wijze waarop men naderhand met inzichten is ingegaan. Ik weet ook niet of Jean-Jacques Rousseau in uw visie tot de Radicale Verlichting behoort, dan wel, zoals ik denk te mogen afleiden uit het werk van Jonathan Israël wel radicaal was, maar toch niet tot de kring van Diderot con suis behoorde.

    Ik heb inderdaad uw boek nog niet gelezen, waarvoor mijn excuses. Maar ik luister naar een uitzending van een belangwekkende en veel kwaliteit leverende zender, Klara. Het staat mij vrij dunkt mij op enkele elementen van het gesprek in te gaan. In elk geval dank voor uw reactie.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire berichten