Wie is het Publiek?


Reflectie  

Voor wie de klok luidt
Hoe verloopt politieke communicatie

Ernest Hemmingway schreef de roman For whom
the bell tolls over de Spaanse burgeroorlog, waar
partijen niet meer met elkaar konden spreken, maar
gingen vechten. 
Nadenkend over de discussies omtrent ideologie in Vlaanderen, viel het mij op dat de verschillende partijvoorzitters niet echt konden zeggen hoe hun kiezers en vooral mensen die recent niet voor hen hebben gestemd over hun verhaal denken. Het komt mij gepast voor te kijken naar dat publiek en dus een heel ietsepietsje naar mezelf. Waarom zouden mensen, burgers gevoelig kunnen zijn voor de verhalen van de verschillende partijen?

De titel kwam bij op toen ik me bedacht dat er een tijd was waarin de ideologische twisten in het bloed gesmoord werden, met name in Spanje van 1936 tot 1939, de burgeroorlog dus, die dan toch veel internationaler was dan we doorgaans vernemen. Dat de schrijver Ernest Hemmingway in Spanje was om verslag uit te brengen van de strijd van Internationale brigades tegen de Franco en de Falange, weet men nog wel, maar welke wekroep was er in het spel? En als hij dan zijn boek schrijft, For whom the bell tolls  over zijn ervaringen als correspondent in de Spaanse Burgeroorlog, begrijpen we dan dat hij meer betrokken was dan we ons kunnen voorstellen? Wie er zich geen rekenschap van geeft dat de oude wonden van de burgeroorlog nog steeds gemakkelijk open te rijten vallen, vergist zich niet enkel in de Spaanse opiniemakers, maar ook in de burgers. Toch lijkt ook dat nog altijd een zaak van opiniemakers, voor zover wij ermee te maken hebben. Maar die opiniemakers spreken mensen aan die dat bij nacht en ontij graag horen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de discussie over goed en fout in Nederland en ook bij ons blijft men die oude discussies wel eens opwarmen.

De wekroep van de ideoloog

Het blijft altijd merkwaardig als men ziet hoe in soms belangwekkende momenten mensen een zeer gearticuleerde opinie laten indikken tot een ideologie. Men vergeet wel eens dat de ontwikkelingen op economisch, sociaal, technologisch vlak tussen 1870 en 1960 enorme evoluties zich hebben voorgedaan op demografisch, politiek en cultureel vlak. Aan de vooravond van WO I, zonder er bewust mee bezig te zijn, waren er in de kunsten verschillende vormen van modernisme gaande, zoals Philipp Blom het schreef in de Duizelingwekkende jaren over de periode voor augustus 1914 en waar hij weigerde aan te nemen dat er zoiets als een voorgevoel bestond dat de oorlog op het continent mogelijk was, laat staan aanstaande. Nu is het opvallend dat zowel in Frankrijk, Parijs als in Duitsland, Pruisen, Berlijn in juli 1914 zo hard schreeuwden om oorlog, terwijl in de kleine landen, zoals België de regering en het parlement hoopten op een heropvoering van 1870, maar dat was door het militaire commando al lang bijgesteld. Het (verbeterde) Schlieffenplan voorzag een doortocht door België.

Na de oorlog zou de ramp van de eindeloze moordpartij, de ontnuchtering van burgers en het verlies aan welvaart – het verlies aan BNP werd pas moeizaam opnieuw bereikt, na WO II. Men kan aan deze realiteit niet voorbij als men de lokroep van ideologen, van bewegingen wil begrijpen. Stefan Zweig en andere auteurs beschreven hoe in de jaren na WO I hoe de wereld onmiskenbaar veranderd was. Nieuwe landen kwamen te voorschijn, oude keizerrijken verdwenen. Oude zekerheden over de eigen plaats in de samenleving, bijvoorbeeld in het UK waren plots minder zeker.

Zag men in zo een omstandigheden in de middeleeuwen wel eens bijzondere figuren van stad tot stad trekken om de gelovigen ertoe aan te zetten zich te buigen over de zonden en boete te doen, dan ziet men in de jaren 1920, uiteraard geënt op de voorgaande ontwikkelingen een hoop ideologische bewegingen ontstaan, die mensen de hoop boden zichzelf of voor de samenleving een beter lot te bewerken.

Een beter mens – een betere wereld

De ontgoocheling over de verloren kansen en de verloren toekomst zette in de sommige periodes heel wat mensen ertoe aan iets beters te verwachten dan op een ander het geval zou zijn.  De ervaring van de jongeren in Antwerpen, die men doorgaans gewoon activisten noemt, omdat ze met de Duitsers mee wilden werken, tijdens WO I, maar te jong waren voor de verregaande bereidheid van August Borms en anderen van de Duitsers de onafhankelijkheid af te smeken, maar anders dan de groep in Gent rond Dirk Domela Nieuwenhuis was deze groep bij nader toezien eerder anarchistisch dan reactionair. Paul van Ostaijen maar ook de anderen, zoals Jan Albert Goris, beter bekend als Marnix Gijsen en de in 1920 neergeschoten Herman van den Reek keken eerder naar een links paradigma. Wat was hun ideologie? Het was vooral een sterk geloof in het modernisme en een afwijzing, ook na de oorlog, van de voortzetting alsof er niets gebeurd was of veranderd.

Zoals er net voor WO I al het futurisme was en andere manifesten die de afgelopen periode als een verbastering zagen…  vonden velen dat het gewone verder gaan zin had, want de moderniteit vergt dat men alles beter op elkaar af zou stammen. Het is geweten maar niet altijd geaccepteerd dat socialisme en ethisch voortvarende inzichten niet per se met elkaar rijmen. Modernisme speelt zich op verschillende terreinen af en die congrueren, zoals Philipp Blom aangaf niet vanzelfsprekend, wel integendeel, voortvarende inzichten van wetenschappen blijken best tot een iconografische blindheid, dat wil dan zeggen geen kunstwerken te kunnen waarderen. Veel van die facetten van de omgang met modernisme blijven vandaag in de discussies over conservatieve en andere houdingen onbesproken.

Het probleem is overigens dat pleiten over een betere wereld voor gevolg heeft dat men alles afwijst wat er bestaat. Van de Amerikaanse revolutie kan men veel zeggen, maar niet dat er volkomen tabula rasa gemaakt wordt met de bestaande bestuurlijke regelingen. De Franse Revolutie in de fase dat men de eenheid zo ver als mogelijk doorduwde, Robespierre en co, was in zoverre revolutionair dat het de hele wereld in Frankrijk aan de rede wilde onderwerpen en de eredienst van de Rede instelde. Maar uiteraard was het een tijd van zuiveringen, waarbij de vijanden van de revolutie wordt uitgeroeid. Andere revoluties hebben bewust ervoor gekozen deze revolutie mee te nemen als een kopieboek, waarmee men alles kan regisseren. We denken dat het nuttig is te beseffen dat zelfs die evolutie in feite op oudere mechanismen berust, waar een nieuwe beweging ontstaat omdat de oude wereld niet meer lijkt te voldoen.

De wereld verbeteren betekent in de revolutionaire traditie dat men alles overnieuw zou maken. De Britten hebben met hun Glorious revolution een aantal oude gebruiken afgeschaft, maar de vernieuwingen blijven beperkt. Toch kan wel eens vaststellen dat wat als een eeuwenoude traditie zou wezen in feite van recente datum is, zoals het sluiten van pubs om 23:00 u pas in de 19de eeuw ontstaan was om drankmisbruik te beperken. Vandaag hebben we nog altijd de vraag waarom er sluitingsuren moeten zijn, maar ja, een cafébaas kan toch niet 24/7 tappen?

Het lijkt een detail, maar in de details komen de perspectieven aan de orde. De overheid heeft een aantal taken, zoals het verzekeren van de openbare orde. Mensen willen voor zichzelf die orde en veiligheid, maar houden er zich daarom niet per se aan tegenover anderen.

Toch kan ik mij maar moeilijk voorstellen dat dit het enige is wat mensen met de staat, de samenleving verbindt, voor zover men er zich rekenschap van geeft. Het punt is dat men hier een zekere emotionaliteit niet kan ontkennen en vervolgens dat die emotionele betrokkenheid in verhalen vorm krijgen. Ideologieën die zich op internationalisme beroepen verliezen dat wel uit het oog. Stefan Zweig zelf wist zich een kosmopoliet maar kon naderhand de verdwenen Dubbelmonarchie en de landen die daarin vielen niet vergeten. Maar die betrokkenheid kan men ook niet zomaar nationalisme noemen, in de zin dat men gaat vertellen dat deze of gene bevolking echt een volk zou wezen en bovendien superieur aan andere. Ik verneem dat er in Spanje een aantal groepen zijn die een vorm van superioriteit durven in te roepen.

Het verlies van betrokkenheid en het overdreven belang hechten aan de band tussen volk en land, volkeren en een grotere structuur als de EU kan bezwaarlijk zonder gevolgen blijven. Toch zien we dat men nog steeds gelooft dat het zinvol kan zijn te werken aan de heroriëntering van de instellingen en procedures die hoe dan ook democratisch tot stand gekomen is. Alleen heeft men, zeker na 1979 nagelaten de inzet van bepaalde beleidskwesties, zoals de Eenheidsakte in het publieke debat te gooien, maar ook heeft men niet gezocht naar een consensus.

Dat kan uiteindelijk moeilijk, valt te vrezen, of het nu op het nationale vlak of op het Europese niveau besproken wordt, de onderliggende uitgangspunten oftewel ideologische vooronderstellingen spelen mee zowel bij degene die duiding geeft als bij degene die de boodschap te verwerken krijgt. Wie Big Government  een probleem vindt, omdat de staat veel onnuttige uitgaven zou doen, mag niet verbaast zijn dat wegen op zeker moment niet meer onderhouden worden, rioleringen en andere voorzieningen niet meer werken. De ideologie van het nut én van de winstmaximalisatie kan men dan wel rationeel noemen, de vraag is of mensen niet anders in elkaar zitten. Precies de marketing maakt gebruik van de tegengestelde visie om mensen aan het consumeren te brengen, van vakantieverblijven all inn tot apps voor om het even wat. Dan doorbreekt men het rationele discours, tenzij in de notie prijs en kwaliteit die in evenwicht moeten zijn.

Als we dan kijken naar de wijze waarop de grote actoren, banken, productiebedrijven naar de overheid kijken, dan merkt men iets heel eigenaardigs, want als er teveel ongeschoolden zijn die ze niet kunnen gebruiken, dan zorgen zij wel voor rapporten om de overheid aan het verstand te brengen dat er meer ingenieurs nodig zijn. Anderen vinden dan weer dat mensen vooral consumenten zijn en sommige consumenten zijn het ermee eens.

De betere mens? De betere samenleving? Het lijkt een kwestie van invalshoek, maar men kan zich afvragen of een blijvende welvaart in dat perspectief enige plaats hebben, terwijl het ook duidelijk geworden is dat beleid op langere termijn niet zo eenvoudig te realiseren valt, omdat men de onbedoelde gevolgen pas naderhand aan de oppervlakte komen. Want beslissingen die met de beste bedoelingen genomen worden, hollen zich geleidelijk uit en blijken al eens, als ze sociaal bedoeld zijn anders uit te pakken. Daarom is continuïteit van fundamenteel belang. Veranderingen aanbrengen moet kunnen, als er voldoende draagvlak voor is. Alleen weet men niet altijd voldoende hoe verschillende beslissingen op elkaar inhaken.

Het publiek weet beter

Een van de moeilijkste facetten van een ideologiedebat dezer dagen is dat de reflectie over beslist beleid, maar ook de beleidsvoorbereiding vaak niet het publieke forum halen, tenzij er sprake is van fraude of malversaties, misbruiken en ander ongerief. Toch is het debat over de vraag of de kostprijs van het DKO mag verhogen, terwijl men voor sportclubs zoekt naar wegen om de btw-verplichtingen te verlagen en is dat intussen ook beslist.

Voor het publiek, het kiesvee… zou het van groter belang zijn dat de sportclubs cola kunnen geven of verkopen zonder btw-verplichtingen achter de hand dan dat kindjes én volwassen tegen een redelijke prijs naar het DKO kunnen. Gezondheid is een groot goed en sport is goed voor de gezondheid, dus ligt het voor de hand dat men de kindjes graag ziet ploeteren op het voetbalplein of in het zwembad. Dat sport gezondheid in de hand werkt is niet  zonder betekenis, maar een mens heeft ook andere vaardigheden, zoals muziek, declameren en toneel spelen of zelfs schilderen, tekenen, beeldhouwen en wat al niet meer. De creatieve mogelijkheden van een kind bevorderen is een belangrijke zaak.

Mijn vraag is dan of er ooit een goede kostenanalyse gemaakt werd van beide domeinen, die  overigens elkaar niet hoeven uit te sluiten. Waarom zou het publiek er afkerig van staan, van de inspanningen die gedaan werden en worden om jonge kinderen inderdaad, ongeacht de achtergrond van thuis de kans te geven naar de academie te gaan om eventueel in de fanfare te laten spelen. Ook die fanfare hoeft niet zelfbedruipend te wezen, als er maar goed gebruik gemaakt wordt van de subsidies.

We meten de houding van het publiek hierover af en merken dat op de dag van het DKO Klare een groot aantal getuigenissen van mensen die vroeger en nu genoten hebben van het aanbod. Maar kritische stemmen brengen hiertegen in dat Klara nu eenmaal het zwakke broertje is van de openbare omroep. Misschien heeft de omroep wel geen trouwer publiek dan op Klara? Maar dit is een onvoldoende element in de discussie. Het publiek dat interesse aan de dag legt voor kunst en cultuur, zo menen sociologen immers, zou behoren tot de betere klassen in de samenleving. Dat de gelijkheid niet gerealiseerd werd, ligt voor de hand, maar ook is duidelijk dat veel mensen voor zichzelf en hun kinderen wel degelijk iets van die cultuur wensen. Men vergeet namelijk dat de generaties die na 1945 school liepen, er elk vijf tot tien jaar een steeds groter contingent middelbaar onderwijs ging volgen. Men zegt verder vaak dat arbeiders nog steeds lijken op de arbeiders van de kolen- en staaltijd, terwijl men enerzijds de arbeider van de grote staalindustrie, de Chemie etcetera onderschat, terwijl men het proces van embourgeoisement uit het oog heeft verloren, naar ik vrees bewust. In elk geval, in 1975 kon men in de academie van Eeklo en de afdeling Waarschoot niet beweren dat die kinderen, waaronder uw dienaar niet zomaar als eenduidig tot de middenklasse behorend wegzetten. Het tegendeel was het geval en dat geeft aan dat het moeilijk te begrijpen zou zijn als alle van die mensen als ouders later geen belang zou gaan hechten zijn aan dit deel van de opvoeding.

Het debat over deze kwestie en over andere kwesties kan noch in hoofde van het publiek noch in hoofde van de beleidsmakers in het luchtledige gevoerd worden. Er gaan inzichten over goede opvoeding, over het goede leven aan vooraf. Het pleit niet voor vertegenwoordigers van het volk dat ze bewust eenzijdige inperkingen maken van de publieke opinie of anders gezegd de publieke opinie herleiden tot een meerderheid in een opiniepeiling, over bijvoorbeeld de vraag of elke Vlaming zot is van Vlaanderen mooiste, de Ronde van Vlaanderen dus. Dat lijkt niet ideologisch, maar reducties als deze kan men moeilijk anders zien dan als een opiniërend optreden.

Het publiek bestaat voor ons niet als een homogene massa en bovendien is niet iets elitair omdat het de voorkeur van een klein aantal burgers wegdraagt. Dan zou auto’s tunen een elitair besogne zijn, terwijl het volgens velen eerder een marginale bedoening is. Of wat met biken? Het gaat er dus om dat de bevolking zeer verschillend is, de diversiteit groter is dan sociologen en marketeers of trendspotters willen aandragen. Aan de andere kant zal men niemand verbieden, denk ik dan, gebruik van de bestaande technologische middelen te maken, al is het om een debat te openen over de nadelige gevolgen van Vaticanum II.

In deze benadering weet het publiek wel beter, maar ergeren velen zich vaak aan misplaatste generalisaties, omdat er voldoende mensen zijn die andere voorkeuren koesteren, die voor de meerderheid zelf ook niet zonder betekenis is. Bij de verkiezingen sinds 1982 heb ik vastgesteld dat de resultaten van de verkiezingen vaak zo geduid werden dat ongewenste voorkeuren niet de nodige aandacht kregen. Men kan met zeer goede argumenten de verkiezingen van 24 november 1991 zien als een aardverschuiving in een richting die men niet wilde. Maar hoezeer ik ook geschokt was door die aardverschuiving, ze gaf aan dat er meer aan de hand was dan het verhaal van de kloof met de burger. De burger had de regering weten vallen, meen ik mij te herinneren over een bijzonder heftige discussie aangaande uitvoerlicenties van wapens en vervolgens werd daar in Vlaanderen niet meer over gesproken. De verkiezingen voorbij heerste er ontsteltenis en werden we plat gegooid met alle mogelijke onheilscenario’s die we over ons hadden geroepen. We? Toch alleen de kiezers van toen nog het Vlaams Blok? En mogen kiezers in eer en geweten hun geheime stem uitbrengen? Hoe ga je dan om met een visie waar men het niet mee eens is?

Nu blijken er zich steeds meer verrassingen voor te doen bij verkiezingen, zodat het moeilijk wordt te verwoorden wat de kiezer wil. De kiezer wil dus niets, deze kiezer heeft een aantal verwachtingen, maar kan net zomin als een journalist voorspellen dat er iets mis zal gaan op de markt van goedkope hypotheken, zoals in 2008 het geval was. Toch wist Geert Noels ons via Trends op de hoogte te brengen. De hele golf van problemen die na de val van Lehman Brothers op ons af is gekomen, waarbij prognoses van de toekomst, na september 2008 plots op niets bleken gebaseerd hebben we in het debat niet afdoende behandeld gezien.

Het publiek

Wie bent u, wie ben ik en hoeveel mensen zijn het zomaar met elkaar over alles eens, over sportbeoefening, kunst, televisieprogramma’s, onderwijs, infrastructuurwerken, gezondheidszorg en nog wel een dozijn andere vraagstukken? Het punt is dat veel mensen weten dat een goede rechtsorde voor henzelf en omgeving van belang is. Het punt is dat veel mensen weten dat de financiering van het overheidsapparaat in functie zal staan van wat men ervan verwacht. Het punt is: politiezorg mag niet uitlopen op pesterijen, zoals met de GAS-boetes het geval is. Kortom, dat publiek waar men zo graag denigrerend over doet, goed opgeleid als het is, weet wel dat men het ijzer moet smeden als het heet is, maar niet met blote handen kan breken.

Het publiek bestaat uit even zoveel individuen die zich al dan niet veel gelegen weten aan het overheidsoptreden. Wie oplet weet dat men eens beslissing genomen is de uitvoering van het werk wordt van competente mensen, zoals zijzelf. Velen kunnen aan de borreltafel zagen over een ambtenaar of een arts of iemand anders, wie de zaken goed volgt, weet dat er met de competentie doorgaans niets mis blijkt te lopen.

De vraag is dan waarom mediastemmen zo graag over het volk spreken, soms verrassend paternalistisch uit de hoek komen. Maar daarbij vergeten dat de slimme, sluwe, lepe burger hen best ook kan gebruiken. Er wordt veel gepraat over politieke beslissingen, over scholenbouw, maar goed, iedereen die als bouwheer optrad of optreedt weet wat bouwen impliceert. Daarom denk ik dat als men elkaar wat meer zou waarderen en vertrouwen, zonder naïef te worden, dat de discussies over het beleid wel eens anders kon gaan verlopen.

Voor wie de klok luidt? Voor elk van ons, van de gevallen van politiezoneproblemen in Hasselt tot de discussies over de geheime dienst die in de pers gelekt zijn. Wat van belang is? Niet enkel de feiten van kleine en grote corruptie, die strafrechtelijk doorgaans hun beslag krijgen, maar ook het algemene en zeer doelgerichte geachte beleid, dat lang niet altijd de doelen bereikt die men voor ogen heeft staan.

 De wijsheid van het publiek, waar men wel eens over spreekt, maar doorgaans met een zekere meewarigheid, bestaat wel degelijk en men ziet dat dagelijks, hoezeer men ook gefascineerd kijkt naar de tegenvoorbeelden. Toch lopen nagenoeg geen mensen hier met een wapen rond of is men sowieso geneigd altijd te snel te rijden. Het gebeurt en door de wet van de grote getallen komt men natuurlijk uit bij een behoorlijk aantal inbreuken, waarbij men wel moet kijken naar het aantal grote inbreuken waarbij er sprake is van bewust negeren van de regelgeving. De wijsheid van mensen kan men niet zomaar negeren, want anders dreigt men zeer paternalistisch uit de hoek te komen, wat eigen is aan experten en aan mediamensen.

Discussie over mentaliteit en maakbaarheid van de mens

Sinds de jaren 1970 is het paradigma ontstaan dat er iets schort aan de mentaliteit van de mensen. De mensen stoken verkeerd, rijden verkeerd, vrijen verkeerd, kijken neer op vreemdelingen en nogal wat zaken meer. Eerst de zure regen, dan de klimaatverandering, altijd waren er punten om voor te strijden, altijd zijn er denkbeelden die men moet veranderen. Seksisme? Dat mag niet. Maar hoe erg het gesteld is met seksisme in het dagelijkse leven? Overdreven machogedrag wordt zo te zien niet meer geslikt maar ook op andere terreinen kan men vaststellen dat mensen er een redelijk gedrag op nahouden, maar dat lijkt men niet van belang te achten.

Het modewoord participeren en participatie kan ik alleen als een hoax zien, want ofwel is men vrij, vrij van druk om ergens aan deel te nemen, ofwel moet men mensen dwingen met van alles mee te zijn. De eis modern te zijn, zoals Baudelaire die presenteerde was en blijft interessant, omdat in feite niet duidelijk is waar het om gaat. Het aanbod, aan theater, musea en muziek is behoorlijk rijk en wie dat zou betreuren lijkt mij een vreemde vogel. Aan de andere kant, afgeven op de kunstenaars omdat het rare kwasten zijn heeft ook niet veel zin. Bovendien, men is toch de tijd voorbij dat kunst vooral trendy zou moeten zijn. Het mag toch weer over iets gaan en binnen het genre de mogelijkheid hanteren.

We zien dat de opvatting van pure en onversneden vernieuwing in vele domeinen van de samenleving aan de orde is, zozeer dat mensen wel eens middelen gebruiken die niet deugen. Wie betrapt wordt, krijgt de roe, zoals sommige wetenschappers mochten ervaren. Een zaak als die van de Duitse minister die 20 jaar na het behalen van haar doctoraat beschuldigd wordt en bestraft wordt omwille van plagiaat. 20 jaar later dus, maar wel uitgebracht door een krant. Klopt het? Volgens de universiteit ligt de fout geheel bij de dame en treft haar geen fout. Continuïteit van de instelling betekent dat de opvolgers toch moeten weten dat de commissie toen de plagiaat niet gezien heeft. Zeg nu zelf, tenzij de dame een heel obscure brontekst gebruikt had, hadden de leden van de leescommissie en de examinatoren dit toch moeten opmerken. Het blijft mij verbazen dat de universiteit niet overgaat tot een zelfonderzoek. En dat zelfonderzoek kan men niet alleen van de universiteiten vragen maar ook van andere actoren.

Het publiek kijkt niet enkel toe, maar als men voortdurend alle blogs of alle berichten op Facebook en andere sociale media afdoet als het werk van losers, tenzij men een merk wordt of is, dan loopt de discussie in het honderd. Want dat betekent dat de commentaren van de burgers zonder mandaat er niet toe doen en dat betekent dat men de democratie niet ernstig neemt. In die zin was het project van David van Reybroeck wel degelijk van belang, al had ik bedenkingen. Maar is het niet dat wat vele burgers kenmerkt, men steunt iets of wijst het af, maar met enig voorbehoud, maar niet zoals de oude heer Briest het stelt: “omdat het alles zo onoverzichtelijk is…” wel dat een aantal zaken toch wel weinig doorzichtig of vooral overzichtelijk zijn.  ´

Het punt komt steeds weer aan de orde dat men spreekt over vrijheid, vrijheid van mening, van vereniging en vrijheid van verplaatsen. Op al deze punten hebben we de afgelopen decennia wijzigingen gezien die geleidelijk de fundamentele vrijheden aantasten. Toch voert men er geen debat over. De discussie is nodig, maar omdat de oorsprong van maatregelen bij experten ligt, moet men de onderliggende visies en ideologische preoccupaties wel onderzoeken, niet alleen als gevolg van een fundamenteel onderzoek. Dat is er ook, natuurlijk, maar het lijkt er sterk op dat er niet altijd onderzoek gebeurt naar beleid op verschillende domeinen dat wel op dezelfde mensen of situaties betrekking heeft. Denktanks als Itinera zijn belangrijk, omdat ze gedachten brengen waar we als burgers iets mee zijn. Maar de problemen blijven behandeld worden op een Cartesiaanse manier, waarvoor veel te zeggen valt, maar waartegen ook ingebracht worden dat het er niet toe komt verschillende benaderingen of focussen  in een globale visie te vertalen. Een visie? Juist, analyse en het voorzien van oplossingen voor mogelijke problemen die uit de analyse blijken. Als een probleem inherent is aan een voorgenomen modernisering, zoals het sterven van hoogbejaarden aan ziekten die ook jongere mensen treffen, zoals kanker, dan moet men behandeling en het rustig laten betijen ernstig tegenover elkaar afgewogen worden, niet in het parlement, maar in het colloque singulier.

Slotsom

Het publiek is niet een willoze onderdaan, maar een zeer verscheiden gegeven van verschillende mensen met eigen aandachtspunten. De ideologie speelt wellicht minder een rol dan politici en journalisten aannemen, maar wel hebben ze redelijk ontwikkelde visies.

Het publiek participeert aan discussies, dat wil zeggen, mensen nemen het woord op fora of in het café en hoewel we niet kunnen instaan voor het niveau kan het best zijn dat daar zinnige dingen verteld worden. Het maakt deel uit van die vooroordelen die dagelijks opgelepeld worden en ons een richting moeten geven, terwijl duidelijk is dat die benadering wel eens afbreuk doet aan mensen.

Het publiek staat niet buiten gebeuren, ervaart wat de overheid doet in vele facetten van het leven. Voor politici en media vormt die betrokkenheid een moeilijk punt, omdat ze vooral de negatieve reacties noteren. Uiteindelijk is de woede die mensen wel eens uiten ten aanzien van de overheid wellicht niet gespeeld, maar zijn de elementen niet goed gekend. Het gaat er wellicht ook om dat in sommige debatten de inzichten niet voldoende ontwikkeld worden. De discussie over de hervorming van het middelbaar onderwijs zal ik in het volgende stuk hanteren als toetssteen voor de vraag welke rol de media spelen in het ideologiedebat, omdat daar de uitgangspunten vaak niet beargumenteerd zijn geworden. Want als het publiek, als vele stemmen in het publiek de hervormingen afwijzen, dan is dat voor politici en journalisten niet echt een welgekomen boodschap. Dan komen hautaine specialisten hoog opgeleide burgers vertellen dat ze het fout voorhebben. En dat was wat we wilden aangeven, namelijk dat politici, journalisten en opiniemakers het publiek te monolitisch bekijken en te gemakkelijk menen iedereen met dezelfde boodschappen te kunnen benaderen en aanspreken. Het ideologische verhaal wordt niet meer uitgesponnen, maar is er wel en blijkt niet zomaar gedeeld te worden door een opvallend groot aantal mensen. Maar het is gemakkelijker over het publiek te spreken en dan ervan uit te gaan dat die vrouwen en mannen niet goed opgeleid zijn, terwijl het tegendeel wel het geval is.

Bart Haers   







Reacties

Populaire berichten