Progressief en taalminnend: Jean-PIerre Rondas


Kleinbeeld

Over de geisers in het
Cultureel-maatschappelijke leven

Wie dr. Snellaert (1809-1872) was, die in het Europa van
zijn dagen niet uit de toon viel wegens
gebrek aan talenkennis, van het Frans, Engels
en Duits an en dus wellicht ook Latijn en Grieks,
kwam ik zaterdag weer eens wat beter aan de weet. Toen
werd Jea-pierre Rondas een prijs uitgereikt, genoemd
naar dr. F.A. Snellaert
Alles lijkt dezer dagen overgevoelig te liggen, iedereen heeft zo wel een paar fantomen die het leven vergallen, maar blij en monter trok ik zaterdag laatst naar Antwerpen. Helemaal onbezorgd was ik niet, want zoals ik het al twintig jaar ervaar zijn auteurs die zich voor een bepaalde gezindte uitspreken altijd wel een beetje gedreven, te gedreven zelfs. Maar goed, het vooruitzicht nog eens in de metropool rond te lopen, die prachtige wijk van onze stad – maar met een eigen grootse geschiedenis natuurlijk – stemde me vrolijk. De trein is altijd een beetje reizen, maar hoezeer we het bestaan van de mobiele telefoon aangenaam vinden, soms kan het echt wel hinderlijk zijn als iemand met een stentorstem zit te spreken over zaken en geld.

Maar goed, aan het einde is er de tempel waarover W.G. Sebald schreef, Antwerpen Centraal, die nu een extra dimensie heeft gekregen. Maar het is altijd een ervaring dat station binnen te rijden en van daaruit de stad in te stappen. Enigszins gokkend op mijn gevoel voor richting loop ik de De Keyzerlei op, richting Meir om dan een aantal weinig opvallende straten in te lopen, richting stadspark. Vandaar is het maar een kattesprong tot de Lange Leemstraat, waarbij ik mijn ogen de kost geef. Ook deze stad draagt onverwachte wonden van een eigenaardig bouwbeleid.

Intussen denk ik na over wat me te wachten staat. Het was me erom te doen te horen of Jean-Pierre Rondas nog steeds zijn publiek kan vergasten op verrassende inzichten, maar ook kwamen gedachten bij me op naar dagen van weleer, toen ik in de Vlaamse Beweging beroepshalve enkele van de geledingen leerde kennen, zoals de Vereniging van Vlaams-Nationale auteurs. Het was en blijft moeilijk om auteur te zijn en zich te bekennen tot een bepaalde gezindte. Aan de andere kant, men kan niet zomaar aannemelijk maken dat auteurs zich niet mogen verenigen. Ook anderen organiseerden zich met maatschappelijke doelstellingen. Maar goed, niet elke vereniging is evenzeer van smetten vrij.

Het ADVN ontvangt persoonlijke archieven en archieven van verenigingen en organisaties die te maken hebben met het Vlaams-Nationalisme. In de loop van de namiddag zou duidelijk worden dat er vandaag iets aan de hand is dat het overdenken waard is: de uitermate heftige aanvallen op de leidende partij – in de opiniepeilingen – maken het blijkbaar onmogelijk na te denken over hoe het Vlaanderen van vandaag er had kunnen zonder mensen als J.F. Willems, F.A. Snellaert, Georg Bergmann uit Lier en nog vele anderen hebben in de eerste decennia van het bestaan van dit land vooral het taalgebruik van de Vlamingen willen veiligstellen.

Terwijl ik nog even een sigaret rookte op de binnenplaats dacht ik nog na over de vraag die me sinds het gevecht over het middenveld begon aan het hart blijkt te gaan: kan men in Vlaanderen wonen en niet bekommerd zijn om precies dat taalgebruik, in het kader van een groter Europa, in het kader van de globalisering en nog zoveel meer? Een taal is inderdaad een vehikel om te communiceren en wie spreekt weet dat de andere het zal begrijpen, tenzij er sprake is van hardhorigheid. Maar een taal is in een andere context veel meer dan alleen een instrument, of liever, het instrument laat ons toe meer uit te wisselen dan vaststellingen over het weer of te schreeuwen tegen een vijandige clan, sorry, tegen supporters van de vijandige voetbalclub. Taal is niet enkel gans het volk, maar taal is ook de manier waarop u en ik de wereld vertolken. En dan valt het me op dat sommige weldenkende lieden wel pleiten voor het Engels, nog wel eens voor het Frans, maar zelden voor het Duits. Voor hen is een taal een werkmiddel, tot de woorden tekort schieten.

Intussen zocht ik een zitplaats op en praatte al even met de heer Jean-Pierre Rondas, die het fijn vond dat er meer dan alleen de gewone en te verwachten verdachten, gasten aanwezig waren. Maar het was enige tijd geleden dat ik hem ontmoeten mocht en dus vond ik dat ik de trein wel had te nemen. Maar wonende in Brugge, blijft mijn Gentse achtergrond ook wel mee om- en rond gedragen.

Na het woord van de voorzitter van de vereniging, krijgen we een vlammend juryverslag te horen, zoals dat bij de grote prijzen zelden het geval blijkt. Het essay dat bekroond wordt, de hulpelozen van de macht, geeft voor een Vlaamsnationale vereniging natuurlijk wel aanleiding tot een vlammende rede – wat in het boekenvak niet voorkomt. Want het is iets wat me op de terugweg wel bezig kon houden, waarom er in de wandeling zoveel gepraat wordt, maar slechts zelden hoort men iemand spreken die het ook meent. Ach, de woede omdat iemand een verkeerd woord zou uitspreken, een verkeerd citaat, daar gaat het niet om, wel om het uitgewerkte weergeven van wat iemand denkt te moeten zeggen. Deze middag krijg ik en met mij het publiek drie heren die willen spreken over de zaak. Jawel, ik denk even terug aan Frans Laermans, die uit Lijmen/het been, want het gaat om dezelfde zaak maar de tijden zijn anders, de mensen zijn anders, de omstandigheden zijn anders. Want dat het over een belangrijke zaak gaat is duidelijk. Merkwaardig is dan ook dat de sprekers, de voorzitter van de jury van de Snellaertprijs, Frans-Jos Verdoodt en Jean-Pierre Rondas wel honderduit over Snellaert spreken, maar vooral toch hun bezorgdheid uiten over het heden.

Wie was in godsnaam Ferdinand Augustijn Snellaert, zoals men hem vindt in digitale naslagwerken. In de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging wordt hij ruimer behandeld, maar dan nog is het moeilijk zomaar in te schatten hoe die biografische gegevens zijn werkzaamheid duidelijk maken. Werkzaamheid, zoals die van gist in een brood, inderdaad. Want de Kortrijkzaan, geboren 1809, dus vier jaar jonger dan Alexis de Tocqueville, studeerde geneeskunde in Utrecht, werd legerarts in het leger van Willem I en na 1835 vestigde hij zich in Gent. Het zal niet moeilijk te raden vallen dat hij actief was in de Vlaamse Beweging, enfin, aan de zijde stond van Jan-Frans Willems en zo het liberale drijven in die richting vorm gaf. Geen van de sprekers negeerde deze feiten, allen wezen ze op de rol van de arts in de beweging De taal is gans het volk, bij het petitionnement en de Grievencommissie, historische feiten die in belangrijkheid niet opwegen tegen de afschaffing van de Slavernij of de laïcisering van het Franse onderwijs. Taalminnarij, zou Rondas zeggen mag nu iets waterachtigs hebben, maar voor de samenleving van toen en de Vlamingen in het bijzonder was het wel van belang. En laat men nu niet zeggen dat ze niet konden schrijven, want de spelling, dat was een eerste zorg, maar voor ons, alweer een exotisch vertellement.

Men zal het mij ten goede houden dat ik vooral aandacht besteedt aan de redevoering van de heer Rondas, omdat die met alle speelsheid die hem kenmerkt toch ook het meest ernstig de situatie onder de loep nam. We komen dan ook mevrouw Ada Deprez tegen, die gedurende jaren monnikenwerk verrichtte om het werk van Snellaert uit te geven. Want onze afgezwaaide legerarts werd huisarts in Gent en zag dan ook de stad groeien. Inderdaad, de voorstad groeide en in Gent geldt dat in overtreffende trap. Sint-Amandsberg, Gentbrugge, Ledeberg waren aan het einde van het leven van Snellaert al bijna met de stad vergroeit. De stad was dan ook een centrum van economische groei, terwijl men ons graag voorhoudt dat na de Duistere middeleeuwen Gent pas in de jaren 1960, met de komst van Sidmar opnieuw tot leven kwam. Het ligt niet enkel genuanceerder, de stad was gewoon een groeipool naast Luik of Charleroi. Nog in de jaren 1970 kon men op de ringweg – tja – door de stad de fabrieken zien en dan vergeten we toch ook dat niet dat zelfs het Gravensteen een tijdlang een textielfabriek was geweest, dat in de Sint-Pietersnieuwstraat beluiken hadden gestaan en waren gesaneerd. Enfin, we lieten ons weer eens afleiden, want het gaat over zelfmoordkonijntjes op het Eenbeekeinde, vroeger een stuk vaag braakland aan de rand van de stad, waar nu al lang woningen zijn opgetrokken. De bedenking valt me opeens in dat de woningnood in Vlaanderen altijd door de bewoners is opgelost, met eigen geld. Het programma van sociale woningen was een cosmetische en vooral politiek lucratieve zijsprong van de sociale bewegingen. Het is goed dat het er is, die sociale woningbouw, maar het vormt niet de drijvende kracht van de woningbouw in ons land. Van een woningnood is er dus geen sprake, maar wie in de jaren vijftig en zestig opgroeide in en om Gent was zich, zo vernemen we van Rondas, niet alleen bewust van die Vlaamse dingen, men kon er soms niet omheen, omdat nieuwe wijken het vinden van nieuwe namen veronderstelde. Eenbeekeinde? Heikant, maar dan aan de andere kant op Zingemkouter, bij de Antwerpse Steenweg, treft men een wijk met een Dr. F.A. Snellaert plein, met Hugo-Verrieststraten en Rodenbachstraten, uiteraard Albrecht Rodenbach en zo meer. Wie over Gent spreekt kan ook niet voorbij aan het Campo Sancto Maar toch, zo klinkt uit dit verhaal nog iets anders, misschien wel nostalgie naar een tijd dat men die mensen kon eren met een straatnaam. Ik dacht even aan mijn vader, die ooit kwaad zijn tandartspraktijk kwam uitgelopen omdat een oudere patiënt, een directeur van de textielfabriek in Waarschoot hem zegde dat de Vlamingen wel op de negers leken, ze hadden ook leren spreken. De juiste toedracht is in de loop der jaren wat ondergesneeuwd geraakt. Het was ook de tijd dat hij, mijn vader, brieven in Frans terugstuurde omdat hij van bedrijven correspondentie en zeker commerciële aanbiedingen in het Nederlands wilde ontvangen. Hij stond daar overigens niet alleen in.

Tijdig pik ik weer aan bij de redevoering om te horen dat Rondas zich vragen gaat stellen over de manier waarop de zelfmoordkonijntjes van het Eenbeekeinde verweven raakten met onderdelen van het ACW, dat die mensen die daar, opgroeiend in overgrote gezinnen ravottend en wel zich misschien wel verkeken zouden op wat de toekomst van die beweging wel was. De beweging verloor veel aan de kant van de vrijwilligers en won aan de zijde van het professionalisme, maar zoals Jean-Pierre Rondas opmerkte, de beweging verloor haar inbedding in een vriendelijk, beschaafd Vlaams nationalisme.

Dan volgt het indrukwekkende slotdeel van de rede, die eindelijk wel langer duurde dan ik verwacht had of achteraf in rekening bracht. Het ging er namelijk om dat Rondas ons duidelijk maakte wat dat nu eindelijk was met die partijen in de federale regering. Bij uitbreiding moeten we het over de sociale beweging en het middenveld hebben. Wat het meest in de herinnering blijft hangen in het relaas over Mr. Leo Martens, een advocaat van nu wel 90 jaar die zijn archief veilig wil stellen, is de vaststelling dat kort na de oorlog en dus onvermijdelijk de erbij horende collaboratie, kon hij, mr. Martens, zonder veel moeite in 1949 een groot congres samenroepen waar professoren van Gent en Leuven hun bijdrage kwamen leveren over de toekomst van Vlaanderen. De prins was nog regent, de wonde van de koningskwestie was nog niet geslagen maar men begreep dat men de ramp van de collaboratie wel niet kon ontkennen, maar wel vooruit moest. Men kwam samen, vergaderde en in meer dan één opzicht, lijkt het nu, bleef het erbij. Maar het congres is er geweest en men begreep dat men de hand aan de ploeg kon en moest slaan.

Het andere dat mij bij bleef en eindelijk de hele terugweg, nazinderde, was zijn verhaal over het einde van de verschillende bewegingen, dat de Vlaamse Beweging maar een echte speler meer heeft, want noch de IJzerbedevaart noch het Zangfeest of al die andere werkvormen waarin Vlaanderen zich organiseerde, kunnen nog nieuw bloed aantrekken. Er is alleen N-VA en die mag, net daarom niet falen, maar dient wel alle slagen op te vangen. Die laatste gedachte kwam bij me op, toen ik me afvroeg hoe Rondas dat tanend verenigingsleven schetste en ik kon alleen maar vaststellen dat er behalve in het geval van Vlaanderen Morgen sinds de late jaren 1980 weinig sprake was van enthousiasmerend gesprek en handelen op een intellectueel aanvaardbaar niveau. Ook de Gravensteengroep betracht dat met enig succes.

Maar omdat ik nog liep te denken aan het werk van de Tocqueville en vooral de commentaren, kwam ik tot de bevinding dat die Vlaamse Beweging, net zoals de sociale beweging een manier was voor mensen om hun inzet en dadendrang constructief vorm te geven en zo de vergelijking kan doorstaan met wat de Franse Aristocraat schreef over het belang van lokale besturen in de Amerikaanse samenleving en dito Polis. Overigens vergeet men wel eens dat velen uit de sociale beweging ook in de Vlaamse beweging actief waren. De opmerking over Leo Martens die daar in zijn huis de proeve heeft dat het in de zogenaamde benarde tijden van de Koningskwestie toch mogelijk was Vlaamse professoren en intellectuelen bij elkaar te krijgen, liet zien dat er ergens iets gebroken is. Rondas zegde dat het ACW in 1945 al de knop had omgedraaid, maar ik ben er niet van overtuigd dat dit als vanzelf in de gelederen is doorgedrongen.

Hoe het dan wel zit? Het is, zo valt te vrezen, het feit dat er plots een salonfähige partij, N-VA is opgestaan, na enkele jaren sukkelen in de marge, die het ongenoegen, maar zeer zeker ook dat andere, de dadendrang en het streven naar een beter Vlaanderen Morgen heeft opgepikt. Terecht laat Rondas het beeld zien van geisers die opborrelen, soms uitbarsten met grote kracht en die zo, volgens hem de geschiedenis van het politieke, economische en culturele leven in Vlaanderen kenmerken. Soms blijft het bij borrelen, soms krijgen we een krachtige eruptie, maar of het een old faithful is? De gedachte dat er altijd wel vitale krachten aan de oppervlakte komen, zou de toehoorder gerust kunnen stellen, maar als het bij opborrelen blijft, dan weet een mens het nog zo zeker niet.

Ik denk aan het verslag van Karel van de Woestijne over de Rodenbachfeesten in 1905, toen hij kon schrijven dat iedereen er was, van links en van rechts, de schrijvers, dichters, commentatoren, professoren en al wie niet meer die met de zaak te maken had. Het beeld van de geisers is krachtig, maar ook in enig opzicht cynisch, zo lijkt het. Even aarzelde ik, terwijl ik in het stationsbuffet een glas wijn drink, of ik dat beeld wel zo juist kon vinden. Maar de verwijzingen naar Daens, naar meester Martens en al die anderen, Snellaert in de eerste plaats, naar wie de prijs genoemd is die de spreker net ontvangen had, al die mensen handelden in een constellatie die voor ons niet direct te vatten valt. Evengoed is het opvallend de taalvaardigheid waarover de drie sprekers – en het publiek ook wel – niet enkel afhangt van het feit goed van de tongriem gesneden te zijn, maar dat het evengoed zo is dat de sprekers, zoals de voorzitter van de jury, die ons aanmaant beter te luisteren naar wat in le Soir geschreven en op RTBf gezegd wordt, ook een ruime cultuur met zich om- en ronddragen, kennis van literatuur, politiek, geschiedenis en nog wel meer dingen, zodat het bijna gaat duizelen dat er mensen zijn, Marc Reynebeau of Geert Buelens om hen niet te noemen, die er ons graag op wijzen dat het in Vlaanderen met de taal en de cultuur zo pover gesteld is.

Naderhand ontmoette ik een auteur die op eigen manier ook een voor Snellaert en in diens traditie verdienstelijke bijdrage heeft geleverd, vele bijdragen, maar toch deze, De haan van Asclepios,  want over Ludo Abicht heb ik het. Jawel, een medestander in de Gravensteengroep, maar ook een auteur die mij alvast leerde nadenken over de redenen waarom het met de georganiseerde vrijzinnigheid in Vlaanderen zo moeizaam omgaan is. We hadden het even over de turbulenties die onze tijd kenmerken, maar misschien bedacht ik, moeten we terug naar een Vlaamse Beweging zoals die functioneerde in spannende tijden, toen men zoals Lodewijk de Raet of Maurits Van Haegendoren werkzaam was en niet keek of men daarmee een BV werd. Ik denk anderzijds ook aan mensen als Jef Matton of Ludo Milis, die mee dachten over de grote kwesties en intussen hun ambt als professor ernstig namen. Ludo Milis werkte ook mee aan een studiedag over de ontwikkelingen die de taalgrens tot stand brachten en doorheen de eeuwen deed evolueren, maar daarover is later niet zo heel veel meer gehoord.

En dan komen we, thuiskomend bij de gedachte terug van Rondas én van de andere sprekers, dat het niet helpt nostalgie aan de dag te leggen. De tijd van Snellaert is lang voorbij, die van De Raedt en Van Haegendoren evenzeer. Maar het gaat erom in deze tijd na te denken over de toekomst. Zien hoe het is, oordelen wat moet en handelen? Dat was wat Cardijn schreef en zegde, maar het is ook wat een Alexis de Tocqueville en Hannah Arendt te berde brachten. Vandaag lijkt er weinig ruimte te zijn, noch voor Arendt, noch  voor een ernstige analyse. Europa mag dan oud zijn, Vlaanderen mag dan vergrijzen, maar we kunnen het ons toch niet veroorloven als zelfmoordkonijnen in het Eenbeekseinde te sneuvelen? Aan de andere kant, deze zaterdag in Antwerpen bracht me weer die gedachte bij, dat we vandaag niet in staat lijken iets waardevols toe te voegen, al was het maar, een Lange Wapper. Het is een strijdpunt ten aanzien van de inzichten van Jean-Pierre Rondas, maar ik vind dat een samenleving met overleg zich wel enige megalomanie mag en moet veroorloven.

Toch, misschien moet toch nog iets gezegd over dat ene dat dr. F.A. Snellaert ons die later kwamen en er de genade van ontvingen, in het hoofd had geprent: De Taal is gans het volk. Klinkt dit als een vloek, voor Rondas, op zijn ronde schild duidelijk niet. Maar nu een minister vraagt aan een bijzondere groep migranten, Roma, vroeger spraken wij in onze onwetendheid over Zigeuners, gitans, tziganes etc, dat ze zich zouden inburgeren, nu blijkt dat niet te mogen, niet te stroken met de volksaard van die mensen. Dat ze om allerlei redenen hun tradities (tijdelijk) in de koelkast stoppen en kiezen voor een sedentair leven, komt niet in de overwegingen ter sprake. Maar de taal zou dus gans het volk zijn, het blijft voor een rechtgeaarde progressieve mens een vloek, terwijl het ooit zo modern was. Het punt is dat men eigenheid alleen als een individueel gegeven ziet, niet als iets dat een groep kan aanbelangen. De botsing van het persoonlijke, opgevat als het individuele, met het maatschappelijke, opgevat als het vermogen met anderen een leven samen op te bouwen, al dan niet intiem, komt mij voor in dit alles een te overwegen kwestie te zijn.

Bart Haers        

Reacties

Populaire berichten