Rondas over de nuttelozen van de macht


Recensie

De republiek in duigen
Het moreel betere echelon

Brief aan de nuttelozen van de macht

Beste Jean-Pierre, radiofenomeen,

Il a vecu toute sa vie
Entre l’honneur et la Vertue
Brel, La statue


Jean-Pierre Rondas. De hulpelozen van de Macht. Het federale graf van de Vlaamse Regeringspartijen. Pelkmans 8 oktober 2012. pp. 151. Prijs: 15 €

U bent natuurlijk de ware bestemmeling van deze brief, een recensie, maar ik hou te zeer van de aloude epistollaire cultuur om er mij ook niet van te bedienen, net omdat ik onlangs Régis Debray het nog eens hoorde zeggen. Waar kan men beter het oor te luisteren leggen dan bij een oude revolutionair, die in de revolutie vooral aandacht heeft voor de traditie: breken om voort te zetten. Revoluties enten zich op wat voorheen bestond.

Uw boek laat zien dat er alvast een revolutie is geweest die niet meteen, maar wel op de lange termijn veel vermag te vernietigen, enfin, dat had gekund, als er niet… enkele snode lieden waren geweest, die geïnspireerd door die Duitse affaire, de Romantiek, de idee ontwikkelden dat de eigen taal er toch toe doet. Dat men retorisch stelde dat de taal gans het volk is, want de lui die het stelden spraken ook goed Frans, maar ze waren zich bewust dat het volk (in Vlaanderen) een eigen taal heeft. De romantiek was een Duitse affaire, schreef Rudiger Safranski, maar hij wees er ook op dat het in wezen een liberale, burgerlijke aangelegenheid was. De democratisering en vooral popularisering, zou men kunnen zeggen droeg ertoe bij dat het een vulgaire affaire werd en als men kunstenaars of, zoals Jean-Pierre Rondas het noemt, het commentariaat vandaag bekijkt, dan wordt duidelijk dat er iets voor die theorie te zeggen valt.

Rondas laat ons ook getuige zijn van studiedag in het Vlaams parlement waar het ging over semifederalisme, omdat men België toch niet echt federaal wilde noemen. Een Engelse professor had het over devolutie, om de decentralisatie in het UK aan te duiden, maar vond dat dit België eindelijk een voorbeeld van antifederalisme moet heten. Ik vond het wel een goed stuk omdat hier niet de emotionele aspecten van de conflicten binnen de Vlaamse democratie niet centraal stonden, maar wel degelijk het institutionele monstrum, als we al niet van een constitutioneel monstrum mogen spreken. Een van het deel van de deelnemers aan het debat, zo lees ik nog, vond dat België toch een model van federalisme mocht zijn, ondanks het feit dat de structuren en aannames voor studenten politieke wetenschappen niet altijd duidelijk te maken vallen.

Maar het bezwaar dat ik zou willen maken tegen dit manifest van Jean-Pierre Rondas betreft juist het feit dat hij het wel moest schrijven. Ik vroeg het me al af toen de vierde staatshervorming gerealiseerd werd: hoe lang zullen we nog moeten aangeven dat dit land en een deel van de burgers de andere burgers dwingen zich bezig houden met normale vormen van bestuurlijke orde en politieke orde. Het goochelen met termen als rechtvaardigheid, mensenrechten en zelfs de stappen die men dan navenant neemt, bij de Raad van Europa en de VN, Unesco, zou toch moeten aangeven dat er iets mis was en is met dit land. Toen, in 1994, vond ik het triestig, nu vind ik het wel eens ergerniswekkend.

Maar men mag mij goed begrijpen, ik begrijp dat Franstalige politici en commentatoren hun politieke opties open wensen te houden en dus ernaar streven dat aan hun positie geen afbreuk wordt gedaan. Dat immers is wat ik begrijp dat politiek inderdaad een competitie is, maar binnen het systeem is het er niet om te doen de tegenstander te vernietigen, wel om te overtuigen. Chantal Mouffe en dus Karl Schmitt vonden dat het zoeken naar een algemene consensus de democratie kan doden. Het probleem evenwel is dat bij het zoeken naar een consensus en eens men zover is, het bewaken van de verworven consensus de aanvallen erop afgeslagen dienen te worden zodat die consensus dwingend wordt en er niet van afgeweken mag worden. Indien mensen daartegen ingaan, ontstaat een gevecht waarbij de dissonante stem uitgestoten wordt. Met andere woorden is democratie niet een zaak van het georganiseerde meningsverschil, noch een zaak van permanent zoeken naar consensus, maar veeleer een permanent agreement to disagree. Komt men dan niet tot besluitvorming? Het is een van de belangrijkste kwesties, die in het Belgische communautaire conflict aanleiding heeft gegeven tot monsterlijke oplossingen, grendelgrondwet, bijzondere wetten en alarmbel-procedures.

Dat men zich van Franstalige zijde een minoriteit wist, mag niet verrassen, maar dat men vervolgens en voortdurend op dat punt insisterende een wettelijk bestel heeft kunnen opbouwen waarin de meerderheid niet enkel aan banden is gelegd, maar in feite veel minder beslissingsmacht heeft overgehouden, ligt dan niet aan de Franstalige politici, wel aan de Vlaamse politici en commentatoren. Rondas overlaadt ons met voorbeelden van deze gang van zaken en het voelt niet lekker. Ontneemt dat iets aan de betekenis van dit politieke pamflet? Geenszins, meer nog, het is de reden waarom het niet lekker zit, die er precies de waarde aan verleent.

In alle stukken in dit boek lezen we hoe de traditionele partijen, hoe politicologen en andere experten voortdurend de goegemeente hebben uitgelegd dat de Vlaming een redelijke mens is, maar assertief de eigen rechten en inbreng in dit koninkrijk opnemen, nu net niet redelijk is. Redelijkheid is wat van ons verlangd wordt, zo lezen we, maar we weten het natuurlijk wel, want dat is het wat Sinardet, Brinkman, Reynebeau en vele anderen, met als nestor Luc Huyse voortdurend en in beurtrol de brave toehoorder en lezer voorhouden. Nationalisme, enfin, Vlaams Nationalisme mag niet en is niet redelijk. In het hele werk zien we hoe Rondas ons, rondas in de hand voorhoudt dat de traditionele partijen en vooral de CD&V erin geslaagd zijn hun eigen achterban te schofferen. Met andere woorden, dat commentariaat en die  politici namen het schild, het Rondas in de hand, om België te verdedigen en hun argumenten betreffen hoge waarden, als democratie, redelijkheid en mensenrechten, voor anderen, niet voor hun eigen taal- en (helaas moet het woord hier maar volgen) volksgenoten. Ach, maar waarom niet, sprak men in de DDR zaliger ook niet over volksgenoten?

In zijn stuk over de bode van het ACW, de zelfmoordkonijnen van het Eenbeekeinde, toont hij op een pertintente wijze aan dat de partij, de top van de partij, maar vooral de belgicistische zijde de partij, voor de niet zo goede verstaander, CD&V opgeblazen heeft. Rondas gaat daarbij ook in op de historische rol van de Daensisten in Vlaanderen. Hij roept verder op de christelijke zuil te laten voor wat ze is, omdat de leiding de vrijwilligers en supporters heeft mishandeld, hun vertrouwen heeft misbruikt.

Wie de afgelopen maanden de discussies over Dexia, Belfius en het ACW heeft gevolgd, weet dat er inderdaad iets behoorlijk fout gelopen is. Het gaat zelfs niet meer om de juridische waarheid alleen, maar om de vraag hoelang zij dachten iedereen een rad voor de ogen te draaien.

Het is een van de elementen van het boek die een nadere uitwerking had verdiend, met name de rol van Mark Eyskens, zoon van Gaston Eyskens, die vaak naar voor komt als de behoeder van het status quo. Nu gun ik de man natuurlijk dat hij zijn leeftijd met ere draagt en als kwieke burggraaf door het land trekt om mensen economische begrippen uit te leggen. Maar wat me opvalt bij Marc Eyskens is dat hij niet bereid is gebleken het eigen standpunt kritisch te evalueren. Hij is daarmee niet alleen, doch wel prominent en belast daarmee de toekomst. Soms brengen wijsheid en het vorderen van de jaren mensen tot een zekere mildheid, maar de gedrevenheid waarmee Mark Eyskens de samenhang van het land en dus de bestaande bestuurlijke onevenwichten verdedigt, verrast me telkens weer.

In mijn visie is hij een van die mensen die mij, die ons verhinderen met interessantere zaken bezig te zijn dan taalstrijd en er dan ook nog eens op aangesproken worden. Nu, ik heb onlangs nog eens Suzanne Lilar, une jeunesse Gantoise gelezen en vind het een van die mooie teksten die Franstalige schrijvers in Vlaanderen hebben gebracht. Les Serres Chaudes van Maeterlinck is nog zo iets, of natuurlijk Margueritte Yourcenar. Onze cultuur is maar zo rijk als we het zelf willen zien. Daarom vind ik het altijd vreemd als ik de Vlaamse behoeders van het status quo in België, waarbij men geen moeite onverlet laat om zoveel te veranderen dat alles hetzelfde blijft, zelden verwijzen naar die wondere Brusselse schrijver, Charles de Coster, die door de Sovjet-cultuurfunctionarissen zeer werd geëerd, zodat ik ooit een exemplaar kocht met voetnoten in het Russisch.

Mocht het nodig zijn, mijn bezwaar tegen Vlaamse politici en commentatoren, het commentariaat dus, betreft het feit dat hun talmen en heulen ons de ruimte ontneemt om vrijmoedig met ook die culturele traditie om te gaan. Hoor ik Bart van Loo bij Matthijs van Nieuwkerk peroreren over het Franse Chanson en dat met verve, dan kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat al die verve ertoe dienen moet dat wij als Vlamingen toch dom zijn niet van al die pareltjes te houden. Welnu, mijnheer van Loo, ik heb al sinds mijn jonge jaren een grote affiniteit met Brel, Balzac, Stendhal, Madame de Staël en zoveel meer, Ronsard, Du Bellay, Chateaubriand, enfin, ik zou een catalogus moeten schrijven zoals dat 2de boek van de Ilias, op het oog saai, ik weet het, maar er zit een hele wereld achter. En dus moet ik tot de vaststelling komen, dat het niet de Franstaligen zijn en al helemaal niet de flaminganten zijn die ons de ruimte ontnemen om ons in te laten met niet enkel de eigen (beperkte) Vlaamse cultuur, maar met de culturen om ons heen. Jawel, ik schreef beperkt omdat ik de mening ben toegedaan dat de wijze waarop diezelfde commentatoren en cultuurmensen – waarom zou ik dat niet zijn, een cultuurmens? – naar Vlaanderen kijken, naar het patrimonium zelf. Een enkele eenoog is koning in de wereld van de letteren, Claus en ook wel Boon, anderen, generatiegenoten, zijn al vergeten. Elsschot was ook even de chouchou maar te bourgeois om er iets mee aan te vangen. Dimitri Verhulst die schrijft over de helaasheid der dingen, Stalin nog steeds de moeite waard vindt en verder Vlaanderen maar dom vindt, wordt hoog geprezen, maar literaire kwaliteiten komen zelden aan bod.

Terwijl ik dit schrijf heeft er in het Vlaams Parlement een debat plaats over uitspraken van een minister als partijman. Mevrouw Meuleman heeft het over de bruutheid van de uitspraken? Ach kom, dat is stemmingmakerij en moet, eens te meer verwijzen de jaren 1930, want bruutheid is semantisch verbonden met nazisme en dus is het suggestief taalgebruik.

Maar ook heeft ze het over het gebrek aan draagvlak, jaagt ze mensen angsten aan de sociale zekerheid en pensioenen. Maar waarom zou Vlaanderen dat niet kunnen betalen? Kortom, alles wat Jean-Pierre Rondas te melden, komt hier in travestie aan bod. En o wee, er komt een coalition of the willing? Arme mevrouw Meuleman, u weet toch dat die coalition of the willing in Irak een ramp heeft veroorzaakt? Dat weten we dus, men wil een ramp over Vlaanderen, mooi. En dus komt dit boekje de nuttelozen van de macht wel te stade. Men wil in Vlaanderen niet begrijpen, de cultuurmensen en andere commentatoren, maar ook politici van de traditionele partijen, inclusief de groenen roepen rechtvaardigheid in, roepen redelijkheid in, roepen de toekomst en het welzijn van de Vlamingen in om de Vlamingen te laten weten dat men dit land in stand  heeft te houden.

Men zal begrijpen dat de CD&V probeert aan te tonen dat ze zoveel verwezenlijkt hebben, verwijzend naar de resoluties van 1999, verwijzend naar de grote moed van Beke en co om in 2011 toch een gesprek en akkoord aan te gaan met de Franstalige partijen maar negerend dat er toen een andere mogelijkheid was, als men niet ingegaan was op het gesprek. Rondas betreurt die houding van CD&V en ja, Eric van Rompuy heeft het zelf ook over bric a brac, zoals Rondas: Belgische brocante.

Enfin, het debat in het Vlaams Parlement biedt de proef op de som dat de traditionele partijen, nuttelozen en niet enkel hulpelozen van de macht het niet meer weten. Ah ja, Brel heeft altijd gelijk. Mocht iemand een standbeeld willen oprichten voor Eric van Rompuy, dan kan die maar beter het chanson van Brel, la statue, kennen.

Bart Haers




Reacties

Populaire berichten