Een gouden eeuw met donkere randjes


Brief


Aan de programmadirecteuren,
Hoofdredacteuren en hun medewerkers

De charme van contemporaine
Geschiedschrijving
Over een gouden eeuw met zwarte randjes


Brugge, 15 april 2013,

Geachte Dames en Heren,

Zomaar een meer in de Pyereneeën, waar het goed toeven was,
maar de aanleg van een brede, goede weg, om er te komen,
bedierf de pret wel wat. Toerisme is mooi, maar wat doet het
met de omgeving? Onze eeuw heeft deze plaatsen vlot
toegankelijk gemaakt en dat is winst... 
Laten we eens proberen de tijd vóór de vorming van de Unie en van de verzorgingsstaat niet centraal te stellen. Ik weet het, ik verval ook wel eens in dat euvel, maar laten we 1944, de oprichting van de Benelux en de aanloop naar het Kerstprogramma, inderdaad de oprichting van de CVP centraal stellen en de opbouw van de sociale zekerheid onder ogen nemen. Het gaat niet, voor een keer, om de afrekening met het verleden, maar om de vraag hoe die Europese awakening, dat Europese ontwaken zich heeft uitgerold in de samenleving, het denken en het handelen. U zal merken dat het echt zinvol mag heten de zaken eens in een ander licht te bekijken.Ik weet dat die titel, een gouden eeuw met donkere randen niet origneel is, als het om de zeventiende eeuw gaat, maar voor onze tijd? 

Natuurlijk, het blijft moeilijk aan het biografische gegeven te ontkomen dat de mensen die toen actief waren in politiek, industrie, de universiteiten, de media en de samenleving die hele geschiedenis met zich meedroegen, wat van tijd tot tijd wel kon opspelen, maar van 1950 af zien we toch iets nieuws ontstaan, een nieuwe samenleving, hoeveel die ook met de voeten in de vroegere tijd stond en staat. Dat is niet erg en gewoon onvermijdelijk. Het feit dat toen de fouten van 1919… niet  herhaald werden, mag al een bijzonder gegeven blijken. De opbouw van een nieuwe industrie, de democratisering van de kunst, van de kennis, het onderwijs ging toen in een stroomversnelling. Ik kan het niet laten, maar ik moet hier wel zeggen dat dit alles al voordien op gang was gekomen, maar na WO II, de tijd van de opbouw, tot de val van de Muur in Berlijn, op 9 november 1989 blijft me wel bij als een bijzondere tijd. Een Gouden Eeuw?

Zouden we die cesuur aanhouden  van het verhaal, dan zou ik evenwel vergeten dat die periode, van een wende zich leek aan te kondigen: Er was Helsinki, er was Havel, dan, laten we vooropstellen vanaf 1979, kwam Johannes-Paulus II, traden eerst Tatcher en een jaar later Ronald Reagan aan, in Polen kwam een nieuwe opstand tegen Moskou op gang die niet meer te stoppen was, in Gdansk deze keer,maar ondanks de staat van beleg met Jaruzelski. Als tweede terminus kunnen we niet om het verdrag van Maastricht heen, waarbij de nieuwe situatie in Europa voor het eerst werd geassumeerd, geaccepteerd en als draagvlak gekozen. Mag men dan niet zeggen: er valt veel (goeds) te zeggen over onze tijd.

Het tijdperk van het persoonlijke vervoermiddel bij uitstek, de auto, de aanleg, gedurende veertig jaar van nieuwe autowegen tot sommigen begonnen te beseffen dat een nieuwe weg ook meer verkeer kon betekenen en bepaalde projecten onvoldoende voltooid bleken, in de uiterwaarden van ons land, zoals in Limburg en West-Vlaanderen. Intussen kan men over de E 40 wel van Calais tot in Oekraïne rijden, zonder een stoplicht tegen te komen. Men kan ook van Lissabon naar Oslo of van Saint-Malo naar Palermo… enfin, er moet nog een brug gegooid worden.

Levendig staat me nog voor de geest een rit van Den Haan naar Brugge over toen nog de E5 en van Gent naar Antwerpen de E3, met de doorgang van de Kennedytunnel. In Gentbrugge ging het ook nog eens een keer over de viaduct, kortom, als knaap van 10 zag ik hoe de wereld zich open plooide naarmate de wegen ons toegang boden. Jaren later, in de Pyreneeën, niet ver van Saint-Lary Soulan zag ik een prachtig landschap met meer, verpest door een prachtige nieuwe weg, ik denk naar een of ander sky-oord. Daarom nam ik eens, toen ik in Genève was, de trein naar Sion en vandaar ging het naar de passen, de Susstenpass en het bergland. We hebben toen gezien hoe het toerisme het land toegankelijk maakte, maar ook een beetje de pret verpestte en verpest.

Het toerisme is meteen ook een van die fenomenen die met onze tijd samen gaan. Niemand hoeft zich schuldig te voelen, het werd, voor wie in de jaren 1960 ter wereld kwam vaste prik, skiën, zwemmen in de golf van Mexico of de Kilimandjaro beklimmen, tochten per kameel door de Woestijn en bezoeken aan Petra… Ik weet nog dat een kozijn die reeds begonnen was aan de studie geneeskunde de weg vond naar Iran, toen de Sjah nog regeerde. U begrijpt, die tijd van veranderingen moet toch wel eens onderzocht worden. Zal de balans positief uitvallen? Ik weet het  niet, maar zeker ben ik wel dat de balans niet over de hele lijn negatief kan uitpakken, omdat er veel is dat ten goede verbeterd is. Er is nog armoede, zegt u? Wellicht wel, maar er zijn mensen die hun armoede wel lastig vinden, maar niet nalaten te leven. Is er nog veel dat veel mis gaat? Kim de Gelder, Hans van Temsche? Drugs, prostitutie, geweld, zinloos geweld, al vind ik de term niet gelukkig, het is er allemaal omdat we mensen zijn. Bepalen die dingen alles? Ik durf aan te nemen dat dit niet het geval is.

Over het goede kan men niet zo gemakkelijk schrijven, zegt u, maar toch, een eerlijke balans van de geschiedenis van de laatste 70 jaar, daarover moet men toch wel een en ander kunnen zeggen. Het proces van verburgerlijking in onze samenleving zal voor de een wel niet zo gelukkig zijn, terwijl het voor de betrokkenen nu net wel een gelukkige zaak mag heten dat met een aantal zekerheden door het leven kan. En de toegang tot het onderwijs, vooropgesteld dat dit voor de leerlingen iets bijbrengt in het volwassen leven, niet enkel vakkennis, dat ook, maar vooral een begin van een levensbeschouwing zou toch wenselijk zijn. Onlangs hoorde ik dat het onderwijs in Spanje op dat vlak wel tekort schiet, eindelijk zowel inzake vakkennis als inzake de beginselen van een levenswijsheid.

Het onderwijs kende in de jaren na de oorlog een grote bloei en het college, het  atheneum werd niet meer een oord voor enkele geprivilegieerden, maar ook kinderen uit de zogenaamde arbeidersklasse konden er ook en een aantal van hen werden hoogleraar. Sommigen vonden dat ze de vermeende vernederingen dienden weg te werken en begonnen het onderwijs aan kritisch onderzoek te onderwerpen. Anderen waren vooral dankbaar dat ze die kansen gekregen hadden en meenden dat iedereen er de kans toe diende te krijgen, maar wilden vooral de kwaliteit in stand houden. Tot een echte clash is het niet gekomen, omdat de hervormers de logica van het falen toeschreven aan factoren buiten het onderwijs. Het proces van leren en uit het leren eigen inzichten te ontwikkelen was voor hen geen leerwinst, wel het feit dat mensen een diploma kregen. Gelukkig, moet men zeggen, de mensen die in de jaren rond 1970 aan hun schoolloopbaan begonnen. Het was mogelijk, ongeacht maatschappelijke achtergrond school te lopen, de beste scholing te ontvangen en vervolgens er zelf iets mee aan te vangen. De ideologische discussies, als gevolg van Mei ’68 waren naar mijn oordeel best avontuurlijk, maar gaandeweg werd het debat eentoniger omdat men meende dat iedereen wel afdoende getraind zou zijn om links te denken.

Ik weet niet of het goed is rechts te denken dan wel links, want uiteindelijk, zowel in de humaniora, nu doorgaans alfawetenschappen genoemd, als in de bètawetenschappen is het beter de zaken naar hun eigen betekenis te onderzoeken en er dan maatschappelijke conclusies uit  te trekken, als dat al mogelijk is. We noemen de sociale wetenschappen niet expliciet, maar menen dat de pogingen tot gelijkheid die voor hen de aanname is, net als de gedachte, Auguste Comte indachtig dat men alles moet meten, om te weten, ook in werkelijkheid moet omzetten. Ook hoort men progressief te zijn, dat wil zeggen rebus sic stantibus, moet men eraan werken opdat de gewenste toestand naderbij gehaald kan worden. Ik weet niet of de analyses die men toen maakte dienden als argumentarium om de hervormingen van de samenleving mogelijk te maken, dan wel of men in rekening bracht hoe het was, anno 1975, met de toegang tot de universiteit, tot de school, tot de kunsten, tot de hogere beroepen. Natuurlijk veranderde onze samenleving sinds die  dagen, toen de vooruitgang in economisch opzicht plots leek te stokken. Migratie van arbeidskrachten, werd migratie van gezinnen, families en vaak dorpen uit Marokko of Anatolië. De armen, zeggen sociale onderzoekers, kregen een ander gezicht. Dat kan niemand ontkennen en de politieke reactie volgde al vlug, in 1991 zorgde het Vlaams Blok voor een politieke aardschok die de afgelopen decennia hebben bepaald.

De verklaringen lagen voor het rapen, zo leek het wel, maar als men er nader op ingaat, heeft men van de kiezer, c.q. de Vlaming een monster gemaakt; een staalname leverde altijd weer dezelfde wat duffe karakteristieken op waarin niemand zich wilde erkennen: ethisch bekrompen, qua smaak conservatief en economisch egoïstisch. Qua moraliserende invectieven kan dat wel tellen. Vooral de afgelopen twee decennia blonken bekende lui op het vlak van maatschappijkritische analyse die enkel nog moraliseren wilde, uit. Maar waar, zal u vragen, vind ik dan argumenten om dat te weerleggen?

In de eerste plaats, denk ik, liggen die te grabbel in de ontwikkeling van het gebruik van de  openbare ruimte. De koterijen, kon men lezen, de lelijkheid van het landschap, maar als iemand in de Morgen schrijft dat het Centraal station in Brussel lelijk is als de pest, dan denk ik, mag die krant over de smaak van den burger niet meer klagen. Het Centraal Station in Brussel was wat onderkomen, wegens gebrek aan onderhoud, op zich een gevolg van de keuze de auto te laten prevaleren op het  openbaar vervoer, tot de wegen zijn dichtgeslibd, maar het gebouw zelf heeft voor mij nooit anders gestaan dan als een vorm van adequaat modernisme. Een modernisme dat ook esthetisch kon en wilde zijn. Nu is het station onderworpen aan een facelift en moeten we zeggen, de oude dame schittert, niet als een oude kapel, maar als na een uitstekende verjongingskuur.

Ook leest men wel eens erudiete geesten, zoals Reynebeau die de populaire cultuur in Vlaanderen niet  nalaat voor te stellen als maatgevend, van de Prom’s in Antwerpen tot schlagerzangeresjes die met hun been wat ongelukkige bewegingen maken. Die cultuur is, voor wie al eens naar Nederlandse, Duitse of Engelse televisie kijkt niet bepaald anders. Er is in de cultuur veel van frisheid verloren gegaan, net omdat gebruikers en producenten het scheppende en innovatieve, creatieve hebben vervangen door formats, door, zekerheden. Maar er zijn er genoeg die er genoeg van hebben en dat al behoorlijk lang. Aan de ene kant heb je de geboren anarchisten en aan de andere kant mensen die zich niets meer laten wijsmaken, maar toch kunnen genieten van de dingen des levens.

Een terrein waar verkokering en het aanprijzen van het ene model echt aan de orde komt, is de ontwikkeling van de letteren in Vlaanderen, want daar dient de focus even op gericht, omdat we merken dat van de auteurs die in de naoorlogse periode hun betekenis hadden, deels als erfenis van het  verleden, deels omdat ze iets nieuws realiseerden, zoals dus Timmermans of Daisne, maar ook Clem Schouwenaers of Ivo Michiels, Claude van den Berghe en dan heb je  nog een aantal Nederlanders, die ook al vergeten lijken. Het landschap was toen veel meer verscheiden dan nu het geval lijkt. Al ben ik blij dat vandaag iemand Annelies Verbeke haar weg maakt, dat er in de boekhandel, de betere zelfstandige boekhandel wel een en ander te vinden is dat niet meteen de brede media haalt, zoals Joris Note – bij nader toezien kon mij een laatste bundel essays van hem ontgaan, wonderlijke wapens. Men mag Boontje herdenken, men mag Antwerpen promoten met Elsschot, maar ook Maurice Giliams mag men niet vergeten, Paul Snoeck, nee, niet de vergetelijke voetballer Coeck. De Pinck Poets? Kijk, u had het niet verwacht maar ik kan ook werk van Christine Hemmerechts waarderen, gewoon, omdat het toen, in de jaren 1980 en 1990 wel kon verrassen. Later raakte het eigene er een beetje af. Of moeten we barones Monique van Paemel in herinnering brengen. Het valt me echt tegen, zeker van de openbare omroep, dat men zo gemakkelijk een klein kransje telkens weer op de voorgrond schuift en anderen moedwillig blijkt te vergeten. Wie zich een beeld wil vormen van de eigen tijd en dit zou doen, wat de letteren betreft op grond van de letterenbijdragen van DS en De Morgen, zou verrast zijn hoeveel er door hun filters gevallen is en hoe weinig er echt blijft hangen.

In een ander segment van ons leven kan men zich toch enkel maar verbazen over de staat van de geneeskunde vandaag, waarbij men er niet omheen kan dat die de beloften die in de jaren na WO II als vergezichten golden, gerealiseerd zijn. Maar ook blijkt de betaalbaarheid een zorg en blijken welvaartsziekten hun opwachting te maken, al moet men daarbij vaststellen dat dit toch al een twintig, dertig jaar het geval is. Nu zorgt de vergrijzing van de bevolking wel voor een overduidelijke massaliteit van aandoeningen, terwijl voor jongeren en jongvolwassenen er nooit zoveel bedreigingen geweest zijn – althans dat zeggen expertisecentra ons. Of het zou moeten zijn, denk ik dan, dat we van de geboekte vooruitgang van de geneeskunde niet altijd de zegeningen tellen. Ik weet het, er zijn mensen die lijden aan de ziekte van Parkinson, aan de ziekte van Alzheimer en andere aandoeningen en voor de betrokkenen, patiënten en hun nabestaanden is dat geen geschenk, geen zegening.

Het zal dan ook wel geen toeval zijn dat men is gaan nadenken over hoe we daarmee om kunnen gaan, zoals het regelen van een wettelijke mogelijkheid tot euthanasie. Het heeft inderdaad geen zin dat artsen vervolgd zouden worden als ze genade laten gelden voor recht, voor plicht ook. Ook het initiatief om de patiëntenrechten beter te stipuleren was een belangwekkende stap, maar met het doorsijpelen van dat geheel van rechten schoot het zo te zien niet echt op.

Met dat alles moeten we dus vooral vaststellen dat de mensen die in 1945 en volgende jaren het gebouw van het pensioen en van de ziekteverzekering wel degelijk meer dan onze aandacht verdienen. Van August de Schrijver, Gaston Eyskens, Achilles van Acker en al die anderen die de sociale zekerheid op een nieuwe leest opbouwden, hoort men niet zo heel veel meer. Eerder klagen we over het falen, het vermeende falen van het model. Die kritiek komt mij niet rechtvaardig voor. Eerder zal men moeten nagaan of we voldoende zorgzaam het systeem hebben bijgesnoeid en gezorgd hebben voor nieuwe impulsen. Als ik vandaag, terwijl ik dit schrijf, Alexander De Croo hoor die meent dat er nog maar eens een studiecommissie nodig is om de pensioenen voor de toekomst te redden, nadat de afgelopen veertien jaar het programma van elke partij keer op keer vermelde dat pensioenen een topprioriteit hoort te zijn, dan kan men toch van enige nalatigheid spreken. In volle crisis rond Agusta, u weet wel, het smeergeldverhaal rond de aankoop van helikopters stelde Louis Tobback het pensioen al als zijn kerntaak voorop en zo kon hij zijn partij redden van een dreigende instorting. Ik herinner mij nog dat er eerst de aankondiging was van Jean-Luc Dehaene, die zware beslissingen voor zich zag en dan maar de kiezer ging, waarna plots de onderzoeken naar de steekpenningen voor de PS en de SP-a in het nieuws kwamen. Dat was het gevolg van het onderzoek naar de moord op de peetvader van het Belgische socialisme, André Cools.

En zo zijn we weer waar we wezen wilden, namelijk bij de vraag hoe we belangwekkende dossiers, zoals de vergrijzing niet hebben opgelost. Ach, we hebben de verplichte legerdienst zien verdwijnen, we hebben, natuurlijk resultaat van het wegvallen van de dreiging uit het Oosten onze troepen zien terugkeren uit Duitsland. We hebben ook gezien dat de leerplicht verlengd is tot 18 jaar, maar we hebben nog altijd niet begrepen dat dit niet voor iedereen de passende mogelijkheden schiep. Discussies genoeg, want met Vlaanderen Morgen hadden we in 1994 al een discussie over de toekomst van het onderwijs in Vlaanderen. Echter, als vandaag Raf Feys mobiliseert rond de al te dwingende onderwijshervormingen die men het onderwijs, de samenleving door de strot wil duwen, dan is het een nobele onbekende en zo iemand verdient geen aandacht. Maar dat de Nederlandse filosoof Ad Verbrugge zich achter Beter Onderwijs Nederlands schaart, als de huidige Nederlandse minister van financiën Dijsselbloem in 2008 een dwingend advies aan de regering schreef na al wie ambtshalve of maatschappelijk met het onderwijs te maken gehoord te hebben, waarin de commissie Dijsselbloem er aandacht op vestigde dat de pedagogische bekommernissen van de hervormers wellicht rechtmatig waren, maar dat dit vaak contraproductief uitpakte voor de leerlingen en dan vooral de achtergestelde leerlingen, om wie het allemaal begonnen was, dan dat blijkt wel even nieuws maar geen verbeterpuntje voor de media.

We zouden nog wel door gaan, maar dan verzinken we zelf in de waan, dat het allemaal niet goed is, wat apert niet klopt. Toch denk ik dat de omvang van de vergiftiging met dioxine van het kippenvoer en dus van een mogelijke kippenbil op ons bord al van begin af aan overroepen was. De redenering was dat er nogal wat kippen gekweekt worden en dat er dus massa’s voeder in de omloop is om die allemaal schoon op tijd op gewicht te krijgen, die kippetjes, meen ik. Dat impliceert dat als er al met al niet zo heel veel inzamelaars zijn van oliën om die te recycleren voor de veevoederindustrie, oliën die normaal restproducten zouden zijn van de productie van lijnwaad en andere producten. Verkest was een ondernemer en de zaak bleek pas in 2009 definitief voor de rechter te zijn gekomen, dan moet men toch vaststellen dat de alarmkreten van de media, van de heer Guy Verhofstadt wel overroepen waren. De media hebben dus wetens en willens een deel van het verhaal niet verteld: hoe zit de voedingsindustrie in elkaar, wat krijgen de runderen, varkens, schapen en kippen te vreten waardoor wij malse stukjes op ons bord krijgen. Daarin heeft het verhaal van Verkest een plaats en wie dan het plaatje overziet, zou merken dat het een homeopathische druppel was. Omgekeerd had men in 1986 alle moeite gedaan om de mogelijke gevolgen van de kernramp in Tsjernobyl niet te breed in de media uit te smeren. De wind zat goed, hoewel we wel degelijk net dan met een behoorlijke oostcirculatie af te rekenen hadden. Maar gelukkig schakelden de Rode Duivels kort nadien de Russen uit tijdens het WK Voetbal en alle leed was geleden.

Kortom, binnen dit beknopte bestek hebben we de opmerking meer dan eens laten opborrelen dat we met 1945 een mooie cesuur hebben om een historische benadering te ontwikkelen.  1989 blijkt dan een mooi kantelmoment  en dan wordt het bijna logisch om, hetzij in 2002 toen we de euro in de bankautomaten kregen, hetzij in 2008, toen de Generale helemaal vergeten was en Fortis overging in Franse handen, de periode voorlopig af te sluiten, maar toch, een mooie historische samenhang te ontwikkelen. Geen tempo doeloe, als men zou denken dat het dan om een tijd van dwalen, treuren en lijden gaat, zoals men wel eens meent te mogen beweren. Tempo doeloe betekent wellicht eerder de tijd die men zelf niet heeft meegemaakt, maar waarvan nog een ahnung, een gevoel heeft, van het nazinderen ervan. De werkelijkheid is dat we dat van de periode 1945 tot 1989 wel kunnen beweren, de mensen die in de jaren zestig en zeventig geboren zijn. We hebben het meegemaakt maar hadden er pas aan het einde enige kijk op. Invloed? Dat is een ander paar mouwen.

Toch denk ik, dat we de periode dan wel niet als een platina eeuw mogen beschouwen, dan toch als een gouden eeuw. Maar wie Hollands Gouden een beetje kent, via Nelleke Noordervliet, Simon Shama of het Rijksmuseum, weet dat de eeuw prachtige vruchten heeft afgeworpen die we nog steeds koesteren en duistere kantjes kende, zoals de politieke moorden op Johan van Oldenbarnevelt en Johan de Witt, maar ook een massale immigratie uit Vlaanderen en Brabant, Duitsland en de Scandinavische landen, Frankrijk en Italië zonden ook hun zonen uit. De gouden eeuw was de tijd van toenemende geletterdheid – in Vlaanderen was dat al goed ingebed, zoals Herman Pleij schreef in zijn boek over Anna Bijns – maar ook van heftige conflicten tussen Remonstranten en contraremonstranten betreffende in hoofdzaak de predestinatie oftewel het sola fide-principe. Vandaag maken we het mee dat wetenschappers op andere gronden maar misschien met dezelfde consequenties de mens bepaald achten, niet door gods ondoorgrondelijke raadsbesluiten, maar door de dwingende wetmatigheden der natuur, van het brein in het bijzonder. Gouden eeuwen hebben ook wel donkere randjes.

U ziet het, ook ik ontsnap niet aan de zoektocht naar zwarte randjes van een gouden veld. Laten we zeggen dat het een ernstige overweging waard is, die tijd na 1945. Gezondheid, scholing, huisvesting, cultureel leven… het heeft alles meer mensen bereikt dan ooit voordien het geval is. Maar we klagen dat we het nu dreigen te verliezen.

Bart Haers





Reacties

Populaire berichten