I Spy strangers of de kracht van urgentie


Reflectie

Bestuurspraktijk in 
zware tijden
 ons denken over
Politiek aangescherpt

Vera Brittain was vrijwilligster tijdens WO I en tijdens
het interbellum evolueerde zij naar pacifisme. Zij zette zich
nochtans in tijdens de Blitz om de strijdbaarheid van de Engelsen te
bevorderen en de noden te lenigen. Die inzet en die van
mensen die we in een andere context kennen zoals Evelyn
Waugh, Georges Orwell e.a. blijft wel belangwekkend.
De discussie over het beleid in deze tijden van crisis ligt om zo te zeggen lam omdat we de wijze waarop we politiek bedrijven verwarren met wat er gaande is. Al langer maak ik me er zorgen om dat media en politici alles telkens weer in het licht van verkiezingen benaderen, bij uitstek de politici zelf en journalisten en het commentariaat. De burgers raken een en ander wel erg moe en kijken niet graag meer naar al die discussies.

Toch verwacht men dat politici antwoorden hebben en vergeet men wel eens dat heldere of eenduidige antwoorden doorgaans niet het probleem te lijf gaan. Harry van Wijnen schrijft over een Churchill die in mei 1940, na de val van Nederland en de overgave van Leopold III dat hij niet anders kon de burgers de werkelijkheid voorhouden. Hij wilde die ongezellige waarheid niet uit de weg gaan dat er geen hoop was op een spoedig einde van de oorlog, integendeel, het zou allemaal moeilijk worden. Het werd nog erger, zoals we weten en pas in 1941 toen Hitler Rusland binnenviel in de hoop een snelle oorlog te voeren en de Russische troepen snel te vernietigen. Leningrad begaf niet – ten koste van de eigen burgers – en Stalingrad werd een ramp, voor de Duitsers, maar ook het Russische leger hield het nauwelijks uit, zoals Vasili Grosman schrijft. Diezelfde Grosman vertelt vervolgens hoe hij in de vlakten geleidelijk niet  en uitstekend wapenmateriaal zag verschijnen. De Britten en vooral Churchill hebben Stalin van 22 juni 1941 gesteund, met wapentuig en andere noodzakelijke grondstoffen.

Harry van Wijnen maakt aannemelijk dat het voor Churchill essentieel was dat de oorlog in en tegen Rusland van Hitler voor hem de enige kans was om de Britten ademruimte te geven. Op 8 december stapten de congresleden in Washington eindelijk de oorlog in, want Japan had de oorlog verklaard en de Amerikanen per verrassing bij Pearl Harbour te grazen genomen. Een slapende reus wekken…

Ons is het in deze reflectie te doen over hoe Winston Spencer Churchill gedurende al die maanden een strijd voerde binnen de marges die de democratie hem toeliet. Men kan het zich  nauwelijks voorstellen maar de man sprak op zondag op de radio ter ondersteuning van zijn landgenoten. Maar wie kritiek had op de oorlog, de weigering vredesgesprekken aan te gaan, kon die ventileren.
De verantwoording in het parlement was er ook niet minder om. Elke keer als er belangrijke wendingen waren voorgekomen ging de parlementariër met een enorme staat van dienst naar zijn parlement om de natie toe te spreken, voor te lichten en te ondersteunen. De vrijheid werd in het UK gerespecteerd, al waren er wel momenten dat Churchill achter gesloten deuren wenste te spreken “I spy strangers”, want de vijand, die uiteraard spionnen had in het UK en vooral in Whitehall. En toch, iemand als George Orwell zou gedurende die maanden  en ondanks zijn voorbehoud bij de conservatief Churchill, ondanks ook de zwakke uitrusting van de Home Guard, de troepen of liever een gemilitariseerde burgerwacht de kusten van het UK beschermen tegen een invasie waarvan alleen niet wist wanneer die zou doorgaan. Deze Home Guard werd maar met moeite bewapend. Even opvallend is dat de mensen van verschillende kanten hier met elkaar te maken kregen, wat voordien niet mogelijk was of alvast leek. Hitler heeft operatie Seelöwe, na de niet gewonnen Slag om Groot-Brittannië afgeblazen omdat hij wist of vermoedde dat hij toch niet tegen de Britse mariene zou opkunnen. Toen de Bismarck tot zinken werd gebracht, was het gevaar van de onderzeebotenvloot niet geweken, maar de Duitse marine kon niet meer op tegen de Engelse en Amerikaanse vloten.

Harry van Wijnen doordringt ons van het cruciale element in het oorlogsgebeuren, die eerste zeventien maanden, namelijk het uit de slaap wekken van de administratie, die er vooral blijkbaar trage afhandelingpraktijken op nahield. Nu dienden beslissingen onverwijld te worden uitgevoerd en niemand was vrij voor middernacht, als de baas rondliep. Boos kon hij wel eens uitvallen, maar hij blijkt vooral met zijn staf een goede verstandhouding te hebben opgebouwd. Niet te veel gedoe, maar toch, voor zijn ambtelijke secretarissen was het een hele klus. En toch lezen we dat deze mensen, soms vergrijsd en vertrouwd met eeuwenoude bestuurspraktijken opeens totaal nieuwe praktijken te verstouwen kregen. Rapporten over de oorlogsproductie, over de mogelijkheden de bedrijven beter in te schakelen en over hoe men de veiligheid kon verbeteren, alles passeerde de waakzame ogen van de premier.

Maar net daar wordt onze fascinatie nog groter, want waar begint het werkelijke gebeuren: de oorlog werd niet gewonnen door Churchill, maar door het gehele bestuurlijke apparaat. Hoe ontregel je een apparaat zo dat het plots gaat effectief functioneren en niet gewoon op het gewicht blijft teren? We lezen dat Churchill lange dagen had, twee keer een bad nam en vooral eindeloos bleef doorwerken, behalve om op zondag naar de film te kijken, vaak dezelfde film. Dat is goed om weten, maar hoe kon hij de administratieve diensten effectief inzetten, waar anderen er zelfs geen oog voor hadden.

De mislukking van Gallipoli zat er wellicht voor  iets tussen, zijn jarenlange deelname aan het publieke debat, als MP en als opiniemaker waren daarbij essentieel: Hij kende de hoofdrolspelers, was vanwege afkomst en opleiding vertrouwd met de bestuurlijke elite, maar dat hem misschien net weerhouden van dit optreden. De belangrijkste reden, schrijft van Wijnen is dat hij in Harrow tot zijn navolgers op de eliteschool liet blijken dat onderwijs een recht was, dat iedereen toeviel en dat al die mensen die daar voor hem zaten, hoeveel respect hij ook mocht hebben voor hun namen, stambomen en wat al niet meer, maar dat elke capabele mens moest toevallen. Hij vond, als conservatief en liberaal dat verdienste ertoe deed, meer dan afkomst. Het is mijn indruk dat Churchill tussen neus en lippen wel eens deze bijna erfelijke administratie te kijk zette.

Men kan de nadruk leggen bij het bestuderen van Churchill’s handelen vanaf 13 mei op het War Kabinet, maar Harry van Wijnen maakt duidelijk dat minstens evenveel belang dient gehecht aan de wijze waarop Churchill zijn administratie echt inzette voor de oorlogsdoeleinden. “Yes Minister!” en “Yes, Prime Minister” reeksen die tussen 1980 en 1988 werden gemaakt geven aan dat de werkelijkheid voor politiek wel heel erg deplorabel kon zijn. De hoge ambtenaren kunnen hun langdurige verblijf op departementen gebruiken om politieke ambities bij te sturen.

Het is niet overbodig hieraan te herinneren, wanneer we Churchill aan het werk zien tijdens zijn grootste periode, die evengoed nefast had kunnen uitdraaien. In deze is het ook niet van belang gespeend vast te stellen dat een oorlogssituatie voor een bestel de eigen kenmerken op scherp zet. In vredestijd en zonder crisis gebeurt ook al heel wat en worden debatten gevoerd over belangwekkende en andere kwesties. In oorlogstijd wordt het beleid cruciaal maar evenzeer de betrokkenheid en een zo groot mogelijke eensgezindheid vanwege de burgers.

Zoals Julius Caesar heeft Churchill na de oorlog, toen hij weer buiten spel stond en Attlee premier was, zijn daden en handelingen tijdens de oorlog ter harte genomen. Het zou dus  boeiend zijn die werken en zijn memoires te gaan bestuderen. Heeft hij inderdaad tijdens die meidagen, na Duinkerken, toen officieren eens terug op vaste grond in Dover met de taxi huiswaarts keerden en hun troepen in de steek lieten, de gedachte opgevat dat de kloof tussen de hogere en lagere klassen te groot was om goed te zijn? Heeft hij in de steun van de arme drommels die hun huizen kwijt geraakt waren in East End opgevat als een aanmoediging zijn kijk op de samenleving bij te sturen? Het zijn vragen die Harry van Wijnen aanstipt en het is Tony Judt die zelf vaststelde dat hij na de  oorlog, hoewel behorende tot minder hoog op de ladder staande middenklasser toch kon studeren en uiteindelijk in Cambridge terecht kwam. De besluitvorming tijdens de meidagen heeft later tot beleid geleid, maar het valt moeilijk zomaar vast te stellen.

Hiertoe is een meer analytische geschiedschrijving nodig, die laat zien hoe in een beleidsdomein, het onderwijsbeleid in deze de besluitvorming verloopt. Waar Churchill jongeren uit verschillende sociale klassen een echte kans wilde geven, zien we hier dat het onderwijsbeleid in het UK, maar ook in Nederland, de Franstalige gemeenschap aan andere criteria werd afgemeten, namelijk niet de kans iets van het leven te maken maar de gedachte dat iedereen hetzelfde onderwijs moet krijgen. Het gevolg is dat het onderwijs, zoals Tony Judt in zijn laatste geschriften te berde bracht, niet meer emanciperend werkte. Opnieuw is de kloof tussen de Etonian of de Harrowian en de mensen in het gewone publieke onderwijs opnieuw veel te groot is en dat ouders zich krom plooien om toch maar iets beter onderwijs te bezorgen aan het onderwijs.

Oorlog en Onderwijs? Hoe verzin ik, hoor ik al iemand vragen. Maar net het boek van Harry van Wijnen laat zien, bijvoorbeeld aan de hand van het verhaal van Vera Brittain,  de vrijwilligster die mee de oorlog in Frankrijk en België meemaakte. Haar pacifisme belette niet dat ze tijdens WO II wel degelijk de oorlogsinspanningen steunde en niet naliet, in 1944 de zware bombardementen op de Duitse steden aan te klagen. Het was blijkbaar van begin af aan, voor Churchill en het bestuur zaak de waarden van de parlementaire, liberale democratie in stand te houden. Ook de verhouding tussen Evelyn Waugh en aan de ene kant de elite en de andere kant het zogenaamde gewone volk draagt van Wijnen aan om ons ervan te overtuigen dat er iets aan de hand was: de geschiedenis overkomt niet alleen vorsten en leiders, maar wordt in zekere mate burgers aangedaan.

Het is mijn indruk dat Churchill begreep dat hij het leed niet kon voorkomen – de opbouw van de vijandschap was te hoog opgevoerd en men had niet alles gedaan om Hitler tegen te houden – maar dat hij voor die burgers het mogelijke diende te doen om het resultaat te bereiken, namelijk Hitler uitschakelen als verstoorder van de internationale orde en de Britten de zekerheid van vrede te bezorgen. Alle inspanningen zijn gericht op de oorlogsvoering en op de verdediging van Albion. Perfide was dat niet, noodzakelijk wel. Staat de lectuur mij toe hieruit af te leiden dat politiek bedrijven verschillende doelen kan nastreven, op de korte termijn, in dit geval de aanvallen van de vijand afslaan, en op langere termijn, een betere samenleving realiseren? Maar Churchill die tijdens zijn loopbaan enkele keren een bocht maakte, heeft ook in zijn maatschappijvisie blijkbaar doorheen de gebeurtenissen tijdens de oorlog begrepen dat er iets mis was met zijn land.

De verbeterde werking van de administratie vormt een deel van de oplossing, iets waar men ook vandaag mee doende is. Tegelijk merkt men dat de groep, hoe tegengesteld hun visie ook was voor 10 mei 1940, nadien samenwerken. Het geeft aan, in de Europese context van vandaag, dat men wel kan verschillen van mening over concrete problemen, maar dat als de nood hoog is, men niet zonder het draagvlak kan van de burgers. Een regering van nationale eenheid was nagenoeg onuitgegeven in het Engelse parlementaire systeem en toch vormde het de voorwaarde om snel de nodige krachten te mobiliseren.

In deze zin vormt de excursie van Harry van Wijnen naar Ed Morrow’s portret van Gerbrandy dat zeer lovend was en natuurlijk een Nederlands publiek moet aanspreken. Toch merkt men dat Pieter Gerbrandy tijdens de jaren na de oorlog in bedenkelijk vaarwater kwam, met name . Maar dat konden noch Morrow noch Gerbrandy dan al bevroeden. Ook de oude Churchill, die in de jaren 1950 nog eens premier zou worden, bleek niet meer bij machte dezelfde dynamiek te bewerken of het enthousiasme op te zwepen. Maar de omstandigheden, geachte lezer, waren veranderd.

Politiek, zo blijkt in deze feite van de oorlog was heel specifiek en duidelijk, ook omdat de leider zelf de waarheid aan het  parlement noch aan de burgers wilde onthouden. De verarming van het UK lag besloten in de tomeloze oorlogsinzet, maar wat als Churchill vrede had gesloten? Ik weet het, de vraag mag men als historicus niet stellen, omdat er geen manier is om een redelijk betrouwbaar antwoord te vinden.

Het komt me daarom voor dat we de oorlogsomstandigheden niet mogen zien als een normale vorm van bestuur. Wie echter heel wat discussies over beleid in tijden van vrede bekijkt merkt echter dat men eindelijk niet zo goed raad wist en weet met het beleid. De doelstellingen zijn vaak vaag en de discussies oeverloos. De politiek van Cameron, omtrent Europa steekt dan ook schril af tegen de overhaaste besluitvorming rond een Frans-Britse parlementaire unie, lees een confederatie. Hier was Reynaud betrokken, net als monsieur Jean Monnet maar hoewel het project mislukte was het opvallend hoever men politiek het onmogelijke drijven wilde om de overwinning veilig te stellen. Gezien met kennis van de evolutie van Europa, van de houding van de Britten, maar ook bijvoorbeeld van de Nederlanders ten aanzien van de Benelux, maakt het duidelijk dat onze discussies te vaak urgentie vinden.

Urgentie afroepen vormt geen voldoende voorwaarde opdat er urgentie zou aanwezig zijn. De omstandigheden dringen de burgers én de politici desgevallend die urgentie op. De vergelijking kan bizar lijken, maar de houding van Karel V tegenover Gent was voor hem, na drie jaar gesteggel over de bedes, de belasting die Gent zou betalen aan de oorlogsvoering, was er een van zoeken naar het oplossen van een probleem zonder een van de belangrijkste steden in de Nederlanden te redden. In Noord-Frankrijk vernietigde hij wel een opstandig nest, Thérouanne ofte Terwaan in 1553. Politiek bedrijven als een kwestie van het mogelijke? Als men het doel uit het oog verliest, wordt alles mogelijk, of niets. Daarom denk ik dat we soms te vrijblijvend over politiek spreken, alsof het alleen een spel zou wezen.

Bart Haers

Reacties

Populaire berichten