KU Leuven en de UCL


Debat

Waarom het populisme kan tieren
Jongeren hebben er geen gevoel bij

Louvain-la-Neuve, de meest recente stad in land als ik het wel
heb. Is het een zegen geweest voor Franstalig Belgi"? Waarom
"Walen Buiten!" niet enkel een negatief verhaal hoeft
te zijn. 
Wie de pers in dit land volgt, weet het wel natuurlijk, de mensen in het Noorden weten dat die van het zuiden niet deugen, die van het zuiden weten het omgekeerde maar al te goed, terwijl ze de geschiedenis van dit land geenszins kennen, slechts membra disjecta, verkocht als capita selecta. Goed overwogen keuzes uit onze geschiedenis kan men nog samenbrengen, losse hoogtepunten vallen al moeilijker te begrijpen of begrijpelijk te maken. Het gaat om het leven van mensen in een land waar mensen elkaar niet begrijpen omdat vele facetten van de andere niet zomaar gevat kunnen worden. Tussen Jules Destrée en Frans van Cauwelaert gaapte een politieke kloof maar geen culturele of intellectuele.

Het is het punt waar de tegenstellingen in dit opzicht op botsen. Ach, ik kan best Pierre Mertens begrijpen, ik bedoel, ik lees la Libre of Le Soir, al heb ik er zelden zin in. Het gaat er namelijk om dat kranten en bladen, omroepen ons niet altijd vertellen hoe het echt of eigenlijk geweest is. De geschiedenis van de Vlaamse beweging is niet zonder belang maar kan niet alles verklaren of uitleggen. Men bekijkt vaak de geschiedenis van dit land vanuit de handelingen van de (top van de) Vlaamse Beweging. Een meer globale benadering, een historische benadering zou ook beter verklaren waarom mensen als Hugo Schiltz of Geert Bourgeois bepaalde opties hebben gekozen of afgewezen. Nu lijkt het alsof de Vlaamse beweging alles verklaren kan. Het economische gebeuren of zelfs de evolutie in het onderwijs, van laten we zeggen 1865 tot 1914 is in het licht van de ontwikkelingen van de Vlaamse samenleving van ongemeen groot belang, toch komen die zelden aan bod in overzichten. Toch heeft Vlaanderen nood aan een begin van public Diplomacy. Er was het project I Fiamminghi van Luc van den Brande, maar er was ook de hevige kritiek van mensen als Reynebeau, die kiezen voor Belgitude. Het is zijn goed recht, maar Belgitude prediken en een deel van de geschiedenis negeren, afwijzen als niet ter zake doende, het blijft merkwaardig. Het gevolg is voor alles dat vele jongeren vandaag geen onderbouwde visie kunnen ontwikkelen, maar evengoed met langue de bois de zaak afschieten of overdreven in het hart dragen.  

We hoeven zo ver niet te gaan in de geschiedenis: de uitrol van het autowegennet in Vlaanderen, van 1955 af als ik het goed af, met de weg naar Oostende, nog een plan van Leopold II kwam er vrij snel, maar waar de indruk eerst bestond dat de autowegen allemaal, zoals met het spoorwegverkeer het geval was, op Brussel geaxeerd zouden zijn, ziet men dat die centralisatie door de uitbouw van wegen in de verschillende provincies erg gedecentraliseerd is geworden.

Hoeveel aandacht gaat er naar de ontwikkeling van de gezondheidszorg, het onderwijs en opleiding van verpleegkunde en geneeskunde en de uitbouw van ziekenhuizen? We zien dan alvast dat er heel wat is dat we zouden moeten onderzoeken dat te maken heeft met beleid, met verwachtingen van de mensen en hoe we dat systeem na WO II verder hebben opgebouwd. Kortom, ik denk dat het dringend tijd is dat commentatoren en opinieschrijvers eens de zaken ruimer opentrekken. Als we het belang van de sociale bewegingen, de vakbonden niet in rekening brengen, kan men op geen enkele manier aangeven wat de eigen inbreng was van mensen uit de Vlaamse beweging, van de voorzitters van het IJzerbedevaartcomité tot de voorzitters en parlementsleden van Volksunie en N-VA.

Wat dan opvalt? Dat in Vlaanderen de geesten sinds WO I niet zomaar in één richting zijn geëvolueerd, dat de Vlaamse zaak en het gewicht van de Vlaamse burgers in de nationale besluitvorming altijd heeft meegespeeld, ook al hadden burgers ook wel andere overwegingen in het achterhoofd. Deelnemen aan de Marsen op Brussel begin jaren '60, een feit waar we vandaag nog maar heel weinig over spreken, was niet een zaak van de harde kern van de Vlaamse Beweging, maar de Vlaamse Beweging kon massaal bij de oplettende burgers mobiliseren.

Mijn nichtje, studente in Leuven en met aan de ene kant een Nederlandstalige familie en aan de andere kant een Franstalige familie, in het Luikerland en Waals-Brabant, merkte op dat zij de twee kanten wel enigszins kent, maar dat ook Vlaamse studenten hun geschiedenis niet kennen. Zou ik hen uitleggen dat reeds kort na 1830 een familie in Lier, de familie Bergmann problemen had met de Verfransingmechanismen. Die waren deels geërfd van de tijd onder de Franse annexatie, deels was de stichting van België het gevolg van separatisme door een wel zeer beperkte club van Franstaligen, vrijzinnigen en katholieken. Maar zij konden rekenen op een redelijke achterban en hadden toch af te rekenen met een stedelijke Franstalige elite in Vlaanderen, vooral Gent en Antwerpen die de zegeningen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden wel wisten te waarderen. Overigens sprak men in den Haag ook wel een aardig mondje Frans. Nu goed, die separatie was er en vervolgens ontstond een nieuwe natie met een liberale grondwet voor wie zich in het gewoel kon wagen, een kleine elite dus. Pas in 1919 zou het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen ingevoerd worden. Ten koste van de vraag van Frans van Cauwelaert en anderen in Gent de Universiteit te vernederlandsen. In Loppem, zo zegt men, pleegde koning Albert een coup, samen met … wie. De geschiedenis van de nadagen van WO I, tot 1925 blijft altijd in een waas  hangen. Er was het geheime militair akkoord tussen België en Frankrijk. De wederopbouw vergde de overheid veel hoofdbrekens en de politieke klasse kon niet goed om met de vaak zeer verscheiden mandaten die de kiezer gaf. Hoewel de urgentie ontegensprekelijk groot was, wist men op het vlak van economisch beleid en herstel van de landbouw en van de industrie niet gauw genoeg middelen te verzamelen. De oorlog had namelijk met zich meegebracht dat de Duitsers echt als een Teutoonse furie het land hadden leeggeplunderd. De redenen hiervoor waren vooral de bevoorradingsmoeilijkheden om de oorlogsindustrie op peil te houden. In België is na 1919 de belofte van de politiek, van de democratie helaas niet geheel ingelost. Vlaamsgezinden in de Frontpartij overigens stemden tegen wetgevend werk dat goed was voor Vlaanderen. De biografie van Herman Vos (1889 - 1952) die in het activisme zat en in 1933 niet koos voor het VNV maar voor de BWP is op dat vlak interessant. Maar men kan terecht opmerken dat een zwaluw de zomer niet maakt. 

Ook dat is dan weer iets dat mij altijd weer opvalt, in het verhaal van de oorlog, het lot van de burgers en van het land, als een geheel van het particuliere patrimonium en het publieke bezit, de publieke assets. Ons idee van de samenleving toen is vandaag wel heel simplistisch, onder meer op het vlak van de administratie, zowel van overheden als van particuliere bedrijven. Ook op het vlak begroting, wetgeving zou men wel eens een poging mogen wagen dat alles te bekijken. Ook de prosopografie van de leden van de regeringen voor en tijdens WO I, het Interbellum overschouwend valt het niet zozeer op dat veel Franstaligen in de regering zitten, maar dat nogal wat toppolitici in Vlaanderen hun belangen hadden.

Ook hier is het dus niet overbodig de zaken meer gedetailleerd te gaan bekijken en aan het publiek voor te stellen. Niet om het gelijk van deze of gene in de verf te zetten, van een Borms dan wel van een Henri Pirenne. Het belangrijkste dat de historicus inderdaad kan doen is te beproeven na te gaan hoe het eigenlijk geweest is. Dat ligt niet voor de hand en vele historici lijken op dat vlak de handdoek in de ring te hebben geworpen. Leest men “greep naar de macht” van de Gentse historicus Bruno de Wever heeft in zijn doctoraat wel degelijk een poging ondernomen het verhaal van het VNV zo goed mogelijk en breed mogelijk te beschrijven. Herman van der Wee stimuleerde onderzoek in de richting van goed onderbouwde economische geschiedschrijving, maar in de brede media vind men er nauwelijks aandacht voor.

Geschiedenis, zeggen pedagogen, is een zaak van begrijpen. Maar als zij leraren opleiden, vraagt een mens zich af of zij de jeugd willen doen begrijpen. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken:

Albrecht Rodenbach. Rodenbach, dat is voor veel mensen een bier en dat         bier is ook een deel van het verhaal van de Rodenbachs, die in 1830 betrokken waren bij de separatistische opstand tegen Willem I. De Rodenbachs, dat is het verhaal van een zeer welvarende familie, van wie we vooral – in Vlaanderen – Albert kennen en in de Franstalige wereld – en Brugge – de schrijver Georges Rodenbach. Albert was als scholier in Roeselare betrokken bij een studentenopstand, geïnspireerd door onder meer Hugo Verriest, om het Nederlands de plaats te geven in het onderwijs die het volgens hen, de leerlingen toekwam. Later, in Leuven, zou Albert er een begin mee maken de vleugels open te slaan en een biografie meldt niet ten onrechte dat hij de Vlaamse zaak minder belangrijk ging achten en zich een meer een dandyeske levensstijl aanmat. De dichter stierf dan ook wel zeer jong, 24 jaar oud.

Men kan overigens zien hoe in die generatiewissels in de negentiende eeuw de positie van de ouders, grootouders in 1830 door vooral in de kleinkinderen niet betekende dat ze hetzelfde spoor zouden volgen. We hebben het over de  Rode Baron Arthur Verhaeghe, die de kleinzoon was van Pierre-Théodore Verhaeghe, vrijzinnige, stichter van de ULB en vooraanstaande spreekbuis van de vrijzinnigheid. Arthur Verhaeghe werd katholiek en ging in de clinch met Charles Woeste om de Vlaamse christelijke arbeiders te gaan aansturen. Bij het ACV en ACW in wording vond men dat niet meteen een goede idee.

Of moeten we het hebben over Georges, Joris Helleputte, architect, stichter van de boerenbond, parlementslid en minister? Als architect stond hij dicht bij de ontwikkelingen van de neogotiek, maar ook maakte hij ook mee de omslag naar de art nouveau. Als politicus was hij Vlaamsgezind zonder daarom zelf vooral het Nederlands te gebruiken. Als politicus ook richtte hij zich op het verbeteren van het onderwijs en ervoor te zorgen dat vooral de armen hun kinderen vooral school zouden laten lopen. De boerenbond was voor hem het instrument om vooral de kleine boeren te steunen die na 1880 wel zeer in de verdrukking kwamen. Voor zover ik het kan zien waren de boeren met middelgrote en grote bedrijven minder geneigd zich met de boerenbond te verenigen. Maar de coöperatieven wilden ze wel mee in de hand houden.

Nog een laatste voorbeeld om het af te leren, namelijk mevrouw Marie-Elisabeth Belpaire (1853-1948). Haar moeder was de dochter van de gouverneur Teichmann van Antwerpen en behoorlijk welvarend. Zo kon zij later met haar middelen zowel weken aan het onderwijs voor meisjes in Vlaanderen. Tijdens de oorlog verbleef zij in de Panne en zorgde ze met een krant voor de soldaten. En ze richtte ook nog eens Dietsche Warande en Belfort op.

Nu goed, we weten dat ook deze benadering een uiting is van een tot synthese onmachtige geschiedschrijving maar gegeven het beknopte bestek van dit stuk, zal de lezer me dit niet euvel duiden. Natuurlijk, men zal verwachten dat we niet vergeten dat er ook duistere kanten aan het verhaal zijn, zoals tijdens WO I het activisme en tijdens WO II de collaboratie, ondanks het feit dat velen dure eden hadden gezworen niet opnieuw in een activistisch avontuur te stappen. Sommigen hebben dat ook gedaan, hun eed gestand gedaan, anderen zijn er wel toe overgegaan en werden de speelbal van de Zivilverwaltung. Een enkeling als Stijn Streuvels, de schrijver wist er wel zijn voordeel mee te doen, zonder zich echt te verbranden: een geval van economische collaboratie? Felix Timmermans werd na de oorlog aangesproken om het feit dat hij in Duitsland lezingen had gehouden. Hoe moeten we dat interpreteren? Eenvoudig is het niet en het feit dat ook Ernest Claes door de epuratie is gevat geworden, maar eerherstel heeft gekregen, om zijn ambt in de Kamer van volksvertegenwoordigers opnieuw te kunnen bekleden maar ook omdat hij zich wel degelijk niet aangesproken zou hebben gevoeld door nazisme, verdient in deze wel enige aandacht.

Toch zal men in de debatten van de afgelopen jaren niet schromen de Vlaming als een geboren collaborateur af te schilderen. In mijn familie valt het mee en als ik verder om me heen kijk, dan merk ik dat velen in die oorlog geen positie hebben willen innemen, al waren ze hoopvol, luisterend naar de BBC, intussen zorgend voor vrouw en kinderen dat er brood op de plank kwam.

Er zijn die duistere bladzijden, waarbij mensen soms wel duidelijke keuzes maakten, kozen voor de collaboratie, voor het verzet ook en waarbij het moeilijk is algemene conclusies te trekken. Een figuur als priester Cyriel Verschaeve ligt wel heel erg moeilijk omdat de man niet enkel atypisch was als priester, maar ook als auteur en met zijn geloof in een stelsel als het nazisme dat de katholieke godsdienst en het christendom niet genegen was, springt hij er wel uit. De geschiedschrijving rond deze figuur is in die zin opmerkelijk dat pas in de jaren 1990 professionele historici als Bruno de Wever de mensen die nog treurden om zijn overleden in Solbad Hall, ver van zijn geliefde Vlaanderen, de argumenten uit de handen sloeg. De man was, voor wie zijn biografie las, merkwaardig moeilijk in te tomen en hij kon zichzelf nog minder intomen. Wie zijn schwärmen met Duitsland en later met de Nazi’s volgt merkt dat dit een puur emotionele aangelegenheid was. Groots en meeslepend wilde hij leven, maar er waren er ook andere, die net niet kozen voor dat avontuur.

Geschiedschrijving heeft als nadeel dat men bij detailstudies niet vanzelf het grote verhaal kan vertellen en omgekeerd kan men bij syntheses niet altijd de afwijkingen van het algemene beeld, model, theorie kan oproepen. Het gaat om het begrijpen van mechanismes, om wat zich naar het oordeel van de historicus voorstelt als verklaringsmodel. De Vlaamse Beweging in België heeft heel wat losgemaakt en in beweging gebracht, zoveel is zeker. Maar de vraag is of de Vlaamse samenleving door voor- en tegenstanders van de Vlaamse Beweging, of van de N-VA niet gegijzeld wordt. Het antwoord ligt deels voor de hand, want de polarisatie in de Vlaamse samenleving is nu van een andere omvang dan dertig jaar geleden. De opkomst van het Vlaams Belang zal er wel iets mee te maken hebben, de onvrede over het onvermogen de Belgische knopen nu eindelijk eens door te hakken ook, maar misschien nog meer het besef dat politici vandaag minder dan toen, in 1982, toen de crisis ook behoorlijk om zich heen greep, ook iets zinvols kunnen ondernemen. De regering Martens-Gol kon de financiële impasse doorbreken door een muntdevaluatie, vandaag zitten we in een Europese context die veel meer omzichtigheid vergt.

Het is te vroeg de uitkomst te voorspellen, maar wat mijn nichtje vertelde, kan een deel van de toekomst wel in zich bergen, namelijk dat haar Vlaamse medestudenten evenmin als de Waalse vrienden van scouts en sociaal leven eindelijk niet begrijpen waar het om te doen was met de kreet Walen buiten. Voor haar was het een schokkende ervaring, enfin, toch verrassend dat een medestudent haar dat toevoegde. Zij is én Vlaams én Franstalig en verbonden met de Waals-Brabantse en Luikse familie. Maar haar oordeel komt mij weldadig voor. We moeten in het onderwijs en de media meer aandacht besteden aan die geschiedenis besteden, niet om anderen de zwarte piet toe te spelen. In deze zin vind ik de documentaire Ten oorlog een gemiste kans. Men kan het Europa van 1914 niet losjes weg in beeld brengen. Iemand als Philipp Blom heeft in zijn boek Vertigo Years – vertaald als de Duizelingwekkende jaren en behandeld op mijn blog – aangetoond dat velen in de jaren na 1870 in een nieuwe wereld dachten te leven. Mensen gingen alle kanten op, naar de Nieuwe wereld. De wereld in Europa in die jaren is best boeiend, maar bekijkt die in het licht van WO I, dan wordt de droefenis van later afgestraald op wat er nog niet was. Stefan Zweig die nog op de Digue van den Haan aan zee loopt, die de avond voor 4 augustus nog in Oostende een biertje of wijntje dronk met vrienden kon nog net de laatste trein naar Wenen opspringen. Uiteindelijk zocht hij in Zwitserland onderdak en vond in Frans Masereel een vertrouwde compagnon de route. Beiden begonnen in Genève aan een pacifistisch project. Masereel, de gewetensbezwaarde uit Gent, geboren in Blankenberge, vertrouwd met de taal van de vissers en de Gentse leerlingen van de vakschool, hoewel zijn familie goed bourgeois was en dus Frans sprak.  Masereel kennen we van zijn houtsneden en andere etsen.

De rijkdom van de geschiedschrijving? Maar ook blijkt het telkens weer een voorwaarde voor een beter begrip, van bijvoorbeeld de breuklijnen in een samenleving, want men heeft de theoretische uitspraken vaak uitvergroot of net geïsoleerd bekeken. In Franstalig België merkt men niet altijd echte interesse voor wat er in Nederlandstalig België sinds 1830 is voorgevallen. Omgekeerd merk ik ook wel dat Vlamingen er zich niet van bewust zijn dat een deel van hun verhalen, voor en tegen meer Vlaams gezindheid net geput worden uit wat we nog menen te weten van de commun opinion, zoals de gedachte dat het Nederlands niet geschikt zou zijn voor wetenschappelijke prestaties van niveau. Frans van Cauwelaert heeft er niet veel aan gedaan om te verhinderen dat de uitspraak van kardinaal Mercier onder het brede publiek verspreid raakte.

Nog in de jaren 1970 liet men wel eens horen dat in Vlaanderen er eindelijk niet zo heel Nederlands werd gesproken. Dat vernam ik van een familie waar ik mijn Frans mocht bijspijkeren. Ongezellig was het niet, maar toch. Toen raakte me dat niet echt, maar toen ik vanaf 2007 dat soort opmerkingen opnieuw luid hoorde opklinken, van Vlamingen, die menen dat de Andere Vlamingen niet deugen, dan valt het wel hard tegen. Vooral omdat het zo gemakkelijk aangedragen wordt en ook nog eens voor evangelie aangenomen.  

Vandaag stel ik vast dat in Vlaanderen in het bijzonder en in België in het algemeen er van een aantal dingen een amalgaam gemaakt wordt. Onlangs legde ik een stel oudere mensen in Brussel, Koninginnegalerij uit hoe ik het universum van Johan Daisne had leren waarderen, toen ik mij met de literatuur begon in te laten. Zij, Franstaligen die in Gent op waren gegroeid kenden namelijk de familie van Dokter Thierry en vroegen me of ik begreep waarom er niet meer over Daisne werd noch wordt gesproken. Tot mijn verbazing en geheel terecht vonden, vinden zij dat Vlaanderen haar auteurs en schilders, beeldhouwers en een hele cultuur schandalig mismeesteren. Nu vind ik dat ook, natuurlijk, maar deze mensen die veel met Gent hebben en hun oude dag slijten in Brussel, omdat ze dan zonder veel gedoe naar de Munt kunnen en naar het PSK, waren Franstalig maar beiden hadden door hun beroep gedurende jaren in een goed Nederlands gefunctioneerd in Gent. Maar hun taal was het Frans, maar zij kenden het Nederlands Toneel Gent. We spraken over Van de Woestijne en over Frans Masereel.

Vlaanderen heeft in hen goede public diplomats maar we hebben de indruk dat in Vlaanderen, in Brussel en Wallonië mensen die er de mogelijkheden toe hebben niet echt veel te bieden hebben op dat vlak. Als ik mijn nichtje hoor zeggen dat haar vrienden aan de universiteit Leuven het hele verhaal niet kennen, over Walen Buiten en de emancipatorische aspecten van de Vlaamse Beweging, dan ligt dat maar deels aan henzelf. Dit is, sinds Conscience zijn Vlaamse Leeuw schreef een verhaal van honderd170 jaar, dat wil zeggen, de roman verscheen in 1838 maar goed, volgens Reynebeau was het een mythe. De geschiedenis van Philips IV de Schone en het onderzoek van Veronique Lambert laten zien dat er in die vroege veertiende eeuw in Vlaanderen een proces aan de gang was van identificatie met het algemeen belang. De gelederen werden niet gesloten, omdat onder andere Philips, de graven van Henegouwen-Zeeland en Holland maar ook de hertogen van Brabant hun vingers in de pap wilden houden. Dat Vlaanderen nu de naam is van een groter gebied, dat kunstenaars die uit Henegouwen kwamen of uit Artesië en verderop maar in Vlaanderen hun carrière maakten, als Flamands of Fiamminghi bekend staan, laat zien hoe hard de strijd was, maar ook opvallend welvarend en cultureel progressief de regio zich ontwikkeld had. Uiteraard was er ook in het Rijnland, in Bohemen en vooral Noord-Italië heel wat aan de hand en overal worden stapstenen gelegd van wat we nu kennen als de Europese cultuur. De tentoonstelling over het Gruuthuse handschrift laat veel zien, maar vooral en omwille van de kundigheid en het literaire, artistieke belang van deze handschriften dat die stedelijke elite, zoals de Gruuthuses wel degelijk mee het culturele klimaat stimuleerden en vandaar is de stap naar creativiteit en innovatie klein. Mij valt op dat dit toen, zoals in de late 19de eeuw vanzelf gebeurde, of nog ten tijde van Tony Herbert tijdens het interbellum. Vandaag spreken we veel over creativiteit en innovatie, inventiviteit, maar in de kunsten en in de technologie is het vaak geheimtaal voor bureaucratische sturing.  

Nog eens, men werkte toen niet voor ons maar binnen het eigen culturele kader. Ook vandaag maken we dingen die de moeite waard zijn, maar die ook in de Vlaamse media geen betekenis lijken te hebben. De eerste public ambassadors, de media, spelen die rol doorgaans in andere landen. In Duitsland, het UK en wat voor land ook, Nederland niet te vergeten ziet men, in weerwil van de giftige, heftige commentaren op regeringen, op fout beleid, het eigen land niet als heilig, dan toch ook eigen aan henzelf, de mediamensen. Kritiek op beleid, op bepaalde evoluties in de samenleving? Uiteraard, maar veralgemeningen over de eigen directe medemensen? Over medeburgers? Hun taal, de vermeende conservatieve artistieke smaak, terwijl ik er toch wel ken die nu net heel eigentijdse kunst hogelijk waarderen. Ook buitenlandse galeristen weten dat.

Kortom, kan men aannemen dat deze of gene problemen heeft met het artistieke landschap of met andere facetten van het leven in Vlaanderen, dan nog blijft het vreemd dat velen steeds weer dezelfde argumenten bovenhalen. Bijvoorbeeld dat in Vlaanderen de Verlichtingsidee nooit veel voet aan de grond gehad zou hebben. In zijn doctoraat beschreef Yvan Vanden Berghe hoe in Brugge de bisschop en anderen anno 1787 wel degelijk vertrouwd waren met de Verlichting. Het boek werd ook gepubliceerd, maar net degenen die altijd weer met de Lumières komen aandraven, brengen nooit interesse op voor wat Vlaanderen in de achttiende eeuw beleefde: demografische groei, opbouw van het wegennet, economische welvaart en een gunstig cultureel klimaat. Ook weer lang geleden, dat is waar, maar men kan de geschiedenis ook niet naar de eigen hand zetten. De breuklijnen zijn niet toevallig maar ook niet onoverbrugbaar. Alleen moeten we er zelf ernstig werk van maken. Public diplomacy? Het minste wat we kunnen proberen.

Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten