Oorlog is niet de standaardsituatie



Kleinbeeld


Tafelgesprek
Over herinneren en zich herinneren wat er was


Ludovico Guicciardini was een van die mensen
die in de Gouden eeuwen van de Zuidelijke
Nederlanden een uitgebreide schets schreef met
etsen van onze steden en landouwen. Hij is
een bron voor historici en tegelijk moet men
naast alle bewondering toch kritisch bewerken. 
Ik weet het wel, de oude Goethe placht gesprekken aan tafel te houden, mar de gesprekken met Eckermann, waarover Thomas Mann dan weer ironisch uitpakte, waren uiteraard een poging van Goethe om gedachten die hij niet meer op papier kreeg, uit te werken. Aan de andere kant van het spectrum vindt men de zogenaamde Tischgespräche van Hitler, die op voorstel van Bormann werden genotuleerd en op verschillende momenten werden uitgegeven. We hebben ook herinneringen van sommige deelnemers aan dit soort gesprekken. Timur Vermes heeft erover een roman in elkaar gebokst waarover ik eerlang nog zal spreken. Maar wat van belang is, dat goede tafelgesprekken voor iedereen wel aangenaam en boeiend kunnen zijn.

Neem nu het gesprek met een ouder wordende dame, die als verpleegster naar Korea wilde, maar niet mocht van de majoor van het departement geneeskunde. De dame, bedacht ik me achteraf, had bijna M.A.C.H. meegemaakt, u weet wel, de hilarische reeks over een medisch team in Korea. Wellicht, zal u met mij denken was de werkelijkheid eerder dramatisch dan hilarisch. Maar misschien moeten we ons toch afvragen hoe dat zo komt dat een jonge dame uit Vlaanderen plots naar Korea wil? Daarover kregen we niet echt een antwoord, maar dat het om menslievende redenen was, spreekt voor zich. Van Florence Nightingale had ze wellicht wel gehoord, meer dan wij wellicht. De Krimoorlog? Hallo, mijnheer Haers, drijft u het niet te ver, dat is voor ons geen geschiedenis, toch. Ik hoor het deze of gene lezer al denken of zelfs roepen. Maar juist het levensverhaal van Florence Nithintgale, net als van dat van Gabrielle Emilie le Tonnelier Breteuil du Châtelet, zelfs van dr. Alette Jacobs hoort men Vlaanderen allemaal niet veel. Hoe het geweest is, reconstrueren met beperkte kennis, het blijft hachelijk.

Waarom zouden die, juist die vrouwen ertoe doen? Ik vroeg me naderhand af, maar omdat we tijdens het tafelgesprek over WO I, II en andere meer actuele gebeurtenissen spraken, kon ik mij niet ontdoen van de gedachte dat we wel eens vergeten dat wat de historicus achteraf het vermelden waard acht, voor de tijdgenoot niet altijd net die betekenis of draagwijdte had. De moord op Walter Rathenau, iets waar ik af en toe eens informatie en documentatie over zoek, blijkt voor velen een volkomen detail in de geschiedenis van de tragedie die Weimar was. Oh, een tragedie? Wat moeten we daar nu mee? Geschiedenis heet rationeel te zijn, of zou het dan toch aan ons zijn de ratio, de logica van de dingen te vinden, ook als het irrationele prevaleert, onomstotelijk de gebeurtenissen stuurt.

Yvan van den Berghe schrijft in zijn voorwoord tot 1969, het jaar van Jelena, dat hij ontgoocheld was na zijn doctoraat. De aanpak van de geschiedschrijving bood hem niet de inzichten die hij vooraf verwacht had. Ik dacht er na het tafelgesprek van gisteren nog aan. Want als iemand die geschiedschrijving genegen is, heb ik wel eens de indruk dat we veel meer van het wetenschappelijke bedrijf verwachten dan we redelijkerwijze mogen aannemen. We kunnen vele elementen, feiten, omgevingsfactoren voor een feit onderkennen, de dynamiek van de gebeurtenissen ontgaat ons wel eens. Het gesprek over het programma ‘Ten Oorlog”, verslag van de wandeling langs het Westelijke front, van Nieuwpoort tot aan de poorten van Bazel en verder, voorbij Zwitserland langs de fronten tussen Italië en Oostenrijk – vanaf 1915, toen Italië uit het verbond met Duitsland en Oostenrijk was gestapt. De wandeling gaat dan verder naar Gallipoli in Turkije, waar Winston Churchill zijn tanden op heeft stukgebeten. De oude dame vond het mooi, anderen ook en ik, hoewel ik dus altijd verheugd ben als geschiedenis op de buis komt, ik zit met een probleem.

De oorlog is inderdaad de meest dramatische setting die we kunnen indenken, voor personen en voor een samenleving. Toch moeten we ons afvragen of we met die benadering de geschiedenis zelf geen onrecht aandoen. Mijn antwoord is en was ook gisteren dat ondanks de schijn van het tegendeel de oorlog niet de normale situatie is. Europa kende oorlogen in de negentiende eeuw, zoals op de Krim, waar Britten en Russen met elkaar vochten. De Turken zaten er ook voor iets tussen, toch? Wel, daar begint het verhaal dan wel, maar het was de strijd om de bouw van imperia, van strijdende belangen, van controle over handelsroutes. En toch, door de aanwezigheid van iemand als Florence Nightingale en ook wel door de betekenis die de Krimoorlog in Anna Karenina speelt, namelijk als vluchtweg voor vorst Vronski, is die Krimoorlog ooit in mijn wereld binnengekomen. Toen begon de fascinatie voor het feit dat we de geschiedenis wel kunnen voorstellen, zoals nu ook omstandig gebeurt met WO I, maar dat we de gebeurtenissen zelfs niet kunnen navoelen. En ook dus, dat oorlog niet de standaardsituatie moet heten.

Veel zijn er niet meer onder ons die de oorlog bij ons van 1940 tot 1944 hebben meegemaakt. Zij die erbij waren toen nog behoorlijk jong. Maar soms ontmoet je nog wel eens iemand die het op een meer bewuste leeftijd heeft meegemaakt en dan blijven de verhalen hangen over onbestemde angst, onzekerheid. De beide oudere dames die het elk in hun omgeving meemaakten, vonden het bijzonder en zelfs wat ergerniswekkend dat er zoveel over de oorlog wordt gesproken en televisie er veel aandacht aan besteedt. Bijzonder? Ook wekt het hun ergernis op.

Voor wie hoopt dat televisie ooit eens een adequaat instrument kan worden om gedegen informatie breed aan te bieden aan het publiek – wat in Nederland blijkbaar beter kan dan bij ons, met programma’s als Andere Tijden, labyrint… ­- komt deze opmerking niet geheel ongelegen, maar de oude dame had het programma van die wandeling goed bevonden. Nu kan dat wel en wat ik er van gezien heb, laat mij toe dat te accepteren en steunen. Het punt is eindelijk dat we de verhalen over WO I vaak moeilijk kunnen linken aan wat er aan vooraf is gegaan. De heisa rond de wereldtentoonstelling in Gent, anno 1913, een gebeurtenis die de hele wijk aan de Kortrijkse Steenweg heeft bepaald, nu gekend als de Stationsbuurt, toen wellicht als Sint-Pieters Buiten (de muren?). De stad groeide toen nog steeds stevig en de dromen over gouden ochtendstonden leken voor velen helder en klaar. Men kan hoogstens vaststellen dat de brave mensen een jaar later in een nachtmerrie zijn terecht gekomen.

De oorlog beheerst in veel gesprekken en ook gisteren het beeld dat we koesteren van het verleden. Over de zestiende eeuw wil men nog iets weten, maar over de 18de? Dat ligt moeilijk. Over de beschieting van Dendermonde, Leuven, Dinant? Eindelijk is alleen de beschieting van de bibliotheek in Leuven bij velen bekend. Het is zoals mensen die over de wreedheid van de Duitse troepen en vooral de SS spreken en vergeten dat zij in Lidice in Tsjechië een dorp helemaal hebben vernietigd nadat een van de coryfeeën van de SS, Heidrich vermoord was. Sinds de jaren 1970 won het inzicht veld dat de finale wreedheid van de Nazi’s en van Hitler lag in de judeocide. Wie daar ook maar iets van af zou willen dingen, krijgt niet enkel de wind van voren, maar wordt niet geheel terecht afgeserveerd want de oorlog begrijpen vergt meerdere invalshoeken. Laat men alle schijnwerpers op de wreedheden van de Nazi’s stralen, dan ontstaat het probleem dat andere burgers het wel hebben overleefd en dus zou de conclusie luiden dat die de oorlog minder aan den lijve ondervonden hebben dan de ondergedoken mensen die vervolgd werden omdat ze Joods waren. De totale oorlog van Goebels was meer dan een interessant experiment in het Sportpaleis in Berlijn. De totale oorlog, fanatisch gevoerd diende de samenleving te zuiveren van alles wat zwak was. Maar in bezet gebied en zeker in het Oosten, in de Bloedlanden was die oorlog natuurlijk al lang totaal: de burgers werden niet gespaard van oorlogshandelingen.

Wat moeten we dan, vraagt een mens zich af? Als we naar het interbellum bekijken, de benaming geeft het al aan, lijkt alles voor ons in het teken te staan van de nakende herhaling van het onheil in zo mogelijk nog verhevigde mate. En de periode na 1945? Tony Judt sprak van Post War Europe, maar kunnen we daar eindelijk wel mee leven? Ik voor mij denk dat als we zijn benaming “Dertigjarige oorlog” waar wel iets voor te zeggen valt, aanvaarden, we voor de periode vanaf 1945 zouden kunnen spreken van de vorming van de Europese eenheid. De Koude oorlog speelt een rol, de dekolonisatie ook, maar tegelijk ontdekt Europa, op een andere manier de zegeningen van langdurige vrede en geleidelijk komen andere motieven in de eenwording aan bod. Maar wat na 1989? De hereniging van Duitsland, de invoering van de Euro en toch, 20 jaar economische voorspoed, mag men ook niet negeren. Maar vrij naar Tolstoj kan men het geluk van naties, samenlevingen maar nauwelijks tot onderwerp maken, terwijl het ongeluk en oorlog, rampen er zich des te beter toe lenen.

Tafelgesprekken hebben het voordeel dat men een inzicht te berde kan brengen of vooral inzichten meekrijgt. Hoe individuele levens zich met de grote gebeurtenissen verweven, blijft altijd maar weer de vraag. Hoor ik net nu vandaag hoe complex het leven van de Hongaarse componist Franz Lehar verneem, die zelf in de smaak viel van de Nazi’s, Hitler op kop, waarvoor men zijn vrouw tot ere-ariër maakte. Eerst was hij nog een te mijden muzikant, maar Goebbels begreep dat men niet alle besmette muziek kon mijden…

Het punt dat we dus moeten zien te bereiken is dat we de oorlog niet gaan zien als het alles verklarende fenomeen, maar als deel van de grote geschiedenis. Niemand zal dit tegenspreken, maar uit gesprekken met mensen, blijkt dat het heel moeilijk valt die samenhang toch maar eens te gaan zien. Dat is het werk van historici. De samenleving kennen we uit den oorlog?  We weten dat in augustus ’14 oude zekerheden over wat men van de staat mocht verwachten plots spaak liepen. Het was ondoenlijk voor de overheid om zich naar behoren te organiseren. Maar toch zouden in het bezette land en in Noord-Frankrijk, in het Niet-Bezette deel van het land en het UK politici en ambtenaren meer doen dan alleen maar de zaken waarnemen en twisten over de Vlaamse kwestie, de inzet van Belgische troepen in geallieerde offensieven en nog wel wat meer, elkaar bekampen bijvoorbeeld, ondanks de oproep tot godsvrede.

Maar mensen op de vlucht werden geholpen, mensen die have en goed kwijt waren konden met de hulp van politici als Jean-François Maes en anderen in het nog vrije deeltje van het land hun landbouwbedrijf of ambacht voortzetten. Apothekers werden naar delen van Frankrijk gestuurd waar de lokale pillendraaier opgeroepen was om naar de oorlog te gaan. De hele exodus naar Nederland werd door Nederland maar ook door ambtenaren van de ambassade in den Haag en door een Van Cauwelaert in de mate van het mogelijke gesteund. Waren er geen strubbelingen, fricties, ongenoegen? Dat valt moeilijk te vermijden. Velen keerden na een jaar uit Holland terug, anderen bleven. In die zin is een oorlogssituatie een omkering van het gekende patroon en wordt het bekende patroon plots duidelijk.

Wie naar de oorlog, het weze WO I of WO II, kijkt, kijkt naar ontwrichte  samenlevingen, maar hoe lezen we die ontwrichting en wat zegt dat over de situatie vóór de ontwrichting? De bedenking overigens dat in augustus 1914 de verrassing groter was dan in 1940 mag daarbij niet onvermeld blijven. Zowel Karel van de Woestijne als Stijn Streuvels hebben in hun verhalen over de augustusdagen laten zien dat van regering en legerleiding, van lokale besturen weinig sturing uit is gegaan. Men weet dat in een zitting in het parlement Charles Woeste zou gezegd hebben: Laat men den Duitse keizer een frak voorhouden, laat hem schieten op dien frak en laat ons dan naar huis gaan en de gebeurtenissen afwachten. Enfin Woeste en enkele anderen zouden gevonden hebben dat verzet niet zinvol was, maar uiteindelijk heeft men voor verzet, militair optreden gekozen en heeft men van het defaitisme tot in 1916 nog weinig gehoord. 

De koning, hij leidde het leger, maar weigerde domme offensieven van de geallieerden te steun door eigen troepen mee te sturen. Hij kwam in Westhoek met een uitgedund en slecht bewapend leger. In 1918 ging hij wel mee in het slotoffensief met een bij wijze van spreken brandnieuw leger. Veel groter en goed bewapend. Hij heeft dus vele levens niet geriskeerd, de gedachte van Carl von Clausewitz indachtig dat men slechts succesrijk kan vechten als men de eigen inzet zeer goed inschat en de kracht van de vijand niet onderschat. De koning toonde zich niet bereid de Vlaamse eisen, hem door Frans van Cauwelaert gepresenteerd, maar ook door intellectuelen die in 1914 en volgende jaren het leger aan de IJzer versterkte. De discussies met de Brouckére en generaal de Ceuninck moeten wel heftig geweest zijn. Maar zoals men licht vergeet dat zeker in 1917 opstanden de kop opstaken in de Franse legers aan de Marne en de Somme, vergeet men ook licht dat in het Belgische leger de geschoolde kaders lang niet altijd Franstaligen waren, maar precies op de colleges en athenea gevormde bekwame lieden. Zij kenden het Frans wel en waren tegelijk vast besloten Nederlandstaligen legeronderdelen te verkrijgen.

Die vergetelheid die de Vlaamse Beweging tot vandaag graag helpt te verwijten, door te wijzen op het feit dat soldaten naar de Orne werden gestuurd op strafkamp, dus niet wegens insubordinatie werden gefusilleerd  laat zien dat de Belgische legerleiding de hand hield aan de goede orde, maar de Vlaamse onderwijzers, aalmoezeniers ook niet wilde harden in hun verzet.

Ik heb al vaker over deze facetten van de oorlog, in het kleine stukje België dat restte gesproken en geschreven.  Ook heb ik met interesse de evolutie in de geesten in het bezette land trachten te begrijpen. De groep rond Dirk Domela Nieuwenhuis, verwant met de Nederlandse anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis met ook Marcel Minnaert die na de oorlog in Utrecht een nieuwe loopbaan zal beginnen als astrofysicus, heeft een vorm van activisme bedreven dat gestoeld was op de gedachte, zeker toen duidelijk was dat de koning geen beloftes wilde doen over de Nederlandstalige hogeschool in Gent, een thema dat al zeker 25 jaar de Belgische politiek kon verhitten, dat Vlaanderen van België geen heil te verwachten had. Het activisme in Antwerpen, met Paul van Ostaijen en Herman van den Reeck, Jan Albert Goris (pseudoniem: Marnix Gijsen) misschien ook – die laatste figuur zocht een interessant levensverhaal -  was eerder anarchistisch en modernistisch. Of, zoals Eric Defoort in een lezing over Herman van den Reeck vertelde, de Vlaamse Beweging was in die tijd plots in handen van jongeren terecht gekomen, Minnaert in Gent, van Ostaijen en Van den Reeck in Antwerpen, waarbij ook fronters als Adiel de Beuckelare, De Pillecijn of Ernest Claes hun rol speelden. Maar, laten we niet blind zijn voor de rol van de oudjes als Frans Daels, Frans van Cauwelaert…

Dit hele verhaal, ik moet het herhalen en herhalen komt dezer dagen in de herdenking van de oorlog niet aan bod. De cijfers, de statistiek? Al wat u wil. De dwaasheid van generaal Haig, Foch, Pétain… troepen in het vuur te gooien betreurt men, maar begrijpt men niet. Dat het ging om de idee dat the human stock  onuitputtelijk zou zijn, was de beweegreden. Stefan Brijs heeft daarom, denk ik zijn nadenken over de Grote Oorlog niet in Gent of Sint-Niklaas gesitueerd, maar in Londen, waar een jonge man zich aan de oorlog wilde onttrekken, omdat hij eindelijk mocht studeren. Zijn vader was een postbode, maar hij mocht Engels studeren aan de universiteit.

Het zijn deze invalshoeken die men in het gedenken van de oorlog, van bijna elke oorlog niet tot zich laat komen. We kunnen dan wel eens spreken over een brave ziel, een verpleegster in Hotel l”Océan, als een Florence Nightingale, we weten eindelijk niet waar die dame voor stond. Net zomin weten we goed wat de dame deed die in het Zuiden van Frankrijk een Provençaalse hoeve kocht om er soldaten die geleden hadden onder het Yperiet en andere gifgassen, een herstelverlof te geven. De dame stierf zelf te vroeg om het project op poten te krijgen.

De herinnering, zegde ik de oude dame, aan de oorlog, toen ze vertelde over een oom van haar die na de Wapenstilstand bij hen thuis in de zetel zat en nauwelijks kon ademen, moet ook de details, maar voor alles de mensen zien. Veel te vaak worden de mensen die we zien, als het om de slag om Ieper of Passendale gaat, eventueel de slag bij Wijtschate, waar een generaal, Plummer, von Clausewitz wel indachtig was geweest, als nummers gepresenteerd. Men wil wel jongeren onderzoek naar die biografieën laten doen van soldaten, wier namen men vindt op graven en lijsten van vermisten… maar zonder goede ondersteuning, zal dat wellicht een eerder frustrerende aangelegenheid zijn. Want lang niet altijd valt veel te vertellen over zo een jong mensenleven dat veel te vroeg eindigde.

Even oorlogsroes lezen van Ernst Jünger en men begrijpt dat er nog veel te herinneren valt. Men kan de geschiedenis niet in een ogenblik vatten, men kan de geschiedenis niet voorstellen als een verhaal van dingen die logisch uit elkaar volgen, daar had Yvan van den Berghe zeker een punt. De tijd die men nodig heeft om van een eerste oppervlakkige synthese naar meer diepgaander kennis te komen, mag men niet onderschatten en vooral niet degene die het verhaal enigszins kent en zou willen doorgeven. Simon Shama, die in Overvloed en Onbehagen de geschiedenis van de Gouden Eeuw in de Republiek der Verenigde Provinciën beschrijft, neemt er zijn tijd voor, net zoals hij dat doet in andere werken, om maar eens iets te zeggen Landschap en Herinnering. We kunnen ook aan meer gedetailleerde essays denken, zoals het werk van Johan Dambruyne over het Gent van Karel V, maar ook hoe het verder ging, tot de dagen van de pacificatie van Gent in 1576. En toch, soms kan je in een klein boekje, zoals dat van Mary Beard en John Henderson, Et in Arcadia ego? Want daarin beschrijven zij niet enkel de geschiedenis van de fries van een tempel die in de vroege 19e eeuw naar Londen is gebracht en er nog steeds te zien is. Maar tegelijk zien we ook dat een essay van Joey de Keyser over de beschrijving van de Nederlanden, de steden die van de veertiende tot de zeventiende in Europa een opvallende rol hebben gespeeld en door een Ludovico Guicciardini en andere bezoekers werden beschreven, best een heel eigen inbreng heeft in het onderzoek van het verleden, maar behalve via Cobra was er eindelijk weinig .

De geschiedenis laat zich op vele manieren lezen, van ruwe, oppervlakkige syntheses, via biografieën en detailstudies die ons beeld eerst een raamwerk nemen, referentiepunten, zoals data, geografische situering, maar ook, zoals via de school van de Annales tot stand werd gebracht, grote economische en demografische gegevens. De geschiedschrijving speelt zich dus niet af op een niveau en dat geldt, zeer zeker ook voor Wereldoorlog. Maar dan kan men maar beter proberen te vatten wat er voorheen was en hoe het naderhand verderging. Onze bemoeienis met WO I, ook met WO II lijkt ertoe te leiden dat we de figuren die optreden, van Hitler en Churchill tot en met de volksvertegenwoordiger uit Merkem bij Diksmuide, Jean-François Maes niet zien in het eigen persoonlijke leven en de familiale, culturele ontwikkeling. Churchill besliste in Londen over de inzet aan de Darnadellen, maar het waren generaals, een legerstaf en de soldaten die daar zichzelf in het vuur van de strijd op pepten maar dienden terug te trekken. Churchill trad af, hoezeer hij daartoe gedwongen werd door Asquith of Lloyd George blijft altijd wel onduidelijk. De betekenis van de Nederlaag zorgde voor ongerief, maar voor Australië en Nieuw-Zeeland was dit een awakening, die nog steeds doorwerkt in de nationale ervaring van deze landen.

Nu, voor een goed begrip van de oorlogsvoering in die dagen is het gebeuren van Gallipoli best interessant, maar ook dat soldaten doelloos, dat wil zeggen, ook als men al wist dat het niet zou helpen de gestelde doelen te bereiken, in de strijd werden geworpen, blijft voor mij het meest intrigerende.

Als gezegd, geschiedenis laat zich maar geleidelijk begrijpen en het is altijd mogelijk dat een belangwekkende datum plots in een ander daglicht komt te staan. Voor mij is het onderzoek hoe men de nationale geschiedenissen van de onderscheiden lidstaten van de EU, waarbij vroeger tussen afzonderlijke sprake was van animositeit of verdrukking, vrijheidsoorlogen en wat al niet meer, best boeiend. Van de gedachte van Louis XIV dat er geen Pyreneeën meer zijn, of dat elke Fransman een kip in de pot moet hebben op zondag, het zijn mooie dingen voor de mensen, om te citeren. Hoe kunnen we naar Frankrijk kijken en er iets van begrijpen, als we alleen naar Fontainebleau, Versailles of zelfs de Béarn kijken, al naargelang protagonisten ergens opdoken of iets deden dat hen belangrijk maakte, zoals geboren worden, want er zijn die steden van Boulogne-sur-mer tot Perpignan en van Biaritz tot de Haute Savoye, van de Rijn tot La Rochelle… maar ook, de Parlementen van Parijs, Bordeaux enz. waar de juridische macht van Frankrijk zat en die min of meer ontsnapt was aan de macht van de koning, zoals Louis XV mocht ervaren. En dat moet men dan in 27 landen bekijken over een langere termijn. Dat vergt vooral de bereidheid om er geleidelijk in door te dringen. Soms komt men voor contradictorische inzichten, want de ene zegt dat Louis XV Frankrijk in grote problemen heeft gebracht, terwijl anderen net menen dat hij bestuur van het land wel degelijk moderniseerde. En bij de afrekening moet men zien hoe Frankrijk in die periode ook betrokken was bij de verkenning van de wereld, te land en ter zee, maar ook intellectueel. Of de Nederlanden, Duitsland en Schotland, die net in die periode hun eigen aanloop namen naar modernisering.

Een tafelgesprek loopt, zo merkte ik weer eens, eindelijk nooit af en de vele argumenten en inzichten die in de strijd, de hoffelijke strijd van woorden gegooid worden, blijven nazinderen. Maar de vaststelling dat wie het allemaal niet overziet vanzelf een domoor is, moet toch eens van de baan. Wie een historische quizz wint, kent ongetwijfeld veel namen en feiten, maar of de samenhang hem of haar duidelijk is, blijft maar de vraag. De tijd nemen om te vertellen en de tijd nemen om het vertelde te aanhoren, daar lijkt het op aan te komen. Maar hebben we er wel tijd toe en zin toe. Een goede, beknopte kijk de zaak kan volgens velen volstaan. Het omgekeerde, enfin, een breed uitgewerkt fresco heeft ook haar belang.

Bart Haers     

Reacties

Populaire berichten