Weetjescultuur maar geen kenniscultuur


Reflectie

Data- en andere fraude
Waarom we wetenschap bedrijven


Met het mes op tafel is zo een quizz waar met kennis speels
omgegaan wordt, maar de weetjescultuur zelf wel eens
in het hemd wordt gezet. Als je maar op het einde de hele
inzet kan binnenrijven. 
Ik weet niet waarom de gedachte mij de afgelopen bezocht heeft dat er toch eens iets gezegd mag worden over Datafraude en plagiaat. Ik heb al geschreven over die zaak met die Duitse dame die moest aftreden als minister. Maar als je luistert naar analyse over de financiële crisis dan merkt men dat de economie als wetenschap het hard te verduren krijgt. In de mate dat economen ons vertelden wat we moesten doen en vooral voor evangelie aannemen, dan blijkt dat er meer is dan datafraude en plagiaat, maar wat is er dan wel aan de hand dat wetenschappers hun autoriteit willen herwinnen door meer dan ooit autoritair uit de hoek te komen?

Een mens vraagt zich af waar het wetenschappers om te doen is dezer dagen. Een paar dagen geleden kon men van Google vernemen wie Leonard Euler wel was, die een productief deel van zijn leven in Petersburg doorbracht en een indrukwekkend pak briefwisseling heeft nagelaten, een spoor van een bedrijvigheid die je vandaag van wetenschappers niet altijd verneemt. Natuurlijk, we hebben de mail voor uitgevonden, maar dat belet toch niet, blijkt overigens ook, om er van tijd nuttig gebruik van te maken. En waarom, denk je dan, zou een blog geen passend instrument zijn om gedachten op tafel te leggen, voor wie het interesseert, in de vorm van een essay dus?

De zaak is dat iemand als Euler gedreven is door vragen die we vandaag als evident beschouwen, over methodes om het wiskundig denken uit te drukken. We weten dat leerlingen in het secundair onderwijs niet goed begrijpen waarom we voor bepaalde uitdrukkingen hebben gekozen. Euler heeft er werk van gemaakt en ook anderen hebben hun bijdrage geleverd. Dat is wat in de wetenschappelijke wereld nu werkelijk de kern van het verhaal vormde en vormt. Dat werken in dialoog – weliswaar niet altijd even vriendelijk – vormt de kern van het wetenschappelijke gebeuren, maar tegelijk merken we dat er ook veel stille huisvlijt aan te pas komt, zoals Ilja Prigogyne aanstipte. Het is al enige tijd geleden dat aan de UGent een studiedag werd georganiseerd over de chaostheorie concreter, over dissipatieve structuren of systemen – ik vond het een van die boeiende introducties in de wetenschappen die ik mij graag herinner. Vandaag lijkt men het belang van het niet-evenwicht processen niet meer zo hoog op de agenda te voeren. Maar de nadruk ligt dan ook op lijkt.

Wel merken we twee belangrijke soorten feiten, namelijk geknoei met data en ook plagiaat. Vooral dat laatste lijkt me heel bijzonder, omdat het toch bijna onmogelijk zou moeten zijn dat een wetenschapper ergens de mosterd gaat halen waar anderen niet bij kunnen om het vervolgens twintig, dertig jaar later dan toch te ontdekken. Over het kopen van diploma’s zou men het ook kunnen hebben, maar dat zou ons te ver leiden. Datafraude en plagiaat komen voor maar wat mij alvast interesseert is waarom wetenschappers er zich toe lenen.

Is dit een naïeve vraag? Allicht, maar niemand heeft mij uitgelegd dat naïviteit a priori verkeerd is. Het kan wijs blijken een naïeve gedachte in te slikken uit angst voor wat men zeggen zal. Het kan verstandig blijken de naïeve gedachte aandacht te geven, omdat het gaat over een aangelegenheid waar we als samenleving wel eens prat op gaan, het vermogen wetenschappelijk te denken. Want het valt op dat de heel sector van de wetenschappelijke publicaties zelden ernstig onderzocht wordt, want iedereen heeft er belang bij dat er een hiërarchie van tijdschriften en dat kan goed uitpakken want een betrouwbare redactie werkt goed. Nu kan men er duidelijk over zijn dat de nieuwsbladen van de brede media vooral die artikelen screenen die ons, lezers kunnen aanspreken, waardoor bijvoorbeeld hele vakgebieden onbesproken blijven. Tom Naegels wees erop dat hij verbaasd was over de manier waarop de krant het nieuws over de handelspraktijken van William Shakespeare bracht. Natuurlijk, er is een verschil tussen discussie over de wijze waarop de voedselvoorziening in een land in een bepaalde tijd georganiseerd was, want het zou kunnen dat England in die tijd een grotere bevolkingsaangroei kende en de landbouw er nog niet op was afgestemd, dan over de mogelijke strapatsen van een icoon te schrijven; een mens probeert er al eens een slaatje uit te slaan.

Maar wat als we niet gedreven zijn om te weten, om te begrijpen wat er zoal gaande is, in de natuur der dingen én der mensen? Ik vraag me dat af of het er nog steeds om te doen is inzicht te brengen of instrumenten te ontwikkelen om het begrip uit te breiden. Natuurlijk, zal men mij zeggen, hebben Antonie van Leeuwenhoek en Hubble – optische - apparaten gebouwd, heeft Euler, net als Simon Stevin onze wiskundige taal uitgerust voor complexe formuleringen, die de natuurkunde bijvoorbeeld vergde maar die ook op zich hun waarde hebben. In die zin is het wetenschappelijke bedrijf vaak goed bij machte gebleken zichzelf te versterken. Klaas Landsman heeft dat zijn poging tot verheldering van het probleem daarover uitgebreid uitgelaten, maar de media vonden de roman niet zo geslaagd. Uitleggen dat we vandaag niet altijd de hoogste wiskunde aanwenden, heeft anders wel een verdienste.

De afgelopen jaren is ook gebleken dat in de humane en sociale wetenschap het denken over de dingen, vooral het menselijke handelen steeds meer aan cijfermatige benaderingen onderworpen is geworden. Natuurlijk, de ideeën komen van Auguste Comte en een goede waarneming, observaties, waarbij ook de incidentie van een verschijnsel van belang is, moet men wel meten. Maar het risico bestaat dat men na verloop van tijd het tellen voorop gaat stellen. Een sociologie die als een antropologie oog heeft voor het bijzondere binnen de cultuur waartoe men zelf behoort is altijd al moeilijk. Het zou te gemakkelijk zijn te verwijzen naar de streken die Diederik Stabel ons leverde, maar het feit dat men gedurende jaren voorhield dat zijn onderzoeksmethodes en resultaten opzienbarend waren, waarvoor naderhand geen excuses gemaakt zijn, ook niet door journalisten. Nu duidelijk werd dat hij fraudeerde, frustreert het me dat we eindelijk niet vernamen hoe de peers, die zijn artikelen goedkeurden er niet toe gekomen zijn het onderzoek te onderzoeken. Want wie leest dat vleeseters agressiever zijn, zou toch wel eens moeten onderzoeken wat de betekenis is van zo een uitspraak. De mens is een omnivoor en heeft al dan niet geleerd de eigen agressie in te tomen. Aan de andere kant van het spectrum heb je dan weer een Richard Sennett, die precies een begrijpende antropologie op poten, zoals met het werk The Craftsman het geval was. Maar het bleek in de bladen weinig stof tot reflectie te bieden, want, zo ben ik nu geneigd te denken, Sennett pakte uit met een stevige kritiek op de wijze waarop in verschillende domeinen een expertcultuur is ontstaan die vooral zichzelf naar waarde weet te schatten en niet tot zelfkritiek of interactie met de samenleving in staat blijkt.  

Waarom onderzoekt men niet hoe mensen erin slagen doorgaans vreedzaam met elkaar om te gaan. Burenruzies? Vechtscheidingen? Pesten? Dat is er allemaal, maar wat is de standaardsituatie? We willen niet dat mensen elkaar pesten, natuurlijk, maar we doen er alles aan om kinderen te leren dat ze voor zichzelf mogen, neen, moeten opkomen. We spreken over verdraagzaamheid en respecteren van de diversiteit, maar tegelijk krijgen we met de regelmatigheid van een klok te lezen dat onderzoek bevestigt dat onze agressie, onze geldingsdrang aangeboren zijn.

De vraag is overigens of we op die manier niet in cirkelredeneringen uitkomen. De mens is als lid van een soort in biologische zin natuurlijk niet uniek te noemen, maar tegelijk zijn de variaties tussen specimina behoorlijk groot, dat wil zeggen binnen wat de soort aan variatie toelaat. Bovendien, zo blijkt, werken breinen niet de hele tijd dat een mens leeft op dezelfde manier. Hoe de veranderingen tot stand komen, door opvoeding of door verwaarlozing, zou mij wel boeien. Of wat gebeurt er met een persoon die zich kan richten op specifieke bezigheden, dan wel steeds verstrooiing zoekt? De vraag hoe we ons omgaan met het zelf en met anderen begrijpen, blijkt overigens net zo goed een ethische vraag, als een cultuurpsychologische kwestie. Alleen is het ethische een kwestie van hoe het heurt  en de tweede van hoe het gaat: hoe vinden mensen elkaar die losse seksuele handelingen willen stellen? Hoe vinden mensen elkaar die net een vaste relatie wensen? Juist ja, dan wordt het misschien interessanter narratieve verslaggeving te verkiezen en de mogelijke metingen goed te bekijken ter confirmatie.

Het punt is dat de ethische vraag en het dito antwoord, aldus Martha Nussbaum in “De breekbaarheid van het goede”, niet alleen op de rationele gronden gefundeerd kunnen worden, omdat de realiteit van emoties niet te ontkennen valt. Men hoeft die niet per se in te volgen, zonder erbij na te denken. Voor haar is het duidelijk dat met Plato, maar ook latere filosofen, zoals Kant, de betrokkenheid van een mens bij zichzelf niet langer van belang werd geacht. Die betrokkenheid blijkt uit de emoties die voortkomen uit de contact met anderen of met situaties. Nussbaum verwijst naar de Stoïcijnen, om aan te geven dat hun houding tegenover emoties niet vanzelfsprekend negatief zijn. Anders dan Plato, Kant vinden de filosofen van de Stoa dat de emotie deel is van het menselijke bestaan. Zij geeft aan dat de cognitieve betekenis van emoties, dat wil zeggen zoeken te begrijpen dat emoties ons iets zeggen niet de rationele reflectie hoeft uit te sluiten. Wat Nussbaum niet voor ogen heeft is nu net het feit dat we daarbij de ratio niet kunnen uitsluiten en dat een antitheoretisch standpunt niet aan de orde is voor haar. Wel onderzoekt zij dus hoe wij omgaan met toeval en hoe toeval kan inwerken op wat we doen, het goede of het slechte. Alweer komt dus de kwestie aan de orde of wetenschappen en de Filosophie von Gewerbe wel met het contingente uitstaans willen hebben.

Nu merken we dat vanuit de farmaceutische en de psychiatrie, of beter, de redacteuren van de DSM V maken duidelijk dat we van onze emoties niet veel goeds mogen verwachten. Rouw? Mag niet langer duren van veertien dagen. Verontwaardigde woede, lamlendigheid, melancholie… altijd weer, zoals ook Trudy Dehue aangaf, wil men niet de oorzaak van de emoties ter verwerking bekijken, maar de symptomen behandelen. Emoties, bij verlies, ziekte, tegenslag mogen, zegden de filosofen van de Stoa ons niet raken. Nussbaum geeft aan dat de benadering van psychiatrische en farmaceutische problemen niet a priori gegrond zijn, zonder dat ze daarom afwijst dat emoties ons volledig zouden kunnen sturen – als het mis gaat - en dat dus zware psychische problemen wel degelijk onderzocht en behandeld moeten worden.

De kwestie brengen we in het debat over wetenschappen en de problemen met integriteit aan de orde, omdat we de indruk hebben, voor zover we via de brede media een goed zicht krijgen op het onderzoek dat loopt aan internationale en nationale instituten en bedrijven. Het verhaal van DSM blijft boeien omdat de media soms wel zeer degelijk verslag uitbrengen, kranten, maar ook een omroep als Klara of Labyrint en andere programma’s van het Openbaar omroepbestel in Nederland. De andere kant van de media is, zoals mevrouw Dehue aangeeft, dat medewerkers van onderzoekscentra mediamensen wel eens bijpraten – waar geenszins iets tegen in te brengen valt – maar dat het wel eens op een weinig  kritische volgzaamheid uitloopt. De hele discussie over de incidentie van autisme of ADHD laat zien dat er tussen problematische situaties en weinig storende gevallen nauwelijks onderscheid gemaakt wordt. Maar dat autisme, dat veertig jaar geleden nauwelijks 1 op 50000 voor zou  komen en nu tot 60 per 10.000 kinderen en volwassen zou treffen, een epidemie zou zijn blijft onduidelijk. De oorzaken van autisme zijn moeilijk vast te stellen, zo te zien, net omdat het contact met anderen zo moeilijk verloopt. De hele discussie over de wetenschappelijke status van psychoanalyse, die vorig jaar in Gent (2011-2012) leek te woeden, waarbij men als argument aanhaalde tegen de psychoanalyse dat Lacan zou gezegd hebben dat autisme veroorzaakt zou zijn door al te afstandelijke moeders, blijft mij verbazen. Wat opviel was dat men geen woord besteedde aan de context waarin Lacan dat zegde, noch over de vraag hoe in de jaren dertig tot vijftig de afstand tussen ouders en kinderen bepaald groter was dan vandaag. Maar dan nog hebben de tegenstanders van psychoanalyse zelf geen goede verklaring voor autisme bij de hand en nu de criteria behoorlijk opgerokken werden, zal dat nog veel moeilijker blijken. Dan nog blijft het verbazen dat men een thesis schrijft om aan te tonen dat psychoanalyse gevangen zit in een cirkelredenering. Nu is gebleken dat men, zich bewust zijnde van het feit een cirkelredenering op te bouwen, wel iets kan bevestigen of falsifiëren dat als een stevig wetenschappelijk inzicht geldt.

In het kader van de visie van Nussbaum kunnen we ook iets melden over het probleem dat zich voordoet in de wetenschappelijke wereld, namelijk datafraude en plagiaat. De twee vormen van fraude hebben een andere doelstelling en betekenis. Het gaat er wel om, in beide gevallen dat men alles wil doen om een gesteld doel, een begeerde onderzoekspost te krijgen. Begrijpelijk is het wel, maar het is natuurlijk zo dat men zich bijzonder kwetsbaar opstelt en ethisch niet altijd meer een onderscheid kan maken, want de eigen spiegel is natuurlijk niet meer intact. De argumenten om het te proberen, zullen er wel zijn, maar het gaat om rationaliseren van wat een sterke en doelgerichte wil blijkt te zijn, maar die men niet meer toetst aan de werkelijkheid en wat men zou kunnen bereiken bijna als een recht, verworven recht gaat beschouwen. Natuurlijk is het van belang om op tijd te publiceren, daar twijfelt niemand aan. Maar de noodzaak te publiceren of anders onder te gaan in een kleine obscure universiteit, of zelfs dat niet, het blijkt een lot dat men niet hoeft te willen. De kans om aan een prestigieus instituut uitgenodigd te worden, moet men niet laten liggen, maar wat als er alles voor wijken moet? Gelukkig merkt men dat het kan zonder fraude.

De noodzaak een hoog productieritme en tegelijk het vermijden van opvallend afwijkende resultaten lijkt vooral de humane wetenschappen te teisteren. Maar hier speelt wel iets mee, dat is dat men blijkbaar ook een roeping heeft de samenleving op een bijzondere manier te bejegenen. De hele discussie over armoede en hoe die te evalueren blijft best interessant, de vraag of die zo gemakkelijk kan bestreden worden en wat men als een gunstig resultaat zou beschouwen, kan men niet objectief bepalen. Bovendien, mensen hebben in hun leven soms wel eens een dipje of beginnen met weinig en bouwen iets op. De babyboomers waren in staat om op eigen houtje een mooi patrimonium op te bouwen. De volgende generaties hebben soms de indruk dat de paden aangelegd zijn, worden verwacht die te volgen maar beseffen dat er aan die erfenis ook wel meer dan een smet kleeft.

Theodor Dalrymple weigert men te erkennen als een wetenschapper. Maar hier schuilt net het probleem van de wetenschappen, zeker als het om de samenleving en mensen gaat. De theoretische concepten zijn belangrijk en kunnen helpen een en ander begrijpelijk te maken. Maar als de concepten, over bijvoorbeeld zelfbeschikking ertoe leiden dat mensen er een rationalisatie in vinden, om nu net hun leven niet tot iets bijzonders te maken, dan richt, aldus Dalrymple de bekendheid met dat concept dus wel schade aan – waarbij het verdonkermanen van het concept geen oplossing biedt, natuurlijk. De discussie over positieve vrijheid wordt zo gauw niet gevoerd en hoewel het discours getuigt van een zeker cultuurpessimisme, kan men toch wel eens nadenken of vooruitgang altijd beterschap oplevert. Want als zelfs Tony Judt het eens is met de analyse van het tekort schieten van het onderwijs, van het publieke debat ook, dan moet men de gedachten van iemand als Theodore Dalrymple wel ernstiger nemen. Neen, men hoeft er niet mee in te stemmen, maar onderzoeken wat hem voor de geest staat kan al begin van debat zijn. Richard Sennett beschreef hoe hij opgroeide in Chicago met zijn alleenstaande moeder en dat het blok, de wijk waar hij woonde, die ontworpen door experten in stadsplanning intussen is plat gegooid. Het hele project van flatgebouwen bleek binnen een generatie na oplevering een centrum van misdadigheid, ledigheid  en ontevredenheid te zijn geworden.

Nu, als men Dalrymple aanpakt op zijn zogenaamde afwijzing van de tijd, dan is er nog steeds Frank Furedi, maar merkwaardig genoeg nemen we genoegen met Alain de Botton. Furedi onderzoekt de vraag waar de intellectuelen heen zijn en zijn antwoord is onthutsend: ze hebben zichzelf opgegeven. Als hij vaststelt en wie zal hem tegenspreken, dat men nooit langer studeerde als vandaag, meer dan 51 % van de vrouwen haalt een hoger diploma, dan moet men, aldus Furedi, wel verbaasd zijn dat er nooit eerder een meer lichtzinnige cultuur vorm gekregen heeft.

Als we vandaag, een gewone vrijdag, lezen dat kinderen van gescheiden ouders volgens onderzoek het moeilijker hebben op school, dan staat in contrast met andere onderzoeken die voorheen met evenveel interesse gepubliceerd werden. Er gebeurt geen onderzoek naar hoe we fenomenen onderzoeken noch naar de wijze waarop het weerklank krijgt. En het brede publiek, dat hooggeschoold is, kijkt verveeld bij de zoveelste stellingname, die iets van een hoax krijgt. Intussen zou men toch van mediamensen verwachten dat zij best in staat zijn begrijpelijk te maken wat er zoal van belang is.

Waarom overigens smullen media zo van gevallen van data- en wetenschappelijke fraude als zij door de band geen interesse hebben voor wat er in het wetenschappelijke wereldje aan de hand is? Die vraag zweeft me al langer voor, maar ik weet het niet zeker of er een goed antwoord is, dat wil zeggen een antwoord dat zowel de mediamensen als de academische wereld recht doet. Want er zijn vandaag ook wetenschappelijke sterren, mensen die zonder voorbehoud in de pers uitgenodigd worden en waar, eerlijk is eerlijk, journalisten al eens mee door het ijs gaan. Er zijn ook steronderwerpen, waar men graag mee uitpakt, maar waarvan de trivialiteit niet altijd verborgen blijft. Het kan zijn dat men vandaag vooral aanneemt dat alles al gezegd is en vooral dat we weten hoe de wereld moet veranderen, hoe mensen veranderen moeten. Maar hoe zullen we nagaan of het correct is? Dat kan alleen via gedegen kritiek. Maar ook, waarom zou dat zomaar horen? Wat willen we weten over de mens? Als persoon of als lid van een samenleving, hoe  klein of groot ook kan een persoon als het object op vele manieren en volgens meerdere methodes benaderd worden.  

Wie vaststelt dat we in de media nauwelijks nog ernstige discussies kunnen volgen, enfin, in Vlaanderen – Klara geldt hier als de gelukkige uitzondering op de regel - , want andere bladen, omroepen proberen dat wel, merkt hoe weinig er aan stevig debat mogelijk blijkt. Men kan vandaag niet veel stellingnames zien tegen bijvoorbeeld de idee dat euthanasie voor psychiatrische patiënten of jongeren met een aandoening die niet te genezen valt, tenzij dat meteen in een gepolitiseerd kader wordt geplaatst. De vraag is evenwel niet of hier zelfbeschikking in het spel is. Die mensen hebben het moeilijk en het  lijden blijkt ook ondragelijk voor nabestaanden, maar de vaststelling dat het leven op enig moment eindig is, lijkt vandaag bijzonder moeilijk te verdragen. Die eindigheid kan bij het debat over euthanasie tot verschillende antwoorden leiden, ook tot het niet kiezen voor de goede, gecontroleerde dood… maar dit zal wel een opinie zijn die niet zomaar wetenschappelijk gegrond kan worden. Is het daarom zinloos of onzin? Niet voor anderen, maar voor het eigen zelf. Gij zult zijn als goden  geeft daar een interessant antwoord op, maar we weten dat Erich Fromm niet gelezen wordt in ernstige middens. Wat wel gelezen wordt? Tja, essays, natuurlijk, waarin een duidelijke probleemstelling aan de orde is, de ontwikkeling van een thema en een helder besluit, ook als er onvoldoende grond voor is. In feite gaat het om een verregaande vorm van politisering van de wetenschappen en het denken – over de meningenfabriek hebben we het even niet. Men besteedt, als het zo uitkomt alle mogelijke aandacht aan pseudowetenschap en schiet met scherp op bepaalde disciplines, maar die kritiek snijdt geen hout, omdat men a priori de methode noch het object zelf als valabel erkent. De indruk valt niet af te schudden  dat men zich als domeinbewakers met een vlammend zwaard opstelt. Intussen heeft men geen tijd meer voor grondige reflectie op het wetenschappelijke bedrijf.

In de humane wetenschappen kan men niet met goed fatsoen beweren excellence na te streven, aangezien we niet weten wie de afgelopen jaren de excellente onderzoeken van Dirk Stapel heeft gepeerreviewed, peers, of we het willen of niet roept bij de mediëvist iets op dat naar feodaliteit riekt. Laten we zeggen dat het systeem zeker verdiensten heeft, maar zoals dertig jaar geleden de quotation lists een tool waren om waardevolle onderzoekers te detecteren, maar net hierdoor werd het citeren en verwijzen een handig instrument voor netwerking. De lijsten van publicaties van een historicus als F.L. Ganshof, hoewel gedateerd is in die zin werkelijk interessant omdat de man soms gewoon een fiche van vier alinea’s bracht over de kwestie van de Rois Thaumaturges, de magische vorsten die men maar hoefde aan te raken om te genezen. Daarmee ging hij dan in op een boek van Marc Bloch, grondlegger van de school van de Annales.

Het blijft merkwaardig dat men vandaag aan mensen blijft doen geloven dat een historicus als Pirenne, die zowel met Bloch als met Lucien Febvre samen werkte en in debat ging voor ons geen enkele betekenis meer heeft. De relevantie van dat soort onderzoek, zoals deze historici en latere kritische navolgers is voor wie de geschiedenis van de geschiedschrijving kent overduidelijk, al zijn inzichten doorheen de jaren en decennia uiteraard bijgesteld en zelfs onderuit gehaald. Maar het blijft opvallend dat we er eindelijk geen woord meer aan willen vuilmaken. Als men al gek is op geschiedenis, dan is het vooral om een bevestiging te geven voor bepaalde inzichten. 

Wat willen we weten, was de vraag waarom we ons buigen over de vraag waarom er sprake is van data- en andere wetenschappelijke fraude. We hebben de indruk dat we verder moeten kijken dan het verhaal van publish or perish want het lijkt er sterk op dat er andere factoren meespelen. Als men onderzoek doet naar de wijze waarop kinderen en kleinkinderen van migranten, jongeren dus, zich hier aanvaard weten, dan is duidelijk dat men sociaal gewenste antwoorden niet moet uitsluiten. Als de openbare omroep gaat praten met jonge migranten, dan is het niet gek dat ze hun grieventrommel roeren, ze zijn immers geïntegreerd. Dat is nu de kwestie, want men neemt zomaar aan dat als mensen op een enquête antwoorden zij ook geheel de waarheid vertellen. Niet dat ik denk dat die mensen er maar op los praten, maar bij enquêtes antwoorden mensen nu eenmaal in functie van de vragen,    wetend wat er speelt. Alleen zeer geserreerde interviews kunnen hier duidelijkheid over geven. Een goser op de trein, toevallig zeer gebruind, of gewoon iemand van Euro-Afrikaanse afkomst, die gewezen wordt op het feit dat zijn propere adidassen op de zetel lagen, aan de voet… en de kerel begon de conducteur-kaartjesknipper voor verrot en uiteraard racist te schelden. Ach, er is discriminatie, omdat mensen doen wat hun, sorry, ons goeddunkt. De kwestie is dat deze observatie van het conflict tussen die goser en de conducteur van wetenschappelijk betwijfelbare orde is, maar als een krant spreekt van discriminatie en niet geïntegreerd zijn, dan krijgt die ervaring wel een andere betekenis: wat wil die kerel bereiken, behalve een boete vermijden? Die kwam er overduidelijk toch.  

Besloten moet worden dat wetenschappers hun ding doen, met nobele en andere intenties. De wetenschap bestaat alleen bij de gratie van de integriteit van de wetenschapper die er zich op beroept dan wel van bedient. Krantenuitgevers en omroepbazen moeten en mogen naar de kijkcijfers, CIM-Cijfers kijken, dat is helder, maar moeten ook niet vergeten dat ooit een krant een manifest publiceerde, J’accuse waarmee in Frankrijk een diepe kloof werd geslagen tussen antisemieten en anderen. De argumentatie voor antisemitisme is vanzelf onwetenschappelijk omdat mensen tot een soort behoren en Joden zijn qua oorsprong gelinkt aan Europese populaties en populaties uit het Midden-Oosten, waaruit men kan besluiten dat het mensen zijn met heel ingewikkelde stambomen. Maar ook andere medeburgers hebben hun eigen achtergrond en dat is contingent. Dan wordt het moeilijk toevallige variaties uit te sluiten. Merkwaardig genoeg is dat het moeilijke punt in de wijze waarop we Humane wetenschappen beoefenen, oog te hebben voor het particuliere en contingente, want dat doorkruist dan elke mogelijkheid tot systeempjes bouwen uit, waarmee men zo graag uitpakt. Maar of dergelijke consideraties niet elke wetenschapper van de verleiding kunnen afbrengen? Goede zelfregulering is essentieel, maar een weidsere focus van de brede media voor een geschoold publiek is zeker ook aan de orde. Uiteraard was de publicatie van Zola een belangrijke daad, maar ook historisch en cultureel valt er nog wel een en ander over te zeggen, waar men doorgaans niet meer aan toekomt; de kloof die Frankrijk verdeelde was er niet een tussen links en rechts, maar tussen redelijke mensen en mensen die hun xenofobie rationaliseerden. Maar dat valt dan weer buiten het spectrum van onze weetjescultuur.

Bart Haers 



  


Reacties

Populaire berichten