Voltaire en de Verlichting


Reflectie

De koning sterft
Over de kracht van een knokig denken

“Als de hemel, van zijn verheven signatuur beroofd,
     Ooit zijn aanwezigheid niet langer uit zou dragen,
     Als er geen God bestond, dan moest hij worden uitgevonden.”

Roger Pearson: Voltaire de almachtige. Een leven lang op zoek naar vrijheid. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006 [510 blz.] 39,50 €


Niet zo lang geleden zag ik de voorstelling in NTG, waar men de conte philosophique Candide op het toneel bracht. Ik had me geamuseerd, maar was verbijsterd over het gebrek aan taal en gesproken woord. En ja, men moet zijn tuintje onderhouden, maar wat Voltaire bedoelde, kwam uit de voorstelling niet uit de verf. Het was een van de redenen om het boek van Roger Pearson opnieuw ter hand te nemen. Ik had het intussen al 2 keer gelezen maar toch bleek een derde lectuur best boeiend. Niet enkel omdat het goed geschreven is, maar vooral omdat Pearson de cruciale vragen over dit lange leven niet uit de weg gaat. Met Pearson bij de hand mag ik mij ook afvragen of de oude man, Voltaire, de aankleding van het toneel had kunnen waarderen.

Nu, geen filosoof stond dichter bij de omstandigheden van zijn tijd, tot Arendt zich als denker over de filosofische aspecten van het totalitarisme boog,  dan juist Voltaire. Diderot en d’Holbach, waren atheïst en wantrouwden hem, vooral Diderot was niet op hem gesteld, maar vooral denk ik, was hun atheïsme niet zo betrokken bij wat er in de achttiende eeuw in Frankrijk aan de hand was. Zij gingen uit van een filosofisch debat, terwijl Voltaire volop, met brio tegen de bestaande machten schopte. Men kan hem verwijten dat hij geen atheïst was, maar zou hem dat werkelijk minder belangrijk maken? Rousseau was dan weer een eenzame wandelaar die dromen aan de man bracht, maar, zoals Voltaire opmerkte zijn kinderen te vondeling legde, terwijl hij over de goede opvoeding boeken schreef die ook nog eens succes hadden. Voor Voltaire was dat blijkbaar ook een imposteur die zich bediende van gedachten, maar er niet naar leefde. En Voltaire zelf? Hij had het geluk van het lange leven, veel langer dan de meeste van zijn leeftijdgenoten, terwijl men had gedacht dat hij eindelijk bijna gestorven was kort na de geboorte. Hij weigerde gewoon te sterven, tot het einde dan toch kwam.   Op 20 februari 1694 werd hij waarschijnlijk geboren, maar officieel was het 21 november van hetzelfde jaar; buitenechtelijke avonturen van de moeder zouden er iets mee te maken hebben. Maar de gedachte verlaat de lezer niet dat ondanks het gedoe over religieus fanatisme – over wat men hoort te geloven – de praktijk van het huwelijksleven heel wat vrijer was onder Louis XIV en Louis XV, dan wij ons vandaag willen voorstellen. 

Maar wat deed hij dan tussen de dag van zijn geboorte in 1694 en die van zijn overlijden, op 30 mei 1778? Meer dan een indrukwekkende activiteit legde hij aan de dag, maar hij was in zijn jeugd een van die jongeren die in het Parijs van Louis XIV en later de regent in welstand opgroeiden. Met een zus en een broer, die ouder waren en Armand, de broer werd, zoals zijn vader in de Jansenistische leer opgevoed, had hij het niet altijd even gemakkelijk, maar dat kan dus te maken hebben met de vraag of hij wel de zoon van zijn vader was. Hij kende wel mensen die zich met de letteren inlieten, zoals Boileau, die ook in hetzelfde paleizencomplex woonde als familie Arouet en was zijn (eventuele) biologische vader een dichter van het scrabreuze.

Maar voor we Roger Pearson volgen in de lange reis door het leven volgen, moet ik  toch aan de orde stellen of onze interesse voor het leven en de werken van Voltaire afhankelijk van de vraag of hij de belangrijkste filosoof was dan wel een verspreider van ideeën die anderen eerder haarfijn hebben uitgewerkt? Mij komt dit een onzinnige houding voor: een figuur als Voltaire, maar ook anderen in zijn tijd, dus de achttiende eeuw moeten onze aandacht krijgen. Punt. Ik weet niet of men kan spreken van een grootste schrijver of een grootste filosoof, omdat over de vele eeuwen sinds Thales van Milete de traditie van het westerse denken op gang bracht, dan wel Homeros onze verhalenschat begon op te bouwen, een traditie van een onoverzichtelijke en nog steeds onuitputtelijke omvang het licht heeft gezien. Geen voorkeuren dus? Wel in die zin dat men natuurlijk wel kan argumenteren waarom men een filosoof of schrijver belangrijk acht. Niet in termen van een soort top of polls. Dat heeft geen zin omdat we ten eerste nooit het hele veld kunnen overzien, noch in onze tijd noch voor andere tijden. Ten tweede evolueren onze inzichten en kunnen we dus in onze jeugd wel plezier gevonden hebben in La Nausée van Jean-Paul Sartre, terwijl later auteurs en filosofen voorbij komen die, althans is dat mijn indruk, meer te vertellen hebben, Sloterdijk, Arendt, Gescinska… want ja, er komen er altijd nieuwe bij.

Dus buigen we ons met blijde interesse op de figuur die Roger Pearson zo levendig weet te schetsen, of beter nog, te etsen, met veel zin voor detail. Details die het beeld niet overwoekeren, maar net helder in het licht stellen. Het feit dat vader Arouet zijn zoon naar de Jezuïeten stuurde en hem zo een merkelijke andere opvoeding gaf, heeft wel degelijk belang, omdat het onderwijs er meer intellectueel uitdagend was dan bij vrienden van Jansenius en Blaise Pascal. De jonge Voltaire maakte zijn school af, maar werd geen jurist en weigerde te werken in een kantoor in de hoop eens een ambt te kunnen kopen, zodat zijn vader dacht dat de jongeman voor galg en rad zou oproepen. De vader liet zelf een lettre de cachet bestellen, zodat hij zijn zoon ten gepaste tijde kon laten gevangenzetten in de Bastille. Dat gebeurde ook en Voltaire leerde er niet zo heel veel uit, behalve dan dat hij ten alle prijze oftewel tot elke prijs uit de greep diende te blijven van de mensen die de bestaande orde wilden bewaren tot elke prijs.

Het zou hem wel naar Engeland brengen, in contact met de intellectuele nalatenschap van Newton, maar ook met een samenleving die vrijer en burgerlijker was, dynamischer en slagvaardiger dan de Franse. Hij zou er zijn filosofische gedachten wetten op andere slijpstenen dan die van de katholieke doctrine en de Koninklijke willekeur. Hij was dan al een beroemdheid als theaterauteur en kon nu dus opnieuw een paar banvloeken verwachten, want in zijn filosofische brieven liet hij duidelijk blijken dat de Franse politiek en de Franse samenleving op de schop moesten. Hoewel hij probeerde te profiteren van de mogelijkheden die Frederik II de Grote hem kon bieden, merkte hij dat koningen regeren en mensen naar hun plezier behandelen, goed als het zo uitkomt, anders als het  moet. Maar willekeur blijft de regel.

Een grote gebeurtenis in zijn leven, na enkele min of meer durende relaties met theateractrices – die niet begraven mochten worden in gewijde grond, wat hem ook tot actie zou brengen, maar ook van zijn eigen dood bijna een theater zou maken, vooral dan van zijn al dan niet gemeende belijdenis van zonde, c.q. zijn afwijzen van de kerk als weg naar het heil - , begon hij een intellectueel leven met Emilie le Tonnelier de Breteuil, marquise de Châtelet, waarover we vroeger al schreven. De prijsvragen van academies spelen daar een belangwekkende rol in. Want een van de belangrijkste werken die ze samen ondernamen maar afzonderlijk uitwerkten: de vraag wat de aard is van het vuur, uitgeschreven door de Academie van Dijon. Emilie ontwikkelde een visie die in het boek over haar leven en werk fijner werd uitgewerkt, maar toch ook hier uitgebreid beschreven wordt. Zijn antwoord eindigde op 7 en het hare op 6, terwijl de conventionele antwoorden op de eerste plaatsen eindigden. Toch werden hun inzendingen ook gepubliceerd. Dat een vrouw een prijsvraag beantwoordde en haar inzending gepubliceerd zag, was toen ongezien en dat werkte nogal veel jaloersheid in de hand. De relatie van Voltaire en Emilie was typisch, zo lijkt het voor deze kringen: zij had een ordentelijk huwelijk, 3 kinderen en vervolgens ging ze haar eigen gangen, met Voltaire dus. Zij had zelf een kleine schaduwkant, namelijk een speelverslaving, maar ook was ze hoe dan ook vrij possessief als het op Voltaire aankwam. Voltaire noemde haar een groot man die het gebrek vrouw te zijn.

Nu was Voltaire voor zijn tegenstanders en dus voor de overheid een druktemaker die het aantal GAS-boetes wel zou hebben opgestapeld. Zeg nu zelf, wie zou er niet zo een lastpak oppakken die in een blauwe, diepblauwe koets met sterren op door het land zou reizen? Maar op zijn laatste reis van Ferney bij Genève naar Parijs werd hij in zijn opvallende koets op vele plaatsen met eer en huldebetuigingen onthaald. Was hij niet de man die in verschillende zaken, zoals die van de Protestantse koopman Callas uit Toulouse of Sirven, een ander geval van gerechtelijke dwaling, de gerechtelijke dwalingen echt heeft aangepakt met het gevolg dat minstens de nabestaanden van schuld ontheven waren? Even wees er alles op dat Voltaire en met hem enkele verlichte politici – de adel die betrokken was bij het beleid gedroegen zich volgens Pearson echt wel als politici – hun punt hadden gemaakt en dat Louis XV de hervorming van het gerecht zou aanvatten. Maar de eerste hervormingen werden al na 6 maanden weer ongedaan gemaakt. Men mag in deze ook bedenken dat de kwalijke naam die deze koning droeg, hoewel Le Bien Aimé genoemd, door de juristen en hun opiniërende medestanders voor de geschiedenis het goede dat hij ondernomen heeft in de vergetelheid heeft gedrukt.  

De activist Voltaire wordt in de wandelgangen niet zo vaak genoemd als de deïst Voltaire die dezer dagen als het toonbeeld van een niet zo straffe Verlichting, in feite als een onbetrouwbaar individu ten tonele wordt gevoerd. De Verlichting, beklemtoont Jonathan Israël telkens weer is pas tot volle wasdom gekomen in de groep rond Denis Diderot en d’Holbach, de prins die de Encyclopédie mogelijk maakte. Diderot en Voltaire hebben het elkaar inderdaad niet gemakkelijk gemaakt en hebben menig debat per brief gevoerd, soms direct, maar nog vaker indirect. In de contes Philosophiques zoals Micromégas of Plato’s droom, beide voorloper van een nieuw genre, de science fiction, zette Voltaire zich net zo scherp af tegen het fanatisme van Port Royal, de Jansenisten als tegen de fanatieke atheïsten; in zijn ogen waren zij, Diderot en co wel fanatiek en onredelijk. Roger Pearson laat ook niet na te vermelden dat Voltaire zeker na 1766 de greep op de dingen begon te verliezen, al bleef hij verbazend productief en polemisch. Maar hij was door zijn hoge ouderdom ook meer een onsterfelijke geworden dan een lid van de Académie Française ooit kon worden. Maar ook Denis Diderot schreef verhalen en werkte gedachten uit in romans, zoals La réligieuse en Jacques le Fataliste et son maîtr. La Rélgieuse spelt hij de rol van het klooster uit als opvang voor overtallige nazaten e  klaagde hij totale gebrek aan zelfbeschikking aan. Soms werd iemand dan toch weer van de gelofte verlost als er getrouwd moest worden, om de erfenis veilig te stellen. Mensen beschikten niet over zichzelf, wat ook Voltaire behoorlijk problematisch vond maar hun houding verschilde in wezen vooral in de toonzetting.

Toch blijft het stof voor discussie als mensen zoals Ico Maly menen dat er maar één lectuur van de Aufklärung mogelijk is, precies omdat men Diderot maar moeilijk als enige representant kan aanhouden, zonder de geschiedenis van de 18de eeuw, de ideeëngeschiedenis in een heel eng kader te bekijken. Het probleem immers is dat de Verlichting, voorspel, inleiding, de hoofdmoot en het naspel, de Romantiek, meer dan een eeuw tijd vergde en bovendien dat men niet kan beweren dat het fenomeen zich maar in één land zou ontwikkeld hebben tot de zeer verscheiden cultuurperiode die we kennen. Voltaire zorgde voor vernieuwing van het theater, schreef zijn Lettres Philosophique om de Engelse houding ten aanzien van macht en aanzien, maar vooral tolerantie – met mate – tegen andersdenkenden onder de aandacht te brengen.  De geschiedenis is duidelijk, van Schotland tot Italië, van Estland tot Frankrijk en in de VSA waren er interessante bewegingen bezig die vaak ook vrouwen op de voorgrond bracht. Uiteraard kan een biograaf uit hoofde van zijn onderwerp niet het hele beeld ophangen, toch is Pearson wel degelijk bereid en zelfs gedwongen het bredere plaatje te bekijken. Studeerde Voltaire niet een enige tijd bij de Nederlandse natuurkundige ’s-Gravesande over Newton’s inzichten in de natuurwetten?

De samenleving waarin Voltaire opgroeide was er een die weinig vooruitgang kon boeken, omdat de overheid in handen was van een klasse die vooral rentes zochten, dat betekent dat zij belastingen, op zout, op zeep en andere zaken kochten en zo hun fortuin opbouwden. De juristen van het parlement van Parijs waren ook niet bereid dat systeem in vraag te laten stellen. Voltaire heeft zich ingelaten met een loterij, dat weten we, waardoor hij in een klap behoorlijk rijk werd en onafhankelijk. Via agenten investeerde hij in allerlei handelsondernemingen en kon hij zijn inkomsten doen aangroeien. Hij leende ook aan vorsten, die graag courant kregen want ze konden hun bezittingen niet zo gemakkelijk liquideren. Voltaire leende hen tegen 10 % of meer, maar moest wel eens druk zetten op de Koninklijke familie van Wurtenberg.  

De biograaf gaat er niet zo op in, maar men kan zich afvragen hoe bewust Voltaire zich met die wijze van handelskapitalisme inliet, toch blijkt Pearson niet overtuigd van het feit dat Voltaire werkelijk aan de Driehoekshandel deelnam. Dat betekende dat hij dan de slavenhandel zou aangewend hebben om zijn vermogen verder op te bouwen. Was zijn handel via Cadiz dan vrij van die smet? Het zal wel een beetje zijn zoals met die grote kledingketens dezer dagen die in Bangladesh goedkoop kleding produceren door onderaannemers en niet graag zien dat de pers hier melding van maakt. Maar nu er wel wat rampen gebeurd zijn, kan men niet meer zwijgen. Wel heeft Voltaire zich verzet tegen de slavenhandel, de horigheid en dergelijke en wellicht moet men beter onderzoeken waar het geld van de man vandaan kwam. 

En als hij Ferney gaat wonen en het landgoed tot een eigen klein Versailles ombouwt, dan zal hij tegelijk nogal want investeren in het ontwikkelen van lokale industrie, zoals de fameuze horlogeproductie. Hij is dan wel geen filosoof von Gewerbe, hij handelt op een op het oog wel zeer billijke wijze. Voltaire was dan ook, zo lezen we, heel geporteerd door de wijze waarop in Engeland en de Nederlanden de tolerantie veel verder en dieper reikte dan hij als Fransman ook maar had kunnen dromen, zodat hij meende dat men eerst de redenen van die onvrijheid en willekeur diende aan te kaarten. Het punt is voor hem niet enkel een zaak van zuiver denken, hij wil, na zijn verblijf in de Bastille en zijn ballingschap in Engeland de verwevenheid van perverse politieke en justitiële almacht van de vorst, die uiteindelijk tot een slecht werkende samenleving en dito maatschappelijk bestel blijven leiden, aanpakken. Zijn geschriften over Henri IV, over Louis XIV en zelfs zijn onderzoek naar de zeden en gewoonten, hebben een inderdaad niet direct filosofische oorsprong, maar voor hem, die tot het einde deïst was, komt het mij voor, was dit vorm van pragmatisme: via zijn deïsme kon hij praktisch model van tolerantie ontwikkelen dat hij via fanatiek atheïsme niet geloofwaardig had kunnen doen.

De vraag die Pearson ons ook aandraagt: Kan men Voltaire gering schatten terwijl hij met een ijzeren consequentie het bestel van de Franse staat bleef aanvallen, met als fundamentele dragers, de Kerk, vooral de Jansenisten, de Koning én de juristen van de Parlementen? Tegelijk schetst de biograaf een man die een leven lang met de hoge commis d’état omgang heeft gehad, zoals d’Argenson, d’Argental, Richelieu – neef van – en anderen die zoals hij bij de Jezuïeten hun opleiding hadden genomen. Hij, de roturier – de man zonder adellijke voorouders, behalve in een kwartier, tenzij hij inderdaad de zoon was van een andere vader - Rochebrune – was, zou hoveling worden, maar om volkomen pragmatische redenen en dat pakte niet goed uit want zijn zin voor onafhankelijkheid maakte de pluimstrijkerij ongeloofwaardig.

Voltaire werd niet in ermbarmelijke omstandigheden ter wereld gebracht en leefde in een relatieve luxe van het Parlement van Parijs. Hij zou later een deels zwervend bestaand leiden, maar met zijn geliefde Marquise du Châtelet leefde hij een aantal jaren genoeglijk in Cirey (Champagne, niet ver dus van de weg naar Lotharingen en weg uit de greep van de Franse koning), dat hij in een mum van tijd heropbouwde en uitbreidde en van technische hoogstandjes voorzag die het leven erg konden veraangenamen. Daar en later in Ferney heeft hij ook moderne installaties, zoals een badruimte laten aanleggen, waarmee hij zijn voor praktisch comfort verder opdreef. Of zou het beter zijn daarvoor te verwijzen naar chaise percée, inderdaad, de kakstoel? Deze facetten van een menselijk bestaan zal men niet zo gauw in een filosofisch werk vinden, maar hoewel ze dus aangeven hoe de man die het theater vernieuwde – door onder andere de wet van de drie eenheden, van handeling, tijd en ruimte terzijde te schuiven -, de man ook die Bijbelonderzoek zelf ter hand nam, niet zo origineel want hij werkte verder op het werk van een benedictijner monnik, die ook wel sceptisch stond over de wonderen die vermeld staan, laten zien hoe veelzijdig men kan werken en dat kritische Bijbelstudie niet dateert van de vroege 20ste eeuw; tekstkritische studies begonnen al in de vijftiende eeuw, toen Erasmus (ongeveer 1467 – 1536) en anderen het Hebreeuws en Grieks weer onder de knie kregen. De bijbel als boek kan op een rationele manier niet goed begrepen worden.

Het is zaak, meen ik ook wel te begrijpen dat voor Voltaire die Bijbelstudie een manier was om de clerus van zijn tijd bij de neus te nemen. In de eeuw van Louis XIV waren er mensen als Fénelon, die niet zomaar de orthodoxie achter zich lieten. Enfin, het valt op dat men de waarheden die voorgehouden niet zomaar aanvaard worden. Fénelon was nochtans de huisleraar geweest van de kleinzoon van Louis XIV, maar de discussies over de verhouding tot het zielenheil bleef lang problematisch. Hoe Voltaire het werk van Fénelon kende is me niet duidelijk, maar als de vijanden van mijn vijanden misschien vrienden kunnen worden, kan de breuk tussen Louis XIV en Fénelon voor Voltaire een goede indicatie geweest zijn. Wel geeft dit voorbeeld aan dat de inzichten van Voltaire niet zomaar uit de lucht kwamen vallen, wat voor sommigen dan weer aanleiding is hem niet oorspronkelijk genoeg te noemen en dus zijn rol te beperken. Zijn Bijbelcommentaren, gebaseerd op het werk van anderen hadden evenwel voldoende effect omdat men de soms rare kronkels en wonderen toch niet geloven kon. Dom Augustin Calmet blijkt hier een betrouwbare gids te zijn geweest, een benedictijn en bevriend met de familie du Châtelet.  

Pearson laat ook een glimp zien van het probleem dat zich stelt in verband met de hoge publicitaire productie van mensen als Voltaire en anderen, tot het midden van deze eeuw, toen televisie en film het aanbod aan ontspanning gingen verbreden, waarna sinds 30 jaar de steeds ingenieuzer games hun inbreng deden. Bovendien verloor de brief als vehikel voor debat haar uitnemende rol. Tijd om te schrijven? Maar ook behoeft men tijd om te lezen. De verspreiding van de ideeën was maar mogelijk omdat er in Europa (en de kolonies in Noord-Amerika) een redelijke interesse ontstond en eerder toe dan afnam. Van de roman en de spannende erotische verhalen werd er wel meer gedrukt dan wij ons voor kunnen stellen.

Tot in zijn laatste dagen was Voltaire bezig met schrijven en pamfletten uitzenden om toestanden te hekelen, al merken we dat Pearson er het draagvlak van betwijfeld, omdat zeker inzake levensbeschouwing Voltaire vasthield aan de denkbeelden die hij op grond van zijn omgang met Newton’s werk had ontwikkeld en na het optreden van Diderot en co niet meer zo relevant waren. Maar tegelijk zal men dat een 80-jarige toch niet zomaar aanwrijven. Zijn betrokkenheid bij de industrie in Ferney zou dan vergeten worden. Jawel, hij verdiende geld, maar hij maakte ook een nieuw zakenmodel mogelijk. Het verhaal is dat hij de horlogemakers uit Genève die een fiscaal probleem hadden met de overheid van de stadsrepubliek maar niet opgelost kregen, te hulp kwam door hen in zijn landgoed onderdak te verlenen. Het vervolg was dat de Franse Ministers van Financiën met Voltaire en de horlogemakers in discussie gingen over de op te brengen belastingen, wat ook weer heel wat brieven en discussies meebracht. Dat werd maar  geleidelijk geregeld. Hoe het na de dood van Voltaire verder ging met de vlek is niet geheel duidelijk. Dat Voltaire de burgers van Genève toneel aanbood, iets wat in de stad om religieuze redenen niet kon, mag men ook niet vergeten.

Roger Pearson schreef geen hagiografie van de man, die van zichzelf vond dat hij er aartslelijk en graatmager uitzag, maar hij laat ook zien dat zowel zijn juridische acties als zijn werk als schrijver van wezenlijk belang is in de ontwikkeling van de Franse Verlichting, onder meer door zowel oog te hebben voor de vooruitgang van de wetenschappen – al snapte hij het op den duur zelf niet helemaal meer – dan nog was zijn hameren op de vrijheid én op de tolerantie van wezenlijk belang. Wie Voltaire een plaats ontzegt in het Verhaal van de Verlichting geeft volgens Pearson de indruk dat de Verlichting zelf maar een schrale bedoening was. Goed, hij was geen atheïst en hij vond dat het goed was dat mensen hun eenvoudige geloof konden beleven, zeer zeker, maar of men dan de indruk kan wekken dat de man die lange tijd de strijdkreet “Ecrasons l’infame!”, hoog in het vaandel voerde, de Franse autoriteiten –inclusief de kerk dus - voortdurend voor problemen stelde en er toch in slaagde in Frankrijk de vaandeldrager te worden van een strijd tegen de verstikkende censuur, de hypocrisie en de machtswellust van priesters en bisschoppen, moet bij mij van goeden huize komen om Voltaire niet te zien als een baanbrekende figuur.

Het gesteggel over de plaats van Voltaire roept dan ook onontkoombaar de vraag op wat we van de Verlichting moeten denken, wat de betekenis ervan kan geweest zijn. Professor W. Brulez bracht ons bij in zijn hoorcollege Inleiding tot de geschiedenis van de Nieuwe Tijden dat de cultuurgeschiedenis van de nieuwe tijden best het bestuderen waard is, net omdat de boekdrukkunst een nieuwe burgerlijke culturele traditie toeliet, waarbij academies en loges hun onmiskenbare rol hebben gespeeld. Maar tijdens de 18de eeuw kan men merken dat clerici de nieuwe gedachten niet geheel vreemd zijn. Ook Yvan van den Berghe heeft dat uitgebreid onderzocht in zijn doctoraat. Toch blijft voor velen de eeuw van de Verlichting in het duister gehuld.

De kwestie is dus, zoals ook Pearson opmerkt dat het weinig zin heeft de echte Verlichting te onderscheiden van andere evoluties in de tijd. Kan men Edmund Burke denken zonder de invloed van de vele evoluties die in Schotland, maar ook elders in Europa Ik denk aan – uiteraard – Belle van Zuylen, die overigens ook met mensen uit de Schotse Verlichting correspondeerde. Het mag duidelijk zijn dat we bij elke poging er meer van te begrijpen, van de Verlichting meer facetten ontdekken. De discussie die men vandaag voert over wat nu de Verlichting zonder meer zou zijn, wat die dan moet beginnen en wie er allemaal toe bijgedragen heeft, lijkt me overtrokken – als het erop aan zou komen namen weg te strepen. Opvallend is ook de betekenis van de inzichten die men kon formuleren vaak ook in relatie stond tot de kwaliteit van de tegenstander. Als een benedictijn zelf een kritische Bijbelstudie schrijft en uiterst kritisch is voor bepaalde voorstellingen van wonderen en zo meer, dan kan men ook die invloed niet terzijde schuiven. Nu begrijp ik voor de goede orde wel dat het in de Angelsaksische wereld vandaag, met de druk van soms bizarre vormen geloofsbeleving er de tegenstanders echt wel om te doen is het irrationele van die benaderingen aan de kaak te stellen. We kunnen die aanpak wel volgen, maar menen dat het een weinig heilvolle weg is. Wie vandaag de evolutietheorie botweg afwijst en niet op school onderwezen wil zien, begaat een misdaad, want men ontzegt jongeren een goed inzicht in de aard van de menselijke geschiedenis en het mens-zijn zelf. Maar Jonathan Israël ontneemt ons, met zijn zeer omvangrijke studies over de Verlichting tegelijk de kans de samenhang goed te onderkennen.

De essentie van de Verlichting lijkt mij dan ook meer te zijn de mogelijkheid tot het open debat en ondanks de (kerk-)politieke belangen die spelen, zal de oppositie tegen figuren als Voltaire meer vergen dan alleen maar het herhalen van de traditionele apologetische traditie. Het valt me dan ook altijd weer op dat men bij een auteur als Steven Nadler moet zijn om iets aan de weet te komen over het denken en de kijk op de staat der dingen in die periode.

Het kan dus geen kwaad Pearson ter hand te nemen als men de discussie over de aard en bevindingen van de Verlichting wil voeren omdat hij laat zien dat de opmerkingen die auteurs als Ico Maly over de Verlichting brengen niet adequaat mogen heten. Spreken over de anti-Verlichting? Dan valt de naam van Voltaire al eens en dat blijft bevreemden, omdat de man doorheen zijn lange loopbaan, een aantal thema’s heeft aangesneden die nu net het wezen van de Verlichting uitmaken: strijd voor de vrijheid van levensopvatting, drukpers en lotsbestemming, strijd tegen willekeur maar ook tot spijt van Jonathan Israël strijd voor tolerantie. De Godsdienst is voor Voltaire niet an sich problematisch, wel de organisatie van de kerk. En daarmee denk ik voldoende duidelijk te maken dat het fanatieke verdedigen van het atheïsme als waarmerk voor de Verlichting het inzicht in het proces dat de Verlichting was, bemoeilijkt. Overigens meen ik mij te herinneren dat Johan Braeckman en Jean-Paul Van Bendegem de gedachte onderschreven dat het voor het publiceren door Darwin van diens “The Origin of species” het atheïsme niet zo heel veel te bieden had. Pas dan, in 1859 zou het argument voor het loochenen van een god en al helemaal van een alles bestierende monotheïstische God goed onderbouwd kan worden.

Los daarvan is er de vraag of de acties van Voltaire ten aanzien van het gerecht, ten aanzien van de censuur, werkelijk niets zouden hebben uitgehaald. Symbolisch wel want de rechtspraktijk werd in vraag gesteld in de zaak Chasal en de anderen en het recht kon in zekere zin zegevieren – niet helemaal – maar ook een houding tegenover Hugenoten, die er alles aan zouden doen om hun kroost te verbieden alsnog katholiek te worden kwam in vraag te stellen. Dan is er nog de houding van Voltaire ten aanzien van de Islam, die aan de ene kant niet gunstig zou lijken, maar hij heeft mee het oriëntalisme vorm gegeven, waarbij we weten dat de erfenis van de verhoudingen tussen Islam en Europa, zeker ook tijdens de eeuw van de Verlichting complex was, alleen al omwille van de oorlogen tussen Süleyman en Europa, denkend aan het Beleg van Wenen – eerste maal in 1529, twee jaar na de Franse Sacco di Roma- , om maar eens iets te noemen. Voltaire kan men dus, als we Pearson in gedachten hebben, niet terzijde schuiven. De man en zijn werken, maar ook zijn avontuurlijke levensloop, in grote luxe vanaf zijn 30ste, kan men niet zomaar negeren. Hij nam de omstandigheden in dank af en ging door, nog tot zijn dood, die volgens sommigen vergeten was hem te bezoeken.

Bart Haers  


Reacties

Populaire berichten