Filosofie in onheroïsche tijden

Brief

Over een goed gesprek over identiteit
In deze onheroïsche tijden

Brugge, 17 juni 2013

Aan politici en opiniemakers, gegroet,

Johan Huizinga schreef in een essay over Nederland tijdens
de 17de eeuw, de Gouden Eeuw, dat die periode volkomen
onheroïsch was. Tegelijk is het de humuslaag waarop in
de negentiende eeuz een nationaal gevoel tot stand kwam,
met dank aan Fruin en andere historici. Identiteit? Daar doen
velen niet aan, maar wel het filosofische kwintet.
Ik kan op zondag graag luisteren en kijken naar de Nederlandse televisie, waar een eenvoudig, ja, een poepsimpel boekenprogramma te savoureren valt: een gastheer en een schrijver/schrijfster praten 15 minuten of langer over een boek, waarna een volgende schrijver aanschuift. Veel moet dat niet kosten, er is geen koude drukte maar wel een gesprek over een boek. Een beetje zoals eertijd Jean-Pierre Rondas zijn wereldbeelden maakte: rustig, ambachtelijk maar wel altijd weer verrassend voor de luisteraar.

Gisteren begon ook een nieuw seizoen, gebracht door Human, van de gesprekken over allerlei zaken, het filosofische kwintet. Afgekeken van het Duitse programma Das Philosophische Quartett? Misschien, maar met Clairy Polak en Ad Verbrugge en gisteren waren er ook Maarten Doorman, Frits van Oostrum en Lotte Jensens. Het thema is best een uitdaging, zowel voor Nederland als voor ons, want het gaat over identiteit: Wie denken we wel dat we zijn?

De vraag waarmee de gastvrouw het gesprek op gang bracht was de vraag of het een bijzondere betekenis had dat de kroonprins bij een interview voor hij zou aantreden, vertelde dat hij niet Willem VI wilde zijn, maar Willem Alexander. Uiteraard komen dan opmerkingen over de minder aangename herinneringen aan Willem III naar boven, zou men denken, maar niet hier. Het ging erom, voor de kroonprins, nu koning dat hij zijn koningschap niet in de oude lijn wilde plaatsen, maar als een koning van een nieuwe stempel wil aantreden, een beetje volkser heette het en dan geeft hij wel weer te weten wat er leeft en broeit in het land. Na de enkele aanvaringen met de publieke opinie zal dat ook niet geheel vreemd mogen klinken. Feit is dat koningschap en traditie natuurlijk samengaan en dus is een Willem IV eerder aangewezen, aan de andere kant de koninginnen hadden ook geen nummer, telkens een eigen naam, van Wilhelmina tot Beatrix en later volgt, in de loop der verwachtingen …

Maar dan kwam het, de vraag of een van de gast kon vertellen wat voor hem of haar het grote moment in de geschiedenis der Nederlanden was, waaraan men de identiteit kon ophangen. Voor Lotte Jensens was dat merkwaardig genoeg de periode van de Franse bezetting, dat wil zeggen de periode toen Lodewijk Napoleon koning werd van de Nederlanden (1806 – 1810) en ondanks de onwil van de Nederlanders indruk maakte. Of hij werkelijk als konijn van Nederland door het leven ging, blijft een moeilijk te staven verhaal.

Frits van Oostrum, verraste iedereen door de geschiedenis te zien als composthoop, waaruit ook wel eens giftige dampen kunnen opstijgen, maar die ook vruchtbare grond kan bieden voor nieuwe gewassen en vruchten. Bovendien wees hij erop dat misschien het meest sprekende naar voor treden van Hollandsheid, Nederlanderschap de beweging van de Nieuwe Devotie geweest zou zijn. Om er dan nog eens aan te breien die andere particulariteit, het verkleinwoord: in een hoekje met een boekje? Of het zonnetje dat schijnt. Geen taal die zoveel aandacht besteedt aan het verkleinwoord en het zo vaak laat opdraven. Het gaat ver natuurlijk want we draaien er de hand niet voor om te zeggen dat de prins een klein beetje dom was, ooit…

Een ander element dat Van Oostrum aandraagt in aansluiting op het enthousiaste verhaal van Ad Verbrugge die zonder meer de 80-jarige oorlog aanwijst als het identificatiemoment in de geschiedenis der Nederland, als Zeelander, protestant ook, betreft de vaststelling van Johan Huizinga dat die epoche makende Gouden Eeuw volkomen onheroïsch was geweest, maar dat de grondstroom van de ontwikkelingen er een was van burgerlijke ijver, niet te veel de rijkdom laten blijken en het uitbouwen van het rijk. Natuurlijk zijn er de zeeoorlogen geweest, maar wie de geschiedenis van de 80-jarige oorlog bekijkt, merkt dat het na 1604 en zeker vanaf het twaafljarig bestand geen echte oorlog meer mag heten, behalve dan de gevechten op zee en aan verre kusten, zoals bij Bahia, waar de zilvervloot werd geplunderd.

Maarten Doorman vond ook al dat zo een uniek moment niet echt te vinden is, het moment waarop Nederlanders Nederland gingen zien als het land. Zelf vond hij dan weer dat de onthulling van het standbeeld van Rembrandt van belang mag heten, omdat daar een heel specifiek gebeuren plaats greep: er ontwikkelde een soort lus, waarbij de Gouden eeuw in een kleed werd gestoken, dat van de 19de eeuw. Al vroeg krijgt bijna elke student geschiedenis de kans het belang van de 19de eeuw in te zien als het gaat over het begrijpen van het verleden. Er zijn wellicht heel eenvoudige verklaringen voor, zoals het feit dat in de 19de eeuw een burgerij opstond die zich ging bezig houden met geschiedschrijving. Maar het duurde tot het midden van de eeuw voor een wetenschappelijke geschiedschrijving van de grond kwam. Sprak Doorman over Rembrandt, dan dacht ik aan het standbeeld in Brugge, of moeten we zeggen, de campagne om standbeelden op te richten in onze steden? Simon Stevin en voor velen bij uitstek het beeld op de markt met Jan Breydel en Pieter De Coninck te Brugge? De idee die men eraan verbindt in België is dat het jonge koninkrijk zich een eigen identiteit wenste vorm te geven. Ook gisteren kwam 1302 overigens nog eens aan bod waarop dan de interessante gedachte volgde dat Nederland weinig aandacht zou hebben voor de middeleeuwen omdat precies het identificatiemoment later kwam, met de Gouden Eeuw, Rembrandt, Vondel en eventueel – hoewel het niet ter sprake kwam – Spinoza, maar zeer zeker wel Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en later Johan de Witt en de ruwaard van Putten, Cornelis de Witt. In de Zuidelijke Nederlanden gaat het dus andersom: alle aandacht voor aspecten van de middeleeuwen en vervolgens werd ons geleerd dat de 17de eeuw een ongelukseeuw was. In geen van beide landen is de aandacht voor de 18de eeuw overweldigend te noemen en wat de 19de eeuw betreft zijn de gevoelens hier en in Nederland gemengd, zodat het idee van enige continuïteit in het gebeuren niet aan bod komen kan.

Het probleem gaf Frits van Oostrum goed aan, wanneer hij verwees naar de aanwezigheid van de vele middelgrote steden. In Vlaanderen is die constellatie minstens zo opvallend. Maar dan moet men wel vaststellen dat in Duitsland, zeker de Rijnvallei, maar ook in Italië, in Lombardije diezelfde ordening aanwezig is. Nu goed, we zijn het ten gronde wel eens met van Oostrum dat in de Nederlanden geen gigasteden ontstonden zoals Londen of Parijs, maar ook moet men dan opmerken dat er zich – zij het met groene zones ter afbakening – wel degelijk een grote stad gevormd heeft van ongeveer Duinkerken en Rijssel tot Amsterdam. Straks zal blijken dat die gelijk opgaande ontwikkeling over de langere termijn, die men ook zag in andere domeinen, de ontginning van woeste gronden en het bemalen van binnenwateren een vrij grote eenheid vertoont.

De natuurlijkheid van identiteit legde Maarten Doorman toch ook wel even op tafel, want uiteindelijk moeten we vaststellen dat die notabelen die er na 1815 voor zorgden dat de Republiek als Koninkrijk een nieuwe identiteit kreeg, waarbij Oranje bij tijd en wijlen wel eens minder populair werd, zoals zowel Wilhelmina en Juliana, maar ook Beatrix mochten ervaren, maar altijd weer opnieuw en vooral in bange dagen de identificerende band leende om het land op de rails te houden. Maar het blijft allemaal wat artificieel, als je naar zo een Koninginnedag keek, waarbij de gekte mij soms een vorm van beleefde schaamte leek, die men niet goed kon verstoppen. Nu is het punt dat Doorman graag maken wil precies dat wat een constructie is of een beetje artificieel lijkt, net niet minder van belang hoeft te zijn. Een discussie over deconstructivisme werd het dus niet en misschien geeft dat wel aan hoeveel er de laatste 15 jaar aan het schuiven is gegaan. Net omdat het ontwaren van mythen die mythen niet meteen hoeft te ontwaarden.

Het verhaal van Nederland alleen afmeten aan de relatie tussen vorstinnen en land zou veel onrecht doen aan wat de Nederlanders uit wisten te richten, alleen is het moeilijk een selectie te maken van wat nu vermeldenswaard is. Daarom was het interessant te zien hoe men de historische canon, waarrond enige jaren geleden zoveel te doen was, niet enkel zag als een verhaal van hoogtepunten, maar ook de zwarte randen zoals de slavenhandel of de koloniale ambities en projecten, tot en met de Politionele actie na WO II. Blijft de vraag hoe Nederland omgaat met die wereldoorlog en de bezetting? Het bombardement op Rotterdam is natuurlijk een ramp, maar als de zwarte randen zelf aangebracht werden, dan was dat er geen. Een ander facet, de vlucht van de regering op 4 mei blijft een moeilijk te plaatsen moment, net zoals de bereidwilligheid van overheden om de joodse inwoners te helpen recenseren en vervolgens aanmanen zich aan de opdrachten van de bezetter te houden, het dragen van de gele ster en uiteindelijk het transport naar Westerbork… Men moet hier toch wel vragen stellen hoe Nederlandse ambtenaren eraan hebben bijgedragen. En toch, de verzetsmensen, die hebben hun plaats, zelfs de Duitse prins Bernard die de koningin bijstaat in het organiseren van Nederlandse troepen… u merkt het, dat lijkt alles heerlijk eenvoudig als we slechts weinig oog hebben voor details, hebben we die eenmaal in het oog, dan wordt het vertellen best wel lastig.

Daarom kon de discussie van het filosofische kwintet mij gisteren wel bekoren, omdat de identiteit niet iets was of zijn kan dat in marmer gebeiteld staat. Zou men dat willen, overigens, dan zou men zich als land hopeloos te kort doen. Aan de andere kant kwam de vaststelling wel aan bod dat een republiek – ook al zit er een koning aan het hoofd – niet goed zonder identificatie kan. Ging het alleen om een ideële band, om een verheerlijken van het geheel om het eigen persoonlijke aan op te hangen en het zelfbeeld op te leuken, dan kan men zo een proces van identificatie wel degelijk bedenkelijk vinden. Maar zoals alle deelnemers aan het gesprek lieten blijken, was de kern van de zaak nu net dat al dat onderbouwen met verhalen van wat het betekent Nederlander te zijn, een noodzakelijke voorwaarde mocht heten om het schip van staat op de rails te krijgen en te houden. De identificatie met het stedelijke belang, met het nationale belang is immers nodig om bij moeilijke afwegingen een keuze te kunnen maken.

De afgelopen decennia heeft men ideologisch spervuur gericht op alles wat met die functionele identificatie te maken heeft, zowel in Nederland als hier te lande, want zelfs als het om een Belgisch nationaal gevoel gaat, zal men vaststellen dat mensen als Marc Reynebeau het vooral lastig hebben met de ideële identificatie. Over de politieke identificatie gaat het helemaal niet, maar wordt wel verondersteld. Het hele conflict in Vlaanderen Morgen, of liever tussen Vlaanderen Morgen, een werkgroep geïnspireerd door wijlen minister van staat Hugo Schiltz enerzijds en Marc Reynebeau, Yves de Smet en Geert van Istendael anderzijds ging formeel over die idee van een nationaal gevoel en nationale verbondenheid, maar ging in wezen om het afwijzen van de mogelijkheid dat burgers iets kunnen hebben met het land waar ze burger van zijn.

Een dezer komt in Antwerpen Benjamin Barber over de gedachte dat burgemeesters beter de wereld kunnen besturen dan een federale, nationale regering. De motieven en argumenten voor deze visie interesseren me wel, toch lijkt het me net die mate van betrokkenheid bij de stad te zijn en haar bestuurders, die maken of het goed bestuurd kan worden. Overigens, hoe afkerig socialisten in Vlaanderen ook staan ten aanzien van Vlaanderen, voor hun stad hebben ze alles over, zoals burgemeester Daniël Termont het altijd weer laat zien.
Onder de vorige burgemeester waren er een hoop mensen die hoog opliepen met Antwerpen, nu er een andere zit, na een heftige clash, lijken die mensen van de aardbodem verdwenen. Burgerschap, voortgekomen overigens uit het poorterschap van onze oude steden, berust op een betrokkenheid ondanks de zetelende magistraat, dat is dan het bestuurscollege.

De vraag die we ons stellen : kan men een burger zijn van een land, in een democratie en niet de figuur van de chef, of het nu een burgemeester of een premier is, genegen zijn? Uiteraard, daarom is het land belangrijker dan de toevallige chef. Of zoals de Britten zeggen: “My country, Right or wrong”, want anders is er ook geen oppositie denkbaar, een loyale oppositie. Het probleem dat zich al eens kan stellen, ook nu in een land als Turkije is dat die identificatie geen afwijkende meningen zou toestaan; al blijft de vraag dan wel hoever men – in een democratie – mag afwijken van de algemene inzichten. In principe is daar in een democratie geen lijn op te trekken, alleen zal het er nu net om gaan dat men oog heeft voor… dat algemeen belang.

Want dat is dan wel het opvallende: men heeft niet enkel het begrip identiteit willen wegvegen, zeker verbonden met het behoren tot een grotere gemeenschap, men heeft ook de notie algemeen belang laten varen. Een ander facet van de vigerende opvattingen over samenleving en politiek is merkwaardig genoeg een soort regressie, want wie aan politiek doet acht zich daartoe geroepen, maar niet op grond van het landsbelang. De kennis is aanwezig, maar het gaat steeds meer om vormen van professionalisme die te maken hebben, niet altijd, met het behoren tot een club. De betrokkenheid bij de samenleving blijkt niet onmiddellijk en soms helemaal niet, omdat de natie hoogstens in statistische grootheden tot uiting komt.

Het verhaal van een natie, in de termen van cultuursociologen, een narratief werkt wel degelijk als een richtingaanwijzer om ons publieke handelen te sturen. Zijn we dan minder vrij, als we ons met de publieke zaak inlaten en dat plaatsen in het narratief? Of vormt het accepteren van een zelfs maar zwakke identiteit een inbreuk op onze autonomie? Het gesprek van het filosofische kwintet liet zien dat men op een redelijke manier over identiteit kan spreken, waarbij men de geschiedenis accepteert, zelfs als een composthoop, met miasmen en onfrisse dingen; dat brengt ons ertoe deze twee facetten met elkaar in verband te brengen: identiteit en het concipiëren van wat het algemeen belang vergt. Maar dat roept moeilijkheden op, zeggen erudiete mensen: de identiteit accepteren kan onze vrijheid inperken! Maar dan wordt de identiteit iets alles overheersend, toch? En dat moet men niet willen. Maar voor welk doel gaan we ons met de publieke zaak inlaten, vraag ik mij dan af, als er niet een verbondenheid met de samenleving achter zit, enfin, meer dan alleen maar in naam? In het Vlaams klinkt het dan: voor welke heilige doen die politici het? Wat beweegt er ons als we Guy Verhofstadt volgen? Het grote principe van de vrijheid? Maar niemand is tegen vrijheid, al kan die vrijheid in de praktijk verscheidene vormen aannemen. Daarom komt men dan toch weer bij die filosofen uit, zoals Susan Neiman of Hannah Arendt, die de mening zijn toegedaan dat abstracties wel goed klinken, maar in de praktijk van het handelen niet a priori betekenis hebben.

Het is, zoals ik al aangaf een vorm van regressie te noemen als we uit de vele facetten die ons leven vorm geven zomaar een aantal schrappen, zoals de idee van identiteit. Luc Panhuysen schreef in zijn biografie van Johan de Witt dat de burgers van Dordrecht wel goed wisten dat ze ervoor moesten zorgen dat het goed ging met de stad, althans, zo heb ik het onthouden. Als Benjamin Barber heil zoekt bij de burgemeesters van steden, grote steden, dan lost hij het probleem van de anonimiteit niet op. Hoewel we veel weten uit de media over politici, de top dan toch, moeten we vaststellen dat de feitelijke anonimiteit en gebrek aan betrokkenheid niet aan de orde is in het debat. En dan kan het zinvol zijn een redelijk gesprek te voeren over identiteit. Wat redelijk betekent? Dat het niet opnieuw een gehannes met een abstractie wordt.

Vale,
Bart Haers 


  


Reacties

Populaire berichten