Legitieme besluitvorming

Reflectie

Politieke legitimiteit
Het verhaal van een politieke impasse

Danton, de man die in de Terreur tenonder de
ging, maar betrokken was bij de revolutie,
al is niet altijd goed uit te maken aan wele kant
hij stond. Omdat de kampen voortdurend
wisselden. 
Journalisten smullen ervan als er een zweem van politieke crisis in de lucht hangt, in de Wetstraat, op het Martelarenplein of zelfs aan het Justus Lipsiusgebouw, u weet wel waar de Raad van de Europese Unie, zeg maar de vergadering van de Staatshoofden en regeringsleiders hun stek hebben. Men kan denken dat als er ergens dus een parfum van crisis opdoemt, de journalisten een adrenalinestoot krijgen. Doorgaans is het conflict voor hen belangrijker dan de oplossingen die gevonden worden. In de loop der jaren hebben we dus wel al een paar van die crises beleefd, zodat het wat ging wennen. Maar nu de discussies op de verschillende beleidsniveaus een grote invloed krijgen op het dagelijkse leven, blijkt ook dat burgers die aanpak van de ultieme armworsteling minder gaan slikken. De negatieve kijk op de politiek maar ook soms overdreven vertrouwen in bepaalde politici geven daar uiting van.

Een crisis kan er een andere verbergen, zoals naar mijn inzicht nu het geval is. Men zal het ons niet kwalijk nemen als we de hangende crisis over de onderwijshervormingen niet nog eens belichten. Waar we het over willen hebben: hoe kan de politiek zich nog gelegitimeerd weten als men voortdurend de indruk wekt dat de opinie van de (fout) stemmende kiezer er niet toe doet? Niet enkel de fout stemmende kiezer, maar soms heeft men ook de indruk dat de fout denkende burger er niet toe doet, die mag alleen maar slikken. Hoe dat te verenigen valt met het denken van sommige toonaangevende denkers dezer dagen, dat we moeten uitgaan van een sociaal contract onder rationele burgers om samen een natie te vormen, blijft mij een raadsel. De bedenking dat vrijheid (van opinie) niet altijd spoort met gelijkheid, ligt voor de hand.

Nu ben ik zelf geneigd aan te nemen dat het sociaal contract niet meer is dan een werkhypothese, met enkele interessante facetten, maar ook, denk ik met uitgesproken negatieve gevolgen. Men kan, zal de historicus zeggen, nooit vaststellen dat er ooit een sociaal contract gesloten is. Samenlevingen komen, vanaf de landbouwtijd, tot stand omdat steeds grotere groepen, waar de verwantschap onbestaande is zich gezamenlijk organiseren, omdat men er zich wel bewust is dat men gemeenschappelijke belangen heeft – maar of die besluitvorming a priori rationeel is verlopen, valt op grond van historische bronnen niet uit te maken. Aan de ene kant zien we dat er een soort eenhoofdig leiderschap ontstaat die tot tirannie kan leiden, aan de andere kant ontstaat een gedeeld en tijdelijk leiderschap, waarbij een raad van burgers de chefs volgt en eventueel terugfluit. Van de Atheense raad - Boulè tot de Romeinse Senaat, naast de volksvergadering zien we ook nog iets anders: wie later kwam en niet tot de oudste families behoort, probeert geleidelijk binnen te dringen in het bestaande bestel. Zowel in Griekenland als in Rome, maar ook nog eens opnieuw in de Middeleeuwse steden van Vlaanderen en Italië, de Duitse landen, gaf dat aanleiding tot lang aanslepende conflicten. Ook op het niveau van wat men later landelijk bestuur is gaan noemen, ziet men die voortdurende dynamiek van nieuwe groepen die deel willen hebben aan het bestuur. De zittende elite die zich bedreigd zag,  riep haar legitimiteit in, maar kon niet altijd de harde hand hanteren, want dan werd het conflict onoplosbaar, dus drongen compromissen zich op. De legitimiteit mag men principieel benoemen als grondwettelijk vastgelegd in deze tijden, in de praktijk is er aan die legitimiteit ook een affectieve kant. Het is een van de elementen die men vaak uit het oog verliest als men over de democratie dezer dagen wenst te spreken.

Want wie zal ontkennen dat het ontwikkelen van het democratische bestel na 1789 of 1776, respectievelijk in Frankrijk en de VS alles behalve vanzelf is gegaan. Het uitbreiden van het burgerschap was ook in de nieuwste tijd een groot politiek probleem: c.q. het verlenen van stemrecht én de toegang tot de rechtbank, de informatie waren en blijven kenmerkende obstakels voor burgerschap. Men mag dat natuurlijk niet verwarren met de politieke strijd zelf. In Frankrijk was er met de restauratie een poging het landsbestuur in handen te leggen van een kleine elite, de oude aristocratie. Alexis de Tocqueville had goed begrepen dat die aanpak niet zou werken. Zonder een opvatting te willen huldigen dat iedereen sowieso burger kon zijn, maar er ook naar diende te handelen, was de Tocqueville bereid de democratie te aanvaarden. Wie de grote discussies tussen 1776 en 1826, de periode waarin John Adams en Thomas Jefferson met elkaar in de clinch gingen over net die aspecten, waarbij ze aan het eind wel tot een verregaande consensus kwamen, kan alleen maar verbaasd over de stelligheid waarmee men over de politiek als een klassenstrijd spreekt, want Jefferson en Adams waren wel uit verschillende delen van de 13 koloniën afkomstig, maar hadden gelijke opleiding.

De legitimiteit van het bestuur kan men op grond van argumenten willen bespreken, men weet dat het niet evident is de ervaring van het bestuur als een legitieme instantie ook over te brengen. Als we het besluitvormingsproces rond het beteugelen van de snelheidsduivels op de weg in herinnering brengen, merkt men dat er twee elementen zijn en waren die velen niet zomaar accepteren: 1°) dat de tolerantie van overschrijdingen als strafbaar te bestempelen, te beperkt is, terwijl de fout van de snelheidsmeter in de auto toch wel enige marge vergt; 2°) dat men als chauffeur wel in staat zelf bepaalde omstandigheden te waarderen en te weten hoe ver men kan gaan. Maar de wetgever vindt dat de chauffeur dat niet weet en dat de harde hand nodig is. Maar sommige bestuurders blijken hardleers en worden toch niet voldoende geraakt. In feite is het probleem van de verkeersveiligheid ook een probleem van persoonlijk gedrag, van het vermogen zelf een oordeel te vellen en ook wel te weten dus dat men anderen niet gevaar mag brengen, terwijl de wetgever maar een instrument heeft, de boete.

Kijken we naar andere domeinen, bijvoorbeeld de gezondheidszorg dan zien we dat de kennis over goed en fout gedrag steeds meer leidt tot het opleggen van normen aan mensen. Moet men aan een zestigjarige vragen zich te gedragen alsof die 100 moet worden? Kan die mens niet zelf oordelen, dat 80 jaar al genoeg is? Gezond leven opleggen om andere redenen dan het persoonlijke welbevinden – en daar heeft de volwassen persoon ook wel enige inspraak in – voert tot een vorm van onderschikking van de persoonlijke zelfbeschikking en dus van instrumentalisering. Men kan dit overtrokken vinden, maar als mensen zo lang mogelijk gezond moeten blijven om de uitgaven van de sociale zekerheid in de hand te houden, dan raakt men een grens aan, die van de persoonlijke levenssfeer en krijgt het vertrouwen in dat beleid een knauw.   

Het punt is dat redeneringen die politici, zoals Wouter van Bezien van Groen maar ook opiniemakers als Jan Blommaert presenteren, namelijk dat men op grond van allerlei analyses die men als product van de ratio voorstelt, wel eens de schijn wekken dat men zo van alles kan beweren. Taalkundige analyse is veel ouder dan Chomsky, maar dat lijkt het punt niet te zijn. Integendeel, als we Blommaert volgen dan is er nu een vijand van de democratie en van de legitimiteit.  Maar het gaat finaal niet over het politieke apparaat, maar hoe dat zich verhoudt tot de samenleving.  De idee, die Jan Blommaert presenteert is dat vandaag politici en media het middenveld overslaan en ons met weetjes om de oren slaan, oftewel met de waan van de dag bezig houden. Nu, als men de afwezigheid van intellectuelen ziet op het domein van de voorgenomen onderwijshervormingen, kan men zich afvragen, denk ik, waarom politici zich nog om dat middenveld moeten bekommeren. Of beter, het zijn lui uit het middenveld die de politici die beginselen, van gelijkheid tot aan de eindmeet, influisteren, terwijl ouders en andere stakeholders – vraag is wie niet betrokken zou wezen bij het onderwijsbeleid – niet vanuit die gedachte van gelijkheid vertrekken. Nu, net omdat men voortdurend die gelijkheid centraal stelt en geen pogingen doet andere considerabilia in kaart te brengen, verliest het hele project aan betekenis. Op het vlak van cultuur zien we dat evenzeer, waar men een decennium geleden alles uitsloot wat maar enigszins elitair mocht lijken. De opera, literatuur, beeldende kunst, ik denk aan de Biënnale van Venetië, hadden en hebben een betekenis voor velen, die niet per se tot de upper ten behoren. Maar politici willen vaak populair doen en kramen dan graag onzin uit: ik denk aan Bert Anciaux die de film ‘De ontdekking van de hemel’ zo spannend vond, terwijl de kracht van het boek in een tijdsbeeld zelf besloten ligt en het verhaal de aanleiding lijkt om die verschillende visies op mensen en politiek, op wetenschap en reflectie uit de doeken te kunnen doen. Maar Bert Anciaux had er geen problemen mee, want hij wou zich niet slimmer voordoen dan hij is.

Gedurende jaren ook hebben politici gemeend een rem te moeten zetten op het Deeltijds Kunstonderwijs. In de jaren van democratische hoogbloei, jaren 1960 tot 1985, tot het discours van Pierre Bourdieu in de universiteit werd verspreid, dat de hoge kunsten elitair zijn omdat het gewone volk van die inspanningen – oprichting van academies voor schone kunsten, voor muziek en voor woord – weinig opleverde, want zij gingen er niet heen. Het artikel dateerde uit 1964, maar werd 20 jaar later instrumenteel gebruikt. Dat intussen mensen uit allerlei sociale groepen hun kinderen muziek lieten volgen, althans in Vlaanderen bleef voor wie de visie van Bourdieu hanteerde van ondergeschikt belang. De werkelijkheid kon nooit enige invloed hebben op de visie. Het is van belang dat we die vaststelling niet uit het oog verliezen, want het is naar mijn inzicht de reden waarom de politici en het politieke gebeuren aan legitimiteit inboeten. Hiermee hoort men ons niet beweren dat we tegen de politiek zijn of dat we wantrouwen koesteren ten aanzien van de politiek. We stellen wel vast dat in de wandeling veel mensen zich niet afdoende vertegenwoordigd vinden in het parlementaire halfrond; zoals ook Obama had opgemerkt: de middenklasse.

Kunnen zij dat met rationele argumenten staven? Dat valt moeilijk hard te maken, want soms zegt rood iets dat aanspreekt, dan weer N-VA om vervolgens van LDD iets te vernemen. De vele discussies worden niet altijd gevoerd op een manier dat mensen kunnen volgen. De discussie over de autofinanciering van de Lijn gaat over de vraag welke tarieven de vervoersmaatschappij zou moeten hanteren en welke dienstverlening voor welk publiek men hoort aan te bieden. De gratis-formule lijkt men te verlaten, ook al omdat gemeenten andere katten te geselen hebben. Maar tegelijk blijft het onduidelijk welke dienstverlening er nuttig zou zijn om filevorming tegen te gaan. Dan wordt de discussie veel moeilijker, want wie bijvoorbeeld in de voorstad woont, 10 km van het stadscentrum zal niet met bus gaan als niet zeker is dat er op het moment dat men terug wil keren nog een bus is. Zeker als men nog een belbus zou kunnen bellen, maar dat moet tijdig gebeuren, kan dat lastig zijn. De taxi’s kunnen ook helpen, maar net op de uren dat de bus niet rijdt, merkt men dat die prijzen ook hoog zijn. Moet er dan altijd goedkoop vervoer zijn? Dat hangt er maar vanaf, toch, of men bijvoorbeeld in de stad de verkeersstroom beter wil ordenen zodat het voor wandelaars aangenaam is zich in het gewoel te bewegen dan kan men het openbaar vervoer beter goed en ruimhartig aanbieden. Ook in verband met toerisme en allerlei activiteiten blijft de discussie over een bepaald aanbod van de openbare vervoersmaatschappij van belang. Aan de kust ziet men mensen in ruste die goed geboerd hebben met groot genoegen gratis van Den Haan naar Knokke of Oostende gaan om er een koffie te gebruiken of zelfs tot Plopsaland. En inderdaad, die verplaatsingen bezorgen in wezen niemand last, maar de financiële basis wordt ook niet versterkt en dan zal men in landelijke gebieden de busdiensten reduceren. Wie valt hier dan tussen wal en schip?

Nog eens, dat overheden hun besluitvorming rationeel argumenteren, daar zal men ons niet over horen klagen, wel over het feit dat dit vaak een illusie van rationele besluitvorming is. De besluitvorming gaat immers uit, of we dat willen of niet van overwegingen die niet altijd rationeel zijn, maar hoogstens van opties die men raadzaam acht. Het probleem is namelijk dat we als persoon, ook als politicus niet altijd het hele plaatje overzien. Men laat  zich overigens wel eens door goede argumenten overtuigen maar het andere gebeurt evenzeer. De GAS, de gemeentelijke administratieve sancties waren in een eerste versie bedoeld  om kleine vormen van overlast te beteugelen die niet door het openbaar ministerie werden vervolgd maar men was niet altijd even helder bij het toepassen en vandaag zien we dat de overheden er niet toe komen hun besluitvorming werkelijk te verantwoorden.

De vergrijzing? Al 20 jaar geleden viel dat uit demografische data af te leiden.  Hoe begrijpen we het begrip kost hier: 1°) de kost van de pensioenen, maar net dat had men beter kunnen voorbereiden door de pensioenkassen beter te spekken… ten koste van andere inkomsten en uitgaven; 2°) de oplopende kost bij de ziekteverzekering omdat ouderen nu eenmaal meer kans maken om ziek te worden; 3°) de kosten die kruipen in het voorzien van opvang voor ouderen met al dan niet een hoge behoefte aan zorg, om te eten, om zich te verschonen en dergelijke meer. Men had kunnen weten dat deze zaken inderdaad op ons af zouden te komen, maar als demografen zoals Chris Vandenbroecke daarover het woord kregen, werd het al gauw als paniekvoetbal van tafel geveegd – deze angst achtte men niet welkom. De houding tegenover de vergrijzing was er een van kop in het zand te steken, wat alles behalve rationeel moet heten. Vandaag zie ik hoe men ouderen angst aanpraat door te doen alsof men alle toegezegde rechten niet zal kunnen honoreren. Want, zo klinkt het wel eens, we konden niet weten dat mensen zoveel bijstand zouden nodig hebben, zoals thuisverpleging, gezinshulp en wat al niet meer. Er zijn geen rationele argumenten om die voorspelling terzijde te schuiven, zegt men, maar in wezen maakt men mensen bang, laat men geloven dat de familie zal moeten opdraaien voor het voeden, bijna schreef ik voederen, van onze oudjes. Maar als men goed toekijkt dan zijn de zeventigers van vandaag er beter aan toe dan de zestigers van 40 jaar geleden en men weet zeer goed welke combinatie van factoren hiervoor als oorzaak aan te duiden zijn. Dat mensen net ook op hun oude dag goed willen leven, wie zal het hen ontzeggen? Maar hoe dat georganiseerd dient te worden, blijft de vraag. In Nederland wil men de mantelzorg sterk stimuleren door familie en omgeving, buren onder meer, aan te spreken en financieel te sanctioneren. De legitimiteit van deze aanpak ligt in de hoge kosten, maar men kan mij niet uitleggen hoe men dit uitlegt als een respect voor het vermogen van mensen om vrije keuzes te maken. Natuurlijk, het komt goed uit als een Eric Corijn in de krant schrijft dat mensen geen rationeel oordeel kunnen vellen, bijvoorbeeld inzake verkiezingen. Het komt evengoed handig uit als een Jan Verplaetse zegt dat we van schuld en verantwoordelijkheid niet meer moeten gewagen, want we doen maar wat ons brein ons opdraagt te doen. En ook het hoog geprezen onderzoek van Victor Lamme of Dick Swaab en andere breindeskundigen, laat veronderstellen dat het klassieke mensbeeld, dat sinds de Axen-tijd, zoals Carl Jaspers het noemde, sinds de oude Grieken dus voor Europa, ontwikkeld werd, er niet meer toe doet: omdat wij ons brein zijn, omdat het brein ons stuurt, omdat men ons bewustzijn niet kan terugvinden, zal men er vrede mee moeten nemen dat we volledig bepaald zijn door ons brein. Blijkbaar heeft dat denken ook al politieke gevolgen.

Nu kan het altijd dat er aan een mensbeeld wel een en ander bij te werken valt, maar de aanname van de vrije wil is dan toch wel fundamenteel en daarmee ook het vermogen van een individu een oordeel te vellen, waar dat individu zich ook in het maatschappelijke leven mag bevinden. De legitimiteit van beleidsopties die de vrije wil van de persoon negeren, ervan uitgaande dat die persoon nooit voldoende kennis kan hebben, legt veel macht bij de overheid, die zich ook nog eens keertje niet meer verantwoorden moet. Terwijl, we zullen niet ophouden dit te herhalen: mensen waren nooit zo hoog geschoold en door het leven in allerlei omstandigheden in staat net wel te begrijpen wat de overheid onderneemt.

Maar we weten het, men spreekt graag over de gewone man, jan met de pet en wat moet men al niet meer uit de kas halen om aan te geven dat de grote massa… de grote massa is, de veel te velen, waar men hopelijk niet teveel last mee krijgt. Ik denk dat deze benadering van de inwoners van Vlaanderen en Europa zowel voor intellectuelen als voor politici en ambtenaren een zware vergissing is, die steeds meer de toegekende legitimiteit van bestuurders in het gedrang brengt. Van het soms onbegrijpelijke gehannes in de voedselproductie, waarbij Europa aan Amerikaanse bedrijven subsidies geeft om varkens te kweken in Roemenië, ten koste van de kleine boeren die net de val van Ceaucescu verwerkt hebben. De wetgever heeft het zo gewild? Dat kan zijn, maar dan moet men wel nagaan of men de wet goed geredigeerd heeft opdat de druk van grote voedselbedrijven de rest niet in de gracht rijden. In een uitzending op de Nederlandse televisie, de Slag om Europa was bovendien te zien dat landbouwers in Roemenië probeerden hun eigen oliehoudende gewassen te kweken om hun varkensstapel goed te voeden, ook al door de Europese regelgeving een pad in de korf gezet werden. Het belang van uitzendingen als deze kan men niet voldoende naar waarde schatten, al is het ook nodig na te gaan of de aangeroerde misstanden ook wel zo in elkaar zitten. Het zal dus maar weer eens een keertje zo zijn dat we het zonder vertrouwen niet zullen redden en dat er toch instanties horen te zijn die het vertrouwen net niet teveel mogen koesteren. Het grote probleem met dat vertrouwen is namelijk dat we vroeg of laat de kans mislopen nog met elkaar tot werkbare overeenkomsten te komen, als alleen maar wantrouwen zou heersen.

De discussie over legitimiteit van het bestuur wordt naar het mij voorkomt niet altijd afdoende gevoerd. In politieke debatten merkt men een opgaan in het eigen gelijk, zowel bij oppositie als bij meerderheid en aan het einde is er geen kijker meer die denkt die mensen nog te kunnen geloven. Het debat is zo dat de kwesties waarover gesproken wordt vaak als geloofspunten, dogma’s worden voorgesteld en dan loopt het mis, omdat geloofspunten niet ter discussie horen te staan. De discussie over de strategie voor defensie blijkt al jaren te zijn beperkt tot de vraag hoeveel minder er nog uitgegeven kan worden aan defensie. Maar een natie moet er zich op voorbereiden tegen mogelijke gevaren beschermd te zijn. Duidelijk is wel dat we sinds 1950 niet meer omringd worden door mogelijke vijanden dan wel bondgenoten, maar in de NATO en de EU samenwerken en dus zou men de huidige financiering kunnen samenbrengen in grotere samenwerking met bijvoorbeeld Nederland. De legitimiteit van zo een samenwerking ligt voor de hand, alleen, politici vandaag zijn vergeten dat de Benelux 60 jaar geleden nog van groot belang was, omdat de prille samenwerking tussen de 6, die pas in 1957 en 1958 met een verdrag over economische samenwerking bezegeld zou worden.

Het punt is dat het discours van politici over legitimiteit niet altijd zo helder is. Aan de ene kant lijken sommigen de rol van de staat van zoveel mogelijk te willen terugdringen – om bij beleidsdiscussies dan toch maar uit te gaan van wat men dan de merites van een dossier te noemen. Men kan hier over zeuren tot men een ons weegt, altijd weer zal blijken dat de merites van het dossier de besluitvorming zelf legitimeert. Alleen, hoe kan men dat staven. Want dan  komt men in het verhaal terecht van TINA, there is no alternative. Ik weet niet zeker of we uit de problemen komen als we beleidsbeslissingen als zodanig voorstellen. Toch is het dat wat men vaak aan Tatcher verweten heeft – en met enig recht – om vervolgens zelf in allerlei kwesties TINA te aanroepen of in te roepen. Natuurlijk, de urgentie van een beslissing speelt ook wel mee, maar of men, van overheidswege altijd zomaar die urgentie kan bewijzen, zonder de burgers tegen de schenen te schoppen, valt niet zomaar te staven. Toch moet ook duidelijk zijn, zoals in verband met Oosterweel of het project voor een bruikbaar kanaal tussen Zeebrugge en het hinterland is gebleken – ik weet het de voorbeelden keren altijd weer, maar zijn zo typisch voor wat een schichtige overheid kan overkomen als men te veel naar enkele burgers luistert… want dat luide schreeuwers de markt voor zich winnen, is bekend. Het is me nog altijd een raadsel waarom niemand aan de heer Manu Claeys gevraagd heeft waarom hij per se niet met een politieke partij wilde samenwerken. Het antwoord mag duidelijk zijn: hij maakt van zijn niet-partijpolitieke onafhankelijkheid zijn handelsmerk, maar die onafhankelijkheid valt misschien niet zo gemakkelijk te staven.

We zijn niet tegen burgeractivisme, maar burgeractivisme moet ook de toets van de kritiek kunnen doorstaan. De legitimiteit van partijen aanvallen en zelf geen blijk geven van openheid, lijkt mij in democratisch opzicht en op argumenten gestoeld handelen niet zo oprecht. Maar als burgers een comité opzetten, bijvoorbeeld om een sportpleintje aan het einde van de straat te doen verdwijnen, dan denk ik dat er een probleem ontstaat. Het burgerverzet is net zo min a priori gewettigd als overheidsbeslissingen dat zijn. De overlast van de voetballende jongeren nu niet verdragen kan overigens op termijn voor nog lastiger te dragen overlast zorgen, gewoon omdat jongeren wel hun energie kwijt moeten.

Kortom, als we de discussie over legitimiteit van een besluit van een regering of zelfs een gemeentelijke overheid onderzoeken, dan dienen we toch zelf ook na te gaan wat de alternatieven zijn. Maar de overheid kan zich maar beter spontaan verantwoorden. Die verantwoording kan niet volstaan met een ambtelijk verwijzen naar wetgeving en bevoegdheidskwesties. De concrete oplossing, die soms moeilijk kan vallen, zal aanvaard worden als de besluitvorming ook goed, dat wil inderdaad zeggen retorisch vorm gegeven aangedragen wordt. Op termijn zal men dan wel vertrouwen bij de burgers, zij het niet bij allemaal ontwaren. Maar goed, we weten dat men al enkele jaren doende is een meer groene  energie te produceren op zee maar iedereen is tegen hoogspanningskabels om de energie bij de gebruikers te brengen. Er zijn bezwaren om gezondheidsredenen, of om esthetische redenen, maar finaal is de logica van deze collectieve vorm van energieproductie en voorziening dat men de elektriciteit ook moet transporteren.

Wie met voorbijgaan aan deze kleine akkefietjes van bestuurlijke aard, meent dat mensen het maar moeten aannemen, zal merken dat de kiezer die houding niet altijd goed weet  te verdragen. Minister Pascal Smet haalde in het onderwijsdebat vaak het argument boven dat hij zich bediende van wetenschappelijk onderzoek en daarmee, dacht hij, was de kous af. Nu moet gezegd dat in dat debat de onderzoeken verricht werden door mensen die geloofden dat de oude pedagogie hopeloos gedateerd was, vergetende overigens dat mensen wel qua gadgets snel veranderen, maar niet van aard en daar is niets mis mee. Want hoe zou men de soort mens als een biologisch gegeven kunnen beschouwen en geloven dat die soort op stel en sprong kan veranderen. Nu, we hebben onze omgeving natuurlijk zo vorm gegeven, een beetje stoemelings, maar anderzijds, Nederlanders die kunnen, zoeken hier al snel een goed onderkomen naar eigen smaak, omdat de hele planning van hun Vinexwijken toch ook niet alles is.

Het is, om met die laatste gedachte af te sluiten, niet vanzelfsprekend om het juiste midden te vinden tussen de persoonlijke wensen van de burgers en een gedreven planning, maar toch valt op dat men heel vaak die basisgedachte niet meer boven wenst te halen. Overtuigend spreken en zorgen dat mensen geloven dat het gemeend is en dat de argumenten inderdaad niet helemaal sluitend zijn, docht het best mogelijke resultaat opleveren, zou de politiek als geheel goed doen. Het zou ook de waan van de dag, de week of maand wat verzachten en bovendien zou het de neiging tot spinnen wel inperken. Maar goed, men vindt blijkbaar zoals Erdogan, de premier van Turkije, dat men na de verkiezingen geen kritiek meer mag presenteren aan de regering. Een plebisciet van elke dag? Misschien, maar niet alleen door zwijgend in te stemmen, als spreken goud blijkt, want ook de burger draagt bij aan de legitimiteit van de besluitvorming. En klagen achteraf, dat men de consequenties niet had voorzien, het blijft wat gemakkelijk.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten