Meer dan een biografie

Recensie

Walschap of de strijd om erkenning
De schrijver en de verscheurdheid van het leven

Jos Borré. Gerard Walschap. Een biografie. WPG Uitgevers. De Bezige Bij Antwerpen 2013; 750 pp. Prijs; 49,50 €

Jos Borré schreef nu, jaren na een eerste biografisch portret, Gerard Walschap, Rebel en missionaris, dat in 1990 verschenen, een omstandige biografie waarin hij de eeuw van Walschap tot leven wekt, niet toevallig de korte 20ste eeuw. Gerard Walschap lijkt wel de oudere broer van August van Istendael, maar dat is gezichtsbedrog, want Walschap groeide op in een gezin waar men wel degelijk zocht naar lotsverbetering voor de kinderen, vertrekkend vanuit de stevige basis van de middenklasse. We zullen ons moeten afvragen of Jos Borré het bij het rechte eind heeft als hij van Walschap de kleinburgerlijke man maakt, die soms uit de biografie naar voor treedt. De redenen waarom we  daar enige twijfel over koesteren zal gelijk opgaand met de biografie aan bod komen. Kleinburgerlijkheid is namelijk zozeer een gemakkelijk verwijt, dat we er niet zo goed mee omkunnen.

Twee invalshoeken vallen op aan het begin van het boek: 1°) de impliciete wegzending uit het klooster en 2°) het gebruik van de roman Autobiografie van mijn vader als handleiding voor het begrijpen van de jonge Walschap. Beide ingrepen beletten niet dat de biografie behoorlijk op grond van de chronologie is opgebouwd en we moeten daar niet over zeuren, een levensloop verloopt nu eenmaal van kindsheid naar kinds worden – als het slecht gaat, of goed, als men een hoge ouderdom mag bereiken. Evenzeer blijkt Walschap er suïcidale neigingen op na te houden, maar men kan zich afvragen of die man echt wel bereid zou zijn geweest er zelf een einde aan te maken. Mij komt het voor dat Walschap theatrale gebaren niet schuwde en dit tot hoge leeftijd. Men kan vinden dat ik hiermee afbreuk doe aan de mens Walschap, maar daar gaat het niet om.

Want wij die later kwamen zagen een auteur die… maar laten we eerst even de vent met rust, kijken we naar het oeuvre en dan herinneren we ons vele uren leesplezier, al wisten we maar half hoe de auteur voor het schrijven van Hautekiet en Adelaïde – zoveel eerder, al lijkt het verschijnen van de beide boeken in jaren gerekend niet zo ver uit elkaar te elkaar te liggen, in een mensenleven weegt de tijd wel door – verguisd is geworden, maar ook wel geprezen. De boeken werden gepolitiseerd, werden voorwerp van een polemiek waarvan we vandaag zuchtend kennis nemen, omdat we vandaag het bibliotheeklandschap van toen niet meer kennen, noch andere facetten van het rijke roomsche leven zoals het gevreesde repertorium en de boekengids. Het rijke Roomse leven? Ach, het is ironisch dat Walschap aan het einde van zijn loopbaan met jonge linkse auteurs te maken kreeg die hem opnieuw zijn halsstarrigheid zouden verwijten. Nu, schrijvers zijn niet noodzakelijk vrienden, ook als ze vrienden willen wezen.

De biografie die Jos Borré ons aanbiedt laat zien hoe de wereld in iets meer dan een eeuw veranderd is en hoe die veranderingen op de man en zijn oeuvre invloed konden hebben. Maar Borré laat ook zien hoe complex en paradoxaal het allemaal wel kon wezen. Het belang van de vriendschappen, maar evengoed van de felle meningsverschillen mag ons niet ontgaan. Het portret van de man is niet altijd zo charmant, maar dat mag bewondering niet in de weg staan, want hij viel instanties aan die zich verzekerd wisten van hogere steun.   

Nu kan men zich afvragen of de houding van de boekenpriesters wel zo bijzonder moet heten in die zin dat het verkeer van literatuur ook in de burgerlijke samenleving ernstig verstoord werd door vormen van morele censuur. Dat er censuur bestaat, kan men betreuren, maar de maatschappelijke orde diende  beschermd te worden. Alleen is de vraag hoe men de maatschappelijke orde het best zou beschermen. Want een schrijver draagt ook bij tot de maatschappelijke orde, al was het maar door die in vraag te stellen. De seksuele orde, waarbij de familievader alles voor het zeggen heeft, de vrouwelijke vruchtbaarheid gecontroleerd wordt door de vrouw als broedmachine voor te stellen, het zijn themata die een eeuw geleden op de agenda stonden. De vraag is dan ook of we via het werk van Walschap een portret van een tijd zagen, laten we zeggen zijn romans en verhalen voor WO II. De vraag is in die zin moeilijk te beantwoorden omdat we dan een zeer goed beeld moeten hebben van de tijd van Walschap zelf en er zijn facetten in die periode die veel aandacht krijgen zoals de politieke evolutie, terwijl meer maatschappelijke zaken onbelicht blijven. In die zin is het werk van Walschap en andere auteurs misschien net wel zeer belangwekkend. Het is dus niet zo dat we die romans zomaar als historische bron kunnen gebruiken, hoe zorgzaam de meeste historici doorgaans ook met hun bronnen omspringen, maar wel geeft de roman op verschillende manieren een adequaat beeld van de samenleving.

Kan men Houtekiet dan zien als een adequate vertaling van de toenmalige cultuur? Veel ruimte om nieuw land te ontginnen was er toen al niet meer maar net de droom van sommige mensen om zich buiten de gemeenschap te vestigen, was in de jaren 1930 wellicht vaak genoeg aanwezig. Zich beperken tot de bourgeoiscultuur zal dan niet helpen, wel de gedachte dat de samenleving, gezien de crisis, de dreigender wordende schaduw en de politieke instabiliteit, maar ook, zeer zeker de bemoeizucht van de weldenkenden moet toen, zoals voor de Tachtigers, zwaar gewogen hebben. Modern was het opzet niet, maar de inkleding was het wel degelijk. Jan Houtekiet die met de zigeuners of beter, het woonwagenvolk op reis gaat, omdat ook Deps plots te vol lijkt en mensen in een bepaald harnas gestopt worden, lijkt nergens op te slaan, want dat woonwagenvolk vindt bij de goegemeente geen genade.  Tegelijk gaat Houtekiet ook over een zekere vrijheid, die niet iedereen even goed verdraagt.

Gerard Walschap had gedurende jaren voor Hoger Leven geschreven over buitenlandse literatuur en dus kwam ook Knut Hamsun voorbij. Net als Hamsun zag Walschap veel in de figuur van de buitenstaander, maar anders dan bij Hamsun, denk ik, is het de protagonist die zichzelf buiten de weldenkende gemeenschap plaatst. Walschap zelf heeft dat natuurlijk ook wel gedaan, meer dan eens, want was hij niet gedwongen het klooster te verlaten, een echte toekomst had hij er niet, maar terug naar het dorp was meteen een aanzet om zich buiten de gemeenschap te houden. Alleen dankzij Jan Hammenecker, onderpastoor kon hij zich in Sint-Jozef wel opnieuw een eigen positie vinden. Eens in Antwerpen zien we Walschap floreren, maar hij zal geleidelijk los komen van de katholieke hiërarchie en de strijd ermee aangaan. De roman Adelaïde en de hele trilogie De familie Roothoofd wordt in christelijke literaire wereld afwijzend ontvangen, omdat er geen christelijke uitwerking van het thema is, integendeel, Adelaïde, die eerst van haar huwelijksleven geniet, zonder de noodzakelijke zwangerschappen wordt door de pastoor van dienst de levieten gelezen en het gevolg is dat ze uiteindelijk psychisch onderuit gaat en zelfmoord pleegt, al is dat niet helemaal duidelijk. Uitzichtloosheid zeggen Baers en co, de dienstdoende censoren van de RKK mag men in een roman niet uitspinnen, want wanhoop is een kardinale zonde. Echter, zij geven er zich geen rekenschap van hoezeer hun ambtsgenoot die vrouw heeft ondermijnd. De woede van Walschap, die hij zo te zien nog decennia later voelt, geldt juist die onmenselijke onverschilligheid voor het leed dat ze aanricht(t)en.

Onverschilligheid waar Walschap zelf volgens de biograaf niet goed tegen bestand is, komt in zijn romans altijd ook wel aan bod en de tegenpool, tomeloos engagement, een beetje, denk ik, zoals de clerici in die jaren gevormd werden en tot in de jaren van Vaticanum II bleven handelen. Iets opbouwen was de boodschap die  ze meekregen en soms gingen ze daar ver in, zeker bij het missioneren in Afrika en Zuid-Amerika, maar ook de eenvoudige  dorpskapelaan wist wat er van hem verwacht werd. Het probleem evenwel was dat het paternalisme dat uit die benadering spreekt steeds moeilijker aanvaard werd door de leken.

Misschien is het hele systeem van lectuurbegeleiding en de wijze waarop literaire kritiek werd geformuleerd wel het belangrijkste symbool van de zielenzorg waarbij de goede herder de afdwalende schapen gaat zoeken, maar finaal, als het al boter aan de galg blijkt, moet afschrijven. In de romans van Walschap, laat Jos Borré zien, komt de vraag naar rechtvaardiging altijd weer aan de orde en wat zeker niet geaccepteerd wordt is het vermoeden dat de clerus op alles een antwoord heeft. Het onderwijs dat die priesters (in de dop) kregen was er een die zorgde voor een zelfzekerheid, waar mensen die ermee niet voldaan waren, niet overweg konden. Walschap heeft, zo denk ik nu, op die manier de houding van de katholieke gemeenschap wel goed weergegeven, al vonden velen wellicht dat hij  zoveel lawaai niet hoefde te maken. Alleen, zij wilden geen ruzie, noch met de clerus noch met hun gelijken. Hij kon niet anders dan de ruzie zoeken, omdat hij zich tekort gedaan wist.

Toch blijkt men het in de jaren toen de strijde geleden leek, rond 1960 steeds moeilijker gehad te hebben met de Walschap die de tijden zag veranderen en het conflict met de nieuwe critici, die van links ook niet uit de weg ging. Zij wilden hem te kijk zetten als achterhaald en vooral als een braaf burgermanneke. Maar sommigen gingen verder dan anderen en uiteindelijk groeide er toch enige sympathie. Het is in de periode na Mei ’68 dat Walschap gretig gelezen wordt in katholieke colleges en alle (morele) voorbehoud terzijde wordt geschoven. De angel is er dan ook al lang uit, denk ik. Voor Walschap, die het heeft mogen beleven dat de clerus, vooral een paar Jezuïeten jongeren en huisvrouwen lieten beloven dat ze nooit een boek van Walschap zouden lezen, waarna menige eed gebroken werd, was die houding hoe dan ook bron van blijvende ergernis.

Het verhaal van de vriendschap met Victor van Vriesland, de Nederlandse schrijver en criticus, die ook M. Vasalis goed kende, komt ons interessant voor, omdat het ook de aanzet vormt tot de meest vreemde roman van Walschap, Wit en Zwart, waarin hij de beweegredenen die tot verzet dan wel collaboratie heeft geleid, maar ook de afhandeling achteraf, waarbij ook lafheid niet veraf was.  Van Vriesland zegde de vriendschap op, tot spijt van Walschap, maar ze konden elkaar, denk ik, onmogelijk begrijpen, omdat Walschap vormen van epuratie en repressie onrechtvaardig vond. De lectuur van het boek, bijna vijftig jaar later, heeft me ervan overtuigd dat Walschap de nazigezindheid niet goed kon praten, wilde praten, maar de houding van sommige verzetslui evenmin kon verdragen. Voor Victor van Vriesland was dat een schandalige benadering, omdat die de Vlaamse beweging en het jeugdige anticommunisme in Vlaanderen niet in rekening wilde brengen.

Voor een auteur kan  een morele benadering alleen maar ontstellend bekrompen zijn, want als je het verhaal van Deps, Houtekiet dus, leest, herleest, dan merk je dat de figuren die hij presenteert allemaal wel iets hebben om de gevestigde orde naast zich neer te leggen, maar merkwaardig genoeg, zo blijkt, heeft menigeen ook redenen om zich in die gevestigde orde erkend te weten. Het verhaal van Walschap als mens vindt in zijn oeuvre een plaats, maar men moet, zo betoogt Jos Borré dan toch, geen directe link verwachten. Protagonisten komen hem bezoeken en hij maakt er dan wel wat van.

De hoofdrol die Walschap in het literaire landschap van zijn tijd, zeker tot in de periode waarin nieuwe generaties hem op de korrel nemen, laat de biograaf toe een who is who van de literaire scène in Vlaanderen en Nederland te schrijven. De tegenstanders komen uitgebreid aanbod, maar de vrienden evenzeer en zo komt de lezer in een wereld terecht waarin schrijvers een soort eigen universum leken te vormen. Zo te zien is er op dat vlak niet zo gek veel veranderd, want ook vandaag merk je hoe in de media auteurs elkaar vaak (subtiel) promoten, niet zelden met het doel ook zichzelf goed in de markt te plaatsen. We zien Borré worstelen met de vraag waarom Walschap zo vaak op zoek gaat naar een goede job, vooral naar een goede financiële ondersteuning. Zo komt hij in zekerheid zelfs in de picture om als conservator van het Wiertzmuseum een plaats te krijgen. Conscience achterna dus. Maar kan men een man verwijten ernaar te streven naar geborgen bestaan? Uiteindelijk merkt men dat Walschap een goed leven heeft gehad.

Maar hoewel Jos Borré dat niet helemaal in de verf zette, was Gerard Walschap lange tijd een bevlogen pacifist en heeft hij ook de Vlaamse Beweging een warm hart toegedragen, om vervolgens te merken dat een eng denkend nationalisme inderdaad geestdodend kan zijn. Op dat terrein kan men de evolutie van Walschap best volgen als een parcours doorheen de geestesstromingen van zijn tijd. Het valt op dat Walschap voor 1940 de opkomende totalitaire gedachten bestrijdt, maar eens de oorlog begint probeert zijn financiële hachje te redden. Hij krijgt dan ook een baan tijdens de bezetting en zal later aan Maurits Dewilde zeggen dat hij niet gecollaboreerd heeft, maar het niet kan bewijzen. Hij was immers in Berlijn gaan spreken, toch? Zelf dacht hij in problemen zou komen als hij het niet deed. Het is een van de moeilijke elementen van het leven van Walschap en ook van Timmermans, dat zij bereid leken mee te werken met de vijand. Streuvels slaagde erin de dubbelzinnigheid zo ver op te voeren dat hij de voordelen van een goede verstandhouding had zonder achteraf met de brokken te zitten. Tijdens de oorlog, vergeten we wel eens, was de boekenmarkt wel erg florerend en daar profiteerden de schrijvers ruimhartig van.

Walschap behoorde tot een generatie die nog net de goede jaren van de bel epoque beleefde, waarover van de Woestijne in zijn stukken schreef voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Men wijst vandaag en met enig recht op de strijd voor het algemeen enkelvoudig stemrecht, op het harde debat over de leerplicht/schoolplicht en de sociale kwestie speelde natuurlijk ook, maar dat het een goede tijd moet geweest zijn, laten vele auteurs zien die na WO I vaak die oorlog niet in hun romans verwerken. Maar toch, net de roman Autobiografie van mijn vader laat overtuigend zien dat Walschap zich er bewust van was dat het leven in die periode voor mensen als hij goed was. Maar tegelijk, zoals in zuster Vigilia had de middenklasse al enig voorbehoud bij het optreden van de kerk. Zijn eigen afvallen van het geloof was geen persoonlijk verhaal alleen. Aan de andere kant, de verbondenheid met de locale gemeenschap was ook verantwoordelijk voor een moeilijk afscheid nemen. In de autobiografie wil de vader wel degelijk enkele vragen stellen maar de gevestigde orde, Koning, Kerk en kinderen mag niet doorbroken worden. Respect dus voor de instituties.  Voor Walschap waren Hoger Leven, Diesche Warande en Belfort belangrijke kanalen om zijn inzichten, ook zijn minder kerkvriendelijke inzichten te verkondigen.

De romans van Walschap laten zich lezen als even zoveel pogingen de eigen tijd te begrijpen en tegelijk ook met een zekere zendingsdrang een betere wereld te presenteren en minstens de gebreken van de bestaande aan te kaarten. Dat hij vanuit zijn afvallen van het geloof toch met sommige clerici en bij uitstek Albert Westerlinck, pseudoniem voor José Aerts, op goede voet bleef staan, kan ons verdacht of onbegrijpelijk voorkomen, het toont wellicht de sterke verbondenheid in Vlaanderen, zelfs om de brode met bestaande netwerken. Walschap die begint als overtuigd Vlaming zal naarmate hij de wereld ontdekt er het kleinzielige van zien en men moet dat ook niet geheel afwijzen, want de wereld buiten onze grenzen is van groot belang voor ons. Aan de andere kant, dat hij – uiteraard – in het Nederlands schreef zorgde ervoor dat hij verbonden bleef met zijn omgeving. Zelf zegde hij dat hij met Houtekiet alles gezegd te hebben, waarna zijn schrijven zich losmaakte van zijn eigen probleemwereld.

Die probleemwereld, zo vernemen we tot in zijn laatste grote rede, toen de VU Brussel hem een eredoctoraat aanbood en waarin hij zijn complexe verhouding met de zijn overtuigingen noemde. Nu weten we dat zeker voor 1960 de kerk er net in geslaagd was een grote greep op de gelovigen te krijgen en Walschap had in zijn jeugd geloofd dat hij daaraan zou kunnen meerwerken. Maar het verhaal over de ernstige feiten waaraan hij schuldig zou geweest zijn, stak er een stokje voor. Niet helemaal, want hij mocht broeder blijven en zo zijn diensten aanbieden. Maar een Walschap ging niet voor minder dan wat mogelijk is en dus verliet hij het klooster en ging terug naar het dorp, Londerzeel. Maar hij zou er niet meer aarden, ondanks de welwillende steun van de priester-dichter Jan Hammenecker, die wellicht zelf ook een paar problemen had met de hiërarchie. De kerkelijke hiërarchie heeft wellicht vanuit een eigen perspectief gehandeld en daarmee mensen gemaakt en zeker ook gekraakt. Toen ik Stendhal las, Le rouge et le noir, kwamen de boeken van Walschap me voor de geest en ook het werk van Prof. Dr. Jan Art over de ontwikkeling van wat we de volkskerk noemen. Priesters, zeker zij die parochiewerk deden, dienden de mensen goed bij de les te houden, met veel geboden en nog veel meer verboden. Het probleem was dat men bovendien niet slaagde de toenemende geschooldheid te ondervangen. Nu heeft Gerard Walschap meer dan eens gezegd dat het hele metafysische apparaat van de kerk er niet doet en dat kan men, zoveel decennia later moeilijk afwijzen.

Toch stelt het geval Walschap een probleem, want hij heeft vanuit zijn afwijzing van het katholieke geloof de vrijzinnigheid vorm gegeven en dat vormt een cruciaal probleem, want inderdaad, we hebben god niet nodig. De ethische vragen die men behandelen wil in een afwijzing van de katholieke doctrine krijgen daarom vaak een polemisch en meer nog een gepolitiseerd karakter. Vanuit de conflictmodellen ontstaan maar zelden positieve antwoorden. In die zin is het levensverhaal van Walschap en zijn echtgenote best wel een vorm van bereidwillige zelfbeperking, zeker als blijkt als Ninette blijkt te leiden aan MS. Het moet duidelijk zijn dat Walschap die een paar keer door dames werd aangesproken, niet zelden per brief – inderdaad, een verhaal dat ons vandaag vreemd lijkt – kon  op dat ogenblik zijn vrouw niet in de steek laten, ondanks het feit dat ze zoveel ruzie hadden gehad. Overigens, men kan zich vragen stellen over het zelfbeeld van de ouder wordende auteur, die zich ook beklaagde over het feit dat zijn kinderen zo hardvochtig had bejegend, hoewel vervolgens wel blijkt dat de kinderen met Walschap op zeer goede voet blijven. Uiteraard, zal men zeggen, maar zelfs de problemen met de jongere kinderen, die volop de tijd van zelfbeschikking beleefden en finaal toch vrij goed terecht kwamen. Zeker in dit opzicht is het boek waardevol, omdat de wereld van de auteur op emotioneel vlak uitgebreid aan bod komt.  Vergeleken met de gesprekken op de radio zien we dat Jos Borré echt wel een stevige biografie brengt, waarin de vele facetten uitgebreid aan bod komt, tot in de laatste jaren van de auteur. Misschien zou men dat uitdovende leven anders kunnen beschrijven, maar het lijkt bijna op het einde van Rik van Opstal zelf, de hoofdfiguur uit trouwen. Alleen, de auteur heeft ander allaam dan de groentekweker Van Opstal. 

Maar het verhaal, dat een tragische ondergrond had, was misschien meer dan Walschap zelf belangrijk vond, de portrettering van mensen die vooruit kwamen in het leven. Pas nadat ik de verschillende boeken had gelezen, zoals Nieuw Deps, werd me duidelijk dat Gerard Walschap een heel actueel beeld schiep van de Vlaamse samenleving. Wel spelen pastoors, brouwers en andere prominenten hun rol, de dynamiek van de werkelijke samenleving was en blijft een opvallende en niet altijd erkende karaktertrek. Ik denk dat dit het punt is waar we Jos Borré een zeker gebrek aan overzicht mogen aanwrijven. De roman de heilige Jan Mus, waar ik over gehoord had en heb, maar dat nooit verder mijn aandacht heeft getrokken, kan men dan ook zo lezen.

Die spanning tussen missionaire figuren  en de werkelijkheid leidt niet enkel tot tendensromans, zoals verschillende romans zich aandienen, maar ook tot een scherpe en concrete observatie van de werkelijke verhoudingen. Men kan nu wel zeggen dat Walschap geen stadsromans geschreven heeft, wat vooral de verdienste mag heten van Willem Elsschot, dan nog kan men niet voorbij dat Walschap zich echt in de onvoorstelbaar snelle veranderingen in de samenleving geïnteresseerd heeft. Hoe past de roman Houtekiet dan in dit kader? Bij elk verschijnen van een boek laat Borré niet na de belangrijkste critici de revue passeren, maar geeft hij de verhaallijn weer, dan komt hij er net niet toe de dynamiek van samenleving en de houding van de betrokkenen scherp uit te tekenen, tenzij het niet anders kan.

De vraag of Walschap inderdaad steeds meer door zijn nieuw opkomende collegae, zoals Herwig Leus en Julien Weverberg op links werd ingehaald, door anderen als een niet volkomen vrijzinnige werd beschouwd, geeft er aanleiding toe de veranderende leefomgeving van de auteur in het vizier te houden. We denken aan de ruzie met Victor E. van Vriesland, die als Nederlander en als overlevende van de Holocaust – hij kon onderduiken in 1943 – waarbij van Vriesland niet over de baan kon met de zeer toegefelijke houding die Walschap in Zwart en Wit ten aanzien van sommige zwarten zou hebben ingenomen… maar duidelijk is dat Walschap sommige zwarten, die echt mee opgingen in het nazisme niet kan volgen, maar wel mensen die in zijn ogen hun idealisme volgden.

Als biografie kunnen we dus wel verheugd zijn om het werk van Jos Borré, maar we denken dat het debat over de vrijzinnigheid van Gerard Walschap, hoe genuanceerd en vooral uitgebreid ook behandeld, de betekenis van het afvallen van het geloof voor de auteur niet helemaal aan bod komt. De zaak is dat een heidens wereldbeeld voor Walschap, naar mijn oordeel vooral een intellectuele afweging is. Immers, voor hem is het irrationele handelen en denken van mensen in zijn romans vaak een dynamisch gegeven, maar de wijze waarop hij geen verbinding legt tussen dat irrationele, dat hij wonderwel begrijpt en het rationele van zijn wereldbeeld. Men zal begrijpen dat ik hier een dezer dagen nog eens verder wil nadenken. Want de biografie geeft toch stof tot nadenken. En hij was dus wel degelijk burgerlijk en met het vorderen van de jaren bleek dat zeer zeker, maar anders dan Jos Borré heb ik daar geen problemen mee, want wie wil niet de veilige rust van een goed leven?

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten