(De-)constructie van het Zelfbeeld

Reflectie

De machteloosheid van imagebuilding
Wie denken we wel wat we zijn – quater

Over imagebuilding gesproken/ Holland als een
ommuurde tuin, met een hekje en daarin een maagd en
een leeuw. Johann De Witt zorgde ervoor dat het verspreid werd.
Toch kwam niemand op dit voorbeeld tijdens het gesprek. 
Het was dus weer eens zover op zondag 14 juli – dag van de identiteit bij uitstek, want ook wie niet Frans is, weet dan wel wat het is in hart en nieren een salonrevolutionair te wezen -, dat het Filosofisch kwintet ons vergaste op een goed gesprek. De vraag was hoe we ons verhouden tot identiteit en tot het imago, van onszelf – de Nederlanders dus – als Nederlanders maar de vraag kan ook aan deze kant van de grens gesteld worden. De vraag is bijzonder en toch denk ik dat we er niet genoeg van kunnen krijgen. Er waren behalve Clairy Polak en Ad Verbrugge ook René Boomkens en Ike Kamphof aangeschoven om deze vraag mee te beantwoorden en vanuit Vlaanderen kwam Bart Pattyn om zijn duit in het zakje te doen. Overigens, Ook Ike Kamphof blijkt iets met Leuven te hebben. Het is wel mooi, dat die discussie over de grenzen heen gevoerd kan worden, ook al kan men zich best wel een zo een gemeenschappelijke identiteit indenken, van mensen van de Lage Landen, van de erflaters van een cultuur die leefde rond de Delta van Schelde, Maas en Rijn…

We denken dan wel dat de media alles besturen, maar in zekere zin klopt dat niet, zegt de ene, prof. Bart Pattyn, maar de andere meende dan toch dat de versnippering van het medialandschap problematisch moet heten en een hinderpaal voor die unificerende werking. Het punt is immers dat de media inhoudelijk misschien wel een zeker stramien volgen, maar anderzijds weten we niet of binnen een omroep, waar men bijvoorbeeld aan duiding doet, anderzijds stand up-comedians aan het woord laat, naast praatprogramma’s waar bekend volk aan het woord kan komen of daar wel sprake is van een eenheid, maar misschien is het vooral van belang dat enkele vaste verschijningen juist wel zorgen voor de onderhuidse eenheid.

Toch kan men niet ontkennen dat vanouds het discours altijd weer op vergelijkbare nagels zal slaan en doorgaans ook kan overtuigen. Die nagel? Wij zijn goed en zij zijn de vijand. Er zijn uitzonderingen, denk ik, zoals de tijd zonder stadhouders, toen Johan de Witt gedurende 23 jaar de leiding in handen had in de Staten van Holland en de Staten-Generaal. Met een grote aandacht voor de beeldvorming, zorgde de Raadspensionaris voor een nieuw elan aan wat we Hollands patriottisme moeten noemen. Het is een van die elementen die in het debat aan bod kwamen: hoe sturen media – drukwerk was toen een belangrijk medium – de identiteit en waar komt de inspiratie vandaan, dat aspect kwam niet geheel aan bod. In meer algemene zin immers stelt de historicus vast dat de groepsidentiteit handen en voeten geven, van oudsher een zeker belang had, maar naarmate de groep minder overzichtelijk wordt, zoals in Europa in de 19de eeuw in verhevigde vorm  het geval was, diende men die identiteit los te koppelen van concrete verwantschapsbanden om andere (imaginaire) banden voorop te stellen. Toch werd de genealogie in de negentiende eeuw een zaak van burgers en in de twintigste eeuw een zaak van kleinburgers – als die al bestaan. Die genealogen willen voor zichzelf of hun opdrachtgevers een spoor trekken in de tijd, opdat hun betrokkenheid bij de regio gestaafd kan worden of omdat een paar bijzondere levens hun eigen verhaal kunnen versterken.

Men had het over de rol van de actuele media in de opbouw van identiteit. Of had het ook kunnen gaan om de vraag of die media ons niet precies een persoonlijkheid zonder eigenschappen probeert aan te praten? De versnippering van het mediaveld, in tegenstelling tot de situatie in de jaren 1960 – 1989 toen er in Nederland en Vlaanderen een vrij sterk publiek medialandschap was, zelfs nog zuilgebonden, kan men dan wel onderkennen, zelf moet ik bekennen dat ik voor Van Duyn of Toon Hermans niet thuis bleef. Als we al naar de Nederlandse televisie keken, dan voor reeksen – Bartje of Sil de Strandjutter -, maar  dan niet de A-team. Er was ook nog de Franstalige Belgische televisie en verder was er la Une en A2, de Franse televisie en soms, aan zee, wel eens de BBC.

Nu deed er zich in het gesprek iets voor dat mij verraste, namelijk dat men aannam dat het beeld, in Nederland en Vlaanderen licht verschillend toch gemakkelijk op een spoor te trekken zou zijn. Misschien bestaat er een grote aandacht voor het conformistisch gedrag van mediagebruikers, zoals men ook het gebruik van de sociale media, blogs, facebook en twitter, naast de andere platformen, ook over een kam wenste te scheren. Het komt mij voor dat vooral mensen die hun toegang hebben tot reguliere media menen dat al die andere vehikels eindelijk alleen voor stommiteiten en zo gebruikt worden. Misschien is het zo dat we nog niet gewoon zijn die media, zoals mail, echt als een medium voor het uitwisselen gedachten en inzichten aan te wenden, zoals dat vroeger met de brief het geval was. Het gevolg is wel, denk ik, dat men ook wel eens blind zou kunnen blijven voor wat er gaande is in de samenleving. Aan de andere kant stelde Bart Pattyn tegen de versnippering van René Boomkens dat het conformisme sterker is dan men geneigd is te denken, waarna men wel inzag dat het journal op 1 van 20:00 uur inderdaad voor velen het belangrijkste nieuwsmoment van de dag is.

De andere vraag die deze mensen niet stelden, was hoezeer mensen er zich door laten beïnvloeden, wel vroeg Clairy Polak of dat gevoel van identiteit gestuurd kan worden. De persoonlijke identiteit, daar kan weinig twijfel over bestaan betekent een poging zich te onderscheiden, een groepsidentiteit veronderstelt net het wegdrukken van de eigen persoonlijkheid, althans, dat bleek ook gisteren een onuitgesproken hypothese te zijn. Het probleem evenwel is dat het onderhouden van verbanden met anderen, in een kerk, in een groep nozems of in een soort elitaire club rond het tennisterrein – iets wat ook al enigszins achter ons ligt – de eigen persoonlijkheid en het zelfbeeld niet hoeft aan te tasten want soms kan het dit net ook versterken. 

Nu, het ging over het heldendom in deze tijd, dat wel eens erg wankel blijkt, want de ene held is nog niet goed op het schild geheven of de andere dondert er alweer af, omdat de media vinden dat niet geleverd werd wat beloofd zou zijn geworden. Nu zijn helden natuurlijk bij uitstek de dragers van een collectieve identiteit, al zal men merken dat de moderne samenleving misschien wel veel helden heeft voortgebracht dan wel nodig heeft. Zou iedereen hetzelfde pantheonnetje koesteren? In mijn jeugd was er de neiging om zich gezamenlijk achter de Kannibaal, Eddy Merckx te scharen, als het toonbeeld van macht, kracht en doorzicht. Sommigen, merkte ik, kozen ervoor dan maar Luis Ocana terwijl anderen dat hele koersgedoe maar niets vonden. Zo was het ook met de Wereldbeker voetbal in Duitsland, in 1974, toen men of voor Duitsland of voor Nederland hoorde te zijn, hoewel we er zelf niet teveel mee te maken hadden. Pas in 1986, in Mexico leek het er even op dat het ons raakte, maar de helden in de sportwereld hebben niet zo gauw meer een lange levensduur. Hetzelfde lijkt te gelden als het om iconen van de muziekscène gaat, want zelfs Madonna was plots als gedateerd, terwijl ze met haar “Like a virgin” toch lang niet zo een betekenis had, denk ik, als “Love me do” van de Beatles. Alleen, dat valt moeilijk te bewijzen. En wat met die andere helden, die gewoon de boel op stelten zetten met balorig gedrag en dan aan de rechter zeggen dat hun fans hen zo ver hebben gedreven, dat moet maar even uitgezocht. Wel is het zo dat de helden van deze tijd, daar kon ik de leden van het kwintet in volgen, niet echt volbloedhelden meer zijn.

Laten we wel wezen, de omstandigheden zijn er ook niet naar, om echte helden te kunnen presenteren. De ruimtevaart is een vrij zakelijke aangelegenheid geworden want ver zijn de dagen van Youri Gagarin, van Neil Armstrong en anderen die het onmogelijke avontuur aangingen, zelfs konden stranden, enfin, verbranden bij het terugkeren naar de biosfeer. Apollo 13, waarover later een film werd gemaakt en die tragische vlucht van de Challenger, die 73 seconden na lancering uit elkaar spatte.  

Ik neem wel enkele vrijheden, dat klopt dan wel, maar ik denk dat het gesprek van het filosofisch kwintet gisteren met een dood punt te maken had, waar men zich niet zo gauw aan had verwacht: zal men de ontwikkeling van een gemeenschappelijk zelfbeeld opbouwen, laten opbouwen, dan komt men, zelfs als men het wil of niet bij de idee van superioriteit uit en dat mag niet verder overdacht worden. De hele discussie ging in eerste instantie over de vraag of men zo een zelfbeeld marketinggewijs kan opbouwen en Bart Pattyn meende dat dit niet kan, maar ook de andere sprekers hebben er wel op gewezen dat het probleem er vooral in zou bestaan dat niet iedereen er dezelfde manier van mediaomgang op na zou houden, maar dat is uiteindelijk het punt niet. Het is wel zo dat overheden dit bijna overal doen, nu, in de hoop dat er voldoende van zal blijven hangen.  

Het punt is dat je lui hebt als Nigel Farage, Geert Wilders ook, die met veel zin voor theater de EU te kijk willen zetten, zonder dat ze zich erom bekommeren dat de stellingen die ze poneren flagrant onjuist zijn. Aan de andere kant heb je lui, waarvan wij aannemen dat ze alleen maar voor de EU kunnen zijn, vanwege hun job. De media, middels journaals of duidingprogramma’s zullen ons wel eens een act van de heer Nigel Farage laten zien, zullen ergens Thierry Baudet aan het woord laten – het taalgebruik van de ene en van de andere verschilt wel zeer veel, Baudet spreekt zoals het een academicus betaamt – maar slechts zelden zal men hun verhaal toetsen aan de realiteit. Met andere woorden, ze kunnen zomaar wat debiteren en er zijn weinig goed opgeleide journalisten of opiniemakers die hen zeggen dat ze een verhaal brengen dat niet werkbaar is.

Natuurlijk, er is voor de huidige nationale staat, laat staan voor Europa nog geen echt begin van een project, of liever, het lijkt erop dat men het er niet meer over eens wordt. Want men had het gisteren ook wel over solidariteit, maar de manier waarop men die vorm zou geven, kon men niet meer overtuigend verwoorden. Natuurlijk, het belang van de retorica kan men niet voldoende onder de aandacht brengen, want politici slagen er al te vaak niet in hun publiek te laten geloven dat men het ook meent, op demagogen en populisten na, die ook gisteren weer de revue passeerden. Ike Kamphof bracht, denk ik, wel een begin van een inzicht, maar het kwintet vergat even, valt te vrezen, dat een staat opbouwen, anders dan een bedrijf of een sportclub zwaar af te rekenen heeft met de anonimiteit van de burgers. De burger heeft in het denken over de staat een belangrijke rol als het op verkiezingen aan komt, maar als men de keuze van een opvallend deel van de samenleving negeert, dan ontstaat er een probleem. De demagoog kan even de kiezer verleiden, de populist evenzeer, maar aan het einde van de rit, blijft alles zoals het was. Niet helemaal, weliswaar, want de omstandigheden veranderen, zo goed economische als institutionele en zelfs, culturele…

Nochtans is tegelijk riskant een te grote eensgezindheid over de bestaansreden van de natie, eventueel de Europese, te bewerken maar anderzijds is het een conditio sine qua non, over de grondregels net wel voldoende eendracht op te bouwen, wil men de gebeurtenissen teweer kunnen staan en een toekomst voor de gemeenschap mogelijk maken. Wie zijn nu de Nederlanders en hoe moeten de mensen die uit de migratie zich daartoe verhouden? Het was een vraag die verder geen antwoord kreeg, maar iedereen wel leek bezig te houden. Alleen, wordt men het er niet over eens dat die nieuwe medeburgers ook hun plaats hebben, dan zullen ze ook weinig moeite doen om basisregels te aanvaarden, zoals het recht op veiligheid of op integriteit. In het debat had dus een vraag kunnen zitten over hoe we door een gezamenlijk zelfbeeld op te bouwen mensen uitsluiten, dan wel insluiten. Die vraag zweefde wel rond, maar ik kreeg er toch geen hoogte van.

Het is zonder meer de verdienste van Clairy Polak en Ad Verbrugge met deze debatten een goed inzicht te bieden in wat er op dit ogenblik besproken wordt door academici, filosofen en anderen. Het programma laat zien dat een goed gesprek voeren niet zomaar in te passen valt in een format, maar deze keer lukt het wel aardig, omdat geen van de sprekers zich op iets anders laat voorstaan dan hun eigen activiteit als filosoof of historicus. Als we scherpe kritiek uiten, dan is het omdat ik denk dat het programma daar net toe aanzet. Vandaar dat ik wat in volgt nog even opnieuw de vraag te berde breng: kunnen we collectief aan imagebuilding doen?

Zoals gezegd, we weten dat er in een samenleving voldoende consensus moet zijn, terwijl we weten, uit historische ervaring dat teveel consensus of een te grote nadruk op het eigen zelfbeeld uitgepakt heeft op manieren waar we niet zo fier op kunnen zijn. We hebben het dan over het nationalisme waarop Heinrich Mann in “Der Untertan” kritiek bracht. We vernemen hoe iemand in woorden de grote Duitse zaak en het Keizerrijk geheel is toegedaan, maar zelf niet uitblinkt in de waarden die hij aandraagt. Lafheid is natuurlijk geen deugd, maar zelf kan Dietrich Hessling – de held dus - er zich niet aan onttrekken, heeft er zelfs nog wel eens een verantwoording voor. Het nationalisme van het keizerrijk impliceerde ook afwijzing van de SPD, maar blijkbaar kon Hessling zijn stadsgenoot de nodige hulp niet weigeren. Hoewel Heinrich Mann, die de roman in 1914, net voor de oorlog uitbrak, afwerkte maar pas in 1919 kon publiceren, de spot had willen drijven met het Duitse Keizerrijk van Willem II, kan men het verhaal ook lezen als het dilemma van de moderne mens, die niet merkt hoezeer hij of zij in een spagaat komt te zitten: de idealen, inzichten die men publiek zegt aan te hangen staan op gespannen voet met de eisen, verwachtingen die in het dagelijkse leven de nodige valkuilen aanbrengen, waarin men, voorzien van een opgeschroefd plichtsbewustzijn en vol van uitgesproken maar vooral eenduidige aannames, zomaar kan tuimelen.

Het probleem kan dus zijn, denk ik dan, dat als we ons een zelfbeeld laten aanpraten, zonder er zelf de vele facetten van te onderzoeken en zo te interioriseren, zonder zich ook de ruimte voor een zekere distantie voor te behouden, we uitkomen op een terrein, waar onze voorzaten in de vorige eeuw zijn uitgekomen. De noodzaak van kritische distantie kan het evenwel ook onmogelijk maken zich in te spannen voor een gemeenschappelijke zaak, voor de res publica. Retoren leerden ons dan te bedenken dat goed of fout, het vaderland is mijn vaderland. Ook in gesprekken met Fransen is me al vroeg duidelijk geworden dat ze zelf konden uithalen naar hun bestuurders, wij, les petits belges, mochten vooral niet laten blijken dat we bepaalde facetten van de Franse politiek en samenleving maar zozo vinden. Discussies over het nut van het baccalaureaat bijvoorbeeld, waren snel afgehandeld, tot men uitlegde dat een systeem zonder centrale examens, maar waar de school er zich toe committeert de leerlingen goed voor te bereiden op universiteit of hogeschool, men een beter onderwijs kan koppelen aan een grotere democratische ballancering tussen (sociale) voorbestemdheid en talent. Maar zoals gezegd, het is voor Fransen een vreemde gedachte, want er ontbreekt het centralisme aan, de gedachte is niet hiërarchisch en met het principe van gelijke monniken, gelijke kappen heeft de idee geen uitstaans. Finaal merkte men niet hoe sterk het Franse onderwijs een zaak was en is geworden van voorbestemdheid, want ergens wonen waar een goed collège en een goed Lycée om de hoek liggen, kan grote voordelen brengen, al was het maar de renommee van de school en de alumni, die dan weer uitblinken in het circuit van de Ecole polytechnique of de ENA, de school waaruit de top van de administratie en de politiek gerekruteerd worden. Het is ook daar de typisch Franse geest van de Esprit de corps gevormd wordt en waar netwerken hun basis vinden.

Wordt niet de hele samenleving in het verhaal opgenomen, door zich te kunnen verzekeren van de steun van de bestuurlijke elite, zou men wel goede resultaten mogelijk maken. De affaire over verzwegen rekeningen, maar ook de kritiek op Sarkozy, die niet behoort tot dit gremium, moet men wel ernstig nemen. De democratische toegang was misschien redelijk, de persoonlijke geschiedenis van de linkse presidenten en politici laat zien dat men de structuur heeft verankerd op die korpsen en daar hoeven mensen van links geen probleem mee te hebben. Laat nu Sarkozy net een van die politici zijn die niet echt behoren tot het klassieke netwerk.

Het risico is ook nog eens dat al deze leden van het ENA-netwerk vroeg of laat uit het oog verliezen dat het algemeen belang hun interesse moet wegdragen en niet de esprit de corps. We verwijzen naar Frankrijk, maar de IVY-league van de universiteiten in de VSA en de netwerken in London, met Eton, Oxford en Cambridge etc hebben natuurlijk hun gewicht en werking die kan drukken op de samenleving. Net omdat men terecht kan twijfelen over de wijze van rekrutering zal men toch moeten nadenken over de loyauteit van deze mensen. Het is hier niet de plaats om zomaar intentieprocessen te voeren, maar het is wel van nut te begrijpen dat wie een land, het eigen land een eigen esprit geven wil, aan publieke en collectieve empowerment wil doen, ervoor zal moeten waken dat voorop gestelde ideaalbeelden wel beantwoorden aan de ervaren werkelijkheid. De democratische toegang tot de hogere administratie en politieke ambten is dan ook niet van belang gespeend.

Het is dus van onoverzichtelijk groot belang dat wie wil gaan leuren met een gezamenlijk gedragen zelfbeeld, ook kan laten zien dat dit zelfbeeld niet enkel een top-down gebeuren op gang brengt. Alleen, de feedback zoals dat dezer dagen verloopt is vaak niet helemaal eerlijk, want hoeveel mensen durven aan een zetelend minister te zeggen waar het om gaat? En als het om abstracta gaat, zoals zo een collectief zelfbeeld, de Hollandse dan wel de Vlaamse of Franse Volksaard, dan is het nog veel riskanter zich hierover uit te spraken. Onlangs werd een filmpje voorgesteld waarin de Belg werd gepresenteerd, of België, zo duidelijk was het ook niet: het Atomium, Waterloo, Brugge, enfin enkele zwanen op het Minnewater, en nog wat van die beelden. De bedoeling? Empowerment? Van de royals allicht, want waar mijn land voor staat? Kan ik het opnoemen? Of wil ik het opnoemen. Niet dus, omdat elke opsomming een reductie is, die ook mijzelf reduceert en anderen, voor wie ik wel enige waardering heb. Paul Delveaux vind ik best interessant, maar dan vergeet ik een resem kunstwerken en kunstenaars – waar gaat het nu eindelijk om? – die evenzeer tot het patrimonium behoren en waar ik wel om geef. Dit is een persoonlijk standpunt, dat klopt, maar als ik merk hoe weinig inspanningen men doet om dat patrimonium kenbaar te maken, niet alleen de schilderkunst, maar ook de muziek en de literatuur, dan begrijp ik waarom we aan dit land zo weinig gehecht zijn.

Overigens kunnen we er tot slot nog aan toevoegen dat er ook zoiets bestaat als een immaterieel patrimonium, waarin noties over democratie, recht, veiligheid en jawel, gezamenlijkheid hun plaats hebben. Noch in Europa noch in België is dat echt tot zijn recht gekomen, vooral dat immateriële cultuurpatrimonium, want het werd zeer gepolitiseerd, zoals met de Verlichting, de laatste decennia het geval is geweest. We zeggen het graag na, die slogans als “Eenheid in verscheidenheid” maar weten er niet goed weg mee als die verscheidenheid al te apert aan het licht komt. Maar de andere kant is ook dat we vandaag die immateriële cultuurgoederen onverschillig behandelen. De moderne massamedia hebben er een spel van gemaakt, die goederen aan te dragen. Wat we vergeten hebben: niet het spel zelf is storend, maar dat we het spel zelf relativeren, zodat het geen betekenis meer heeft.

Het gesprek dat we mochten volgen, waarin vijf mensen, een filosofisch kwintet, over de vraag spraken of men een identiteit vorm kan geven door dat aan een publiciteitsbedrijf over te laten om bij het inzicht te komen dat publiciteitsjongens daar niet zo goed voor geschikt zijn, liet mij toe verder na te denken over de vraag of en hoe we zoiets gemeenschappelijks zouden kunnen construeren. In een tijd waarin historici zweren bij deconstructie is dat wel een avontuur. Maar inderdaad, aan Saatchi & Saatchi of Slangen hoeven we het niet over te laten. Het punt is namelijk dat ondernemingen dan met een en ander aan de haal gaan, expliciteren, dat mensen liever voor zichzelf houden. Het is zoals met bekend volk dat hun geheimtip gaat vertellen, of journalisten die bij strenge vorst naar een plas gaan kijken of er nog geen schaatsers zijn. Nu, die houden die plas liever voor zichzelf. De identiteit is dan ook nooit helemaal belangeloos en al helemaal niet publiek. Reclamejongens kunnen daar niet mee om.

Het is een collectieve onderneming waaraan de ene meer en de ander minder deel heeft. De Duitse Romantiek, aldus Safranski heeft een paar sporen aangereikt, het romantische schwärmen heeft er de risico’s van laten zien. De vraag is of imagebuilding voor een stad, een land wel nog goed mogelijk is, want we weten dat emfatische identiteitsbeleving kan uitlopen op grote spanningen en zelfs op tragedies. Men heeft daarbij, om begrijpelijke redenen, de neiging alleen naar Duitsland te kijken, alleen naar de jaren het interbellum en WO II, maar het is riskant niet verder te willen kijken. Misschien is wel zo, denk ik dat we zo een publieke identiteit die we delen met anderen niet te ver kunnen preciseren. Of is het zo dat we gewoon door onze eigen bijdrage te leveren al voldoende deel hebben aan het materiële en immateriële patrimonium en dat we zo aan imagebuilding doen?

Bart Haers  


  

Reacties

Populaire berichten