Verkozen koningschap

Kleinbeeld

Op het schild geheven
Over het erfelijke koningschap en het alternatief

Willliam Pitt the Younger, was premier van 1783
tot 1801 en van 1804 tot zijn overlijden. Hij had
te maken met een andere dynastie, die van de Pitts.
Het verhaal van de politieke verhoudingen te dien
tijde valt niet direct uit te leggen, net omdat
de macht van de koning verschoven was
naar het parlement en vooral de uitvoerende
macht. 
In “The origins of political order” laat Francis Fukuyama zien dat de grote uitdaging voor een politiek systeem is te vermijden dat publieke macht gepatrimonialiseerd wordt, eigendom wordt van een familie en van vader op zoon en soms dochter overgedragen wordt. De rituelen rond de abdicatie en eedaflegging van zowel Willem-Alexander (op 30 april 2013) en van Filip van België op 21 juli 2013 laten zien dat we zonder voorbehoud instemmen met de patrimonialisering, maar wat is er dan in handen van de Oranjes en de familie van België? De (absolute) macht heeft geen enkele vorst meer in Europa, wat we vanzelfsprekend vinden, maar de beperkingen van de constitutie zorgen er tevens voor dat de rol van de koning efemeer wordt, zij het soms wel aanwezig. De symbolische aanwezigheid lijkt voor politici een veiligheid, een vangnet.

E.H. Kosmann heeft zich ingelaten met de kwestie van het koningschap in een modern bestel. Anderen stelden zich vragen over de verantwoordelijkheid van een regerend vorst, waarbij men er zich van bewust was dat een zetelend vorst niet mocht aangesproken worden op mogelijke vergrijpen. Opmerkelijk is dat hoewel regicides niet zo frequent voorgekomen zijn, de (juridische) aanname dat de koning geen fout kan maken of foute dingen kan doen, geen belemmering is gebleken voor soms heftige confrontaties in de verschillende landen van Europa. Het verschijnen, na de Napoleontische oorlogen van een nieuw soort koningschap, steunend op de traditie die sinds de Glorious revolution in het UK gold, namelijk dat de koning minder met het dagelijkse bestuur van het land is betrokken, blijft in de discussies formeel buiten beeld. Men kan dit moeilijk zomaar verklaren, tenzij men er zich rekenschap van geeft dat men slechts zo de fictie van de macht van de koning in stand kon houden, terwijl men hem verder alle teugels uit handen nam. De constitutionele monarchie werd geboren in de bedreiging van burgeroorlog en onzekerheid over de machtsposities van de verschillende actoren.

Het hele ceremonieel van de abdicatie en eedaflegging die we nu dus meemaken, eerst in Nederland en nu in België, maakt evenwel duidelijk, nog afgezien van de Europese realiteit, hoe vreemd ons dat allemaal geworden is. Het ceremonieel mag dan oproepen tot ernst, de inhoud valt moeilijk te verzoenen met de vereisten van deze tijd, als we die al nauwkeurig zouden kunnen formuleren. Maar dat is het nu net, het ceremonieel geeft blijk van de continuïteit der dingen, niet van de wisselvalligheden van het lot, wat precies het opzet is van een goed uitgewerkt ceremonieel: de continuïteit, zonder breuken verder glijden van de tijd, verhindert dat men door de wisselvalligheden van het lot, de keringen van het lot elke zekerheid uit de handen ziet glijden. Wie de democratische geplogenheden bekijkt zal merken dat ook daar continuïteit het wint op innovatie en al helemaal op breuken. En toch is elke wissel aan de top altijd een kans tot lethargie, maar veel meer nog tot plots veranderingen, afhankelijk van de ambities.

In ons bestel hebben politici voor de verkiezingen een onblusbare en onverzadigbare ambitie zaken aan te dragen om dan na de verkiezingen het tegendeel te preken, dat de hindernissen om iets te bereiken net niet onoverkomelijk blijken. De verandering aanbieden betekent in wezen niet dat men die 1:1 kan doorvoeren, want dat zou betekenen dat men alle macht heeft en net dat is in een parlementaire democratie de zegen, dat niemand onverkort macht in handen heeft. Hoewel men geneigd is het parlement als een nutteloze actor te beschouwen, zou men dat vooral moeten betreuren, want dit gremium is het enige die de rechtstreekse emanatie van de natie mag heten, wat niet van hoge rechtscolleges en zelfs niet van middenveldorganisaties mag gezegd worden. De aandrang om het parlement af te kammen en de parlementairen met pek en veren overladen de stad, het land uit te jagen, lijkt soms hoog op te laaien, maar toch zou zomaar kunnen dat men zonder parlement veel slechter af zou wezen, mocht dit parlement wat minder dadendrang aan den dag leggen.

Maar de kern van het probleem blijft dat velen het erfelijke koningschap vandaag moeilijk kunnen aanvaarden. Anderen menen dat het precies past in een lange traditie – ook al noemen ze zich graag progressief – dat de koning inderdaad een zaak is van erfenis van vader op zoon. Het gaat om het patrimonialisering van functies, wat we in de actuele politiek maar al te vaak zien – niet zelden ondersteund door het heir van journalisten – zodat ook zij maar moeilijk de erfelijkheid nog ter discussie kunnen stellen.

Alleen, wie goed naar de geschiedenis kijkt weet dat in principe de keizers van het Oostfrankische Rijk, na 843 gekozen werden wanneer een dynastie uitgeput raakte, dat ook in latere tijden, ondanks het feit dat Habsburg een erfelijke dynastie van keizers was geworden, de verkiesbaarheid ceremonieel nog aanwezig was en dat een aantal vorsten als keurvorsten fungeerden. Patrimonialisering en verkiesbaarheid hand in hand, maar toch op gespannen voet met elkaar. Karel V had de Fuggers, bankiers uit Augsburg, nodig om verkozen te kunnen worden en om oorlogen te voeren.

Het is een interessante vraag na te gaan waarom men zo gemakkelijk de erfelijkheid van leiderschap kon aanvaarden. Alleen, bij de Merovingische vorsten leidde dat tot toenemende machteloosheid, zoals in de roepnaam Vadsige Koningen nog doorklinkt. Maar ook het Romeinse keizerrijk kende de nodige problemen met erfelijkheid, patrimonialisering en feitelijke macht. Figuren als Claudius, Nero en zovele anderen bleken telkens tekort te schieten, maar vaak bleek dat geen grote invloed te hebben op de instellingen van het rijk. De Flavii, waar erfelijkheid rijmde met adoptie, leverde goede en minder goede keizers, al valt het voor ons, nagenoeg 2000 jaar later niet mee een goede evaluatie te maken van hun regeerperiodes. De juiste criteria vinden vormt daarbij de moeilijkste opdracht, want succesrijk besturen, wat is dat dan?

De eenheid van het rijk bewaren?

Het lag voor de hand dat de Romeinen met het bijeen houden van hun rijk een redelijk zware klus hadden, maar waar ze de eerste eeuwen redelijk in gelukt zijn. De Rijngrens, de Donaugrens, het conflictgebied met Perzië en in Afrika, overal konden plots bergvolkeren of woudbewoners opduiken die voldoende getraind waren om het de legioenen lastig te maken. Ook de opstand in Palestina vergde veel van de Romeinse troepen, maar wie goed toekijkt merkt dat het Romeinse keizerrijk lang niet zo militair georganiseerd was als men vandaag graag wil voorwenden. Rome had verschillende legers, maar in feite was de sterkte van de troepen in verhouding tot de omvang van het rijk beperkt. 200.000 legionairs voor een rijk dat groter was dan de EU, maar slechts gedoteerd met ijlbodes die over de wegen, heirbanen rondreden om berichten over te brengen, het valt moeilijk in te schatten. Men kan hierbij ook verwijzen naar het Britse imperium, sinds William Pitt de jongere evenmin zwaar investeerde in militaire slagkracht. Zelfs de homeforce bleek in 1914 nauwelijks meer dan 100.000 paraat te hebben. Alleen de lichting van troepen door algemene legerdienst kon de Britse generaals voldoende kanonnenvlees bezorgen. Maar een groot leger had het Empire niet – anders dan de Verenigde Staten nu, zegt men. Maar de oorlogsvoering zal wellicht nog minder arbeidsintensief worden dan in de tijd van de legioenen.

Interne cohesie

Een verdeeld en uitgestrekt rijk, hoe houdt men zoiets bij elkaar. De Romeinen slaagden erin, zoals men weet, door de kennis van én het Latijn én het Grieks uit te breiden om een elite te vormen in het hele rijk. Wie én Grieks én Latijn kende in het Noorden, Engeland, Brittannië dus, was het beste af. Latijn hoorde men te kennen om mee te kunnen met bestuursmaatregelen en handelscontacten te onderhouden. Verscheidenheid die via een al dan niet bewuste taalpolitiek, cultuurpolitiek tot een zekere eenheid werd uitgewerkt.

Het grote probleem voor wie naar zo een voorbeeldsituatie wil kijken is dat de klassiek aangewende bronnen, dat auteurs zoals Tacitus, Suetonius e.a. ons vooral een beeld van het keizerlijke Rome brachten, maar geen inkijk gaven in wat er in het rijk gebeurde. Lange periodes van rust worden niet geacteerd, omdat die voor het verhaal en vooral het dramatische gebeuren van geen belang blijken.

Wie gaat kijken naar andere, niet literaire bronnen merkt dat er veel meer over te vertellen valt, maar dat dit niet zo gemakkelijk vatbaar is voor synthese. Boeiend en interessant is hoe de samenleving plots veel complexer oogt en dat de inbreng van stedelijke elites wel degelijk hun belang hebben, voor de grote bouwwerken bijvoorbeeld, want de lokale autonomie van steden was groter dan we ons vandaag, gewend als we zijn aan Jacobijns centralisme, kunnen indenken.

Welvaart en sociale dynamiek

Een periode van een eeuw overschouwen, laat staan van vier, vijf eeuwen over zo een groot imperium valt in enkele lijnen niet samen te vatten. We weten dat er periodes van langdurige vrede waren in Gallië, in Afrika ook, maar we weten er weinig van omdat het onderzoek dat men deed op grond van epigrafische bronnen, teksten in marmer gebeiteld dus, de brede media niet bereikte. De vraag is immers hoe het Romeinse Rijk demografisch evolueerde, ervan uitgaande dat de structuur en het functioneren voor lange periodes van rust en stabiliteit zorgde. Natuurlijk, het gaat om een pre-industriële economie, maar hoeveel weten we over de opbrengsten van granen, wat met het bewaren van vlees – zout was al sinds tijden de kern van de handel geweest en zou dat tot in de late 18de eeuw blijven – en hoe zat het met de gezondheid?

Vandaag lijkt men bij het discussiëren over die oude geschiedenis ofwel de hele zwik af te wijzen als een verhaaltje van keizers en decadentie, aan de andere kant komt men niet tot voldoende inzicht in wat recent wetenschappelijk onderzoek heeft opgeleverd. Was Rome onderontwikkeld? Uiteraard, vergeleken met deze tijden. Maar wat het wel was en hoe we het kunnen evalueren of begrijpen, vergt meer diepgang dan men vandaag bij voorkeur aan de dag legt.

De evolutie van de machtsuitoefening

Het was mij er om te doen te begrijpen hoe het zou zijn als we een verkozen koningschap zouden hebben. Historisch is het niet helemaal vreemd, wel integendeel, maar sinds de Romeinse tijd – maar ook in andere rijken – was de kwestie altijd weer hoe men kon verhinderen dat macht voorwerp van patrimonialiseirng. Het valt me op dat deze visie, die Francis Fukuyama aan de orde stelde, in Rome en ook later altijd weer tot originele oplossingen leidde, zoals het installeren van gouverneurs die uitgezonden werden, maar in theorie of volgens het benoemingsbesluit nooit hun ambt konden overdragen. De Byzantijnen zochten ook naar middelen om militaire functies en bestuurlijke functies bij de regering te houden. Maar heel sterk is dat men erin slaagde door de autonomie van lokale besturen te bewaren de macht kon decentraliseren en daardoor verhinderen dat sterke tegenpartijen ontstonden. Helemaal lukte dat nooit.

Doorheen de eeuwen merkte men dat in verschillende formules – de Mamelukken in Egypte, de Janitsaren in het Ottomaanse rijk, maar ook de instelling van de zendgraven in het Karolingische rijk – moeilijk de patrimonialisering buiten de deur te houden. De steden in Europa, vooral in Italië en de Nederlanden ontwikkelden een nieuw model, maar ook daar blijkt, we denken aan de familie Gruuthuse of aan de familie de Medici, de opbouw van een groot kapitaal, zowel financieel als politiek, niet onmogelijk was.

Nu zou men denken dat de moderne democratie de ontwikkeling van patrimoniale claims op ambten had beperkt of zelfs onmogelijk gemaakt. Napoleon heeft met zijn mengeling van Jacobijns centralisme en de instelling van korpsen, bijvoorbeeld van de polytechniciens, magistraten en bestuurders, met eigen opleidingsinstellingen, geprobeerd het talent centraal te beheren. De oprichting van de Ecole Nationale d’Administration, waaruit de politieke kaders dezer dagen, in Frankrijk voortkomen, heeft op het oog de patrimonialisering tegen kunnen gaan, maar men merkt dat de claim op een specifiek ambt niet meer aan de orde is – Hollande bestuurde nagenoeg 20 jaar in Tulle, Corrèze, omdat dit voor Mitterand en hemzelf een goede positie was, maar hij had evengoed naar een opvallender departement kunnen gezonden worden. Maar het bekleden van overheidsambten van het niveau van Préfet raakte ondanks de ENA toch stilaan in handen van een zich afsluitende elite, ondanks de geest van mei ’68. Ook de politieke ambten, van Burgemeester of voorzitter van de Conseil Géneral départemental, lijken van matig belang maar worden zelden afgestaan als men hogerop komt, parlementslid bijvoorbeeld. Cumuleren van ambten tot in het oneindige lijkt een andere vorm van toe-eigening van publiek domein door particulieren.

Verbeelding van de macht

Na de regeringsperiode van Mitterand kwam de epoque van Chirac, maar geen van beiden kon buiten de kring van eigen aanhangers naderhand een positieve balans voorleggen. Hoezeer ze ook het hoogste ambt hadden nagestreefd, eens aan de macht was het moeilijk er iets mee aan te vangen. De grootste ingrepen in het Franse bestel situeerden zich op het niveau van de EU, Maastricht in 1992 en Nice in 2000 en zelfs het verdrag van Lissabon – voor Sarkozy, wat op zich niet mag verbazen, want de grote vrees voor de Franse politici bestaat erin dat Europa aan hun controle zou ontsnappen. Maar in de verbeelding spreken Mitterand, Chirac en Hollande dezelfde taal, een gedragen taal, die de illusie van macht moet ophouden, maar niet kan verhelen dat de beheersbaarheid van de samenleving aan kracht inboet. Overigens, waarom zou de samenleving zo centraal aangestuurd moeten worden?

Ook in dit land, België worstelt men met de verbeelding van de macht. Men meent dat men zich met feiten tevreden kan stellen, maar het valt wel op dat het land niet beantwoordt aan wat men een natiestaat kan noemen, al was het maar omdat de publieke opinie van Oostende tot Aarlen niet bestaat. De verbeelding in noord en zuid van de macht? Die valt niet samen te brengen in één beeld. De verkoop van tricolore kroontjes ten spijt, heeft niemand in het Noorden echt zin om zich daaraan te bezondigen. Niemand is veel gezegd, maar de afstandelijkheid valt wel op. Nogmaals is een nuancering nodig, sommigen presenteren zich graag als monarchisten, of is het royalisten, om net in beeld te komen, 5 minutes  of fame, net wat u zegt, mevrouw.

De monarch hoeft niet een zoon of dochter van de vorige te wezen

Men heeft ons altijd weer voorgesteld dat de ideale oplossing – voor dit apenland­ – de erfelijke constitutionele monarchie is. Velen zijn republikeinen, behalve in dit schattige land. In Duitsland werkt het presidentschap naar behoren, waarbij men moet weten dat de drager van het ambt geen politieke macht uitoefent, maar wel aanwezig is in het land. Richard von Weiszäcker bleek een onvoorstelbaar grote uitstraling te krijgen toen hij tussen 1984 en 1994 als bondspresident zijn functie uitoefende. Niet elke president wordt herkozen, sommigen gaan hopeloos ten onder, omdat ze het verschil tussen mijn en dijn, tussen wat de staat toekomt en wat hen toebehoort niet kunnen maken.

Men moet bedenken dat de huidige president Joachim Gauck, die zelden in onze media aandacht krijgt, werd gekozen, nadat zijn voorganger ten onder ging in gesjoemel, ondanks het feit dat hij openlijk positie had gekozen tegen de kanselier, ook een Oost-Duitse van oorsprong. Zijn rol na de Wende was van bijzonder belang, al blijkt dat voor ons niet te waarderen, omdat hij na enige tijd met politieke ambities te hebben gespeeld, de gevaren zag van een zuiver ambtelijk archivalisch beleid ten aanzien van de archieven van de Stasi – met a priori de idee in het achterhoofd de dossiers voor ontsluiting te decimeren of erger - en daarom na veel discussies met de West-Duitse archiefautoriteiten werd hij verantwoordelijk voor het bewaren en ontsluiten van die archieven. Hij wilde onder meer verhinderen dat mensen ten onrechte beschuldigd werden van mededaderschap aan de misdaden van de geheime politie in de DDR. Maar ook wilde hij voorkomen dat erge gevallen van daderschap onder het tapijt konden worden geveegd. Het archief werd veilig gesteld en op een evenwichtige manier openbaar gemaakt, ten dienste van de vrijheid en de persoonlijke waardigheid van slachtoffers.

Er valt moeilijk een directe link te leggen tussen von Weiszäcker en Gauck, de ene een kleinzoon van een geadelde en de kleinzoon en zoon van een zeeman, maar toch kan men zien dat ondanks de verschillen in opvattingen hun benadering van het ambt inderdaad aansluit bij wat men kan beschouwen als een ceremonieel presidentschap. De verklaring ligt wellicht in een persoonlijke verwerking van de ondergane ervaringen, de oorlog, het leven als dominee in de DDR en wat al niet meer, maar ook dat het presidentschap zelf uitnodigt tot een afstandelijke betrokkenheid.

Verkozen koningschap

Als men dan toch meent een koningschap te moeten aanhouden, als men, zoals ik wel eens denk, voor Europa een soort ceremonieel leiderschap, dat boven de verschillende tafels van de EU staat, zoals die van de Raad van Regeringsleiders en Staatshoofden, de Commissie, het Parlement én de Permanente Vertegenwoordigingen, kan aanwenden om een symbolische eenheid mogelijk te maken, dan zou dat wellicht meer rekening houden met het aanspreken van de persoonlijkheid dan met erfelijkheid.

Nu mag men het niet te gek maken, de erfelijkheid speelt in de mythologie van de macht en het koningschap een grotere rol dan de rationalist in ons lief is. De idee van de “Roi Thaumaturge”, de vorst die door aanraking mensen genezen kan, zal men vandaag te gortig vinden, maar de gebeurtenissen rond Kate Middleton, laat zien dat men graag dit soort beelden blijft hanteren.

De troepenschouw op 21 juli in de Wetstraat was opmerkelijk omdat het eindelijk niet meer van deze tijd is. Legeroperaties met inzet op het Europese continent vallen nog moeilijk voor te stellen. De legeroperaties in Libanon, Mali en elders gebeuren in een structuur van internationale samenwerking, de Navo en de Uno. Het opperbevelhebberschap ligt niet meer in Laken.

Er valt daar nog meer aan toe te voegen, maar nadenken over een niet erfelijk koningschap, omwille van de niet altijd gunstige werking van het patrimoniale beheer van het ambt lijkt in onze samenleving aangewezen Dus kan Filip voor mij koning zijn, maar ook, bijvoorbeeld een Herman de Dijn, of een Luc de Bruyckere, niet ad vitam aeternam, maar voor een langere tijd. Maar gekozen koningschap, het lijkt een onmogelijke combinatie terwijl het toch wel bestaat, in Duitsland, maar ook in Italië, waar het wel eens een boeiende en nuttige instelling blijkt. Maar de Franse Republiek? Dat is meer koningschap dan een democraat zich kan wensen.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten