Walschap en zijn humanisme

Reflectie

Walschap en de Santenkraam

Het verhaal van Jan Bergmans, die als heilige aan de jeugd
voor gesteld werd en blijkbaar  in de vroege 20ste eeuw als
model werd voorgesteld en dus ook Walschap niet onbekend.
Maar de visie paste finaal niet meer. 
Na de recensie komt de reflectie. Moeten we het dan zo breed uitsmeren? Ik denk dat het probleem is dat een recensie nooit alle reflecties bij een boek kan vertolken. Er bestaat vandaag in Vlaanderen nog weinig interesse voor het debat over de levensovertuiging, in die zin dat men de kwestie met enkele slogans voor afgehandeld houdt. De kwestie over de levensbeschouwing heeft Walschap op een bijzonder scherpe manier aangedragen en hij heeft er zich al vroeg vijanden mee gemaakt, maar ook welwillende lezers.

Het kerkelijke landschap waarin Walschap terecht is gekomen als achttienjarige moet ons wel bezig houden. Anders dan voor de kandidaten voor het seculiere priesterschap zat Walschap in een traject om in de koloniën missionaris te worden. Men kan de visie van Jos Borré over de onnoemelijke feiten, hier gaat het om treurige feiten waaraan Walschap zich bezondigd zou hebben, wel volgen, het vervolg van de activiteiten van de auteur laat zien dat hij wellicht niet helemaal ongelukkig is geweest dat hij de priesteropleiding heeft verlaten. Dat kan te maken hebben met het celibaat, maar niet alleen dat. De auteur immers heeft zich duidelijk van de kerk afgekeerd, maar merkwaardig is dat hij de praktijk van het seculiere priesterschap niet kende. Wellicht daarom zou hij lang een goede verstandhouding kunnen behouden met enkele clerici, maar zijn vijandschap heeft te maken met meer dan alleen persoonlijke afwijzingen vanwege de clerici.

De weg terug hoefde hij niet te zoeken, maar een weg vooruit, daar kan ik Jos Borré en vooral zijn critici zoals Hubert Lampo wel volgen, was een heel eind moeilijker. Ik ben wel de mening toegedaan, zoals Lampo het stelde, dat de kritiek op de kerk en op het godsbeeld niet kon leiden tot een modern mens- en wereldbeeld. Hoe het dan wel moest en moet? Ik denk dat het van belang is te begrijpen dat we niet zomaar om de christelijke traditie heen kunnen, maar het is wel zo dat in de RKK pogingen voor een meer liberale visie niet geaccepteerd werden, want de Ultramontanen wonnen het pleit. De kwestie blijft wel cruciaal, want in de mate dat de kerk zich ging bezig houden met een zeer paternalistische bejegening van de eenvoudige gelovigen, liet ze jongeren die studeerden toch verder doordringen in de wetenschappen en kennis. Minder eenvoudige gelovigen vonden dan wel een meer gepersonaliseerd contact en werden vaak daardoor verleid. 

Een oudere dame vertelde me eens dat ze zich bekocht voelde omdat ze zich zoveel op de mouw had laten spelden. Ik vond dat wel interessant, net omdat ik ben opgegroeid zonder de ballast van de catechismus en geleidelijk was ook de biecht weg gedeemsterd. Voor mij was er geen reden om me bekocht te voelen en de harde kritiek aan het adres van de RKK van mensen als Walschap kon ik mij maar moeilijk inbeelden, ik bedoel niet de rationele kritiek, maar de emotionele basis voor die kritiek, het zich bekocht en misleid weten. De kwestie was dat voor hen vele facetten van de zielenzorg persoonlijk vernederend konden uitpakken of zelfs destructief ervaren werden, niet enkel voor de gewone gelovigen, maar ook voor de lagere clerici in de hiërarchie. Men kan in een tijd waarin de middelen tot zelfbeschikking steeds uitgebreider worden, mensen niet  meer behandelen alsof er niets verandert. Tegelijk, die nieuwe technologische middelen laten zoals steeds meer blijkt overheden toe nader toe te kijken op het denken en peroreren van brave en minder brave mensen. En soms worden brave mensen minder braaf, zoals net met Gerard Walschap het geval is geweest.

De geloofswaarheden? Het bestaan van God, de schepping en de almacht, zelfs alomtegenwoordigheid van de god waren voor niemand meer dan zaken die men te vertellen had zoals het was geleerd. Maar als men er volkomen vol van geweest is, zoals Gerard Walschap, moet de ontgoocheling wel schokkend aangekomen zijn. Het probleem was, denk ik nu, dat men mensen deze waarheden aanbood, maar erbij vergat te zeggen dat die waarheden niet alleen een onbetwijfelbaar resultaat van eeuwenlange contemplatie waren, maar dat die ook gerelativeerd konden worden. Vergeten we niet dat een Leuvense geleerde en priester in 1931 de bewijsvoering formuleerde waaruit de expansie van het heelal en begin ervan in een singulariteit gezocht kon worden, wat men later eerst spottend de big bang noemde en vervolgens gold die als de bijna officiële wetenschappelijke term. Vergeten we evenmin dat in de jaren waarin Walschap in Asse verbleef, de kwantummechanica steeds verder doordacht werd en misschien kunnen we er, vanuit een ander domein, noch de ontdekking van de penicilline aan toevoegen,wat invloed heeft gehad op de human condition.

Het geloof in een goddelijk, almachtig wezen kan men dan maar moeilijk vasthouden of zelfs maar accepteren dat we lijdzaam het levenslot moeten ondergaan. Alleen, stellen we vast na lectuur van de biografie en de werken van Walschap – niet alle werken, dat moet ik toch meegeven –, bezorgde die confrontatie tussen mens- en wereldbeelden voor Walschap een grote vijandigheid tegenover het instituut en de vertegenwoordigers ervan, zeker zij die hem steeds weer in de wielen reden en mensen overtuigden zijn werk niet te lezen. Ik denk overigens dat men er ook niet omheen kan dat Walschap met sommige priesters als José Aerts (Albert Westerlinck) wel gelijk door de deur kon. Ook aanvaardde hij dat zijn echtgenote nog steeds gesprekken had met een priester. Walschap was in dat opzicht opmerkelijk: hij was onverdraagzaam ten aanzien van het instituut, maar tegenover mensen bleef hij verdraagzaam.

Het probleem dat Walschap ook oproept in zijn boeken: het belang van irrationele beweegredenen die zijn protagonisten drijven. Het is problematisch  omdat hij wel degelijk voorop stelt dat mensen rationeel zouden moeten handelen, maar dat zij altijd weer met zichzelf en anderen in de knoop geraken omdat ze vanuit een emotionele aandrift handelen. De mens kan wel rationeel zijn, maar de andere facetten, de emoties kan men niet onderschatten. Een mens van goede wil, zo lijkt het wel, kan ook niet rationeel blijken, of toch? Het gaat om beweegredenen die verder reiken dan wat onmiddellijk voordeel brengt. Ook in Zwart & Wit ziet men sommige mensen handelend tegen hun onmiddellijke belang ingaan. Het valt op dat we bij Walschap nu net die aandacht wel merken: een goed mens zijn kan niet enkel op grond  van de ratio alleen. Waarom we tot dat inzicht komen en waarom we daaraan enig gewicht hechten? Ten eerste is het zo dat het rationele handelen volgens Walschap wel kan in zaken die het grote plaatje behelzen, zoals het al of niet bestaan van god en de eeuwige wetten. Ten tweede denkt Walschap dat mensen niet zo gemakkelijk met zichzelf in het reine komen en ten derde zal men bij Walschap altijd zien dat de ontwikkelingsgang figuren, niet enkel de protagonisten soms wel aangeboren zijn dan wel gegeven, maar soms is er een moment waarop het allemaal dan toch maar aan de orde komt. Er zit in een aantal romans een zekere fataliteit, maar net in Houtekiet, blijft de hoofdfiguur majestueus boven de gebeurtenissen staan, maar de goede en sterke Jan is wel geroerd door mensen. Dat betekent dus wel dat de roman voor Walschap een laboratorium was, maar hij wenste het wel een goede observatie te laten wezen want men kan van mensen geen houten Klaassen of karikaturale types maken. Dat was ook wat mij is opgevallen in het werk van Walschap, maar we weten ook dat zijn kritiek aan het adres van Claus en anderen er juist om ging dat ze de mens voorstelden als een armzalig wezen. Dat is ook de reden waarom ik eraan hecht, aan die bevindingen van Walschap.

Besluiten we voorlopig maar dat Walschap veel van zijn christelijke ballast opzij heeft gezet en dat kan men best begrijpen, ook omdat de tijden ernaar waren. Maar zijn fascinatie voor figuren met een zekere absoluutheid, zoals Thijs Glorieux,   Adelaïde maar vooral Jan Houtekiet, Iphigenie ook, mag niet verhinderen dat zijn vertelvorm er vooral gericht op het presenteren van een mens- en wereldbeeld. De vraag die we daarom in het geding moeten brengen is of de leesbaarheid van zijn werk aan de taal gebonden is dan wel aan de cultuurhistorische veranderingen sinds de late jaren 1940? Want de mens is in het beeld van Walschap altijd meer dan de persoon die hij voor zich ziet, wel het verhaal. Maar voor hem is in de eerste romans en verhalen de groep waarin men leeft, de gemeenschap dus van wezenlijk belang. Het verhaal van de organische gemeenschap kan men bij Walschap goed overzien. Niet dat het bij hem een paradijs zou zijn, maar de gemeenschap, zeker als de verteller een wij is, heeft wel een eigen bewustzijn.

Het probleem dat aan de orde komt in het werk van Walschap en waar Jos Borré wel de vinger op legt, maar niet op doorgaat, noch als het ging om het debat met Pater Baers en Van Mierlo, maar ook niet later, toen hij in een debat terechtkwam met Weverbergh, Herwig Leus en Speliers dat Walschap als katholiek zijn kazak draaide, maar daarom zijn mensbeeld niet loochende. Ik denk dat Jos Borré en vooral zijn tegenstanders niet goed wisten hoe het werkelijk zat. Walschap hing inderdaad een materialistisch wereldbeeld aan, maar naar mijn inzicht had hij meer dan de anderen de idee dat mensen tussen geboorte en dood heel wat uit te vogelen hebben en dat dit niet evident mag heten, hoe ze dat doen. Eenzaamheid is er wel deel van, maar niet enkel eenzaamheid, het vermogen zichzelf of anderen een loer te draaien, liet hem ook niet los. In die zin brengt de auteur ons wel degelijk aan het wankelen. Zijn mensbeeld is er soms een van strijdende en missionaire figuren, maar wel mensen die ook een zekere lankmoedigheid niet vreemd is, behalve Rik van Opstal dan, misschien. De santenkraam van de kerk was voor Walschap op zeker moment geen issue meer, maar in wezen bouwde hij een eigen ideaal uit. En dan vergissen de tegenstanders zich, want hier speelt geen simpele omkering van het kerkelijke model.  

Waar Walschap de visie vanuit het materialisme accepteert, niet als alternatief, maar als enige mogelijkheid om naar de wereld te kijken, zou men geneigd zijn te begrijpen dat hij ook nog eens een sciëntistisch wereldbeeld zou koesteren. Maar voor hem blijkt het te volstaan dat God niet bestaat en er geen schepping is geweest. Een kazakkendraaier zou er minder moeite voor doen. Maar men weet dat hoe dan ook de grote wetten, onder andere op het vlak van het determinisme waarbij alles alleen maar door oorzaak en gevolg bepaald is, niet van toepassing is op mensen en het soms krakkemikkige handelen van mensen. Natuurlijk, men kan en mag menen dat mensen zich rationeel rekenschap kunnen geven van wat ze doen, maar niet altijd van wat dat teweeg kan brengen. Gerard Walschap leek er zich op toe te leggen in zijn verhalen het lot van mensen uit te schrijven, niet dus zoals het zou moeten zijn. Het verhaal dat we altijd weer krijgen, in verschillende toonzettingen gaat over mensen die de gevestigde orde niet geheel of helemaal niet aanvaarden, maar er daarom niet in slagen er hun stempel op te drukken. Het thema valt bij Walschap volgens sommigen gemakkelijk aan te duiden, namelijk de zoekende mens die de dwang van de bestaande orde willen afwerpen en zo in botsing komen met mensen die de orde nu eenmaal representeren en er zelf belang bij hebben die te bestendigen Men merkt in het oeuvre vaak dat Walschap in zijn typische stijl dat de verdediging van het status quo vaak met grote autoriteit een gekende riedel afdraait. Wie botst met die orde, kan overigens, zo bleek, geen goede argumenten aandragen want tegen het vigerende godsbeeld is geen kruid gewassen.

Toch vraag ik af of iemand als Joël de Ceulaer er vandaag niet een soort even stevige zekerheid tegenaan gooien zou, want hij gelooft in de harde wetenschap. Mooi, ik geloof die wetenschap niet, maar weet dat de bevindingen van natuurkundigen, chemici en biologen, soms zelfs van humane wetenschappers best belangrijk zijn en men kan tegen de grote schema’s zoals die nu bekend zijn, weinig inbrengen, als men zelf geen wetenschapper is. Meer nog, ik denk dat het niveau van kennis, maar ook van de discussies van dien aard is dat we er als leek niet goed toe komen er de betekenis van te zien. De discussie over hoe dat nu zit met de donkere materie en de donkere energie – termen die op zich al moeilijk te vatten vallen – bepaalt mee het actuele onderzoek, maar hoe dat verloopt, komt lang niet altijd in de brede media terecht. Het vaststellen van het Higgs-deeltje, dat vorig jaar in het Cern aan het licht kwam bij botsingen van materie in de Large Hadron Collider blijft voorlopig nog hypothetisch, al werd het er ook nog een tweede keer vastgesteld, dat wil zeggen een deeltje met dezelfde massa. Het gaat om wetenschap op niveau, maar het gaat om onderzoek waarvan de resultaten moeilijk onmiddellijk gevalideerd kunnen worden. Op zich kan dat geen probleem vormen, want we kunnen ze volgen, voor zover de brede media – nog maar eens – er melding van maken.

De zaak is dat de kennis van de aard van de materie en van de grote processen, bijna altijd voorspelbaar verlopen, maar er zijn er ook, stelt men vast, zoals de evolutie van het klimaat en de platentektoniek op onze aarde, blijkt men nog niet geheel te kunnen volgen, laat staan dat men alle bewegingen helemaal kan voorspellen. Ook vulkanische activiteit valt niet altijd te voorspellen. Duidelijk is wel dat we de mechanismen nu begrijpen. Ook op het niveau van het heelal reikt onze kennis ver, bijna tot het moment van de expansie van de singulariteit, maar toch zegt men, Martinus Veldman in het bijzonder, dat men nog altijd niet verder kwam dan 300.000 jaar na de big bang.  

Maar dan nog, met alle kennis van wetenschap en techniek waar we ons als samenleving gelukkig om mogen prijzen, in die zin dat er wel voldoende mensen zijn die weten hoe het zit, dan nog is het maar de vraag wat dat allemaal betekent voor ons als personen. De vraag of mensen vrij zijn? Het komt me niet voor dat Walschap dit poneerde. Zijn rationalisme lijkt niet te leiden tot een mechanistisch mensbeeld. De materie? Uiteraard wel, de materie dicteert alles, maar Walschap wist voldoende van mensen om er een uitgesproken idee van de mens op na te houden. De kritiek van de priesters in de tijd dat hij Waldo schreef en later werk, tot en met Houtekiet, had te maken met het ontbreken van een christelijke visie op de thematiek. De thematiek, van Adelaïde of Trouwen? Alles okay, het lag er maar aan dat de auteur vandaar naar een christelijke oplossing moest streven, in plaats van de soms pijnlijke verscheurdheid en het laten opklinken van de diepe wanhoop. Nu had Gerard Walschap zelf, in de jaren 1925 en volgende met onder anderen Flor van Reeth, Felix Timmermans en anderen een beweging opgezet, christelijk van inspiratie, kunst als medium kiezend en modern te zijn was de doelstelling. Ook iemand als Ernest van der Hallen was deel van deze club, maar wie Van der hallen is? – inderdaad, slechte namen houden we over. De discussie is ook voor ons van belang, omdat het vaak er alle schijn van heeft dat moderniteit slechts een kwestie van vorm is, of uiterlijke verschijningsvorm, terwijl het toch zou kunnen gaan over de wijze waarop we vandaag met de dingen omgaan. Er is meer dan alleen dan de vorm.

Walschap was in het begin overtuigd van die christelijke kunst en met groot aplomb wilde hij er zich wel voor inzetten. Als redacteur van Hoger Leven paste hij wel in de groep rond van Reeth en Em. Valvekens, die immers zelf ook nauw betrokken was bij dat blad. Daarin ontpopte Walschap zich als een overtuigd Vlaming, maakte hij de affaire Seppe Coene mee en de heisa rond de Vlaamse leergangen in Leuven en Gent. De tumultueuze strijd rond de vernederlandsing van de Vlaamse samenleving werd intussen gevoerd tegen een gepolitiseerde achtergrond, waar Walschap zich pas door de receptie van Adelaïde volkomen van bewust werd; of hij echt een christelijke roman wilde schrijven, valt vandaag niet meer uit te maken en voor ons is het concept eerder ondoorgrondelijk. Toch is het zo dat hij een zaak aan de orde stelde die voor die tijd niet geheel onbekend was, want moeders die klaarblijkelijk gelukkig waren zonder een spoor van zwangerschap bleek voor sommige priesters een reden om iemand niet de absolutie te geven. Er zijn er wel meer om die reden randkerkelijk geworden.

De vraag die de Pelgrimbeweging en de betrokkenheid van Walschap daarin oproept geldt dus de vraag hoe een kritische, christelijke omgang met de moderniteit er zou kunnen uitzien. De moderniteit, dat betekent, denken we dan, moderne opvattingen, toch? Of gaat het om nieuwe technologie, om nieuwe arbeidsvormen en –verhoudingen? De moderniteit is zelden eenduidig, in tegenstelling tot wat aanhangers van het progressieve gedachtegoed denken, want neem nu de morele gevolgen van de invoering van de pil, de contraceptieve pil begin jaren 1960, dan moet men vaststellen dat vele vrouwen die nog steeds naar de kerk gingen of er een zekere pudeur op na hielden, toch kozen voor de pil om hun vruchtbaarheid in te tomen, tegen de voorschriften van de kerk in. Walschap heeft zelf een vrouw uit de burgerij ten tonele gevoerd, Adelaïde, die haar vruchtbaarheid blijkbaar beheerste zonder eronder te lijden. Het probleem was natuurlijk dat de bedienaren in de kerk dachten dat een angstbeeld het gedrag van mensen kon sturen. Dat die angst soms hoog werd opgedreven, moet men niet vergeten, want zelfs vandaag nog zijn er priesters die communicanten de communie weigeren waarvan ze weten dat die gescheiden zijn. Maar tegelijk zijn er wel degelijk ook celebranten die minder hardleers zijn, omdat ze weten hoe de vork aan de steel zit. Immers, anders dan Walschap laat verstaan, was er op het morele vlak binnen de kerk steeds ruimte voor enige ruimhartigheid, waarbij men bijvoorbeeld in geval van zelfdoding toch koos voor een kerkelijk begrafenis, om de familie te ontzien en   dat mag men toch een mooi gebaar noemen, niet? Andere priesters waren dan weer op de letter, zoals andere mensen dat kunnen zijn. Het gevolg is wel dat de Pelgrimbeweging die de moderniteit wel wilde vorm geven, soms in hoofde van sommige leden net zeer hardleers konden blijken en ervan uitgaan dat een kunstenaar alleen maar de leer van de kerk mocht volgen. Dat vond Walschap niet en wie zou hem ongelijk geven? Een kunstenaar, een schrijver brengt wat hem of haar fundamenteel voorkomt in menselijk opzicht en probeert het verloop van het verhaal niet koste wat het kost te prangen in een eng kader van een moreel leerstelsel. Literatuur gaat er immers net over wat er gebeurt als mensen met zo een leerstelsel, het wezen een katholiek of een ander in aanvaring komen. De opzet van kunst laten afhangen van de precieze navolging van de leer brengt weinig boeiende kunst voort. Maar tegelijk, merkt men, dat de zaak van Walschap voor een groep van beslissers er alleen maar erger op werd, naarmate hij dacht authentieke kunst, authentieke verhalen te brengen. Dat er hier geen oplossing was tenzij dat Walschap de hele santenkraam achter zich liet, lag voor de hand en moeten we dus niet zomaar afwijzen of aanprijzen: als schrijver was hij binnen dat systeem machteloos en voor hem werd het systeem waardeloos.

Het feit dat Walschap door zijn (jongere) kinderen in verwarring is geraakt, zoals Borré beschrijft, laat overigens tot in het persoonlijke leven zien dat Walschap inderdaad bepaalde normen en verwachtingen voor die kinderen niet los kon laten. De oudste kinderen werden respectievelijk arts en jurist-diplomaat, tot in Peru toe, de jongere kinderen werden eerder tot artistieke levensvormen aangetrokken, maar konden uiteindelijk wel hun eigen leven uitbouwen. Maar vader Walschap was minder inschikkelijk, of net zo weinig inschikkelijk als zijn vader was geweest, voor hun bestwil. Maar kan men dat een familievader verwijten? Hen aan hun lot overlaten was ook geen optie en de juiste maat vinden, gaat ook niet vanzelf, want de zoon of dochter heeft ook een eigen wil. Goede gesprekken blijken er wel geweest te zijn, maar niet zonder slag of stoot. En toen bleek dat Carla een vrouw als levensgezel verkoos, was ook dat weer een vroege uiting van moderniteit – in het Vlaanderen van toen – maar het doet wel denken aan Erika Mann, dochter van. Kortom, was Walschap intellectueel progressief, op andere terreinen was hij voorzichtiger. Het verhaal van de relatie tussen Lieven Walschap en Anna, de dochter van Elsschot, die toch een generatie ouder was, geeft wel blijk van een vrijgevochtenheid in die Antwerpse kringen, die we vanuit onze positie niet zouden verwachten… tenzij men inderdaad die periode beter kennen.  

De eeuw van Walschap is niet Walschap’s eeuw, maar hij gaf er mee vorm aan en kon zo de zaak van een maatschappelijke moderniteit in Vlaanderen vorm geven. Maar men hoeft van hem niet de rechtlijnigheid te verwachten die men van conservatieven verwacht, ook al blijkt zelfs aan die kant rechtlijnigheid minder voor de hand te liggen. Walschap koesterde zelf ook wel een santenkraam, maar het was niet die van de kerk of de katholieken. Zijn streven paste wel in een tijd waar de moderniteit mensen ertoe dwong positie te kiezen en soms vergde dat moed, maar niet iedereen wilde de prijs van een excommunicatie aanvaarden.  

Bart Haers        
 







Reacties

Populaire berichten