Wie kan tolerant zijn als het erop aankomt?

Salongesprek

Tolerantie, Vergelding
en menselijke emoties
Waarom we met onze waarden worstelen

Thomas Jefferson, 3de president van de VSA,
opsteller van de grondwet en van de Statute of
Virginia for religious Freedom, maar ook
de man die indianenstammen over de Missipi liet
verplaatsen, waar ze in contact kwamen met
andere stammen. Tolerantie en humaniteit
kennen ook hun beperkingen. 
Oú sont les neiges d’antan? Okay, François Villon had over de dames van weleer die hij nergens vinden kon. Maar denkend aan de discussies na 1975 – toen ik er een beetje vatbaar voor werd – over verschillende thema’s, dan springen die over de doodstraf en tolerantie er wel uit. Er waren er andere, zoals over eugenese, abortus en jawel, ook euthanasie. Gelijkheid was toen minder een thema dan vandaag, democratisering was wel aan de orde. Maar, als gezegd, Doodstraf en vergelding, tolerantie waren de thema’s. Niet zoiets als “Kinderkens, bemint elkander”.

Waar dat laatste zomaar vandaan komt, kan ik mij maar niet terug vinden, maar het is ergens wel een uitspraak die mij op de een of andere verbindt met een bepaalde literatuur – Ernest Claes dus. Maar meer nog met het leven. Sommige filosofen vinden verdraagzaamheid, tolerantie een negatieve betrokkenheid, omdat de anderen, zij die niet vanzelf tot de club horen, aanvaard worden, maar niet betrokken bij de club. Anderen menen dat tolerantie opbrengen voor iemand die anders is, het hoogste is wat men kan bereiken. Hoe het ook zij, al sinds mijn vroege jeugd werd van ons een zekere deugdzaamheid gevraagd, de deugd het andere te aanvaarden. Hier verschilden katholieken en vrijzinnig humanisten, wat de woordenschat betreft niet zo vreselijk van elkaar, integendeel, er leek een brede consensus te bestaan, terwijl nu duidelijk is, dat die tolerantie niet zo heel veel van elk ons vergde, want Vlaanderen was nog relatief homogeen en leek nog vrij overzichtelijk. Vergeten we dan niet mensen naar India trokken, anderen in sekten hun heil zochten of een hippiecultuur uitbouwden. Tolerantie tegen nozems, zo was de kwestie, want van moslims was er nauwelijks sprake. De Sleepstraat in Gent was toen nog een straat van neringdoeners en nog geen Turkse winkelstraat. Men kan het betreuren, maar bezig als we waren met onszelf, zagen we niet, tot rond 1988 de partij van Karel Dillen plots een succes bleek, dat onze steden veranderd waren.

Maar hoe verhoudt zich dat tot deze vragen over vergelding, inclusief doodstraf en aan de andere kant tolerantie. Johan Sanctorum meent dat er enige vragen te stellen zijn bij de tolerantiecultuur naar aanleiding van de gebeurtenissen in een Antwerpse school – de blokkendoos (hoe kan een inrichtende overheid een school niet noemen naar een groot wiskundige of een befaamd vrijheidstrijders, Thomas Masaryk bijvoorbeeld, maar goed, die gozer kent nauwelijks iemand) – terwijl we van de tolerantie een zeer cerebrale deugd gemaakt hebben. Daarom kan het geen kwaad te kijken naar een onderzoek aan de KULeuven over tolerantie, waarvan de conclusie luidt dat men toleranter wordt naarmate men meer school heeft gelopen. Prachtig, zal men zeggen, laat iedereen studeren. Tot een uilekloot een paar bedenkingen maakt: 1°) Marc Hooghe is opgegroeid en heeft gestudeerd in tijden dat er rond colleges en athenea alleen maar witte jongeren te vinden waren, al dan niet met Milletjak; 2°) wie al eens een KTA betreedt, zal merken dat de verscheidenheid aan jongeren mateloos veel groter is dan in een college of het KA, waar ASO aangedragen wordt – maar ook dat verandert en 3°) men vergt tolerantie van mensen, maar spreekt niet over ervaringen die al dan niet ons gemoed, het gemoed van elkeen heeft beroerd, van geluksgevoelens tot angst en zelfs, tja, confrontaties en dus ook eventueel haat. Enkele jaren geleden zag men wel eens bordjes “Zonder haat straat” wat voor de een het toppunt van hypocrisie heette en voor de ander de expressie van – honi soit qui mal y pense – deugdzaamheid, burgerlijke deugdzaamheid.

En dan is er het voorzichtige pleidooi voor ultieme vergelding, zoals Rik Torfs dat op 25 juli in DS schrijft, naar aanleiding van een uitspraak van Meester Piet Van Eekchout een paar weken geleden, die met veel mitsen en maren toch maar pleitte voor de doodstraf, in Humo. Nu goed, er is wel aanleiding toe na te denken over hoe we met misdaad en straf om te springen. Toen enkele mensen dankzij VTM hun vermoedens konden uiten dat de chauffeur van de bus in Sierre de kinderen en begeleiders in een wanhoopsdaad had meegenomen, werd dat bijna klakkeloos overgenomen in de publieke opinie en zelfs de kwaliteitskranten konden niet anders dan het verhaal brengen, met achteraf een gesprek met de echtgenote. Het eigen leed van de ouders stelde de journalisten blijkbaar vrij van reflectie ten aanzien van de werkelijke gebeurtenissen en ten aanzien van de ouders die de actie tegen de overleden chauffeur op stapel hadden gezet.

Het eigen leed, krijgen we wel eens te horen, maakt wraakgevoelens niet enkel begrijpelijk maar ook worden die in één beweging aanvaardbaar. Zou dat werkelijk zo zijn? Moeten we iets wat in de lijn der verwachtingen ligt, zomaar aanvaarden? Meer nog, als een morele norm onderkennen? Het recht werd in de loop van eeuwen op verschillende sporen verder ontwikkeld, waarvan er een zeer prominent is, het afzwakken van de neiging tot vergelding: het recht moet haar loop kennen en de dader moet zich verantwoorden, terwijl de slachtoffers moeten hopen dat recht geschiedt. Men kan merken dat sinds een paar decennia de slachtoffers steeds meer betrokken worden bij de afwikkeling van strafzaken, onder meer met het argument dat die slachtoffers hun leed kunnen verwerken als de dader achter slot en grendel zit. Zou dat zo zijn?

Feit is dat de discussies van weleer – de tijd van les neiges d’antan – over de doodstraf precies educatief waren in de mate dat het recht op vergelding werd onderzocht en vaak afgewezen. Blijkbaar heeft dat project niet gewerkt, want velen vinden dat zware gevallen nooit mogen vrij komen en omdat dit te duur uitpakt, kan men, onder voorwaarden nagaan of de doodstraf niet voltrokken dient te worden. In het recht en zeker het strafprocesrecht werd in de loop van de Nieuwste tijden onderzocht hoe men het berechten van mensen kon organiseren zonder dat er nog sprake was vergelding, althans in Europa. Kijkt men naar het grootste strafgericht in de geschiedenis, Neurenberg, dan merkt men dat eisen van de slachtoffers ertoe konden leiden dat de rechters nooit voldoende konden eisen. Zeker, de zaak Eichmann, waarover Hannah Arendt schreef, liet volgens haar zien dat de regering van Israël er een educatief gebeuren van wilde maken. Volgens haar was Eichmann schuldig, maar kon men op de gronden die rechtbank in Jeruzalem vond voor de doodstraf de man niet terecht stellen. Men kan dus iemand om de verkeerde redenen straffen.

Men zal zeggen dat dit een extreem geval was, maar het is finaal maatgevend gebleken voor het heersende rechtsgevoel: in de media wordt in zaken als die van Hans Vantemsche en Kim de Gelder, maar ook Dutroux, natuurlijk de idee van vergelding aangepookt, maar we moeten ons afvragen of het slachtoffer dan wel de slachtoffers van deze figuren gediend zijn van die betrokkenheid. Emotie is van belang in ons bestaan, omdat de chemie van ons brein op dat vlak wel eens complexer blijkt dan we graag zouden hebben, verzot als we zijn op simpele feiten. Maar moet de omwereld, de mensen die geen slachtoffer zijn van de Gelder of Michèle Martin vanzelfsprekend meegaan in de eisen tot vergelding? Moet een advocaat van de staat van dienst als Vermassen telkens weer aandragen dat de samenleving nood heeft aan goede bestraffing van schuldigen, maar zich niet bekommeren om de vertaalslag, waaruit klinkt dat daders het recht van vergelding moeten aanvaarden?

Nu we weten dat onze gevangenissen vol zitten met mensen uit alle hoeken en kieren van de wereld, moet men ook weer de tolerantie van stal halen, want veel medeburgers vinden dat tolerantie tegen chacochedieven niet hoeft en dus al helemaal niet ten aanzien van bendes en ander tuig. Men zal begrijpen dat ik hier ook aanhalingstekens had kunnen plaatsen, maar men moet maar met anderen praten, ook in de betere zaken om te beseffen dat die kijk niet beperkt is tot de mensen die volgens het onderzoek van de KU Leuven niet tot tolerantie in staat zouden zijn.

Tolerantie als intellectuele deugd, zoals we al aangaven, werd in de jaren na Mei ’68 gemeen goed en men moet daar niet rouwig om wezen, terwijl het toch niet altijd in corde, het hart ervaren werd. Hoe dit uit te leggen? Woon in Brussel, ontmoet in de metro, bij de kruidenier om de hoek en op andere plaatsen mensen van Marokkaanse of Afrikaanse afkomst. Soms valt dat goed mee, dan weer valt het fel tegen, zoals wij (toevallige) ontmoetingen altijd wel het geval is.  Tolerantie bij de telefooncel – inderdaad, er waren ooit dagen zonder mobieltje – of aanschuivend in het warenhuis, dan komen de eigen spanningen, ergernissen of welwillendheid aan bod.

Tolerantie, zoals in Tolerantie-edict dat uitgevaardigd werd in 1598 door Henri IV en herroepen 100 later door Louis XIV herroepen onder druk van de Paus en de Katholieke clerus – maar intussen waren al verschillende (praktische) rechten uit het edict geschrapt, had en heeft een staatsordenende betekenis. Ook in de Republiek der Nederlanden hanteerde men tolerantie, maar ook daar golden voorwaarden. Het statuut van de staat Virginia, waar Thomas Jefferson de Statute of Virginia for religious freedom, waar ook de Joodse bevolking haar burgerrecht kreeg, laat zien hoezeer het voor een staat rationeel is, tolerantie aan de dag te leggen. Men moet er dus alert voor zijn dat tolerantie een staatszaak was en dat burgers de tolerantie die de staat oplegt aan eigen en nieuwe of andere burgers oplegt, moeten opbrengen, maar ook niet meer. De katholieken in de Republiek wisten zich recht te houden binnen hun schuilkerken en soms kwamen bekende lui als Joost van den Vondel onder de invloed van de RKK.

Kan tolerantie, vraag ik mij dan af, meer zijn dan een zaak van staatsordening? Kan het een morele deugd zijn? Zou hier niet beter plicht staan, of ligt daar net het kalf gebonden, dat deugden geen plicht zijn, maar iets waar men zelf doorheen opvoeding en ervaring toe komt. Alleszins merk ik wel hoezeer tolerantie door de ene groep als een plicht wordt voorgekauwd, terwijl anderen menen dat men aan de eigen tolerantie grenzen kan stellen. Het onderzoek wekt de indruk dat minder geschoolde jongeren en volwassenen minder tolerant zijn, maar in de praktijk van het leven heeft een onderzoekster aan de universiteit misschien niet voldoende voeling met de wijze waarop leerlingen van het TSO en BSO tegen de dingen aankijken. Dit is geen intentieproces, wel de vaststelling dat in de leefwereld van die jongeren taal en concrete uitspraken misschien een andere betekenis hebben dan wanneer men die taal afmeet aan wat academisch en cultureel highbrow – volgens Van dale: pseudo geleerd - van kracht is.

Mengen, die jongeren, ASO, BSO en TSO op een hoop? Dat is waartoe het onderzoek aanmaant, maar nog eens, als de conclusie van het onderzoek geen melding maakt van een taalkundige, linguïstische analyse, dan kan men zich ernstig vergissen. Men kan ook kijken of er een correlatie bestaat tussen (vermeende) intolerantie en het voorstander zijn van duidelijke oplossingen, c.q. de doodstraf. In werkelijkheid denken we veelal theoretisch over dat soort zaken na en komen we al even theoretisch tot de vaststelling dat de doodstraf niet kan. Na de zaak in Florida, waar de man die jonge, ongewapende jongen neerschoot, vrij werd gesproken, omdat de wet niets anders toeliet, kan men zich afvragen of juristen zelf niet moeten gaan nadenken over het taalgebruik dat zij hanteren en de wijze waarop ze concepten in het geding brengen tot jury’s en publiek ervan gaan duizelen.

De Wet is niet slechts de wet en het is helemaal niet zo, in een rechtsstaat dat de harde wet alle morele bezwaren kan opheffen, want de rechter dient handelingen te toetsen aan de wet dat wil zeggen nagaan of omstandigheden, motief en gelegenheid voldoende bewezen zijn en wat het zwaarste wegen moet. De vele zaken sinds de zaak Jespers – alweer zo een dinosaurus uit de oude doos, maar ook het publiek heeft een geheugen – hebben aangetoond dat juristen, zowel parketmagistraten als verdedigers én advocaten van de burgerlijke partijen het oordeel wel toetsen aan emoties, zelden aan hooggestemde en nobele idealen. Recht moet geschieden? Natuurlijk, maar soms lijkt het erop dat het opnieuw om het vergeldingsrecht gaat (la loi du talon) waarmee iemand gerechtigd werd de hem aangedane schade met gelijke munt te betalen, wat in feite al een beperking impliceerde van de eindeloze vete. Dat we vandaag opnieuw met dat denkpatroon te maken hebben, waarbij het recht een mate van onredelijkheid vertoont, die men maar moeilijk begrijpen kan, verwondert mij.

Emotionele reacties, wraakgevoelens incluis kan men begrijpen, men dient ze ook niet zomaar te onderdrukken (bij derden) maar evenmin dient men de slachtoffers niet te sterken in de gedachte dat vergelding de verwerking van het aangedane leed – de dood van een naaste, de schending van de eigen integriteit – zal verbeteren. Niet dat men daarom tegen bestraffing gekant moet zijn, maar verwerking en bestraffing hebben maar gedeeltelijk iets met elkaar uit te staan. Maar het gaat daarbij inderdaad om de bescherming van de maatschappij en om het bijbrengen – wat vaker niet dan wel lukt – een bewustzijn van verantwoordelijkheid en schuld, niet in juridische zin maar ook in persoonlijke en dus morele zin.

De immigratie, de toename van de mondiale mobiliteit heeft onze samenleving ernstig beïnvloed en zelfs onherkenbaar gemaakt voor sommigen. Men kan op fora vele reacties van mensen vinden die hun vervreemding en ontworteling niet de baas kunnen, terwijl ze naar eigen inzicht vele generaties in Vlaamse grond geworteld zijn. Die immigratie werd in morele verwerkt door intellectuelen en welwillende burgers, maar het Sein werd onmiddellijk en dwingend een Sollen. We moesten verdraagzaam zijn. Niet gezegd werd wat dat impliceerde en hoever dat reiken zou: gedrag, de andere keuken, omgang binnen de familie van mannen en vrouwen, omgang op straat met autocht… met mensen van hier maar wie Belg is, komt toch van hier. Neen, het onderscheid maken tussen allochtoon en autochtoon is niet het probleem, wel het feit dat drie generaties later de vermenging tussen Europeanen en anderen zeer moeizaam verloopt, omdat lange tijd bruiden en bruidegommen uit het land van herkomst werden gehaald, wat voortkwam uit de gedachte dat men die mensen ook moest laten delen in de zegeningen van het Westen en ook wel uit religieuze overwegingen. Het stille afglijden van het geloof, wat in Europa kon, bleek voor moslims veel moeilijker, opgesloten als men was in de eigen gemeenschap… gettovorming die ons goed uitkwam en hen ook.

Tot slot denk ik dat men een onderzoek moet durven doen naar de effectiviteit van het strafrecht, maar hoewel er theoretisch iets valt te zeggen voor de doodstraf, blijken de praktische bezwaren veel groter. Dat men ziet dat groepen bovenmatig betrokken zijn bij misdaden, de zwaarste misdaden komen op bij mensen van hier, uit Europa. Dat men middelen vindt om jongeren, vooral jonge gasten, jongens dus, uit Marokko en Turkije … het studeren aan te wennen en hen niet nodeloos op dwaalwegen laat terecht komen, lijkt mij een staatsordenende zaak. Tolerantie kan de staat opbrengen, mensen ertoe dwingen, als een moreel bevel, lijkt mij in contradictie met de vrije meningsuiting, terwijl het wel zo verstandig is niet te veralgemenen en elke persoon in zijn of haar waardigheid te laten. Het onderwijs heeft vorige en ook deze generaties veel bijgebracht over wat moreel goed en moreel laakbaar is. Maar in de praktijk van het leven lijkt dat wel eens prietpraat en dan verliezen we aan humaniteit. Jongeren die dag na dag met migranten te maken hebben, misschien zelf migranten zijn, zullen misschien die zaken anders antwoorden omdat enquêtes voor hen een spel zijn. In de school en op de werkvloer zijn het net die mensen, met lagere scholing die dag na dag verdraagzaam blijken, met af en toe een uitschieter, zoals die Rik van Nieuwenhuyse mocht ervaren in zijn chocoladefabriek – ten onrechte werd hem racisme verweten of was het zijn medewerkster die haar hoofddoek moest dragen, dan wel beide…. Neen, zij moest ontslagen worden en mocht zeker geen hoofddoek meer dragen, in het bedrijf. Laten we dit maar racisme noemen, maar ook niet vergeten dat afgunst en ressentiment velen meer beroeren dan ons – niet alleen mezelf – lief is.


Bart Haers    

Reacties

Populaire berichten