Zijn we wat we uitrichten?

Reflectie

Zijn we alleen economisch werkelijk?
Wie denken we wel dat we zijn – quater?

Het Paleis op de Dam is minder een koninklijk Paleis
dan wel het paleis van de Gouden Eeuwer, de burgerlijke
cultuur van de 17de eeuw, van de grote welvaart,
ondernemingszin en tegelijk de soberheid... voor zichzelf,
want dit Paleis diende de parel aan de Amsterdamsche kroon
te wezen. De economische nuttigheid? Bedenkelijk, maar de
winst in prestige en het vermogen zich met Amsterdam
te vereenzelvigen is er niet minder om, wel integendeel. 
Waarom, vroeg ik mij tijdens een wandeling in het bos af, nadat ik over de middag nog maar eens gekeken had naar dat programma “Het filosofische Kwintet” dat ik de Nederlanders zeer benijdt, sprak geen van de economen en filosofen alsmede de psycholoog Paul Verhaeghe over het productieproces, over het maken van iets in het debat over onze identiteit in het economische kader? Zou het kunnen dat we het zo gewoon geworden zijn dat economische productie iets abstract geworden is? Maar ik had wel van het gesprek genoten en hoop werkelijk dat de openbare omroep ten onzent eens probeert zo een programma zonder sterrenallures te maken.

Het vertrekpunt is natuurlijk dat we onze identiteit niet enkel in het samenleven met anderen bepalen, maar zeer zeker ook ten aanzien van de politieke instellingen en het concrete beleid kunnen bepalen, terwijl er ook zoiets kan bedacht worden als een economische identiteit. Evengoed hadden Clairy Polak en Ad Verbrugge het met Irene van Staveren, econoom, Haroon Seikh, filosoof die zich inlaat met moderniteit en traditie, maar ook met het economische in de samenleving over de vraag hoe we ons in het economische gebeuren zien. Moeten we Paul Verhaeghe nog voorstellen, die zowel over het vraagstuk van de identiteit een boek schreef als over de problemen die het neoliberalisme oproept? Het ligt voor de hand, lijkt het, de economie te zien als een zaak van handelen en verhandelen, maar zowel Haroon Seikh als Ad Verbrugge meenden dat economie in beginsel met het huishouden te maken heeft, waarbij de staatshuishouding de overtreffende trap zou wezen.

Men kan vervolgens verwachten dat men de neoliberale recepten gaat onderzoeken en vaststellen dat die niet geheel deugen, in wezen komt daar het belangrijkste punt van kritiek aan de orde, namelijk dat het maken van de dingen, zowel in de landbouw als in de productie-economie als in andere sectoren van ondergeschikt belang lijkt te zijn geworden. Peter Sloterdijk noemt de moderne mens een prosument, maar helemaal duidelijk is het niet of we daarmee over hetzelfde begrip spreken. Maar de omissie in het programma laat zien dat we bij de productie geen eigen inbreng zouden hebben, omdat procedures vastliggen en protocollen bepalen wat we gaan doen als er iets anders loopt dan verwacht, terwijl men toch zou verwachten dat goed geschoolde mensen die procedures hebben opgenomen en heel goed weten hoe het toe te passen. Dat is de kant van de vakbekwaamheid, maar het komt mij voor dat we daar weinig zicht op hebben als we over het economische spreken. Het gevolg is wel dat in de economie als wetenschap of als domein van reflectie net de handelende mens ontbreekt.

Oh neen, zal men mij zeggen dat zegde men tijdens dat gesprek ook: de handelende mens is wel degelijk aanwezig, met name in de figuur van de homo economicus, de gestandaardiseerde doorsnee mens die altijd handelt volgens of naar eigen voordeel. Zou het echt wel kloppen? Voor zover ik iets begrijp van Adam Smith, dan kom ik uit bij de gedachte dat mensen in zijn universum wel degelijk de echte mensen zijn. Jawel, er is the theory of human sentiments waarin Smith een moreel debat aangaat, maar ook zijn economische theorie laat niet toe aan te nemen dat de mens alleen het grootste voordeel zoekt. Hij gaat om met verstandige mensen die verschillende afwegingen kunnen maken. Dan wordt wel moeilijk want men zegt dat rationeel handelen ertoe leidt dat we eerder een brood zouden kopen in een grootwarenhuis dan bij een warme bakker. Nog afgezien van beslommeringen over mobiliteit en de vraag wat de tijdwinst kan zijn, blijft het zaak of we inderdaad beter af zijn als we altijd de grootwarenhuisprijs verkiezen voor producten die we eens willen voor bijzondere gelegenheden. Dan blijkt dat je soms een poelier nodig kan hebben of een zeer goede banketbakker, toch? Als we nu nooit naar die bakker gaan voor de gewone dingen, dan riskeren we dat die de deuren sluit voor we die bijzondere taart van de maand kopen. Want alle andere consumenten doen het ook, kiezen voor de laagste prijs, maar of het ook de beste prijs blijkt, moet maar eens terdege overdacht worden.

Maar, zegt men mij, rationeel handelen betekent dat je hoe dan ook de beste voorwaarden krijgt voor wat je wil, maar dat blijkt dus op termijn de markt ook te verstoren, zeker als aanbieders zich het risico veroorloven de zaak zo in de aanbieding te zetten dat ze wel met verlies werken, maar uiteindelijk de concurrentie uit de markt prijzen. Men zegt dat dit niet mag en bij wet verboden is… maar die wet geldt niet voor iedereen op dezelfde manier, al gaan we het ervan uit dat het anders is, natuurlijk.

Maar blijft de vraag of men er inderdaad in geslaagd is de mens te zien als homo economicus en of we onszelf ook als homo economicus zien, want de consequenties ervan vallen moeilijk te overzien. Zoals mevrouw van Staveren het dan ook stelde, klopt dat geenszins, omdat die identificatie met dat concept doorgaans alleen gaat over punten waar we echt zicht hebben op zo een strakke houding, zoals bij onderhandelingen, want mensen doen ook dingen om niet, liet zij verstaan. Aan de andere kant kan men er niet onderuit dat we in vele domeinen, zoals relaties, maar ook als het om liefhebberijen gaat, een economisch taalgebruik hanteren, zoals investeren in een relatie. Het valt daarom des te meer op dat we het debat niet hebben zien gaan over wat het betekent economisch te handelen in de ruimere context. Ik dacht aan Max Weber en diens onderzoek naar de geest van het protestantisme en de ontwikkeling van het kapitalisme, want daar had men wellicht een paar elementen gehad waarmee men het huidige discours had kunnen afmeten. Men ziet hoe in de zorg en het onderwijs een economisch discours gevoerd wordt, maar is het wel zo economisch, vraag ik mij af, als men abstractie maakt van de eigenheid van de specifieke opdracht. In de gezondheidszorg berekenen gezondheidseconomen hoeveel kwaliteitsvolle jaren men nog mag verwachten na een invasieve en vooral dure operatie, goede jaren die toegevoegd worden dus. Als het aantal Qaly’s te laag uitvalt, mag de operatie niet meer, heet het dan. Maar houdt men dan rekening met de arts, die het als een bron van beroepsfierheid ziet moeilijke gevallen toch goed te krijgen? Houdt men rekening met de patiënt die nog dat ene jaar wil meemaken om die of die bijzondere gebeurtenis voor zijn/haar kinderen te beleven? En houdt men rekening met de mogelijke relatie tussen arts en patiënt? Natuurlijk is de sociale zekerheid een zaak waar veel geld in om gaat en waar mensen wel beseffen dat misbruiken hun eigen situatie kunnen bedreigen. Maar de berekeningsmethodes hebben misschien een onvoldoende ethische grondslag of, bedenk ik mij, geven onvoldoende aanleiding tot ethisch handelen, vanwege de patiënt, de arts, maar ook de verzekeringsmaatschappijen en de overheid, het ziekenhuis. U ziet, er zijn meer marktpartijen dan we zouden denken.

Of kijken we naar het onderwijs waar men aan de ene kant sociale parameters wil hanteren om van succes te gewagen, terwijl men door schaalvergroting de afstand tussen bestuur en de klassen in het middelbaar onderwijs onnodig ver oprekt. Universiteiten mogen een zekere schaalgrootte kennen en er moet niet in elk provinciegat een universiteit bestaan. Zelfs de idee dat alle onderwijs geacademiseerd zou moeten worden, heeft misschien niet zo heel veel zin. Maar ook economisch is dat niet de beste benadering. Toch regisseert men het onderwijs op grond van economische principes, zo zegt men dat toch, terwijl de kwaliteit van het onderwijs misschien wel bedenkelijker is dan toen men er vooral de nadruk op legde dat de studenten goed moesten zijn en aan zekere standaarden dienden te beantwoorden. Niet iedereen kon slagen, men wist dat men het kruim kon rekruteren, maar ook zij die niet slaagden konden nog altijd iets met hun leven aanvangen.

Opvallend is ook dat men sprak over wat efficiëntie nu eindelijk betekent en of dat wel het een gepast criterium kan zijn op alle terreinen. Sommigen menen dat de overheid best zo efficiënt mogelijk georganiseerd kan worden, want het gaat niet om de vlag of het volkslied, maar ik denk dat men vergeet dat men voor een anonieme staat weinig over zal hebben en dat dus, als een organisatie geen betekenis heeft voor de betrokkenen er niemand ook maar een nacht slaap voor zal laten. Effectiviteit is overigens iets anders dan efficiëntie, wat het begrip effectiviteit impliceert dat een handeling resultaat ressorteert, dus dat elke euro die de overheid uitgeeft onmiddellijk en direct meerwaarde zou opleveren, terwijl, om maar iets te zeggen het ondersteunen van musea of bibliotheken inderdaad niet onmiddellijk een meerwaarde kan ressorteren, tenzij de toegangstickets. Maar een museum, vraagt een mens zich dan af, hoeft haar bestaan toch niet ontlenen aan een economische ratio, bijvoorbeeld om toeristen te lokken, want als de collectie niet zo heel veel waard is, dan zal die toerist de omweg niet maken. Men zal dus andere parameters moeten hanteren als het om dit soort uitgaven van de overheid gaat. Denkend aan Johan Thorbecke moet ik wel tot de gedachte komen dat de kunsten geen linkse hobby zijn.

Met andere woorden, als ik zondagmiddag aandachtig heb zitten luisteren, dan was het wel omdat er enkele inzichten de revue passeerden die men niet altijd hoort debiteren, zeker niet van politici. Onze verhouding tot het handelen, kan men zeggen, tot economisch handelen is belangrijk, maar is volgens de deelnemers niet alles bepalend.  Ad Verbrugge bracht te berde dat er in het concept van economie nu net ook iets van mores, van moraal zou zitten. Nu, men kan dat niet zomaar stellen, omdat de toets van zo een stelling pas aan de hand van onderzoek van de werkelijkheid bevonden kan worden. Concreet had iemand kunnen wijzen op de vraag hoe de kwaliteit van geleverd werk wordt beoordeeld, waardoor collegae naast concurrenten ook mensen zijn met een gemeenschappelijk belang. Een ander voorbeeld kan de vroegere landbouwpraktijk van de gemene weiden zijn, waar iedereen zijn vee kon laten grazen.

Het economisch handelen in deze tijd is maar mogelijk als de infrastructuur okay is, als het opleidingsproces okay is en als mensen door opvoeding weten wat het is zich in te zetten in een bedrijf of organisatie. Ik denk dan nogmaals aan Max Weber maar ook aan historici die wisten aan te tonen dat economisch handelen binnen een gemeenschap verloopt, een stad of een land niet echt goed gaat als er niet een grote eensgezindheid was rond de randvoorwaarden. Er is met andere woorden een grote solidariteit en identificatie met het gemene belang, het gedeelde belang dus, van node, veel meer dan men zich vandaag ook maar kan indenken, terwijl het net ook de geest was waarin het proto-kapitalisme in de Nederlanden ontstaan kon.

Er is dan nog iets dat in het debat echt een plaats had kunnen krijgen, denk ik, dat is de vraag wat mensen ertoe brengt zoveel tijd en energie in een onzekere activiteit te steken. Ik denk aan de zeevaarders of liever, de reders die een hoop kapitaal in een vaart op India staken en soms met lege handen achterbleven. Door een systeem van een vennootschap, de compagnie, verdeeld in kamers over de steden verdeeld kon men de risico’s van de investering beperken en delen in de winsten van andere ondernemingen. Solidariteit en vertrouwen binnen de compagnie waren de bestaansvoorwaarde, want de Heren XVII konden niet zonder de expliciete steun van de aandeelhouders. Men weet dat de VOC bijna 200 jaar lang naar behoren heeft gefunctioneerd en de welvaart in de Nederlanden stevig heeft bevorderd. Toen een voormalig minister-president – Jan Peter Balkenende - opriep tot wat meer VOC-mentaliteit, waren vele Nederlanders geschokt, want de VOC dat betekende kolonisatie en uitbuiting, daar wilde men niet aan. Echter, bekeken in het moederland was die VOC-mentaliteit er een van spaarzaamheid, ondernemingslust en vooral de vele afgeleide activiteiten, zoals scheepsbouw, metaalindustrie – de kanonnen die men goot werden ook aan de vijand verkocht – en zoveel meer. Als men onze ethische standaarden hanteert om de houding van onze voorzaten aan af te meten, dan, zo lijkt het mij, zal men het ook moeilijk kunnen verantwoorden dat er in die periode in Amsterdam en andere steden een grote welvaart in steen en versierselen werd uitgedrukt. Juist, het Paleis op de Dam is maar één zo voorbeeld. Maar het geeft aan dat economisch handelen vanwege de reders, met als ultiem werkinstrument de VOC, een hele samenleving tot grote welvaart kon brengen en daarom ook weer een multiplicerend effect had. Met andere woorden, een florijn uit de Oost bracht er misschien wel vijf op hier, eerst aan de zijde van de scheepsbouw, het bunkeren en wat al niet meer aan benodigdheden voor vertrek en aan het einde, na behouden vaart en het veilen van de aangevoerde waar kwam er nog eens wat vrij, want de scheepslui konden we een oorlam verzetten als ze veilig thuis kwamen, terwijl het hogere scheepsvolk ook wat zaken voor eigen profijt had kunnen doen.  

De economische discussie, zoals men die zondag bracht, probeerde enkele grendels van abstractie weg te breken, maar, zo blijkt altijd weer, men komt niet altijd tot wat er werkelijk gaande is en hoe raderen in elkaar grijpen. Dat betekent net daarom dat ik het wel eens ben met de kritiek op het neoliberalisme want net die theorie maakt naar mijn inzicht volkomen abstractie van het economische gebeuren en van de menselijke inbreng. De kritiek van Paul Verhaeghe dat het om een uitpersen gaat van mensen klopt dan ook, maar toch denk ik dat het, als puntje bij paaltje komt, gaat om het negeren van de menselijke activiteit. In die zin is dat wat men neoliberalisme noemt een utopische benadering, waarbij men de fictie van de volkomen berekenbare uitkomsten als basis neemt. De werkelijkheid? Men weet niet altijd of een onderneming echt zal slagen. Ook de kritiek op het beurskapitalisme, casinokapitalisme heeft  belang, maar als nadeel geldt het niveau van concrete bedrijven en mensen, de berekening het haalt op vertrouwen tussen bijvoorbeeld bankiers en ondernemers, kredietnemers.

Het gaat er namelijk om dat men in de media wel eens een politicus hoort roepen dat men jobs wil. Waar gaat het anders om dan om het opsmukken van statistieken, want niemand kan roepen dat er jobs moeten komen en tegelijk de eerste voorwaarde voor het scheppen van behoorlijke jobs, vertrouwen geven aan ondernemers, negeren. De gevolgen wegwerken van een complexe fiscaliteit voor bedrijven, vooral kleine bedrijven zou al helpen, want dan zou die bescheiden ondernemer ervaren dat zijn inspanningen gevaloriseerd worden. Die kwestie van vertrouwen kwam ook aan bod in het debat, maar ik heb de indruk dat de term finaal niet goed gekalibreerd is geworden. Kunnen we dan in abstractie over vertrouwen spreken? Niet echt, dat is waar en tegelijk gaat het er wel om, dat verschillende partijen in het maatschappelijk gebeuren hun positie kennen en tegelijk die van de andere kunnen begrijpen. Want vertrouwen betekent naast het nakomen van een gegeven woord ook dat de andere weet dat dit bij een akkoord ook zal gelden. Voor een visie op het economische gebeuren, zou men dus kunnen stellen is die identiteit niet zonder belang. Het leveren van goederen of diensten vormt de kern van het gebeuren, lijkt het vandaag, het bezig zijn met projecten, van korte of langere duur, met veel routine of net niet, vergeet men in kaart te brengen. Daarbij komt dat men wel degelijk als economische actor vaak tegelijk consument is en producent en dat het ene nodige is om het andere waar te maken. Men zou  daarom de aard van het economische handelen beter moeten bekijken om onze identiteit in het maatschappelijke leven zelf beter te vatten. Maar precies op dat ogenblik wordt het beeld zo niet vaag dan toch zeer complex, want er zijn vele facetten die men niet altijd goed kan zien. En toch, kijken we naar Forbes, de 100 rijksten, de 100 meest machtige vrouwen en wat al niet meer, dan valt nog moeilijk op te maken waarover het gaat. Die rijkdom en macht krijgen een betekenis en waarde zonder meer. Zelden zal men een lijst vinden, denk ik, van mensen die echt tevreden zijn met wat ze doen en vooral hoe ze dat doen. Dan moet men bij Richard Sennett terecht, die het begrip ambachtsman een passende invulling gaf voor deze tijd: mensen die voldoende vaardigheden hebben om op verschillende terreinen toe te passen. Zou de filosoof ook een ambachtsman kunnen zijn? Keren we onze blik naar de filosofische scholen, naar de Stoa en andere peripatetische scholen, dan merkt men dat er inderdaad dat de filosoof goed met de taal en met de denkdingen  moet kunnen omgaan.

Besluiten we maar dat het gesprek dat we zondag zagen en waar die mensen van het filosofische kwintet echt wel deed waartoe het bedoeld is: mensen aan het denken brengen door hen denkdingen aan te reiken. In het voorgaande hoop ik te hebben aangegeven dat ons handelen altijd wel economisch mag heten, maar dat dit niet altijd zomaar volgens een economische ratio gedacht of gerealiseerd wordt.  En onze economische identiteit? Ach, de idee van de prosument van Sloterdijk verdient toch wel aandacht, want het zou ook de abstractie verder verhelderen. Want nu krijgt bij dagelijkse berichten over het economische reilen en zeilen en vooral bij partijpolitieke discussies wel eens de indruk dat het echte abracadabra moet wezen, terwijl er zoveel in onze handen kan liggen. Juist, de goede banketbakker ook voor kleine en bescheiden aankopen het licht in de ogen gunnen.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten