Belangwekkende informatie zonder kwaliteitsmedia?

Reflectie

Verwarrende boodschappen
Over wetenschappen en leven

waar zou je brave mensen zonder gazette staan
daaglijkse bron van wijsheid 't zou zonder u nie gaan
(Willem Vermandere, mijn gazette)

Professor Marc van Montagu, samen met
Jeff Schell grondlegger van onderzoek naar
de mogelijkheden van biotechnologie. Kritische vragen
zal hij wel aanvaarden, maar verwijten die geen
rekening houden met doel en opzet, vast-
stellingen over de schadelijkheid van
pesticiden, herbiciden, mag men ook
niet uit het oog verliezen. 
Wat is het verschil tussen gezeur en kritiek? Een artikel over de ongelukkige aard van de Fransen, nu ook wetenschappelijk bewezen… of beter dat er iets fout zou kunnen zijn met hun onderwijs. De verklaring, zo valt dan toch te lezen, ligt niet voor de hand. Maar misschien is er iets anders aan de hand, met name de gedachte dat de teleurstelling van de Fransen terug te voeren valt op de gedachte dat de kloof tussen wat het chauvinisme hen voorspiegelt aan kwaliteiten en gunstige eigenschappen, van de school over de autoweg tot de cultuur steeds verder af dreigt te staan van wat ze in het dagelijkse leven ervaren. De Franse burgers, maar ook politici en zeker ook de intellectuelen hebben de bittere pil niet kunnen of niet willen doorslikken dat Parijs en de Franse taal aan status hebben ingeboet. Ook de kwaliteit van leven lijkt hen minder te zijn dan ze is, naarmate ze er zich rekenschap van geven dat het ook goed leven is, elders in de wereld, terwijl toch zovele toeristen nog steeds de weg vinden naar Honfleur, Deauville of Cannes, Nice.

Het moet dus gezegd worden dat de Franse samenleving worstelt met een soort collectieve depressie, althans, dat wijst onderzoek uit, maar het is niet zo eenvoudig vast te stellen of elke franse jongen of meisje niet zelf andere aandriften voelt, want je ziet toch wel dat er nog steeds artiesten zijn die hun weg maken, wetenschappers en sporters. De redenen voor de klachten en waarom men zeurt, kan men misschien beter zoeken in een soort kritische geest,  die niet altijd zelfkritisch mag heten. Ooit maakte ik het mee, aan een aangename dis dat ik iets zegde over de fietspaden op de routes départementales, of beter dus, het ontbreken ervan, wat tot algehele consternatie mocht leiden: de bezoeker, toerist kon en mocht alleen maar in blinde en vooral beate bewondering voor het grootse land, “de Hexagone” aka Frankrijk staan. Kritische geluiden kon men niet hebben. Als dan de ban breekt en de zaken stilaan niet meer te negeren blijken, dan ontstaat er een probleem, een kwestie van niet willen of kunnen aanvaarden dat de zaken nu eenmaal anders verlopen dan men zich altijd weer had laten voorspiegelen. Frankrijk vertoont, god betere, mankementen en het schitterende jacobijnse systeem werkt niet zo goed als men had gedacht. Waar is de zo geprezen clarté  gebleven?

Helderheid, van geest wel te verstaan, het is een van die epitheta die ons al jaren een bizarre zaak hebben geleken en steeds meer blijkt dat ook het geval te wezen. Nog in de humaniora was de Franse kunst helder en transparant, tot men Racines toneelwerk gaat lezen of zelfs Candide van Voltaire. Helderheid, zo liet men mij weten was en is een kwaliteit van het denken die men niet mag negeren: ce qui se conçoit bien, s’exprime bien… het is de muziek, zowel van Berlioz als van Brahms die me geleerd heeft dat het begrip helderheid nogal opaak blijkt. Descartes, zegde men mij, had de weg gewezen met zijn Discours de la méthode, want als men een onoverzichtelijk probleem moet oplossen, moet men het segmenteren en fragmenteren, tot het overzichtelijk wordt. Die methode kan men eenieder aanraden, al bestaat het gevaar dat men vergeet dat de uitgangspositie moeilijk te overzien was. Echter, het volgende vergt nog meer van ons beperkte verstand, dat is naderhand te zien hoe de gevonden inzichten rijmen met de uitgangspositie en daar helderheid in krijgen, bezorgt velen een hard hoofd, zodat men er de brui aan geeft. Het resultaat? Een illusie van helderheid die met de werkelijkheid wel eens zou kunnen botsen.

Het intellectuele klimaat vandaag vergt dan ook wel veel van eenieder die iets meent te kunnen melden, uit de sfeer van de wetenschap, maar ook na ampel nadenken, zoals Hannah Arendt dat bedacht heeft. Het punt is dat men van de wetenschappelijke activiteit ontegensprekelijke resultaten verwacht, wat linguïstisch tot uitdrukking komt in een taal die zelden terughoudend klinkt, maar doorgaans met grote zelfverzekerdheid inzichten verkondigt, want plaats voor twijfel mag er niet zijn. Wetenschappers die in een studie met veel mitsen en maren een verhaal doen, wijst men onbeschroomd terecht: omdat resultaten voor zich spreken. Ik weet het, er was een tijd dat wetenschappers konden hopen dat ze alle problemen hadden opgelost, maar toen kwamen Albert Einstein en Niels Bohr, toch geloofden sommigen toen dat de fundamentele problemen/vraagstukken van de natuurwetenschap waren opgelost. Blijkbaar overigens kan men de faam van iemand als Herni Poincaré gemakkelijker over het hoofd zien, ondanks zijn bijdragen, onder meer als een grondlegger van wat de chaostheorie heet te zijn - waarom zou mij dat zo interesseren*.  Sinds Vera Rubin de vaststelling deed dat er in spiraalstelsels meer massa hoort te zitten dan we uit de zichtbare masse en dito energie kunnen afleiden, spreekt men met meer overtuiging over donkere materie, maar zelf durft zij het aan te vloeken in de academische aula, door zich af te vragen of de wetten van Newton wel zo universeel zijn als we altijd hebben geleerd en werd aangenomen. Het punt interesseert me vooral omdat het mij altijd weer doet gniffelen als mensen beweren voor of van de harde wetenschap te zijn. Als één punt onwrikbaar zou moeten zijn, dan is het toch de natuurkundige wetten die Isaac Newton als eerste formuleerde, naast de Euclidische wiskunde; hiervan weten we intussen dat er een andere meetkunde mogelijk is…

Voor jonge wetenschappers moet het wel moeilijk zijn vlug tot inzichten te komen die verder bouwen op wat de voorgangers gerealiseerd hebben. Nu het er zelfs op lijkt dat het Higgs-boson gedetermineerd is, geobserveerd is, zij het in voor ons leken ondenkbare omstandigheden, moet men al ver zijn doorgedrongen in het domein van de wetenschappen om er vervolgens zelf nog iets aan toe te kunnen voegen. Kan men die ambitie laten vallen of afzwakken? Uiteraard niet, want dat zou een stilstand betekenen. Maar zou het niet een tijdlang een heilzame rust zijn als men niet meer vol ambitie en obsessies verder zou zoeken, maar een zekere status quo kon aanvaarden tot een genie met nieuwe en aantoonbaar aanvaardbare inzichten kwam?

De commerciële aard van de wetenschappelijke tijdschriften zelf ziet men vaak over het hoofd, maar in de centrale bibliotheek van de Universiteit Gent sprak goed 10 jaar geleden een vertegenwoordiger van de sector over de problemen van de wetenschappelijke tijdschriften. Het valt voor de wetenschappelijke gemeenschap eindelijk niet meer mee een artikel onbevangen te lezen. Was dat dan ooit het geval? Als we Arthur Schopenhauer mogen geloven en de gedachte van Maurice Weyemberh wat oprekken, als we de discussies tussen Isaac Newton en zijn peers mogen opvatten voor wat ze zijn, dan blijkt er van onbevangenheid niet zo heel veel sprake te zijn (geweest). Weyemgans wijst op de permanente conflicten tussen al dan niet gevestigde filosofen vom Gewerbe, terwijl Wetenschappers aan de ene kant, zoals Dick Swaab of Victor Lamme een vrij overzichtelijk beeld van het brein aanbieden en anderen twijfelen aan de mogelijkheid of het bewustzijn in het brein tastbaar gevonden zou kunnen worden. Deze laatste benadering wordt dan weer afgedaan als onzin door de vrienden van de harde wetenschap. Onbevangen omgaan met de wetenschappelijke productie van de peers? Het is een kwestie van schieten of geschoten worden zeggen mensen die met de cultuur van de academie vertrouwd zijn. Ruimte voor enige terughoudendheid lijkt er niet te zijn.

We moeten wel toegeven dat we hier op twee speelvelden tegelijk bezig zijn, aan de ene dat van de wetenschappelijke tijdschriften, waar peer-reviewed publicaties en voorwaarde en kwaliteitsgarantie waren en zijn, maar ook wel zorgen die procedures voor vormen van zelfcensuur dan wel voor bedrijfsblindheid. Het andere speelveld is dat van de brede media, waar professionele journalisten hun best doen ons te melden wat er gaande is in de wetenschappen. Dat men de vergissing van Dirk Stapel niet had gezien, kan men die journalisten niet verwijten, zegt men mij, want zij konden toch niet meer weten dan de peers, wel? Ik zou het niet weten, maar als men karakter, gedrag en eetgewoonten gaat koppelen, zou men wel eens opzienbare resultaten kunnen bereiken als men elementen als opvoeding, interactie met derden en familieleven over het hoofd ziet; dat was toch wat ik dacht toen ik las in de krant dat vleeseters agressiever zouden zijn dan vegetariërs en dat was enige tijd voor de ontmaskering. Een uitzondering is er alvast op deze regel: een dictator uit Duitsland. Maar kan men hem wel in rechte bloeddorstig en agressief noemen? Hij koesterde een utopie, ook al zijn niet alle historici het hier over eens.

De krant wist ook te melden dat een column van een journalist, Joris Luyendijk,  die in de City, de Londense beurswereld sinds meer dan een jaar op zoek is naar het waarom van de grote crisis die we beleven,  voor enige ophef zorgde, omdat de goede naam van de London School of Economics in het gedrang zou komen. Een repliek van een docent aan dat vermaarde instituut was op zijn plaats, maar ik kan niet beweren dat ik erdoor gerust werd gesteld, want we lezen over veldonderzoek en dat modellen die uitgaan van wiskundige benaderingen wel degelijk op het terrein worden uitgezocht. Dat de man niet verwees naar een kleine rel dit voorjaar over een publicatie van vermaarde economen van Harvard waarbij staten die een schuldratio kennen hoger dan 90 % van het BBP in een schuldenspiraal zonder uitkomst zouden verzinken, mag ons niet verbazen, hij had het immers over de Londen School of Economics. Maar dat maakt een mens wel wat kregelig, want zonder te gewagen van wetenschapsfraude, moet men toch maar vaststellen dat de taal van het stuk ons doet denken aan een verongelijkte politicus, die mordicus het eigen gelijk wil staven, waardoor een zekere bedrijfsblindheid onvermijdelijk in het oog springt.

Een andere discussie die op een sisser was en is afgelopen betreft het werk van Marc van Montagu, c.q. het onderzoek naar transgene gewassen, waarvan de onderzoeker zelf stelt dat het was voortgekomen uit de zorg voor een duurzame landbouw ten behoeve van een steeds toenemende bevolking, waarop een aanhanger van zuiver natuurlijke gewassen hem van antwoord diende dat hieraan problemen zaten, zoals de groeiende macht van patenthouders, waar Monsanto   een belangrijk exponent – in de publieke opinie -  van is. Wel, zelf ben ik in verschillende opzichten een voorstander van GGO, maar besef ook dat de lijn dun kan zijn. Echter, als het alternatief het gebruik is van zeer schadelijke pesticiden en herbiciden, moeten we dan niet proberen een balans te zoeken tussen voor- en nadelen in plaats van principiële keuzes voorop te stellen, die tot oplossingen kunnen leiden. Mochten die, na het natrekken van de resultaten, onvoldoende voldoening geeft, dan kan men daar op terug komen. Merken we ook maar zijdelings op dat de discussie over auteursrechten en intellectuele rechten in deze dezer dagen wel zeer verwarrend werkt en dat men toch op enig niveau, de WTO - ? – tot consensus moet komen over hoe bedrijven over organismen kunnen beschikken. Alleen is de vraag dan wie zal hier de belangen van de wereldgemeenschap verdedigen en hoe zal men dat verwoorden in een sluitend juridisch jargon, zodat de legisten van Monsanto en co er geen speld tussen krijgen, enfin, die belangen niet zomaar terzijde kunnen schuiven. Complex zal het wel blijken te zijn.

De econoom van de London School of Economics weerlegt overigens niet de vaststelling van Joris Luyendijck, omdat de vorm van veldwerk die aangegeven wordt ter correctie van de gehekelde praktijk evenzeer een kwestie is van… onderzoek van data die door de bedrijven en overheden worden aangeleverd volgens modellen, formulieren die door collegae worden opgesteld.

De discussie over de methode, zoals Johannes Spinnewijn stelt, verrast mij in die zin dat wetenschap zonder goed uitgespelde methode maar moeilijk als wetenschap kan functioneren. De mogelijkheden van de econometrische modellen kan men overigens maar moeilijk onderschatten, laat staan negeren. Alleen, de kritiek was dat de resultaten die onder meer aan de LSE gevonden werden, misschien niet voldoen om een beter inzicht in de economische politiek van overheden te verkrijgen. De focus op de korte termijn? De focus op gewenst beleid? En door wie gewenst?

Tot slot komen we uit bij de artsen die tot de orde geroepen worden. Hoe het precies zit, is niet geheel duidelijk, maar dat dokter Moens er het zijne toe heeft bijgedragen dat een overzichtelijke methode wordt gehanteerd om artsen die teveel voorschrijven, op het matje te roepen, zou ons moeten gerust stellen. Alleen, we gaan dan uit van een medische praktijk die ten allen tijde resultaat dient te boeken. Persoonlijke parameters als de lichamelijke schade die een persoon voor de ingreep of in dit geval de behandeling had opgelopen, lijken niet aan de orde. Ook kan men een arts niet verwijten na te gaan of de medicatie goed genomen wordt – therapietrouw heet zoiets - en of het resultaat heeft. En tot slot, jarenlang zeuren over cholesterol en vervolgens gaan vertellen dat er teveel van geslikt wordt, van middelen om het gehalte van dat bestanddeel in het bloed terug te dringen, komt mij nogal abdrupt voor, als men die ommezwaai niet met enige argumenten omkleedt.

Verwarrend hoeft het dus niet te wezen, maar wel is het verwarrend als men merkt hoe op het oog goed geschreven teksten finaal toch maar meer vragen oproepen. Misschien is dat ook een kwaliteit van een krant, dat de informatie enige reflectie verdraagt. Toch, als Guy Tegenbos stellig schrijft dat arts zich aan regels moeten houden, maar verder de kloof onbesproken laat tussen wat de farmaceutische wetenschap (en sector) en de geneeskunde vermogen enerzijds en het draagvlak van de gezondheidszorg, volgens berekeningen van economen en politieke economen in het bijzonder, dan blijven we enigszins verwonderd achter. Want men zal geen bericht uit Nature, The  Lancet of andere medische tijdschriften missen, althans diegene die enigszins sexy overkomen bij journalisten, om ons die kond te doen. Alleen, pogingen tot synthese, tot afwegingen met andere kwesties die in overweging zijn, blijven uit. Daar zou de krant ook een kans kunnen grijpen de geschoolde lezer aan te spreken, want misschien is het zo dat net die lezer de kranten vandaag mijdt, omdat die altijd weer een zekere onvoldaanheid nalaten. Echter, hoe komen we aan interessante informatie als er geen kwaliteitskranten zijn?

Bart Haers


 * Deze gedachte, een citaat van David Ruelle, vertaald uit het Frans in het Engels kan misschien ook helpen de situatie te begrijpen:

Mathematical Physics tries to understand a world of unknown complexity
with tools of known limitation. This 
requires boldness, and modesty. Obviously Henri Poincaré lacked neither 
of these two qualities.






 

Reacties

  1. En nu maar wachten op een even leuk artikeltje over de zogenaamde (zogenaamde dus) wetenschap die een historicus zou bedrijven. We zijn benieuwd. Persoonlijk zijn we de mening toegedaan dat geschiedenis geen wetenschap is noch kan zijn, maar gewoon veredelde bla bla bla is. Maar Bart zal er wel weer een jezuïtische draai aan geven vermoeden we . Sommigen doen zich graag voor als wetenschapsfilosoof terwijl ze noch wetenschapper noch filosoof zijn.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Hoezeer u zich ook koestert in uw anonimiteit, dit bericht kan ik alleen maar publiceren, want ad primum, ik denk dat geschiedschrijving sinds Pirenne - jawel dezelfde - en de Annales OP op wetenschappelijke wijze bedreven wordt. Het feit dat aan het eind van de rit geen wetten geformuleerd kunnen worden zoals de wetten van de thermodynamica, is dan maar zo.
    Ad secundum, ik ben inderdaad geen filosoof vom gewerbe, maar ik hou mij de vrijheid die mij krachtens de grondwet gegeven is voor om te schrijven over de dingen die mij van belang blijken. En vervolgens, ad Tertium, uw kijk op wetenschap, mijn waarde, blijft wat mij betreft altijd weer zo schraal. Nog eens, u kan altijd eens een paar weken bezig zijn met onder anderen, Philip van Loocke, het Wereldbeeld van de wetenschap. Het bijzondere is dat een beetje historicus inderdaad ook oog heeft voor technologie, voor wetenschappen, al was het maar om het denken van bepaalde periodes te begrijpen. Maar goed, hierover zal men het wel nooit eens worden met mensen die voor of van de harde wetenschap zijn. En nog iets, de subtiliteit van de leden van de (h)orde heeft inderdaad wel iets, zoals subtiliteit altijd wel charme heeft.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten