De bevlogenheid van Tomorrowland?

Recensie & Kritiek

Onttoverde wereld versus de macht van de
Romantiek als tovenaar
Waarom we toch wat nauwkeuriger mogen toekijken

Thuringen als decor van een merkwaardig gebeuren, jongeren
en anderen in de jaren 1920, die dansend en feestend door
het bosland trekken. 
Dit is een tweede poging tot begrijpen van het essay van Rudiger Safranski. De Romantiek, een Duitse aangelegenheid. 

Ik zou hiervan een brief kunnen maken, gericht aan de heer Rudiger Safranski, want het is nu eenmaal zo dat ik aan de haal ben gegaan met zijn inzichten en dan passen welgemeende verontschuldigingen en geeft het geen pas het hem nog eens goed in te peperen. Aan de andere kant, de vaststelling dat men het werk dat we nog eens proberen te bekijken, echt niet als een voorwerp van discussie of studie heeft gezien, zal er misschien toe leiden dat hij mijn gestuntel wel accepteert. Enfin, gestuntel, het is de schrijver die moet vaststellen dat een goede benadering van zo een essay niet voor de hand ligt en toch maar betracht er iets van te maken ten behoeve van geïnteresseerde lezers. Overigens, als ik zeg dat ik ermee aan de haal ben gegaan, dan is ook duidelijk dat ik er niet zo gemakkelijk afstand van kan nemen, omdat de inzichten te goed in elkaar gezet zijn dat men er zomaar een recensie of kritiekje over kan schrijven in een paar pagina’s.

Het boek riep al vragen op, bijvoorbeeld over onze kijk op het denken van Herder, maar minstens evenzeer zou men zich vragen moeten stellen over het belang van de Romantiek voor de rest van Europa. Het is dan wel een Duitse aangelegenheid, maar het blijkt wel meer dan dat te zijn geweest. Maar even opvallend is dat na lectuur duidelijk wordt wat er met een romantische ingesteldheid aan de hand kan zijn: een verhaal van nuchterheid en beroesd zijn tegelijk?

Zoals we in het vorige stuk over dit boek al schreven, was de speltheorie van Schiller het ontstekingsmechanisme van wat we als de Romantiek kennen, maar de werking ervan, de expansie, dat is een ander verhaal, want wat doe je met Novalis, die van de Romantiek dacht dat het om het vermogen ging het eenvoudige complexer te maken, het normale iets verhevens en het banale iets bijzonders? Het spel is ook voor Novalis de kern, maar het spel moet dan ook gespeeld worden. Het gaat hem om de spoken die door Europa rondwaren, eens de goden het hazenpad hebben gekozen. Maar – volgens sommigen dan – zal hij erop wijzen dat mensen van de wetenschap een surrogaatreligie maken, wat niet zo moeilijk te begrijpen is, men kan immers alles wel tot icoon, totem en voorwerp van eredienst  maken. Hij tracht, zo lezen we, de wetenschappelijke geest, die hij zelf huldigt voor de verleiding van zelfgenoegzaamheid te behoeden. Is von Hardenberg, Novalis dus een zeloot van bijgeloof, of van enige christelijke obediëntie? Alvast is voor hem de geest van de nieuwe tijd er een van onttovering. De feiten zegt hij, als hij het over het beeld van de middeleeuwen heeft, doen er niet zo toe, maar de geest, zo u wil het spook, van de heldere en kinderlijk ontvankelijke middeleeuwen plaatst hij tegenover de meer realistische geest van de moderniteit, waar geloof en liefde verdwenen blijken en waar men kennis en bezit voor in de plaats kreeg. Nu was Novalis wel als chemicus niet helemaal afgesneden van de moderniteit van zijn tijd.

Tegen Kant brengt men in dat het dualisme dat hij accepteert tussen de vrije wil als het geinterioriseerde metafysicum  en de uiterlijke kennis van de natuur, tussen een puur subjectieve geest en het objectieve materialisme ertoe leidt dat men zich kan bepalen tot die objectieve kennis van de natuur. Het Duitse idealisme, en ook de romantici proberen dit dualisme te boven te komen, waarbij de enen, zoals Schiller en Fichte het morele spoor bewandelen, maar Novalis en anderen willen toch het esthetische pad opgaan. Daartoe dient men dan wel de fantasie, de verbeeldingskracht te mobiliseren. Fantasie? Niet als aanvulling, als een drijfveer of een fraai ogende bijzaak, maar de romantici zien daarin het centrale orgaan voor het begrijpen en vormgeven van de wereld. De Fantasie mag dus inderdaad aan de macht, zoals het in 1968 klonk, maar toch niet zomaar, het gaat erom  de alledaagse bezigheden van een poëtische geest te doordringen. Maar goed, ik vrees dat sommige lezers dit wel niet zullen smaken. Maar toch, waar het bewustzijn zich voor die sfeer (van het ontzagwekkende) afsluit, begint de rampzalige geschiedenis van het moderne bijgeloof dat de wereld vanuit één punt wil begrijpen en genezen. Waar geen goden zijn, heersen spoken.

Verder in het boek zal Safranski ons duidelijk maken dat de Romantiek soms leek te verzanden in een religieuze sfeer, waar het dan ook gemakkelijk kon ontaarden. Maar toch, als Carl Schmitt hen een eeuw later verwijt occasionalisten te wezen die met alles en om het even wat bereid waren te spelen; daarmee anticiperen zij, de romantici dus op het postmodernisme, nog geen klein beetje overigens, met het verschil dat de postmodernisten illusieloos speelden. Maar weest niet bevreesd, want de romantici koesterden een religie van de fantasie, niet van christelijke aard, want spelen met een reveleerde religie, dat valt moeilijk te rijmen. Want de bron van het christendom is (natuurlijk) vertroebeld, terwijl Schlegel kiest voor de liefde – maar wat daarmee verbonden is en waar het voor stond, vergt dan weer wel enkele regels… - zodat het voor hem, Schlegel zal gaan om enthousiasmeren, zich van het goddelijke laten doordringen. Maar het is duidelijk gevaarlijk spelen met deze noties, want later zal de man, eens katholiek en wel gedoopt, die spielereien verloochenen. Toch is het belangrijk te zien dat hem en de anderen te doen was om de esthetische verhevenheid, niet de morele verhevenheid, die sinds Kant de enige overgebleven verhevenheid was. De uitleg over Kants ethische verhevenheid, zoals we die lezen, komt wel degelijk goed uit, omdat het later helpt te begrijpen wat dan het verschil vormen tussen de Romantiek en het romantische. In het laatste zal men aannemen dat de esthetische verhevenheid inderdaad kan gelden en zelfs de ethische verheven kan overschaduwen.

Het spoor van Schleiermacher die ons spreekt over de religieuze virtuositeit, waarin nog steeds de ironie meespeelt, maar waar met de jaren wellicht de bevlogenheid… neen, daarvoor zijn er geen aanwijzingen. De gedachte dat we aan zonde geen boodschap hebben, dat wie niet in de Heilige schrift gelooft, maar er ook geen nodig heeft en er zelf een zou kunnen schrijven, dat die religie heeft, komt ons bekend voor, want heeft ook Gerard Walschap niet met die gedachte gespeeld of heeft hij bij Schleiermacher leentjebuur gespeeld? Waarom ook niet? Kennis leeft maar als die circuleert en fantasie, die moet ook om en om gaan. We komen dan ook de Schöne Seele tegen, zoals ook Goethe die middels een dagboek in de Wilhelm Meister aan het woord laat. Men kan de gedachte gewoon verre van zich werpen, maar het gaat – help – om iemand die ook het schone kan zien (in de dingen en de wereld) en mooie dingen kan doen, afgestemd op de grote harmonieën en daarom in overeenstemming met de andere zielen. Men kan zich hierom verbazen en het hele gedoe van de Romantiek afwijzen, maar als we naar  sociale wetenschappers en andere wereldverbeteraars kijken, dan merkt men dat iets van die droom wel nog aanwezig is, als we het over romantische ingesteldheid hebben. Niet voor niets rekenden Goethe en Schiller zich ook wel tot de ontwikkelde verachters van de vroomheid die uit de Reden aan bod kwamen

Romantiek en nachtelijke bevlogenheid, het gaat wel samen, maar het blijkt dat de beleving van de nacht voor Novalis en anderen wel een andere opzet moet hebben, namelijk het verkennen van de mogelijkheden van de verbeelding. Duisternis die men uiteraard als een domein zien waar de rede niet heersen kan, maar het kan ook het domein blijken waarop men het leven zelf beter doorschouwen zal. De aandacht van de Romantici, van de denkers en schrijvers in de vroege 19de eeuw blijkt dan ook niet voor niets een grote hang te verbergen voor het vreemde, van de kolen- en zoutmijnen in de buurt tot de verste uithoeken van de wereld; maar was eerst Italië het land bij uitstek van wonderen, dan verschuift de aandacht naar het Morgenland – verbeelding dus – en naar iets anders, de tradities in het land van Ganges en Indus oftewel het oriëntalisme. Waar eerst ernstig spel in het geding is, bij de Romantiek zal men zien dat het romantische dwepen met de Oriënt zich vertaalt in gespeelde ernst. De ironie van de spelers van het oude Morgenland en van het Morgenland, in de jaren 1920 is dan afwezig en het blijkt dan ook niet zozeer het probleem te zijn met de Romantiek en haar verhouding tot de nuchterheid, wel stelt de romantische ingesteldheid, die duurde en zo te zien nog steeds duurt, dat ook de romantische ingesteldheid stoelt op een zekere nuchterheid die men dan weer loslaat. De herinnering aan het afleggen van het filisterdom – voor even – verdwijnt ook, kan men uit dit werk opmaken.

De problemen rond religie, rond zelfkennis en rond omgaan met de werkelijkheid, zo valt mij op worden in de Romantiek op scherp gezet, waarbij Safranski er weinig twijfel over laat bestaan dat de jonge scharen van mensen, zoals de Schlegels, Novalis, Hölderlin precies vanuit onvrede met het duffe burgerdom, ook gekend als filisterdom – maar volstrekt civiel – hun wat eigenaardige paden zijn gaan zoeken.

Precies in de houding van Wagner blijkt dat niet alles wat romantisch lijkt het ook is, laat staan verbonden blijkt met de beweging aan het begin van de negentiende eeuw. Schopenhauer – die het scherm Maya laat scheuren – Heine en Nietzsche staan nog dicht bij de Romantiek, koesteren zowel het apollinische als het dionysische, maar ze schuwen het niet, zoals de vroege romantici ook de roes niet vreesden. Bij de Nazisme zal het Romantische een handig propagandamiddel blijken, te beginnen bij de verwijzingen naar de Middeleeuwen, naar de Wartburg en wat al niet meer, zonder dat is meer dan een decor, met ruïnewaarde.

Het blijft verbazing wekken dat we de Duitse Romantiek om redenen die niets met de beweging te maken hebben, afwijzen omdat we, zoals Rudiger Safranski aangeeft het moderne, zeg maar absoluut moderne bij Hardenberg en co als zodanig niet (h)erkennen omdat we er domweg geen goed zicht op noch inzicht in hebben. Want de vraag komt wel degelijk aan de orde hoe de Nazi-bonzen met de Romantiek en de romantische ingesteldheid zijn omgesprongen – we kunnen helaas en net zo min als Safranski om de vraag heen – maar het antwoord dat we krijgen brengt ons in verwarring: de mythologie van Wagner – die alleen maar middeleeuws lijkt – koestert men voor goed gebruik, terwijl men afstand neemt van Herder, van Heine en al die literaten, zonder ze wel goed te kennen. Maar voor sommige Nazi’s leek de beeldentaal van de dichters, zoals Tannhauser en andere wel degelijk attractief, maar zowel voor Goebbels als voor de SS en Himmler zelf was de Romantiek verstoken van de juiste ideeën, ontbrak het de Romantiek aan moderniteit, aan een kijk op het technische en was men, de groep van bonzen, hoe kan het ook anders, blind voor de ironie en het spel waarmee Schiller al had uitgepakt. Aanwenden van inzichten of gedachtenspelletjes zonder er kennis van te hebben, kan tot rare uitwassen aanleiding geven. Er was soms en in sommige kringen een dwepen met de Middeleeuwen, maar de NAZI’s zelf vonden dat het niet wetenschappelijk-technisch was en de notie Blut und Boden ontbreekt in de Romantiek nu eenmaal. Ik denk dat dit een onwelkoom inzicht is dat Safranski serveert, want het vergt tegelijk dat we lui als Rosenberg, Himmler en zo gaan zien als mensen die er vrij burgerlijke inzichten op na houden, gehuld in een beeldentaal die wel romantisch mag heten, verre van ontnuchterend juist zeer bezwerend blijkt te werken.

Men kan volgens velen niet alles reduceren tot Hitler, wat ook klopt, maar meer en meer wordt het mij alvast duidelijk dat wie vandaag zonder meer stelt dat de NSDAP hem of haar niet veel zegt, misschien niet geheel klaar is met de eigen omgang met de wereld. Men zal al gemerkt hebben dat ik een zekere sympathie heb voor de tegenstanders van het regime, zoals Ruth Andreas-Friedrich of generaal Kurt von Hammerstein en dan vergeten we de Witte Roos uiteraard niet. Hun positie is niet goed vergelijkbaar, maar hun ingesteldheid wel. Romantisch kan men die niet noemen, hoewel er sprake is van avontuur, van een aandachtige omgang met de realiteit en zelfs van een bewuste bereidheid het spel aan te gaan. Voor Hitler en co was de weerstand van die groepen, zeker aan het einde van de oorlog ondenkbaar maar niettemin reëel. In februari 1943 stierven de leden van de Witte Roos, Ruth Andreas overleefde het maar haar man werd door de Russen neer gekogeld. Hij was het die als eerste concerten opzette in het kapot geschoten Berlijn, na de vrede, van het bestand tussen Oost en West. Het inrichten van die concerten was een daad die ten nauwste aansloot bij de geest van de Romantiek, bij het durven denken buiten gegeven kaders.

Want als de Romantiek belangrijk is, zo valt uit dit werk te begrijpen, dan is het om een manier van denken en kijken, naar het zelf, het ikje maar ook naar anderen, de wereld, zonder zich te laten meeslepen door het banale en zonder door het banale te worden verzwolgen. Maar men kan niet zomaar het banale pimpen, want de kans dat het banaal blijft, zo weten we, blijkt ons telkens weer te overvallen. Dat we het esthetische niet in de politiek moeten betrekken, zoals de Nazi’s en Wagner betracht hebben, zal wel duidelijk zijn. Het verhevene verzoeken kan ook niet zonder een zekere afstandelijkheid en dus ook ironie.

Voor we nog eens naar het denken van Thomas Mann, door de bril van Safranksi kijken, en naar de Wandervögel zoeken in hun tocht naar het Morgenland, meen ik dat het geen kwaad kan vooraf  twee citaten te brengen:

“Het romantische hoort bij een levende cultuur, maar een romantische politiek is gevaarlijk. Voor de Romantiek, die een voortzetting is van de religie met esthetische middelen, geldt hetzelfde als voor de religie: zij moet de verleiding  om naar de politieke macht te grijpen weerstaan. “De fantasie van de macht” – dat was vermoedelijk toch niet zo een goed idee.

Deze alinea, de voorlaatste van het boek laat toe te begrijpen wat er mis kon, maar ook kan gaan met het romantische, wanneer men duizelt van de grenzeloze vergezichten. De politieke macht kan zich, zo valt in dit werk te lezen niet lenen voor al te veel bevlogenheid, kan geen substituut vormen voor de eigen, persoonlijke en collectieve tekorten, of het gevoel van tekortschieten. Omgekeerd kan men er niet omheen dat wanneer men gelooft dat men in de maatschappelijke sfeer met utopieën gaat zwaaien, men beter niet op zoek gaat naar politieke macht. Het verhaal van Safranski over de jaren waarin Andreas Baader en Ulrike Meinhof hun ding deden, laat zien dat daar nu net wel de fantasie van de macht aan de orde was. Hoe of Safranski toen zelf tegenover mensen als Joschka Fischer stond is niet zo van belang, maar dat hij nu, enfin, bij het schrijven van dit boek interessante inzichten geeft over die tijd, die hij als een komische herhaling van de geschiedenis en zeker van eerdere (pogingen) tot revolutie bejegent, maakt duidelijk waarom hij met het bovenstaande kan besluiten.

“Anderzijds mogen we de romantiek ook niet kwijtraken, want
politiek gezond verstand en realiteitszin is te weinig voor het leven.
Romantiek is de meerwaarde, het overschot aan
mooie wereldvreemdheid, de overvloed aan betekenis.
Romantiek maakt nieuwsgierig naar het volstrekt andere.
Haar ontketende verbeeldingskracht geeft ons
de speelruimte die we nodig hebben als we
met Rilke zeggen “dat wij niet erg betrouwbaar thuis zijn
in ons verklaarde bestaan”.

Enerzijds, anderzijds dus. Maar kan het anders, dan te erkennen dat we in een paradox functioneren, waarbij we de verleiding van macht, niet enkel politiek, maar ook – geloof ik – cultureel en wetenschappelijk niet kunnen weerstaan, terwijl we zonder die meerwaarde die de romantiek levert en als we niet de mooie wereldvreemdheid koesteren. Het is niet zo dat een helder verlicht pad voor ons ligt, maar dat we zelf altijd weer voor het nodige licht moeten zorgen. Tegelijk, referentie makend aan de zucht naar transparantie in het vigerende politieke discours, zal wel duidelijk zijn dat een politiek van louter filisters, maar meer nog, een cultuur van louter filisters – droogstoppels – het leven ook geen vleugels geven.

In die zin heeft Mann, Thomas Mann in twee tijden de ruimte geboden hierover na te denken: tijdens WO I schreef hij zijn bekende en terecht bekritiseerde essay “Betrachtungen eines Unpolitischen” geschreven, waarin hij de tegenstelling ten top dreef tussen cultuur, het dionysische en civilisatie, het ordenende, het apollinische. Later, in Californië schreef hij als banneling een werk waarin hij onderzocht hoe het zo ver was kunnen komen met Duitsland en met Europa. Want al vaker heb ik mij afgevraagd of men de houding van Laval in Frankrijk of van Elias bij ons, dan wel de NSB in Nederland alleen maar als collaboratie met de vijand kan beschouwen. Is niet net het probleem dat men door de positie van mensen die kiezen voor geperverteerd nationalisme en dus ook geperverteerde utopieën beschrijft in zuiver nationalistische termen, terwijl men zo over het hoofd ziet dat hun bevlogenheid niets anders is dan een beroesd bedrijven van politiek? Eerder denk ik dezer dagen dat het feit dat van Letland over Oekraïne tot in Frankrijk de collaboratie naast een nationalistische component precies ook die andere componenten in zicht droeg juist van die bedenkelijke bevlogenheid blijk gaven. De term “De Nieuwe Orde” die we uitspuwen, vond gehoor in die dagen en dat mag ons niet ontgaan, toch? Verbonden als het is met een beweging die Mann als gevaarlijk had ervaren – hij was in 1933 stateloos geworden en werd ook wel bij de Entartete Kunst gerekend – kan ik na lectuur van Doktor Faustus moeilijker anders dan overwegen dat er inderdaad, overigens gesteund door het Auswärtiges Amt in de Wilhelmstrasse 76 in Berlijn, veel publiciteit werd gemaakt naast zeer discrete actie, bijvoorbeeld bij mensen als Gerritsen die zo de politieke Vlaamse Beweging, de Fronters na 1920 ging bespelen, zoals dat al tijdens de oorlog het geval was geweest. Beziet men de ideologische collaboratie als een Europees fenomeen, met soms uitermate wrede praktijken zoals in Kroatië, dan begrijpt men beter dat het doel dat men dacht te bereiken via het Nazisme zowel politiek als persoonlijk was. Daar trachtte ook Mann naar, met name te begrijpen waarom mensen die politiek met esthetische middelen als een oplossing zagen voor het eigen probleem, maar Safranski laat er geen twijfel over bestaan: het hoort niet want eerst moet de aanhanger van Dionysus ontnuchteren, alvorens de politieke arena te betreden. Hier komt dan ook de theorie van Max Weber over de differentiatie van de waardesferen aan de orde. Weber stelde immers vast dat de waarden die in de politiek van kracht zijn, bijvoorbeeld Vrijheid, gelijkheid, broederschap, maar ook betrouwbaarheid en nuchterheid, niet van kracht zijn bij mensen als Jan Hoet die genieten van het verhevene – of net niet – van het esthetische.

Men zal het niet zomaar denken, dat een frisse oorlog een en ander kan oplossen, maar duidelijk is wel dat eens de oorlog uitgebroken is en de bloem van de Europese jeugd bij Langemark onder de zoden wordt geschoten, komen deze jongeren in de elementaire ruimte, waar je in het avontuur zit, dus er niet meer naar hoeft te smachten en meer nog, je hoeft niet meer op het scherpst van de snee te leven, want je bent die grens al bereikt. Wie het meemaakte noemt zich niet meer civiel, maar kan alleen nog leven van oorlogen en burgeroorlogen. Het blijft verbazen dat men vaak doet alsof na de oorlog de hele ervaring vergeten werd, de ervaring van de elementaire ruimte, terwijl velen er geen afstand van konden nemen. Het maakt ook de herdenking van WO I tot een romantische onderneming, maar dan op de wijze die Safranski wenst te hekelen, want we willen geen oorlog, maar van de oorlog onthouden we de droefenis, de ontelbare doden en de beleving van de ellende, niet de fouten van de generaals of, zoals Ernst Jünger schrijft, het leven in de elementaire ruimte. De oorlog is daarmee het decor voor een intense, romantische bewogenheid en na lezing van die hoofdstukken vraagt men zich af of Hitler ook gekozen heeft in die elementaire ruimte te blijven, in plaats van in de romantische te verwijlen, zoals we lezen een natuurreservaat, zoals Ernst Jünger het stelt, in klare dionysische taal:


Wij zullen nergens staan waar niet de steekvlam voor ons een weg heeft gebaand, waar niet de vlammenwerper de grote zuivering door het niet niets heeft uitgevoerd. Omdat wij de echte, ware en onverbiddelijke vijanden van de burger zijn, scheppen we genoegen in het proces van ontbinding. Wij daarentegen zijn geen burgers. Wij zijn zonen van oorlogen en burgeroorlogen, en pas wanneer dit alles, dit schouwspel van in de leegte ronddraaiende kringetjes is weggeveegd, zal zich kunnen ontplooien wat er nog aan natuur, aan elementaire kracht, aan echte wildheid, aan vermogen om echt iets  met bloed en zaad te verwekken in ons zit. Pas dan zal de mogelijkheid zijn gegeven  om nieuwe vormen te ontwikkelen.”
(Safranski p. 328)

Met dit citaat laat Safranski zien hoe de Romantiek en het romantische in het duistere van de menselijke driften tot uitdrukking kan komen, maar dit was dan wel gevolg van redelijk onredelijk handelende generaals en officieren. Zou het denkbaar zijn dat hun optreden redelijk geweest was? De oorlog als dodendans kennen we, maar vatten we de gedachte van de oorlog op als dionysisch gebeuren, niet enkel een dodendans als metafoor, maar de dodendans zelf. In “Post voor Mevrouw Bromley” brengt Stefan Brijs ook iets van heftige dat zich van de soldaten meester maakte aan de orde, waarvan de traumatische ervaring van de Schell schock kennen, maar waarvan men weet dat bij het bij sommigen niet tot uiting kwam in onbeheerst handelen, maar precies, zoals bij de officier net lijkt op niets nog hem lijkt te raken en hij bloemen gaat zoeken op het slagveld…
.
Na de oorlog, na 1918 dus, zal zich iets merkwaardigs voordoen, dat Hesse in “Reis naar het Morgenland” heeft beschreven.  Men zal door Thüringen trekken en van stad naar stad trekken, doch vooral op het land dansen, een dionysisch feest opvoeren, waaraan velen hebben deelgenomen. Het Morgenland? Tomorrowland? Ook daar wordt, volkomen georganiseerd een grote aanzet tot orgiastische vreugde gegeven en iedereen lijkt er heen te komen. Hoewel het niets voor mij is, fascineert het gebeuren me wel. Het orgie wordt zowel door de commercie als door de overheid in veilige banen geleid, zodat men niet in de elementaire ruimte komt, wat in de oorspronkelijke reis naar het Morgenland wel het geval is. Overigens, wie meent dat men de organisatie van het festival kan verwijten dat zij de toegang tot de elementaire ruimte verborgen houdt, zal begrijpen dat ik ook wel weet dat te weinig organisatie voor verveling zorgt. Maar dan  komt denk ik de jamsessie van jazzmusici beter tegemoet aan wat Hesse beschreven heeft en waarover anderen schreven.

Kunnen we dan besluiten dat de Romantiek waarin de strijd om het dualisme tussen het objectieve, de wetenschap, het materiële en het subjectieve tot uitdrukking komen, inderdaad wel een Duits probleem, een Duitse affaire diende en dient te zijn? Aangezien niet alles wat men ziet als excessen van die Romantiek  ook met de romantiek verband houden, aangezien, zoals Safranski laat zien de aanhanger van Dionysos moet ontnuchteren voor die in de politiek stapt of eventueel in zaken, maar dat alleen nuchterheid, filisterdom ook geen meerwaarde geeft aan het leven, noch van de enkeling noch van samenlevingen, zal het er wel op aankomen niet te veel en niet volkomen te ontnuchteren, maar ook niet teveel te hechten aan de roes: voor een mens is dat geen sinecure, toch? Maar het geeft misschien een bijkomend antwoord op de vraag hoe we terug kunnen naar de redelijkheid, zoals Steven Toulmin betoogde. Er zal dus nog een vervolg komen, waarin we die mogelijkheden onderzoeken en vaststellend dat Socrates onze gids kan zijn, moeten we ook meteen begrijpen dat het belangrijk is te beseffen dat we niet alles (vooraf) hoeven te weten.

Bart Haers


  

Reacties

Populaire berichten