Herder en het debat over de moderniteit

Recensie & reflectie

Romantiek en de romantische ingesteldheid
Nadenken over gemoedgesteltenis en historisch gebeuren

Rudiger Safranski, Romantiek, een Duitse Affaire. Oorspronkelijke titel: Romantiek, Eine Deutsche Affäre. Uitgeverij Atlas. 416 pp. Prijs: 34,80

Toen ik het boek van Safranski over de Romantiek had gevonden in de boekhandel, vond ik gemakkelijk tijd voor om het te lezen, vele andere dingen dienden te wijken, want het bracht een analyse van een Beweging en een bepaalde kijk op de dingen, die vaak zonder meer in een donker hoekje werden gezet, terwijl het misschien toch wel enige betekenis kon hebben. De lectuur van Doctor Faustus, jaren voordien en van Het Kralenspel, van Hermann Hesse, hadden mij aandachtig gemaakt voor de betekenis van de Romantiek in de Duitse geschiedenis. Maar of het nu absoluut modern mocht heten, daarover viel niet te spreken, want iedereen nam post factum aan dat het met de Duitsers en dus met de Romantiek wel de verkeerde kant zou opgaan.

Edoch, het boek dat Ico Maly schreef over de ideologie van de N-VA bracht me ertoe, vanwege de uitgebreide referentie aan de kwalijk geachte rol van Herder, Johann Godfried von Herder, opnieuw bij Rudiger Safranski aan te kloppen. Deze vat immers zijn boek aan met de oproep van Herder scheep te gaan, om de oude gewoonten en de oude inzichten te onderzoeken, ook als hij over het volk spreekt. Herder vertelt dan wel over de volksgeest, maar laat niet na vast te stellen dat elk volk zo een eigen demon heeft, die best naast de andere kan bestaan.

De rol van Herder in de ontwikkeling van de Romantiek, zo lezen we, is die van voorloper, zelfs in letterlijke zin, want ook Nietzsche zal oproepen scheep te gaan en nieuwe horizonten op te zoeken. Wat heet dan conservatief? Het is volgens E.H. Kossmann een moeilijk op te lossen kwestie, maar ook anderen die zich de laatste decennia over het verschijnsel van de conservatieve ingesteldheid hebben gebogen kwamen uit bij een zekere verwarring. Ronald van Raak schreef dan over de vraag waarom er in Nederland geen conservatieve partij kon ontstaan, maar het antwoord mag verrassend heten – al blijkt het bij een kleine zoekoefening wel controversieel te zijn – dat aan de ene kant de conservatieven, zoals Thorbecke of Multatuli, jawel, dezelfde, opereerden in naam van het volmaakte of met het volmaakte voor ogen en daarom binnen de liberale partij wel soelaas konden vinden. Maar ook zij, die conservatieven, geloofden in de maakbaarheid van mens en samenleving. Voor Ronald van Raak was vooral de wijze van politiek bedrijven, namelijk in zekere zin zonder structuur of partij, fractie, de kern van hun benadering, maar ook was het wel zo, natuurlijk dat zij een bepaald elitaire benadering voor ogen hadden staan, waarbij men dat elitaire niet in termen van geboorterecht of financieel draagvlak dient te zien, maar wel in intellectueel opzicht. Het ware interessant in deze de visie van Alexis de Tocqueville bij aan de orde te stellen, die wel de conservatieve, zelfs reactionaire visie van zijn gelijken kon begrijpen, als ingesteldheid, maar er zelf van vond dat het allemaal zonder voorwerp was geworden, na de Revolutie, zelfs na de Terreur en na de Napoleontische oorlogen.

De problemen die Van Raak oproept met zijn verhaal over de (eigenaardige) karaktertrekken van het conservatieve denken in Nederland, voortspruitend uit maar niet helemaal tegen het liberalisme gericht, wel zich onderscheidend van het conservatieve denken van Burke – aldus J.L. Heldring in NRC – moet duidelijk maken dat het begrippenapparaat dat vooral bij politieke twistgesprekken kwistig rondgestrooid wordt, niet zo helder is als sommigen, Ico Maly incluis, veronderstellen. Men moet toch maar vaststellen dat als denkrichting het conservativisme niet helemaal te vatten valt in enkele gedachten. Het geval wil nu dat het verhaal van de Romantiek, voor zover het de houding tegenover de Franse Revolutie aangaat, ook al niet zo heel vanzelfsprekend als we aannemen, tegen de revolutie gekant zou zijn geweest. Het tegendeel is bij de vroege vogels van de Romantiek eerder het geval.

Nu kan ik mij wel indenken dat een revolutie van de diepgang en intensiteit die we menen te kennen van de Franse Revolutie overal in Europa schokgolven en hoge verwachtingen moet hebben veroorzaakt. Nu waren zowel de volksopstand als de Fronde van hoge heren in Frankrijk wel vaker aan de orde van de dag, maar wat zich in 1789 voordeed was ongehoord omdat zowel de volksvrouwen van de faubourg Saint-Antoine als de leden van de hoge vergadering zich van vele aspecten van het oude bestel wilden ontdoen. Men kan niet anders dan zich verwonderen over de verklaring van de rechten van de mens en van de burger, van de afschaffing van de feodaliteit – was die dan al uitgehold en vooral een formalistisch gegeven voor dure advocaten, tenzij in enkele regio’s waar nog vormen van horigheid bestonden – en van de idee dat het recht voor iedereen op dezelfde manier moet gelden. In Duitsland volgde wie er kans toe had het verloop en jongeren vonden dat die Revolutie ook voor hen iets te betekenen moest hebben, waarmee ze zelf aan de slag gingen.

De genuanceerde houding, het enthousiasme zelfs tegenover de revolutie, ook vanwege Johann Gottfried von Herder mag verbazen voor wie Ico Maly’s boek gelezen heeft want daar wordt Herder als voorstander van de idee van de organisch gegroeide gemeenschap als een conservatief voorgesteld. Iets klopt niet, maar bij deze meen ik toch dat er aanwijzingen zijn dat Safranski de positie van Herder scherper uittekent dan Ico Maly dat blijkt te kunnen. De idee van de gemeenschap die niet door een sociaal contract is gevormd, maar organisch is gegroeid, al is het mij niet duidelijk wat dat concreet kan betekenen, tenzij dat mensen geleidelijk merken dat ze als dorp, als stad, als regio gemene belangen delen en vooral als die op de helling komen te staan, als de kans zich voordoet dat het mis kan gaan, de ervaring opdoen samen iets te hebben om voor te strijden. Het organische van een samenleving staat haaks op de gedachte van het sociaal contract, maar het blijft wel zo opvallend dat men het alternatief van Herder a priori als een conservatieve benadering weg wil zetten. Want hoe kan men dit anders zien dan als een afwijzing van een door god gegeven orde? De omgang van Herder met het verleden, met de verhalenschat bijvoorbeeld laat duidelijk zien dat dit niet een antiquarische benadering is, een poging de oude verhalen te verzamelen en als kostbare schat onveranderd te verlaten. Er is meer in het spel en het valt moeilijk anders te duiden dan als het moderne pogen de veranderingen in de samenleving te begrijpen. We vernemen van Safranski dat Herder de 19de het begrip van een dynamische, open geschiedenis heeft nagelaten. Daarin is geen plaats voor de droom van een paradijselijke voorgeschiedenis, waarnaar je elk ogenblik zou willen terugkeren… om te eindigen met de vaststelling dat  Herder daarmee lijnrecht tegenover Rousseau staat voor wie de huidige beschaving een verval- en vervreemdingsvorm is van het menselijke leven: “Alles bij elkaar genomen is elk menselijk tijdperk er van gelukzaligheid, zij het elk op een andere wijze; wij in het onze overdrijven als in de lijn van Rousseau tijden aanprijzen die er ook nooit geweest zijn”. Dixit Herder die volgens Safranski in zijn tijd, rond 1769 en volgende jaren in Frankrijk reisde en er vele facetten van goed leerde kennen, ook het intellectuele leven – om het duidelijk te stellen, Herder was niet geheel vreemd aan de Encyclopedie en het Verdorven genootschap. Maar kan men Herder nog, op grond van deze inzichten op de geschiedenis als een open verhaal voor een onverbiddelijke tegenstander van de Verlichting houden? Geenszins, al kiest hij andere inzichten te onderzoeken dan Jean-Jacques in gedachten had.

Als student merkte ik hoe groot de fixatie op de geschiedenis van de Franse revolutie wel was en hoe weinig we daarom vertrouwd werden gemaakt met bijvoorbeeld de strijd van de Patriotten en Prinsgezinden in de Republiek, de aanzetten, met nuances tot modern staatsbestuur van Frederik de Grote van Pruisen en ook van Maria-Theresia en later Jozef II. Helemaal ondergesneeuwd was de inleiding tot de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk en vooral de gebeurtenissen in de achttiende eeuw. De groene revolutie in Vlaanderen tot slot – hoewel niet alle historici overtuigd zijn van de visie die Chris Vandenbroecke in 1982 vooropstelde in zijn essay over de sociale geschiedenis van het Vlaamse volk blijkt ook niet tot een verhelderend debat te leiden.  

En er is nog een aspect dat we voor ogen kunnen houden, met name de vaststelling dat het gebruik van het land, voor landbouw, maar ook voor lusthoven in sommige delen van Europa voor gevolg had dat het oude bosareaal nagenoeg verdwenen was. De gevaarlijke dieren verdwenen uit grote delen van het verstedelijkte en – vrij naar Simon Shama – vertuinde Europa droeg ertoe bij dat de verhalen uit oudere generaties schielijk verloren wat ze aan werkelijkheidswaarde hadden. Behalve dan misschien de verhalen over boze stiefmoeders.

De romantici zoals Tieck, Hölderlin en anderen keken naar hun eigen tijd met verbaasde ogen, maar er was weinig dat ze zomaar wilden behouden. Integendeel, de bestaande orde was aan verbetering toe, maar men kon dat niet zonder zich ervan te verzekeren of men zich wel goed op de hoogte van het bestaande had gesteld. Volgen we het werk van Safranski, dan blijkt dat de spanning tussen wat men de rationalistische filosofie kan noemen, waarvan Kant het kantelpunt vormt, dan moet men toch erkennen dat de eerste generatie van romantici echt wel ogen heeft en aandacht voor de man en zijn werk. Er komt dus een stevige muur te staan tussen ons en de Romantiek, als we blind blijven voor de evolutie van het denken en de ontwikkeling van de geesten te dien tijde.

Zo stelt de auteur zonder meer dat er in Duitsland geen Revolutie van onderen uit kon ontstaan, maar als we de beperkte doch verheerlijkte rol van de volksvrouwen op weg naar Versailles op haar waarde schatten, dan blijkt de Franse Revolutie ook niet zozeer een revolutie van onderop. Nu, sommige prelaten en adellijke heren die de revolutie genegen waren, was de zaak van de Conventie en zelfs van het comité du Salut Publique er een van de hogere, geschoolde middenklasse, die er wel in slaagden de revolutie zelf als een volksgebeuren voor te stellen, waardoor jongeren bereidwillig voor Dumouriez zouden sneven bij Jemappes, maar ook deze figuur blijkt bij nader toezien niet zomaar in een kamp gezet te kunnen worden. De gang van het leven en voortschrijdend inzicht, wat wil u.

Meer dan we denken vormt dit voortschrijdend inzicht wel eens een hinderpaal om de zaken simpel voor te stellen, maar dat is ook niet doel van Rudiger Safranski en al zeker niet het mijne. De complexiteit van de Romantiek als beweging, hoe beperkt ook in de tijd en hoezeer ook beperkt tot Duitsland (Jena, Weimar, Berlijn en München?) heeft het gedachtegoed haar plaats gevonden in de geesten en blijkt het vaak een ingesteldheid te zijn geworden, wat tot nare gevolgen kon leiden.

Goethe stelt Safranski voor de vraag of wie de revolutie niet goed ziet evolueren a priori een voorstander zou wezen van het Ancien Regime. Voor de auteur is dat niet het geval, maar Goethe merkt dat er problemen zijn met de alliantie van de elite en het gepeupel maar ook ziet hij zo te zien op tegen de algehele politisering want dit bevordert liegen, voorgelogen worden en zelfbedrog. De gedachte dat dit ook voor ons enige betekenis kan hebben, laat mij niet los, omdat de neiging – ook vanwege academici – de zaken te versimpelen, in plaats van de complexiteit te verhelderen, er vaak toe leidt dat een helder inzicht in de eigen tijd en de aard van het samenleven, de economie, cultuur en dus ook de politiek er niet mee bevorderd wordt. Zelden werden de woorden van Lincoln vaker herhaald, zou men kunnen denken als dezer dagen: men kan altijd wel iemand beliegen, men kan lange tijd velen bedriegen, maar nooit iedereen de hele tijd. Toch zal men dat toch moeten bekijken, alleen denk ik, verwijzend naar Safranski’s visie op Goethes visie op het Ancien Regime en de Franse Revolutie, inclusief de Revolutionaire republiek Mainz die in 1793 even leek model te zullen staan voor het nieuwe revolutionaire Duitsland, dat men vele elementen in de balans zal moeten leggen. Men kan wel degelijk tegen de Revolutie zijn – als tijdgenoten, niet zoals wij, als later komende – maar niet voor behoud van de sociale en juridische verhoudingen van het Ancien Régime.  

De idee van het spel blijkt bij de eerste golf van de Romantiek op inspiratie van Schiller een belangrijke rol te hebben gespeeld, want met de speltheorie van Schiller (1794) luidt hij de romantiek die rond 1800 de kop zal opsteken.  Het gaat erbij Schiller – die daarmee een van de eersten was die tot dat inzicht kwam – dat de weg van de natuur naar de cultuur via het “spel” verloopt en dat betekent via rituelen, taboes, symboliseringen leidt. De ernst van de driften – seksualiteit, agressie, concurrentie en vijandschap – en van de angsten voor dood, ziekte en verval verliezen daardoor iets an hun dwingende, vrijheidsberovende macht. Voor Schiller gaat nut vrijheid dan ook tegen in nutsoverwegingen en, klinkt het verder gaat de Burgerlijke maatschappij meer dan ooit tevoren gebukt onder het dictaat van het nut. De Romantici zullen die gedachte met groot genoegen overnemen en zich tegen de filisters verzetten. De fragmentatie van het wezen, van de mens en de samenleving doet zich voor. Politiek werd een machinerie van specialisten en meer nog, we zagen – volgens Schiller – hoe het genot van werd gescheiden van de Arbeid – waar zou Hendrik de Man zonder Schiller zijn geweest? – het middel van het doel en de inspanning van de beloning. Maar de oplossing ligt bij Schiller niet bij een terugkeer naar een voorvaderlijke paradijselijke tijd. Voor Schiller geldt ook dat die verbrokkeling van talenten, van mogelijkheden een voorwaarde voor de vooruitgang en ziet er dan ook een antagonisme van de krachten in dat het grote instrument van de Cultuur zou vormen. Schiller had (uiteraard) iets met de Grieken en wellicht dus ook met Heraklitos, maar toch zou het gemakzuchtig zijn in Schiller dezelfde misantrope visie te ontwaren, want de Duitse historicus, dichter en filosoof – toen kon men opmerkelijk in een persoon verenigen – zag, zoals gezegd precies in de mens, hoe verbrokkeld ook het exponent van de mogelijkheid de weg van de natuur naar de cultuur te gaan :

“Het spel van de kunst spoort de mensen aan met
al hun krachten te spelen- met verstand, gevoel, verbeeldingskracht,
herinnering en verwachting. Dit vrije spel bevrijdt ons uit
vernauwingen die het gevolg zijn van de arbeidsdeling.
Het laat toe dat de enkeling, die lijdt aan zijn versplintering
een geheel wordt, een totaliteit in het klein,
zij het af en toe, zij het maar voor een ogenblik
en op het beperkte terrein van  de kunst.”
(Safranski, De Romantiek, p. 46)

Dat het op een esthetisch programma zou uitlopen viel te voorzien, maar dit esthetisch programma van vorming en opvoeding de opwaardering van kunst en literatuur hoger opkrikte dan voor mogelijk te houden valt, mag men ook niet vergeten. Maar ook dat de gedachte aan kunstzinnige autonomie en het grote spel van de verheven nutteloosheid de eerste generatie van de Romantiek vleugels heeft gegeven.

De wereld veranderde, hoe kan het anders, sneller dan mensen zich een oordeel konden vormen en in die periode waren er niettemin mensen, zoals Herder, Goethe en Schiller die zich net dan niet onbetuigd lieten. Herder ontdekte dat men reizen moet en verkennen, wil men begrijpen hoe samenlevingen functioneren, Goethe nam afstand uit de revolutionaire sfeer maar schreef met Wilhelm Meister weliswaar een klassieke of meer nog – in die dagen – zeer à la mode zijnde Bildungsroman, waarin hij de samenleving presenteerde in meerdere facetten. Er is een genootschap dat de held volgt, maar er is ook het werkelijke leven dat hem soms overvalt, soms van de sokken blaast maar waarmee hij dan toch in het reine komt. Het leven moet geleefd, maar zoals Schiller dan weer laat verstaan, al die arbeidsdeling en specialismen maken van mensen versnipperde, gefragmenteerde wezens en daar moet toch wel eens over gedacht. Hij wees op het belang van het spel als weg van natuur naar cultuur en vond daarom dat burgers die zich in de nuttigheid der dingen verslikken best eens kunnen buigen over kunst en literatuur. Men zal bedenken dat in die jaren Haydn, Mozart en van Beethoven in de muziek de absolute muziek, los van gebruiksvoorwaarden en nuttigheid wisten te realiseren. Een opera of een vioolconcerto heeft geen andere betekenis dan zichzelf en om gespeeld te worden. De vluchtheuvels tussen de wegen van de modernen en vermeende conservatieven blijken maar verheven boven het maaiveld. Alleen die tussen deze speculatieve geesten en het filisterdom zullen hoger lijken dan ooit. Maar ook dat heeft gevolgen gehad.

E.T.A Hoffmann is een van die figuren die ons wel eens raken, zij het in de vermomde vorm, via de Kreisleriana. Maar het is slechts een begin, want als Novalis en Schlegel zich aan het romantiseren zetten, zal het beeld van het leven helemaal veranderen. Dat zal leiden tot een uitgesproken handelen met de ironie, dat wil zeggen dat de ironie in het spreken over mensen en dingen de bestaansvoorwaarde wordt om iets te kunnen te zeggen. Het heeft te maken met de chaos – in onszelf, want Ineffabile est individuum – maar ook de chaos tussen de mensen is van gewicht en dus wordt het leven een komedie van misverstanden. Maar als men al de ironie wil hanteren, het vergt, om het woord van de tijd te hanteren, genie om goed ironisch uit de hoek te komen.

In een ander stuk zullen we ons buigen over Fichte en de Duitse opstanding als gevolg van de Napoleontische arrogantie, zal dus het ironische misverstand van de romantici, hoezeer Fichte ook met Schlegel en anderen overweg kon, een ernstiger toon aannemen. Maar eerst was er nog de vraag waarom we ons eerder als een stuk lava op de maan kunnen zien dan als een levend ik en het plezier dat daaruit te puren valt.

Het zal u opvallen dat we slechts langzaam door dit boek heen kunnen wandelen en er dan nog maar zeer verspreid uitgestrooid liggende parels weten aan te dragen. Het punt is niet Rudiger Safranski ons overspoeld met namen en inzichten, want dat doet hij onweerlegbaar wel, maar dat hij de lijnen schetst, niet bepaald lijnen van geleidelijkheid, waarmee alles zich in die jaren voordeed in Duitsland, of liever in Thüringen en Berlijn, verbonden lijkt, althans die modernistische benaderingen van de dingen, maar dat hij daarmee enkele simpele aannames over de geest van de Romantiek en de uitdrukking die men eraan gaf, toen, want daarin zit nu net het probleem waarmee we te maken krijgen als we weigeren de aannames die ons telkens weer aangereikt worden ernstig te onderzoeken, minstens er het gebrek aan ironie van te ontwaren en begrijpen. Anders gezegd, we slagen er de kritiek aan het adres van de Romantiek te begrijpen als een gebrek aan ironisch vermogen.

Deze invalshoek zal nodig blijken, want nadat Safranski alle hoeken van het romantische heeft laten zien, zal hij de vraag onderzoeken of de NAZI-ideologie nu werkelijk veel uitstaans heeft met de Romantiek, zelfs met de romantische ingesteldheid. Het antwoord vergt daarom ook dat hij na de grondslagen gaat van de Duitse culturele revolutie van de late 18de eeuw, waarin de grote namen, ondanks de afstand elkaar lijken te kennen en elkaar ook vinden, al is het maar om inzichten te verschillen. Het spel is voor Schiller én voor Novalis cruciaal maar verliest vervolgens, in de romantische ingesteldheid aan belang, zoals we bij Wagner zien. Nietzsche zal het nog een keer opbrengen, maar als we naar deze tijd kijken, de onze, dan vinden we veel romantisch, maar daaraan hechten we dan een onbegrijpelijk belang, terwijl dat romantische alle ironie, vele spelelementen ontberen. Wat is er gebeurd dat die geest van Schiller en co verloren kon gaan? Safranski laat overtuigend zien dat onze visie door een atrofie van het gevoelsleven, teveel sentiment, te weinig emotie, het gevoel voor het belang van het spel verloren is. Een beetje, zoals koningen die maar kunnen doen alsof ze koning zijn, ernstig vasthouden aan hun ambtseed. Een koning die een ambtseed aflegt? Een nar had het niet beter kunnen bedenken.    

Bekijkt men de rol van Fichte en diens Ik-filosofie, waarbij Goethe het zo merkwaardig vond dat hij al meende enkele van zijn ikjes door het open raam aan de Frauenplan in Weimar te zien zweven. Aan de andere kant zal Ludwig Tieck een novelle schrijven waarmee hij Fichte voorafgaat, William Lovell waarin de zinloosheid van het bestaan breed wordt uitgemeten. Maar tegelijk komt het probleem om de hoek kijken dat vandaag evenmin zomaar kan worden opgelost als toen het geval was, met name de ballast van de verveling.

Maar Tieck had dan misschien gedwaald en zich verlustigd in romantisch nihilisme, maar toen hij het boek schreef, de brievenroman was hij al vrij van de dwalingen en de verwarring. Hij hield nog wel van de verwarring, maar de verwarring had hij wezenlijk achter zich gelaten. Als er overigens een grappig detail aan de oppervlakte komt, dan is het dat Ludwig Tieck “Der gestiefelte Kater” schreef als een satire op de geplogenheden van de literatuurfabriek van Hambach, Spiegeleffecten, een stuk in een stuk en durf literaire conventies met voeten te treden. Nog eens, zou men de Romantiek, alvast Tieck een conservatieve auteur noemen. Een ding vergeet men wellicht, dat de literatuur aan het einde van de 18de eeuw een hoge bloei kende, dat wil zeggen, dat het aanbod van lectuur voor kwijnende… neen, dat het aanbod aan lectuur geleverd werd volgens vaste formats, waarbij de lezer(es) perfect kan volgen hoever men in de intrige gekomen is. Tieck laat zien dat mensen zich daarbij maar weinig durven te verbeelden. Wat niet in deze wereld kan, hoeft ook niet in boeken te kunnen. Romantiek? Het is misschien daarom dat kwaliteitskranten ons dezer dagen komen verblijden met het nieuws dat vrouwen hun weg naar porno gevonden hebben, zij het minder heftig, zegt men, dan voor mannen het gebruikelijke verhaal is. Het gaat dan ook wel om het verdrijven van de verveling, dan wel en daar komt de Romantiek nu net wel om de hoek kijken, door de schoonheid van de dingen, in de voorvallen te zien, ook al vinden we ze gemakkelijk banaal. Maar ook is er de gedachte dat niet alles wat men beleeft zomaar ontdekt en in het rond moet uitgebazuind worden want velerlei kan beter in de nacht verloren blijven.

Ik weet het, ik ben mij aan het verliezen in dit boek, in deze zoektocht naar wat de Romantiek nu wel was, maar ik begrijp dat lezers aan al die details geen boodschap hebben, nu men alles kan vinden op Wikipedia en andere platformen. Die hebben hun verdienste, maar boven een studie als die van Rudiger Safranski, waarin vele facetten aan de orde komen van een cultuurgebeuren dat we vandaag niet kunnen maar wel willen vatten in enkele zinnen. Het is duidelijk dat we in een volgende hoofdstuk meer in zullen gaan op de grote vragen van het nachleben van Tieck, Novalis en de anderen, met in gedachten wel de vaststelling van Safranski dat Verlichting en Romantiek niet aan elkaar tegengesteld kunnen zijn.

Bart Haers




   

Reacties

Populaire berichten