Wie wil nog vertellen hoe het nu zit?

Reflectie

De waarheid en wat we
Ermee te bereiken
Discussie over de Parrésia

Diogenes was, zoals men weet een cynische
filosoof die de waarden wist om te keren
en daarmee zijn publiek schokkend
toesprak. Vandaag lijken we af en toe
nood te hebben aan scherpe pennen
en tongen, maar om wat te vertellen? 
Deze reflectie ontstond tijdens de lectuur van een boek van Rob Devos, Waarheid spreken in politiek, onderwijs en vriendschap. Michel Foucault over Parresia. Uitgeverij Garant, Een recensie volgt dus nog. 

Tinneke Beeckman bracht in De Morgen de vraag te berde wat de rol van intellectuelen kan zijn en hoe dat vandaag invulling krijgt. Zij besluit met deze gedachte:

“De intellectueel die vrij en na onderzoek een stelling inneemt vanuit een oprechte bekommernis om het algemeen belang, moet op steun kunnen rekenen. Zelfs van wie liever Vanity Fair openslaat dan Shakespeare. Ook de (post)moderne samenleving heeft intellectuelen nodig.”

Vrij spreken in deze samenleving is een element, onderzoek over hoe de vork aan de steel zit een tweede en de moed hebben eventuele machten die er nu eenmaal zijn, te weerspreken een derde. Rob Devos onderzoekt de lessen van Michel Foucault zoals hij die bracht in het Collège de France en in LA aan het einde van zijn leven. De kwestie is niet dat hij daarin zou tegenspreken wat hij voordien had ontwikkeld. Zijn schielijk overlijden maakte het niet meer moeilijk voor hem op enig moment de gang van zijn onderzoek aan een onderzoek te onderwerpen. Dat de filosoof naam maakte als de filosoof van het onderzoek naar de sociale druk en de controle vanwege de samenleving op het individu, mag niet wegnemen dat hij later het optreden tegen de mainstream in wenste te onderzoeken. Het bindende thema is dus finaal hoe macht werkt in de samenleving en hoe individuen met macht omgaan, enerzijds ervaren als verdrukkend, anderzijds de mogelijkheid onderkennend die tegen te spreken.

De waarheid herkennen we vandaag niet meer, heet het, omdat we in een postmoderne cultuur leven, waar elk van de grote verhalen hun betekenis verloren zouden hebben, maar ook, lijkt het, omdat de eisen van datzelfde postmodernisme op moreel vlak een open blik op de waarheid verhindert, of liever, men mag er niet over spreken. Nu heeft dat me precies altijd al gefascineerd, want als men iemand met een donkere huid, met Afrikaanse achtergrond alleen nog Afrikaan, of Afro-Europaan dan wel African American mag noemen, dan bemoeilijkt men de conservatie. Twee kwalijke gevolgen kan men moeilijk terzijde schuiven, namelijk dat we niet meer weten wat we bedoelen als we bepaalde zaken willen ter sprake brengen en twee, het is een buitengewoon exclusieve benadering van de wereld: alleen wie er in slaagt de codes en de taboes te kennen, mag nog meespreken. Sinds N-VA in het publieke domein een luide stem gekregen heeft en daarbij van tijd tot tijd, zoals Peter Deroo rond de uitwijzing van een goed geïntegreerde Afghaanse jongeman standpunten inneemt die niet mainstream en niet rechts klinken, kan men zich afvragen of er in Vlaanderen nog wel een ruimte is voor open debat, want ondanks de blijken van openheid van mandatarissen van de N-VA zien we toch dat men hen bejegend alsof ze alle mogelijke afkeurenswaardige inzichten uitdragen, van neoliberalisme tot een of andere vorm van xenofobie. Dat laatste kan men niet hard maken. Om zeker te zijn bepaald men zich dan maar tot een uiting van afkeer voor de conservatieve maatschappijvisie of komt men aandraven met de gedachte dat de ideologie van de partij zich zou baseren op de Antiverlichting.

Nu weet ik nog steeds niet hoe men antiverlichting kan definiëren, maar het heeft volgens gespecialiseerde politieke wetenschappers te maken met een beroep op filosofieën die men niet tot de radicale Verlichting kan rekenen. In zijn werk over de Romantiek, een Duitse Aangelegenheid, laat Rudiger Safranski zien dat minstens Herder een uitgebreider benadering verdient dan de boude voorstelling dat hij niet de visie van de Verlichting onderschreef, want hij sprak over de idee van een organische samenleving. Maar Jean-Jacques Rousseau was dan toch zo een filosoof die de wereld aan beschaving en de mens aan het maatschappelijke ten onder zag gaan. Met alle respect aan het adres van deze politieke wetenschappers, onder wie Ico Maly, die Herder in de tegenbeweging plaatsen, maar wie naar de periode kijkt die met Descartes een aanvang lijkt te nemen, maar wie de geschiedenis van de Westerse filosofie nader bekijkt, zal merken dat enkele van de grote namen, zoals Descartes, Rousseau, Diderot het lastig hadden met de mensen zoals ze zijn, dat vele filosofische inspanningen erop gericht waren een mensbeeld op te hangen, dat de individualiteit en derhalve de diversiteit van de fenomenen, maar vooral van de concrete mensen uit het oog verliest. Belangrijker nog lijkt mij de vaststelling te zijn dat wie de filosofische traditie in Europa bekijkt, vanaf de 16de eeuw, dus beginnende met Thomas More, Erasmus, Giordano Bruno – al weten we dat hij ernaar streefde de Hermetische traditie verder te zetten – tot en met de filosofen van de Romantiek en het wetenschappelijk positivisme (met hun tijdgenoten) in wezen voortdurend met elkaar in discussie waren, soms over het graf heen. De Verlichting en ipso facto de Antiverlichting kan men dus maar moeilijk definiëren laat staan scherp aflijnen. Jonathan Israël heeft zeer waardevol werk geschreven over de geschiedenis van de Republiek der Verenigde Provinciën, maar ik heb het lastig met de idee dat er een radicale Verlichting te onderscheiden zou vallen, waarbij de rest, ook iemand als Voltaire of de Schotse filosofen niet in aanmerking zouden komen. Natuurlijk, de werking van Diderot en d’Holbach, van Rousseau en anderen, die vandaag schier vergeten zijn, waren belangrijk maar men kan de Verlichting als een periode begrijpen waarin het debat over de kennis van de wereld werd gevoerd, niet los zien van de soms stilzwijgende steun van hoogwaardigheidsbekleders en tegelijk was er natuurlijk de Censuur, zelfs in de Republiek. Censuur met kapitaal, omdat de gevestigde orde zoveel licht niet verdroeg.

De discussie over de Parrésia verdwijnt daarmee op de achtergrond, meer in het algemeen, als we de periode na de val van de muur, een respectabele cesuur in onze geschiedenis, overschouwen, dan merken we dat er een dynamiek op gang is gekomen die Stephen Toulmin beschrijft als een verborgen agenda van de Moderne Tijd. Laat mij wel duidelijk zijn, Toulmin heeft het over de agenda van Descartes en diens volgers, de filosofen van de (radicale) Verlichting en hij merkt op dat zij, telkens wanneer de politiek-maatschappelijke verhoudingen, als gevolg van godsdienst- en andere oorlogen onzeker wordt,  met de gedachte aan de slag gaan dat de wetenschap houvast moet bieden.

Rob Devos maakt duidelijk dat men dat verschijnsel ook bij de klassieken, van Socrates over Plato en Aristoteles tot Seneca kan detecteren: de wijze waarop men aan parrésia aandacht besteedt, heeft te maken met de manier waarop men tegen democratie of de teloorgang van de democratie aankijkt. Als men het vertrouwen verliest in het inzicht van de crowds, de massa, dan zal men ervoor kiezen dat de politieke macht in handen komt van een beperkte kring. Men kan, behalve voor de grootsteden die ontstaan in het Romeinse Rijk, zoals Roma en later Byzantium en Alexandrië niet echt van massa’s spreken. Aristoteles dacht aan een Boulè, een volksvergadering van maximaal 10.000 vrije burgers. Vermenigvuldig dat met 6, i.e. een familie van drie of vier leden en eventueel 2 dienaren en men heeft al een behoorlijk grote agglomeratie. Overigens, wie het over het Romeinse Rijk heeft, vergeet vaak dat de lokale autonomie van de gemeenten, de municipia waar dan nog eens aan de hand van cijnslijsten mensen in bepaalde groepen werden gedeeld en waar doorgaans leden van de stand van de “equites” – ridders dus - geroepen werden om de locale belangen te behartigen.

Met andere woorden, termen betreffende politieke bestuursvormen en maatschappelijke omgangsvormen, zoals filosofen en ook wel politieke wetenschappers die wel eens hanteren, ontberen vaak de grondige documentatie en vooral de toets aan de werkelijkheid. Men moet dan ook pogingen doen die werkelijkheid te onderkennen. Dezer dagen krijgen we berichten dat wie alleen woont als jongere en joints gebruikt groter kans heeft om verslaafd te raken. Men verneemt dat men elke vorm van racisme, elke zweem van racisme moet veroordelen, want voor men het weet komt men bij vervaarlijke vormen van discriminatie. De toets aan de werkelijkheid wil ik niet eenvoudiger voorstellen dan ze is, maar als men blijft uitgaan van meten is weten en dus de omgang van mensen met elkaar via vragenlijsten te lijf gaat om aan de weet te komen of de Vlamingen meer tot racisme geneigd zouden zijn dan bijvoorbeeld de Fransen of de Nederlanders, dan vraag ik mij toch af hoe men zinvolle valideringstoetsen aan de bevraging kan stellen. Waarom krijgen we niet elk jaar een grondige vergelijking van de vergelijkbare instellingen die krachtens een verdrag in Europa bestaan en waarmee men racisme wil bestrijden en discriminatie te lijf gaan? We krijgen wel jaarverslagen van het centrum, maar ten gronde zegt dat vooral dat het de eigen bestaansreden huldigt.

In een interview in een Vlaamse Kwaliteitskrant – inderdaad, met kapitaal – zegt een schepen van de stad Antwerpen, bevoegd voor sociale zaken dat ze geen enkele wijk, geen groepen los mag laten, ook al lijken die niet altijd bereid mee te werken aan een goed leefklimaat in het stedelijke weefsel. Maar zij zegt ook dat racisme een relatief begrip is. Uiteraard zal de oppositie niet op het eerste punt ingaan, maar wel op het tweede, want dat is voor de SP-a en verstandig, weldenkend links – bemerk hoe een eeuw geleden zo een zin onmogelijk was geweest – de rode lap die hen doet dollen. Racisme? Een verkeerde uitspraak? Hoe zou je dat formuleren? Kortom, de kwestie ligt moeilijker dan zij denkt. Maar vooral, bedrijft zij Parrésia? Het is haar rol als leidster van de oppositie de meerderheid kritisch te bejegenen, ten behoeve van het algemeen belang. Maar voor haar en voor weldenkend links is racisme een abstract begrip, een morele meetlat. Terwijl op andere terreinen verbodsbepalingen niet mogen, zeker niet op ethische gronden, dan mag zoiets als xenofobie of islamofobie niet. Maar kan men emoties wel beteugelen en doet men er als persoon goed aan dit te doen, dan kan men vanwege de overheid niet zomaar mensen op hun emotionele ervaringen aanspreken?

De goede samenleving?

Inderdaad, daar is het om te doen en al sinds mijn latere jeugd merk ik dat hier de discussies vaak afgeblokt worden. Men slaagt er niet zo goed in het persoonlijke en het maatschappelijke op een zinvolle manier met elkaar in verband te brengen. De discussie die Rob Devos voor ons uit te doeken doet, lijkt wel een goede aanzet.

Het spreken van de waarheid zonder vaar of vrees voor de volksvergadering is vandaag onmogelijk omdat alleen wie toegang heeft tot de media kan spreken. In het debat over “Le mariage pour tous” zag men een dame optreden, die in alle mogelijke media mocht uitleggen waarom zij de openstelling van het (burgerlijke) huwelijk in Frankrijk voor homo’s en lesbiennes niet zag zitten, net omdat ze zich zo bizar leek te gedragen. Zij stelde op soms wat absurde wijze wat vele Fransen en andere Europeanen aanvoelen als een bizarre eis. Discriminatie geldt de verhouding en wederzijdse bejegening van mensen die gelijk zijn. Natuurlijk ontkent niemand dat het geslacht geen grond voor ongelijkheid in rechte kan zijn. Maar of mensen elkaar zo aanvoelen, als gelijken, vergt meer dan juridische en legale actie.

De goede samenleving vorm geven en tegelijk de vrijheid van het individu boven alles stellen, waarbij die vrijheid betekent dat er geen belemmeringen mogen zijn voor het nastreven van het geluk, komt mij moeilijk voor; ook verwijs ik hier graag naar de discussie die Jan Leyers in een krantenessay bracht over de problemen die het consequentionalisme stelt, want die benadering van gedrag stelt nu net dat als de gevolgen negatief zijn, een bepaalde handeling of gewoonte ongewenst is. Dagelijks wijzen experten er eenieder op dat foute voeding – niet foute voedingsgewoonten – of verkeerde omgang met drank, tabak mensen letaal kunnen treffen.  Dus moet men dat vermijden. Er zit veel onredelijkheid in die benadering, maar men put zich uit in bewijsmateriaal, c.q. wetenschappelijk onderzoek dat een en ander moet staven, liefst ontegensprekelijk om mensen ertoe over te halen dat ze al die slechte gewoonten afleggen. Gezond leven, denk ik dan, daar is niets op tegen, maar het moet wel leven blijven. De tijd van de geheelonthouders kan men niet belachelijk vinden, als men tegelijk pretendeert dat men niets mag doen waarvan de gevolgen in de verste verte negatief zouden kunnen uitpakken. Niemand minder dan Martha Nussbaum had zo haar kritiek op het benaderen van menselijk handelen op grond van het consequentionalisme, want zij vond dat men daarmee te kort doet aan mensen. Een andere kritiek lijkt mij ook wel te argumenteren, dat die benadering waarbij men elk fout gedrag, elke foute gewoonte die men aanneemt en die kan leiden tot lijden aan zichzelf moet wijten en dus als een zonde moet ervaren, ook als een gebrek aan respect van de autonomie van de persoon moet zien.

Maar er is meer, want wie naar de publiciteit van bedrijven kijkt, van Lays, van Coca Cola of van andere producenten van genotsmiddelen, waarbij de link met zwaarlijvigheid nooit veraf is, moet beseffen dat het verhaal toch wel enige nuance verdient. Erger nog is dat overheden, bijvoorbeeld de Franse elke publiciteit voor alcoholische producten weigert, want elk aanzetten tot het zien, ruiken of proeven van alcohol is ineens een stap op de autoweg van zwaar en onbeheersbaar misbruik, maar ga maar eens op bezoek in een Franse stad of dorp, de consumptie van Ricard wordt zeker niet afgeraden en terecht. Deze benadering miskent de mogelijkheid van de meerderheid van mensen om daar goed mee om te gaan. De geneugten van het leven voorstellen als levensbedreigend, in plaats van als een levensweg waarin men het goede aan het aangename kan paren, komt mij ten eerste bedreigend voor en ten tweede, volkomen respectloos en drie, hypocriet. Ook vanwege parlementsleden die graag wel eens laten zien hoe goed hun leven is en dat ze kunnen feesten. Oh ja, reden te meer om van politici vooral geen rolmodellen te maken, want ze hebben een publieke rol bij de besluitvorming, maar niet, laten we het erover eens zijn, maar hoeven niet als paters of nonnetjes door het leven te gaan. Medewerkers in de Britse pers die elke scheve schaats van een politicus in de verf wil zetten, heeft intussen moeten toegeven dat hun accreditatie als journalist een vrijbrief was om het particuliere leven van bekende Britten en dus vooral van politici tegen het licht te houden. Maar een man die duidelijk kinderen voor eigen consumptie naar de studio lokte, kon jarenlang zijn gangen gaan. Neen, journalisten moeten politici geen zedenpreken geven, zeker niet als het om seksuele moraal gaat, maar vooral wel onderzoeken of politici m/v de rug recht weten te houden als zij met lobbying van doen hebben.

De waarheid in deze is dat de partijen in het debat, de lobby’s die voor rookwaren gaan of voor de betere bieren, wijnen, whisky’s moeten het leven wel erg rooskleurig voorstellen omdat de tegenpartij vertelt dat wie de eerste druppel Calvados heeft geproefd, alle hoop op een lang en gelukkig leven mag laten varen. Ook dat is leugenachtig, erger nog, zij vertellen dat de tabaks- andere lobby’s wetenschappelijk onderzoek laten verrichten dat aantonen moet dat het gebruik van tabak of drank onschadelijk is. Het is die voortdurende scherpe wederzijdse kritiek die ertoe leidt dat u en ik, als individuen, met zekere verwachtingen, over onze levensverwachting, de kwaliteit ervan in onze keuzes beperkt worden en een slecht geweten aangepraat worden. Maar tegelijk zegt men wel dat iedereen een wilsbesluit mag maken om te zeggen wanneer het over mag zijn met het eigen leven. Voor mij niet gelaten, maar ik vind dat al die vormen van zelfverzekerd beheersen van de gebeurtenissen het leven zelf versmacht.

De kwestie is dat we niet goed weten, denk ik, hoe we voortschrijdend inzicht moeten inpassen in wat we weten over menselijkheid. Men kan van mensen, op grond van ervaringen met verbodsbepalingen, zoals de drooglegging in de VS, niet verwachten dat ze omgaan met genotsmiddelen, wel kan men jongeren leren er verstandig gebruik van te maken. Het problematiseren van kleine incidenten heeft dan ook niet zo heel veel zin. De mogelijkheid dat jongeren leren dat ze wel mogen genieten, maar liefst op een wijze die Epicurus voor ogen stond, dat wil zeggen zonder dat het verslavend wordt, schade toebrengt aan andere levenssferen waarin we bewegen, helpt veel meer.

Het thema van de parrésia vergt nogal wat van ons omdat het al bij de oude Grieken op verschillende domeinen speelde, van de vrije burger in de Polis tot de raadgever aan de vorst en uiteindelijk tot elkeen van ons in ons dagelijkse bestaan, te verstaan als zelfzorg. Maar waaraan ik denk bijzondere aandacht te mogen en moeten besteden is de parrésia in de media. We hadden het al over de houding jegens één partij maar als ik de zomerse commentaren hoor, een 9 maanden voor de volgende verkiezingen en allerlei beweringen opvang die door de feiten niet altijd bevestigd blijken te worden, dan dringt een onderzoek zich op: vertellen die mensen die nu dag na dag de politieke situatie door zeggen te lichten wat ze werkelijk menen, of hebben ze met hun commentaar een doel? Journalisten zeggen wel eens dat we geen intentieprocessen mogen voeren, maar als we de commentaren vernemen, als zou men die ene partij en vooral de voorzitter ervan beu zijn, dan ontstaat er toch een ongemakkelijk gevoel: bij het publiek hebben partij en voorzitter een grote achterban gevonden, maar bij de publieke intellectuelen leeft de gedachte dat men het verwachte succes met alle middelen moet tegengaan. Het gevolg is dat de inzet van het actuele politieke handelen, rond welvaart, rond een billijke toepassing van de fiscale wetgeving en transparante steun aan bedrijven van geen prioritair belang blijkt.

Natuurlijk zijn verkiezingen van belang, omdat het een formeel vaststellen is van de steun die elke partij krijgt. Maar verkiezingen werden al eens gewonnen en nog vaker verloren door de werkelijkheid, de waarneembare werkelijkheid te negeren. Wie herinnert zich nog 1995, toen een partij in de rats zat wegens mogelijke corruptie en uitpakte met de stevige uitspraak van de heer Tobback, nu burgemeester van een belangrijke universiteitsstad, Leuven dus, dat hij de sociale zekerheid, neen, onze pensioenen zou verzekeren. Welnu, dames en heren, 18 jaar later is een ding duidelijk, de hervormingen van het pensioensstelsel en de betaalbaarheid zijn gedurende jaren de minste van de zorgen van de politici geweest. Omdat niemand, ook de commentatoren niet, durfde uit te gaan van de gedachte dat men den volke de moeilijke boodschap kon brengen dat het met minder ook wel zou moeten kunnen, vooral bij ambtenaren en andere hoge pensioenen.

Ik bedoel maar, de parrésia blijft in de media ver achterwege als het over dit soort kwesties gaat. Hier moeten we corrigeren, in meer toegespitste artikelen komen die wel aan bod, maar in de media met het grootste publieksbereid of waar men spraakmakende opinieboeren aan het woord laat, ligt dat anders. Ook van hen mag men een vrije meningsuiting verwachting, gebaseerd op eigen, vrij onderzoek. Maar als burgers, lezers zich geschoffeerd voelen door die media en die opinieboeren, dan kan men zich afvragen of zij hun rol als intellectueel echt wel opnemen – wanneer men die reacties afdoet als het gebrul van idioten.

Oh ja, racisme? Er was een tijd dat men sprak van het Germaanse en het Romaanse, het Angelsaksische ras, amper een eeuw geleden. Vandaag zijn dat allemaal “Kaukasians”. Maar over andere volkeren objectieve uitspraken doen, die zouden kunnen blijk geven van geringschatting, mag niet. Levi-Strauss weigerde over de Kanaken te spreken, gespecialiseerd als hij was in de bevolking van het stroomgebied van de Amazone. De Kanaken zijn inlanders – mag dat woord nog? – of beter dus leden van de First Nation in Papoea-Nieuw Guinea in de Stille Oceaan die meer rechten opeisten toen Mitterand President was. Het verzet leidde tot meer politieke autonomie waarbij migranten van recente datum – minder dan 20 jaar – geen stemrecht krijgen. Toen vond men dat de antropoloog Levi-Strauss geen recht van spreken had, of liever, gedwongen was te spreken en zich niet mocht verstoppen. Het blijft dus allemaal behoorlijk complex en net dat, meen ik, vormt voor journalisten de grote uitdaging: de dingen uitleggen zonder de complexiteit weg te moffelen.


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten