Oorlog en Terpentijn, de oorlog overdenken

Reflectie

De soldaat en de (afwezige) Koning
Verhaal over staatsmanschap en nog iets

Een krantenbericht over het restaureren
van het oorlogsmonument in Nieuwpoort
verraste me bij de nalectuur van het boek
van Stefan Hertmans 
Bij het lezen van “Oorlog en Terpentijn” kon ik mij er wel in vinden, al had ik wel enig voorbehoud bij het feit dat Stefan Hertmans Gent een provinciestad noemde. Het is wel zo makkelijk, omdat het meteen een klimaat zou schetsen. De verwijzingen naar bezoeken aan de opera, aan het Museum voor Schone Kunsten en uiteraard de Wereldtentoonstelling van 1913, maken het allemaal iets minder scherp, dat provinciale. Maar het blijken vaak mensen die in een metropool leven en dan wat denigrerend gaan doen over die andere stadjes, terwijl de steden in Vlaanderen toen al vrij dicht bij elkaar lagen/liggen en elk hun ontwikkeling doormaakten, maar waar het leven welig tierde en dat was niet alleen het geval in de cité, in de armere buurten.

Markant blijft dat de auteur ervoor koos de hogere wereld, waarin Urbain Martien hoe dan ook wel eens terecht komt maar van wiens beslissingen hij toch vooral  veel te lijden heeft,  volkomen afwezig blijft. De koning? Die is er niet. De held van de roman begrijpt algauw – zonder het te noemen – hoezeer de incompetentie van de officieren tot trieste situaties leidt, omdat soldaten sterven op het veld van eer zonder dat het iets dient, tenzij het ego van de officier. Maar er zijn officieren die wel degelijk het hart op de rechte plaats dragen, billijk zijn en de soldaten respecteren. De  vervalste medaille voor verdienste spreekt  boekdelen.

Maar de figuur die helemaal in de nevelen verdween en niet aan bod lijkt te komen in het boek is Albert I. Nog minder lijkt Urbain er zich rekenschap van te geven dat het allemaal veel, zeer veel erger had kunnen zijn, als men zich had moeten verlaten op Generaal de Ceuninck en andere politici in Le Havre. Of is dat ook weer een mythe? Het valt moeilijk uit te maken, want de hagiografieën van Albert I laten niet altijd toe zijn overwegingen te kennen. Vooral het probleem van de oorlogspanningen blijkt voor de officiële hagiografie in feite ook het moeilijkste punt te zijn. De hele veldtocht van het IIe Linie en al die latere eenheden waar onze held dient, met vooral de bloedige slag bij Schiplaken, waar men de zwakke noordflank van het Duitse leger trachtte aan te pakken, om het oprukken naar Sedan tegen te gaan, mislukt op zich maar heeft vooral tot gevolg dat men aan Duitse zijde besluit dan maar het “Réduit National”, Antwerpen en de fortengordel erom heen, op te ruimen. Over de menselijke tol, kan men kort zijn, er werden geen levens gespaard, maar tegelijk blijft het altijd de vraag of het een operatief initiatief was, dat wil zeggen, of de aanvallen op die flank van het Duitse leger nuttige doelen bereikten. Achteraf gezien een oordeel vellen, zonder de kennis van de besluitvormers in kaart te brengen is wat moeilijk. Mogelijk diende Albert I hier een hoger doel, de bondgenoten – door het verdrag – steunen. Uit het vervolg weten we dat de troepen aan Belgische zijde fel uitgedund waren tegen de tijd dat ze aan de overkant van de IJzer een loopgravenoorlog begonnen.

Ik schreef het al, bij momenten kijkt, of Hertmans dat nu leuk vond of niet, Ernst Jünger mee over diens schouder, want bij de beschreven gevechtsscènes ontbreekt het niet aan gloed. Maar wat die gloed veroorzaakt is niet geheel duidelijk, het gaat om de roes die erbij komt, maar ook om de haat die oplaait en nog wel enkele dingen meer. De sergeant-majoor krijgt op zeker moment rapport omdat hij bij het heroveren van een veldschuur weet heeft van het feit dat al enkele dagen na elkaar pelotons gewoon zijn neergeschoten. Hij gaat kijken, overziet de situatie en weet de situatie te beveiligen, waardoor er minder blind geschoten op de eigen loopgraven kan geschoten worden. Maar de heer Martien heeft zijn verstand gebruikt, hij heeft de munitie die de andere soldaten daar hadden achtergelaten – bij hun sneuvelen – verzameld en zo een strategisch en tactisch plan uitgewerkt om de tegenstander uit te schakelen. Maar de officier klaagt hem aan omdat hij, de onderofficier, kogels had gebruikt die hem niet van overheidswege verstrekt waren. De andere groepjes die er gesneuveld waren, hadden de regel gerespecteerd geen kogels op te rapen, waardoor ze, onderbewapend als ze waren geen kans meer hadden. Maar waarom legde men dit verbod op? Wellicht, om er zeker van te zijn dat een soldaat niet eigengereid zou handelen, meer nog, tegen de legerleiding zouden gaan handelen: gevonden kogels taboe verklaren was meer dan een praktisch verbod, het was een veiligheidspal. De officier die zijn zaak moest beoordelen, begreep dat een soldaat in niemandsland met zo een verbod geen kant op kon en zelfs, in feite een pluim verdiende. Gehoorzaamheid kan een leger duur te staan komen.

Urbain Martien weet te vertellen over het bezoek aan de kliniek vanwege hare majesteit koningin Elisabeth, die hem en de anderen oorlogsgewonden genadiglijk komt groeten. Hij weet niet wat te zeggen, als ik het wel heb, omdat hij niet goed weet wat er te vertellen zou zijn, tenzij zeer, zeer veel. Hij komt ook in Liverpool terecht, vindt er na een plotse ingeving en na veel zoeken de weg naar de kapel die zijn vader van fresco’s had voorzien voor de oorlog en voor het sterven, uiteraard, van de frescoschilder, en keert dan terug naar het front. Ook in Dinard komt de man terecht om van oorlogsverwondingen te herstellen. Hij ziet daar het eiland Cézembre, waar het Belgisch leger een strafkamp had opgericht. Dichter bij de hogere besluitvorming komt hij niet. Maar als men hem wil overplaatsen wegens zijn vermeende insubordinatie, dan zijn het zijn soldaten die in opstand komen, want hij lijkt, neen, blijkt voor hen de enige te zijn die menselijkheid in zijn temperament en handelen weet te houden en een onvoorstelbare levensdrift. Nog eens, ik weet niet of Stefan Hertmans het wel voor lief zou nemen, maar hier komt hij tegelijk ook dichter bij Ernst Jünger, de man die 103 werd en tijdens WO I als soldaat aantekeningen maakte en later, a.d 1920, in Oorlogsroes die ervaring helder heeft beschreven, voor zover het mogelijk is. Eerlijkheidshalve, ook referenties naar Voyage au bout de la Nuit komen, aan het licht. Literatuur, weten we toch, laat toe subliminaal verbindingen te leggen met een traditie en de traditie van de oorlogsliteratuur heeft er zich niet minder van bediend.

Hertmans weet van de opstandigheid aan de fronten, zoals Stefan Brijs dat ook al tot leven bracht in zijn verhaal over John Patterson en diens bloedsbroeder, die, zoals finaal bleek als deserteur te zijn neergeschoten. Voor ons, achteraf en zonder een begin van historische ervaring – in dit geval zou sublieme historische ervaring wellicht misstaan – kan het frontleven weinig empathie oproepen. Hoezo? Ik ben ervan overtuigd dat elke foto van stinkende loopgraven, waarin mannen wachten of vrezen, vergeven van de muggen in de zomer en zonder hoop er ooit weer uit te komen, laat staan levend, ons even weinig zegt als foto’s van zwartjes in een missiepost bij Kissangani. U zal mij tegenspreken, maar sinds ik het boek van Sophie de Schaepdrijver heb gelezen, “De Grootte Oorlog” heb ik begrepen dat het schrille schetsen van de oorlogsgruwel nergens toe leidt, wat het vormen van het begrip betreft. Het zijn inderdaad werken als  In Stahlgewittern. Aus dem Tagebuch eines Stoßtruppführers,  van Jünger dus, die ons de indruk kunnen geven dichter te komen bij de hel van Valenciennes, of het inferno van Verdun. En nu dus ook dit “Oorlog en Terpentijn”.

In die zin denk ik dat Stefan Hertmans de zaak goed getroffen heeft, door te proberen de tekenen te lezen die zijn grootvader in zijn verhaal en zijn kopieerdrift van de grote meesters, had nagelaten. Het persoonlijke blijft persoonlijk, maar de sporen krijgen wel hun betekenis voor ons, de lezers. Maar, zoals gezegd, de grote afwezige in het verslag van Urbain Martien blijft zijne majesteit en zo te zien komen alle eerbewijzen en herdenkingen niet aan de orde in zijn herinnering. In feite moet dit in het universum van vele soldaten ook een realiteit geweest zijn. Hertmans’ grootvader bleef Cézembre bespaart, maar de afkeer van doldrieste officieren niet, die, als het een week rustig was geweest aan het front een paar salvo’s losten om dan veilig terug te keren naar een iets comfortabel verblijf in de achterste linies. Maar waarom was de koning, die als een held vereerd werd, zo ver buiten beeld gebleven?

Net de heldenstatus van de koning, lijkt het mij steeds meer, zorgde voor een vervreemding. We weten dat de Koning in de Panne verbleef, maar dat was nu niet bepaald binnen het bereik van de gewone kanonnen en mortieren – wel weten we dat Hotel Océan beschoten is geworden…. Ook verbleef de vorst wel eens in een kasteel in de Moeren en had hij de handen vol met allerlei zaken van staat. De koning was de veldheer, maar in de beeldvorming stelt men hem wel eens voor als een aanvoerder die voor de troepen uit de vijandige linies bestormde. Welnu, heel weinig hogere officieren waren bereid het vuurgeweld te doorstaan. Ook bekend is dat Generaal Haig, toen hij op een avond, tijdens de bloedige en zinloze slag om Passendale in 1917 bij het front kwam, de modder zag, verzuchtte dat het erg was dat de omstandigheden zo moeilijk waren geweest. Meer zou hij niet gezegd hebben. Als ik al respect kan opbrengen voor deze hoge officieren, dan wel voor de man die in Wijtschate de linies van de vijand, de Duitsers dus, liet ondermijnen en zo, met een minimaal verlies aan eigen mensen een nuttig oorlogsdoel realiseerde. Helaas vond Haig een aanval op de goed verdedigde linie bij Passendale een paar kilometer verder heldhaftiger. Wie liet er het leven? Haig niet in elk geval. Toch vindt men overal wel ergens een Haiglaan terwijl Herbert Plumer, 1st Viscount, Plumer vergeten blijft.

Terug naar Albert I en zijn rol als held. Toen in 1930, volgens de documentatie van Stefan Hertmans Urbain Martien naar Diksmuide ging om met zijn vrouw Gabriëla en zijn moeder, het front bezoeken en de pas ingehuldigde oude IJzertoren te bezoeken, waar, ook volgens die documentatie 250.000 mensen aanwezig waren, maar volgens Hertmans moet dat getal overdreven zijn. De getallen van bijeenkomsten als deze zijn altijd voor discussie vatbaar, maar dat Vlaanderen massaal naar Diksmuide trok, naar de Toren, kan de geschiedschrijver niet negeren. Dat, zoals Stefan Hertmans in een gesprek in het VPRO-programma Boeken maakt nu net het verschil tussen Vlaanderen en Nederland. Alleen, dan moet men met Hertmans le voyage au bout de la nuit doormaken.

Daarom is het ook van belang, de grote afwezige in het boek tegen het licht te houden, de koning-ridder, Albert. Nu kan niemand een held bekijken zonder of onder de indruk te komen of zijn beeltenis aan gruzelementen te slaan. Voor mij is Albert I, de vriend van wetenschappers en sociologen als Einstein, Waxweiler en Lodewijk de Raet, ondernemers als Ernest Solvay een mens van vlees en bloed die in een aantal cruciale momenten posities heeft ingenomen, die we vandaag niet zo gemakkelijk met elkaar kunnen verbinden: aan de ene kant heeft de koning keer op keer de aandrang van Parijs en Londen, maar nog veel meer van de Brocqueville en de Ceuninck, de ene lange tijd regeringsleider, de andere militair en minister van oorlog, maar ook van diplomaten afgehouden, want hij wilde zijn troepen niet inzetten tegen de vijand als het resultaat erger was dan een hecatombe. In tactisch en strategisch opzicht voerde hij daarmee de ideeën door van Frederik de Grote, maar zonder de bravoure die deze wel eens aan de dag legde, al moeten we ons afvragen of Albert dat niet wist. De hele oorlogsvoering van de slag bij de forten van Luik via de Fortengordel van Antwerpen naar de IJzer, waar weinig natuurlijke mogelijkheden tot verdediging te vinden waren, blijft vaak een verhaal van opsommingen van Duitse wreedheid, zelden van de inzet van de troepen, zodat de inzichten ook van kleine eenheden en personen om gegeven de omstandigheden te handelen, zoals Urbain Martien deed, te belichten. “Oui, mon commandant!”, schrijft Hertmans, maar al lezende kwam ik uit bij Jacques le Fataliste: de zaak mag dan al besloten zijn op een hoger niveau, wij maken er nog iets van.

Voor de koning, die als staatshoofd niets kon doen zonder overeenstemming met de regering stond de zorg voor het leger, het standhouden en als het zou kunnen mee optrekken tegen de vijand, waren er dus veel punten die hij in het oog diende te houden. Allereerst had hij met de regering en de ambtenaren in le Havre vaak de handen vol, al werd er vaak gewoon niets besloten. Aan de andere kant kon hij zonder die ambtenaren en regering ook geen initiatieven nemen om het leger te moderniseren. Het komt mij voor dat men de paradoxale ontwikkeling van het Belgisch leger zelden in kaart brengt, maar waar in oktober, november 1914 een vrijwel uitgeput leger(tje) zich achter het water van de IJzer en van de inundatie terug trok en even respijt kreeg, kon het Belgische leger in 1918 met een vrij goed arsenaal wapentuig aan het terugdrijven van de vijand meedoen, maar ook waren er in 1915 en daarna via Engeland en Frankrijk, niet zelden vanuit Nederland nieuwe rekruten bijgekomen. Onder meer de ambassade in Den Haag diende hier blijkbaar dat belang door jongemannen aan te moedigen te gaan strijden. Nochtans, men zal over dit aspect van het oorlogsverloop niet altijd veel info vinden. De rol van parlementairen die niet in het land gebleven waren, komt al helemaal niet aan bod in de geschiedschrijving. Het past niet in het beeld van de oorlogsinspanningen en nog minder in dat van dat de uitputtingsslag. Voor velen volstaat het vast te stellen dat het Belgische leger niet werd geofferd in zinloze offensieven. Zoals gezegd, dat hangt er maar vanaf wanneer men er naar kijkt. Wel weten we dat hoge officieren zoals Haig lange tijd uitgingen van een onuitputtelijke voorraad aan menselijk materiaal, zoals ze ook over eindeloze stromen munitie zouden kunnen beschikken. Het Belgische leger en zeker de koning wist dat dit niet klopte. Maar dat in het niet bezette deel van België en in Nederland, maar ook elders Belgen bereid waren om te gaan vechten, zonder te weten wat het inhield, blijkt ook het geval te zijn geweest.

Voor ons is die dubbelheid wel moeilijk te verwerken, omdat we gewoon geen beeld hebben van Europa tussen 1914 en 1918. Bovendien is onze blik een beetje versluierd door het grote probleem waar ook de vorst geen oplossing voor had: zijn etat-major, zijn regering en hoge ambtenaren spraken Frans. Een aantal parlementsleden, zoals Frans van Cauwelaert, maar ook de Franstalige katholiek uit Merkem, Jean-François Maes, waren er zich wel bewust van, dat de Vlamingen hun deel zouden opeisen, zo niet tijdens de oorlog, dan toch na de oorlog. Voor de regering was de zaak van de Vlamingen lange tijd blijkbaar een tuchtkwestie, maar de koning, die wel expliciet zegde dat hij geen toezeggingen kon doen voor de oorlog was beëindigd, winnend beëindigd, was de zaak complexer.

De visie van Stefan Hertmans hierover kennen we niet, omdat we niet goed weten hoe of Urbain Martien betrokken was bij de gebeurtenissen in 1917-1918, de open brieven aan Albert I en zelfs, de zogenaamde Sublieme deserteurs, onder wie Karel de Schaepdrijver, die ergens in 1918 het front overstak en door de Duitsers naar Gent en Brussel gebracht werden. Evengoed moeten we hier toch ook in rekening brengen dat oorlogsmoeheid bij de Fransen en de Britten voor de legerleiding vaak voor dillema’s zorgde, want het strijden was zwaar en de soldaten kon men niet vooruit jagen met zwepen, laat slaan met kogels. Dat soldaten zich bewust vastliepen in vijandig vuur of zich, wat opportunistisch en minder desastreus was, lieten verwonden, mag men ook niet uit beeld houden. Maar de legerleiding had hier oplossingen voor te voorzien en het valt me te telkens weer op dat er geen uitgebreide studies komen over hoe het Belgische leger ermee komaf maakte.

Feit is dat de verschillende legers gingen voorzien in alcohol, in sigaretten en legerbordelen en dat vormt een sprekend detail in het verhaal van Martien, dat men probeerde met censuur defaitisme te voorkomen, komt ook aan bod maar de kloof, als ik het telkens weer tracht te vatten tussen de opperste legerleiding en het krijgsvolk, maar ook tussen de officieren en het voetvolk was complexer en hoe dan ook niet gespeend van enige achterdocht en wantrouwen vanwege het voetvolk. En de koning? Als gezegd, hij was bij zijn troepen en toch ver weg. Het had te maken met de wijze waarop men oorlog wilde voeren, misschien niet alleen in termen van een materiaalslag, maar ook industrieel in die zin dat men van soldaten – toen al – een grote flexibiliteit en inzetbaarheid eiste, zonder vragen om uitleg, zoals het in de fabrieken eraan toeging. De desastreuze gevolgen van deze manier van management kennen we van de bloederige slagen bij Verdun, de Somme en de Vlaanders, maar in werkelijkheid, ontgaat er veel van aan onze aandacht, onder meer omdat de opperste legerleider als een held uit de oorlog is gekomen.

Nu verdient hij wel respect, maar niet onverdeeld, omdat hij het grote probleem van zijn leger, van zijn land niet kon oplossen. Men spreekt van de staatsgreep van Loppem, waar een nieuwe regering werd gevormd, maar vooral, de bakens van de naoorlogse politiek werden uitgetekend: algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen en geen toegevingen aan de Vlaamse Eisen, omwille van het Activisme. Het Activisme kan men moeilijk anders zien dan als landverraad kijkend doorheen een regeringsbril. Maar de eisen van administratieve scheiding involgen, had het land over de rand van de revolutie getild. Hoewel de koning – en zijn adviseurs – hier veel te traag hebben gedacht en niet hebben gezien dat, om even Lode Wills te volgen – de middenklasse én katholiek bleef – maar met een voorbehoud dat Wills zelden beschrijft -, én koningsgezind kon blijven maar evenzeer met enig grimmigheid: de oorlog was gewonnen, maar de rechten op onderwijs en plaatsen in de (hogere) ambtenarij bleven voorbehouden voor een hogere elite én in se toch Vlaams gezind was, maar het gedoe van Borms en co – de reis naar Berlijn, de uitroeping van Vlaamse onafhankelijkheid en soms doldrieste aanvallen op het oude land -  maar zeer gedeeltelijk onderschreef. Voor wie zich geen rekenschap geeft van het revolutionaire klimaat: in Den Haag riep Troelstra in november 1918 de revolutie uit, maar een paar dagen later bleek dat hij zijn hand had overspeeld – men noemt dit dan ook de vergissing van Troelstra. In Duitsland waren er opstanden van Kiel tot München en daar kwam een rode Radenrepubliek aan de macht gedurende enige tijd. Het was aan de regering van Ebert, SPD om de betogingen in Berlijn van straat te vegen, betogers dus die hen, de Socialisten steunden en waarop Ebert beroep deed op… de gemobiliseerde en ontgoochelde soldaten. De angst voor Revolutie was ook in Frankrijk niet veraf, al waren de mannen uitgeput en de vrouwen de oorlog moe. Dulce et decorum pro patria moria! De boodschap kon hun bitterheid en afkeuring niet verbergen, want de moordpartijen hadden van middenhoog tot laag een hele samenleving ontwricht, wat overigens ook gold voor het UK, maar anders dan in Duitsland was de vruchtbaarheid laag gebleven in Frankrijk in de jaren voor oorlog. Zwijgen als weer eens de vlaggen wapperen, wat kan men beter doen?  

In die omstandigheden, waarbij we een hoop considerabilia in het oog moeten houden, merken we dat de positie van Albert I bijzonder moeilijk was omdat hij niemand van zich kon vervreemden. De Vlaamse eisen werden niet gevolgd en het algemeen stemrecht kwam er wel. De dynamiek die daarvan uitging had wel repercussies, maar in de moeilijke jaren na 1919 bleek het niet eenvoudig het beleid echt uit te leggen: 1°) het geheim militair akkoord met Frankrijk (1920); 2°) de aanspraken op delen van Nederland, Limburg en Noord-Brabant zorgden voor spanningen met de Noorderburen; 3°) de wederopbouw van de Verwoeste Gewesten; 4°) de heropbouw van de industrie; 5°) de kwestie van het Activisme; 6°) het heroveren van het vertrouwen van de burgers…. Die kwesties zijn van groter belang geweest dan we ons vandaag kunnen voorstellen. In verhalen over de wederopbouw ontbreekt het geheel hoe men wrochten moest voor het herstel van de veestapel, de paarden, want letterlijk alles was geroofd. In die zin kan men de haat en afkeer wel begrijpen. Maar dan vergeet men weer andere aspecten. Hoe een regering daarmee om kan gaan, blijft nog maar een kwestie waarop in syntheses weinig antwoorden komen.

Wie vandaag meewarig doet over het activisme, de frontbeweging, de afwijzing van oorlog, moet zich maar bedenken dat in vier jaar tijd een hele wereld teloor is gegaan en dat misschien nog het meest in Vlaanderen, waar mensen mondiger werden. Zoals Stefan Hertmans ook suggereert, was de kwestie van het gezag voor de soldaten die het falen hebben gezien van officieren niet op te lossen. Urbain mag dan een brave soldaat Sveig lijken omdat hij het gezag zomaar volgde, maar misschien had hij zijn eigen normen gesteld voor wat hoorde. Goed, hij was vroom geweest en zegde met het grootste gemak “Oui, mon commandant”. Maar of hij daarmee zomaar het gezag genegen was. Precies zijn innerlijke verhaal laat ruimte voor twijfel.

Het heeft mij altijd verbaasd dat men sinds de jaren 1970 in de brede media vooral de nadruk heeft gelegd op de inspanningen tot herstel van de oude orde na WO I, maar de oude orde was niet meer te herstellen en het feit dat het algemeen stemrecht daartoe bij heeft bijgedragen, wordt al helemaal over het hoofd gezien, terwijl dat toch de maatschappelijke verhoudingen erg heeft beïnvloed en ook de politieke machtsverhoudingen.

De koning, afwezig in het boek, was geen held, maar had behoorlijke invloed, waarbij we niet echt weten of hij oren had naar en ogen voor die samenleving, maar Urbain Martien had er allicht ook geen belangstelling voor. Vergeten we ook niet hoe heftig bij momenten de strijd om dat stemrecht was geweest, met straatgevechten in Gent, waar Urbain Martien niet veel van moet hebben. Het verhaal van die maatschappelijke verwikkelingen blijft doorgaans onderbelicht. Het herdenken van de oorlog beperkt zich tot het militaire en enkele politieke aspecten ervan, het overdenken van de oorlog, zoals ook Stefan Hertmans doet met zijn levensschets van Urbain Martien en de familie, bestrijkt een veel groter kader, brengt ons ertoe de samenleving zelf en mensen die we kunnen kennen, nog kunnen kennen via sporen in archieven, via bibliotheken of enkele nazaten, krijgen kleur, kraak en smaak. Weinig boeken geven daar dezer dagen interessante aanzetten toe. Ook al maakt de koning-ridder geen deel uit van het universum van de roman “Oorlog en Terpentijn”, dan is het precies die afwezigheid die ons tot verder overdenken brengt.

Bart Haers  




  

Reacties

Populaire berichten