Willem I en het verlichte koningsschap

Recensie

Nederland 1813 – 1815
Restauratie als scherm of hoe de Verlichting
doorwerkt

Ido de Haan, Paul den Hoed, Henk te Velde (redactie). Een Nieuwe Staat Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden. Prometheus, Bert Bakker 2013. 432 pp. Prijs: 45,- €

Een prangende kwestie? In Nederland maakt men, zoals in 1963, 1913, 1863 van het jubileum van het Koninkrijk der Nederlanden een hele onderneming, maar een boek over de stichting van het koninkrijk laat zien dat het nogal een bewerkelijke aangelegenheid was en is. Het simpele verhaal: Prins Willem kwam aan in Scheveningen, een paar dagen later kwam er een proclamatie en vervolgens een grondwet, waarna het nieuwe koninkrijk uit de startblokken schoot. Het verhaal zelf laat zien dat dit echt wel simpel is, want wat zou de rol van de soevereine prins zijn, onder welke constitutie zou hij staan en hoe zou hij, hoe zouden de notabelen zich verhouden tot wat er voordien was geweest. Restauratie in Nederland? Koninkrijk worden was een breuk. Parlementair bestel? Maar onder de oude Republiek was er niet een kamer van leden die het volk vertegenwoordigen en moeten debatteren maar een Staten-Generaal met vertegenwoordigers van de onderscheiden Provinciale Staten, die zelf weer een aantal vertegenwoordigers van steden en soms ook nog van de ridderschap telden, die in de Staten geen mogelijkheden hebben in eigen naam te spreken. Juist, zoals ministers in de vakvergaderingen in de Europese instellingen…

De feestelijkheden voor tweehonderd jaar koninkrijk der Nederlanden heeft iets onwezenlijks, vooral voor wie vanuit België, Vlaanderen de zaken volgt, want het is hoe dan ook deels van onze geschiedenis, maar toch lijkt het alsof we er niets mee te maken hebben. Bovendien weten de historici niet goed, al sinds  1913 niet, wat ze moeten herdenken en daar gaat het boek heel sterk op in, want de auteurs willen ons inzicht bieden in wat in 1813 aan de orde was en hoe men het aanpakte, in de eerste plaats de Oranjes, maar in nog hogere mate hoe het land dit alles heeft beleefd en vervolgens zich is gaan herinneren én vergeten.

Er zijn lieus de mémoire… zoals Nora die zag, maar dit boek zet die visie naar mijn inzicht wel op de tocht, omdat precies het uitlichten uit de context gebeurtenissen later leeg maken, van zin verstoken. Het is alsof we in 2014 de 1200ste verjaardag van het overlijden van Karel de Grote zouden herdenken. Daar re-enactment beproeven zou pas helemaal beladen zijn met symboliek die geen enkele betekenis heeft. Maar goed, de slag bij Leipzig is voor ons al problematisch genoeg. Juist, de Volkerenslag had plaats in 1813 en bezegelde het einde van het Napoleontische keizerrijk, maar daarom niet van de invloed van de keizer en dus van de revolutie op Europa. Want altijd zullen we aspecten van die revolutie in onze instellingen terug vinden, al roept men graag luide dat het over is, dat de code Napoleon of het bestuurlijk centralisme voor ons alleen maar verouderd zouden wezen. En net daarom, zo hopen de auteurs van dit indrukwekkende boekwerk aan te tonen is 1813 net weer het overwegen waard.

De ambitie van de prins, die onder Napoleon het vorstendom Fulda had aanvaard als compensatie voor het verlies van de Nederlanden, maar tijdig (?) opnieuw in Engeland heil en steun had gezocht en gevonden, was niet min, maar twintig jaar lang was hij niet meer in Den Haag of Amsterdam geweest en er was sinds 1780 heel wat gebeurd, dat het herstel van de oude republiek onmogelijk maakte. Maar het Europese Concert wilde na de avonturen van de Revolutie en de oorlogen rust in de keet, waarvoor verlichte vorsten de beste garantie leken. De ambities van de prins waren dus ook onzeker en de middelen om die te realiseren, zo bleek, waren onbestaande, want de staatsschuld van het land dat hem in handen was gevallen, bleken onbestaande en de schuldencrisis moeilijk te overwinnen. De kwestie blijft natuurlijk dat na de Volkerenslag in Leipzig de gebeurtenissen in Europa en dan vooral het snelle afbrokkelen van het keizerrijk en het verlies van de Grande Armée de geallieerde troepen wel in Parijs kon brengen, een stabiele inrichting voor het continent vinden zorgde voor heel wat hoofdbrekens.

Metternich, Biedermeierzeit, (Verlicht?) absolutisme en restauratie, het klimaat in Europa lijkt daar afdoende mee beschreven, maar de auteurs in dit boek van herinnering en reflectie laat zien dat het allemaal misschien toch minder eenvoudig is. Londen had van de vader van de soevereine prins de koloniën in gebruik gekregen en een aantal, zoals Ceylon en de Kaap, kreeg het niet terug, de Oost en het gebiedsdelen in de Caraïben wel. Voor Londen en de minister van Castelreagh was het wellicht een voorwaarde om zich van de loyauteit van den Haag te verzekeren.

Het cruciale probleem voor Willem I bestond erin in Nederland niet enkel voet aan wal te zetten, maar er ook nog eens in te slagen, na de woelige decennia opnieuw een land op de rails te krijgen. Men zou met enig recht kunnen stellen dat zijn grote ambities dode letter bleven, dat zijn opvolgers, vooral Willem II en Willem III veel van de macht die hem, de eerste, bij grondwet was verleend zagen verzwinden, zodat een negatief oordeel over Willem I voor de hand ligt. Men zou ook kunnen kijken naar het feit dat hij, Willem I er niet in slaagde de Zuidelijke Nederlanden binnen het Koninkrijk te houden, maar ook dat is een reductie waar men niet veel wijzer van wordt. Misschien had er wel een hoofdstuk kunnen ingeschoven worden over de evolutie in de geesten in de Zuidelijke Nederlanden, die in 1830 al dan niet met succes hun afscheiding realiseerden. Dat succes uitmeten, blijft immers voor historici een moeilijke zaak. En dat geldt zeer zeker voor wat er zich in het Koninkrijk tussen 1813 en 1815 heeft afgespeeld en waarbij de vorst voortvarend is opgetreden.

De kanalenkoning? De koopman-Koning? Beide typeringen blijken adequaat, maar voor hij aan de economische opbouw kon beginnen, moest hij zijn rol kunnen bepalen in Holland en het koninkrijk. Lieden als Van Hoogendorp, de Limburg Stirum en Anton Reinhardt Talp waren er mee de grondleggers van, omdat zij vreesden voor onlusten in de Nederlanden, eens de Fransen verslagen waren in Leipzig in de slag die duurde van 16 tot 19 oktober 1813. Zij vroegen de prins terug te keren en dat wordt elke 25 jaar met een wat bizar spektakel herdacht, zo ook dit jaar. De prins landde, kwam aan land, liet een paar dagen een proclamatie uitgaan en ging aan de slag. Er kwam een wijze grondwet, waarin de vorst veel macht in handen kreeg en die zou hij voortvarend inzetten. Maar er waren vele hindernissen. In 1814 kwam men tot het besluit dat een sterkere bufferstaat tegen Frankrijk wel zo wenselijk was, zodat men de samenvoeging van de oude Bourgondische staten aangewezen achtte. Meer nog, men – Willem niet in de laatste plaats – vond het wenselijk het gebied tussen de linkeroever van de Moezel, de linkeroever van de Rijn en de Maas, met Aken en Coblenz, Trier ook in het nieuwe koninkrijk op te nemen. Pruisen leek daar niet zo happig op, zodat men zich met Luxemburg, dat lid werd van de Duitse Bond en Limburg – de naamgeving blijkt een follieke geweest te zijn, maar beantwoordde wel aan een historische fictie – was eerst ook lid van die bond, maar zou algauw in het koninkrijk opgenomen worden. Of liever, dat zou in 1830 bij de splitsing van het gebied het geval zijn.

Jacob van Lennep zou in 1823 een voettocht maken Dirk van Hoogendorp door het koninkrijk en een staat van het koninkrijk schrijven, die pas in 2000 met de goede zorgen van Geert Mak en Marita Mathijssen in de belangstelling kwam. Het laat de auteur(s) toe te laten zien wat er gaande is in Nederland en hoe het land er toen bij lag. In andere hoofdstukken krijgen we te zien hoe buiten wat nu de Randstad heet Nederland veel dun bevolkte gebieden kent, waar we ons niet altijd een goed beeld van kunnen vormen. Willem I had er een lieve duit voor over om nieuwe steenwegen aan te leggen en zo de verbindingen binnen het land te verbeteren. Hij was de kanalenkoning en wilde maar wat graag dat de verbindingen in het land, vanaf 1815 ook in België snel geoptimaliseerd werden. En toch, zijn werkwijze koste meer dan men had voordien, zoals dat ook geldt voor de droogleggingen, zoals in de Haarlemmermeer voorzien werd, maar het zou wel even duren. Dat gehele project van landsbestuur was en is significant, zo blijkt ook uit de opstellen in dit boek, maar maakte het hele eieren eten niet.

De positie van Willem I verschilde in alles van wat Willem Alexander mag dromen of verwachten, net omdat men een wijze constitutie had voorzien, dat heet, in de ogen van de koning en enkele lieden een grondwet  die de rust in de tent, het land kon laten wederkeren. Maar of het nu allemaal nieuw was of net niet, dat vergt toch wel meer studie en daarvoor kan men in dit werk wel een en ander vinden, een meer dan stevige aanzet. Opvallend is dat men voortdurend moet verwijzen naar de oude Republiek, de Bataafsche Republiek en vervolgens de korte maar opmerkelijk belangrijke regering van Lodewijk-Napoleon, die mee enkele lijnen uitzette. Een kamer of twee voor de Staten-Generaal, wat door de Belgen zou beslecht worden, met een getrapt verkozen Eerste Kamer oftewel Senaat. De verhouding tussen de regering en de ministers, c.q. de minister tegenover het parlement. Hier zou België in 1830 ook voor een verregaande beperking van de handelingsvrijheid van de koning kiezen, wat in Nederland pas zou lukken door de grondwet die Thorbecke er wist door te krijgen in 1848. Intussen weten we dat men Willem II zover heeft gekregen door zijn chantabele positie uit te buiten.

Wat opvalt in deze opstellen over de stichting van het koninkrijk is dat verschillende desiderata niet zo gemakkelijk in elkaar geschoven raakten als de politici, de koning en het volk zouden gewild hebben. Toch kan men, denk ik, in Willem I en later Leopold I een paar voorbeelden van ambitieuze Duitse prinsen vinden, die aan de ene kant doordrongen waren van de Verlichting, maar de gedachte niet konden onderschrijven dat een land ook door burgers wordt opgebouwd. Met andere woorden, de niet zo liberale constitutie zorgde er ongewild voor dat in het koninkrijk stemmen opgingen het land te besturen op een wijze die meer op inspraak van de burgers zou berusten, terwijl de koning, hoezeer men hem ook zien wil als een vertegenwoordiger van de vorst van het Ancien Régime, zich beriep op de republikeinse bestuurspraktijken die vanuit Parijs waren komen overwaaien.

Het blijft derhalve opvallend dat men niet zomaar lijnen kan trekken van de tijd van de Verlichting tot onze tijd, want de weg die men had af te leggen, maakt wel eens kronkels, waaraan ook Willem I vorm heeft gegeven. De stichting van nieuwe universiteiten in het zuiden, het beperken van de instellingen in het Noorden, waardoor onder meer Franeker verdween in 1811 bij gebrek aan studenten. Utrecht werd door Willem hersticht en zo kon hij bijdragen aan een stevig intellectueel reveil, dat men in de meeste geschiedwerken niet altijd onmiddellijk vermeld ziet. Even ter illustratie kan men verwijzen naar de universiteit van Jena, die ook niet gesticht werd door een (afwezige) centrale overheid, maar door een landvorst. In die zin moeten we bij het opmaken van de balans van de regering van Willem de zegeningen en vergissingen goed afmeten, waarbij dus soms langdurige gevolgen ten goede minstens even zwaar kunnen wegen als andere, onmiddellijk op te merken mislukkingen.

Maar er is veel opmerkelijks te vinden in dit boek, zoals over de plaats van de religie in het wereldbeeld van Willem en tijdgenoten: iedereen mag tot het kerkgenootschap horen naar eigen keuze, maar tegelijk verwachtte men rond 1800, zoals Aagje Deken en Betje Wolf het schilderen in een wandeling van Abraham Blankaart optekenden: elke gematigde religieopvatting, die redelijkheid voorop stelt, zal de mensen ten goede komen. Dat in de werkelijkheid in de loop van de periode die we de Restauratie noemen, een aantal verworvenheden van de Aufklärung in de kerken in Nederland weer op losse schroeven kwamen te staan. Men heeft de neiging te geloven dat van de werken van Diderot en Voltaire tot vandaag rechte en vaste lijnen te vinden zijn, dat de evolutie er een is met stelselmatige vooruitgang. Dit boek, dat over de vele aspecten van de stichting van het Koninkrijk gaat, ook het reilen van het land in hoofde van de burgers, laat zien dat zelfs en precies de Restauratie een aantal verworvenheden stand wisten te houden, in sommige opzichten zelfs te versterken, maar tegelijk merkt men dat op andere terreinen de juiste weg weer uit zicht verdween, zoals het feit dat na de tijd van de felle debatten sinds de dagen van de Patriotten velen nu kozen voor huiselijkheid en dat het publieke debat stil viel. Zo kregen vrouwen een model aangereikt waar ze als heldinnen mensen voorgeschoteld krijgen die vooral uitblinken in de rol van onderdanige echtgenote. Zelfs Kenau werd wel eens gedomesticeerd. En Belle van Zuylen? Die lijkt nergens meer in de herinnering te leven.


Het valt enigszins buiten het spectrum maar als men kijkt naar de loopbaan en het leven van Dr. Alette Jacobs, dan merkt men dat de gelijkheid van man en vrouw toen net ver te zoeken was. Nu, de code Napoleon die inspirerend werkte, heeft de rol van de pater familias enorm versterkt, waarbij te bedenken valt dat die rolverdeling in bijna alle Europese landen een van de basisvoorwaarden was voor het herstel van de goede orde. Ook de emancipatie van joden in de samenleving, was op dat vlak interessant. Zal men hen eerst vragen zich te integreren, of zal men hen gewoon burgerrecht geven en dan maar zien wat ze ermee aanvangen? Nederland deed het laatste en het bekwam hen, de joodse medeburgers goed. In het andere scenario is het maar de vraag hoe of die integratie echt wel voldoende gevorderd is, zoals de Duitse landen het hebben aangepakt.

Men zal dit boek onder redactie van Ido de Haan, Paul den Hoed en Henk te Velde dus lezen als een analyse van wat het toen, in de nog instabiele situatie na de Volkerenslag in Leipzig en het vertrek van Napoleon naar Sint-Helena, een amalgaam aanzichten dienden te worden verzoend. Dat Nederland maar kon hersticht worden dankzij de steun van het UK, waarbij Pruisen op Luxemburg en op het Maasland een (militaire) claim zou leggen, had te maken met het insnoeren van Frankrijk – in 1870 zou men merken dat de agressie net van de andere kwam. De regio die we nu kennen als Limburg legde om de verdediging tegen Frankrijk veilig te stellen, had zo te zien niet echt een (historische) naam, maar men kon de oude, Franse naamgeving van de departementen niet aanhouden.

Het verhaal van de oprichting van het Koninkrijk ligt besloten in een aantal conflicten die al voor 1789 op gang waren gekomen. De strijd van Patriotten tegen de Regenten van de (oude) Republiek, nadien de Bataafsche Republiek onder invloed van de Franse Revolutie en vervolgens waren er nog aanzetten tot stichting en codificatie van een grondwet. Men ziet dezer dagen niet zo helder wat er aan de hand was en waar de zwaartepunten lagen: hoe richt men een democratie in zodat dit op verschillende domeinen tot een weldadige en welvarende samenleving kan leiden. Een eenkamerstelstel? Twee Kamers? Algemene toegang tot de verkiezingen, zowel actief – mogen stemmen – als passief, zich kandidaat mogen stellen, onafhankelijk van de financiële situatie? Het zijn alle vragen die men moest stellen, maar die niet altijd als wezenlijker ervaren werden of worden. Maar wat met de vraag om een wijze constitutie, als die impliceert dat de vorst boven de politiek zou moeten staan, terwijl zijn handelen nu net onder die omstandigheden van grote handelingsvrijheid uitermate politiek is. En wat met de organisatie van de ondergeschikte besturen?

Voor ons lijkt de geschiedenis soms dwingend op de beleidsopties – waarbij vaker dan nodig geconfronteerd worden met een onbelichte recente periode. Het koninkrijk dat Willem I in handen kreeg, worstelde met recente woelingen, waarbij al de kwesties die hier boven beschreven worden, aan de orde kwamen. De Verlichting werkte door, maar duidelijk is wel dat die noch over de interpretatie noch over de implementatie naar ieders voldoening vorm kon krijgen. Toch valt het ook op dat de elite in Nederland in eerste instantie vrede kon hebben met de grote rol van de vorst, net omdat sommigen onder hen af wilden van te veel politiek gedoe.

Bovendien was Willem I een dossiervreter, die geen stuk ongelezen liet en daardoor steeds meer verzonk in de overvloed van kwesties die een oplossing moesten krijgen. De ministers waren niet altijd bij machte dossiers naar zich toe te trekken. De kwesties die in het koninkrijk speelden, speelden in nagenoeg geheel Europa, waren van wezenlijk belang wat de gevonden oplossing betreft, want die zouden bijna overal blijven doorwerken tot in de 20de eeuw. Pas in 1983 werd met de oude grondwet van 1806, die in 1813 en 1815 maar ook in 1848 vooral geamendeerd is geworden, gebroken door een andere ordening van de artikelen.

Ido de Haan en zijn redacteuren hebben ons in die zin een mogelijkheid geboden de geschiedenis anders te bekijken dan men ons doorgaans voor placht te houden. De specialisten die hier hun inbreng leveren werken op het niveau van de synthese én de reflectie. In dit land merkt  op het oog nog weinig sporen van de tijdelijke vereniging van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden. De spreekwoordelijke Hollandse rekenkunde bleef wel hangen, het monsterverbond van liberalen en katholieken, de discussie over de taal, vooral de Waalse dialecten en het opleggen van het Nederlands als algemene taal, is doorgaans al voer voor specialisten. Het ontwikkelingen van het land dat lang niet meer de voorhoede vormde, blijft voor Willem I een grote uitdaging, temeer daar zijn schatkist door de politiek van Napoleon nagenoeg leeg was en maar moeilijk aangevuld kan worden. Niet alle plannen en inzichten vonden ingang, maar leest men deze opstellen, dan moet men erkennen dat krachtlijnen in de Nederlandse politiek wel degelijk geformuleerd werden. Misschien moet men wel erkennen dat Willem I te vaak op sommige raadgevers steunde, die zelf meerdere tronen hadden gediend, maar goed, met de leerschool in Fulda kan ook Willem niet van opportunisme vrijgepleit worden. Overigens is dat niet zo kwalijke houding, denk ik, want wie niet op de juiste trein springt, verliest ook veel mogelijkheden.

Johan Huizinga vroeg zich af, 100 jaar geleden, wat er nog overbleef van die gebeurtenissen en hij kon alleen vaststellen dat de gebeurtenissen ingedikt waren tot enkele facetten. Het is het sleutelprobleem van de herinnering en van de historische dynamiek van het vergeten. Men kan bepaalde gebeurtenissen niet meer bevatten als de beleving ervan niet meer meegegeven kan worden. Het verhaal van 1813 is verbonden met de slotscènes van het Napoleontische avontuur. Maar het is ook verbonden met de idee van de Restauratie, iets waar latere generaties niet veel mee op hadden, net omdat men de indruk kreeg, post factum, dat het grondvesten van het Koninkrijk der Nederlanden zouden gelegen hebben in de foute idee dat het Ancien Régime – van Franse snit – terug zou (kunnen) keren. De complexe werkelijkheid, inclusief de wijsheid van velen in Europa dat die oude tijd door de omstandigheden definitief tot het verleden behoorde, ontging hen die dachten dat ze iets herdachten wat niet meer van de tijd was. De opzet van Willem I, Van Maenen en Hoogendorp was op zich al een mengeling van de verschillende fasen die de Nederlanden tussen 1780 en 1813 waren doorgelopen. Dat in de Zuidelijke Nederlanden, waar de omgang met die feiten anders lag, tot andere conclusies leidde, hoefde niet tot een breuk te hebben geleid, als de raadgevers en de koning het Zuiden niet zozeer als een wingewest hadden beschouwd. Toch is de ervaring van dat Verenigd Koninkrijk wellicht ook voor het Zuiden doorslaggevend gebleken, want de grondwet van 1830 wilde alle weeffouten van 1813 en 1815 eruit. En in 1848 koos Thorbecke voor een amendering van de Grondwet op basis van de Belgische teksten. Enfin, het is geen punt voor Nederland dat de wisselwerking er geweest is. Maar ook voor ons blijft 1815 -1830 een vreemde episode in de nationale geschiedenis. Pas met de gesprekken in 1936 zou een begin gemaakt worden met intensere samenwerking. Toch kan men niet beweren dat alleen de taalunie een min of meer succesvolle loot van die samenwerking zou blijven. Onze marine is sinds enige tijd nauw verbonden met de Nederlandse Marine en de integratie van de Benelux stuit in het Noorden soms op afwijzing wegens de “Kosten”, maar wellicht valt daar toch op af te dingen.

Maar de bedenking die ons het sterkst bezig houdt na lezing van dit boek, van deze opstellen is dat het wellicht daarom moeilijk te komen is tot een idee van Europa waarbij de landen die er na de Wende bij zijn gekomen, die nu zo ver buiten ons beeld blijven, net mee te nemen. Het opbouwen van een staat is een ding, zonder een natie lukt dat moeilijk. Men zegt dat Europa niet zo gauw een natie worden zal in de betekenis die Willem I zich droomde, maar daar zit nu net de uitdaging, dat die gecentraliseerde staat naar Frans model voor Europa niet zo heel veel baat zou brengen. Maar wel is het van belang te begrijpen dat de eenheid van een staat gebaseerd is op diversiteit. Economisch, politiek en cultureel. Maar, zoals de integratie van katholieken en Joden in Nederland na 1830 zich heeft kunnen voordoen, omdat hun burgerrechten ten volle gerespecteerd werden en vervolgens de integratie volgde, zal in deze tijd toch onderzocht moeten worden hoe we dat op een Europese schaal zinvol kunnen aanvatten. Want hoezeer Willem I ook een dossiervreter was, hij vatte ook goed de idee dat zijn volk die hele geschiedenis nog diende te accepteren. Niet alles is daarbij van boven naar beneden gegaan, maar zoals het verhaal van het Gedenkteken dat Willem III liet oprichten in Den Haag, dient men het beeldverhaal toch mee te geven, voor wie het horen wil.

Natievorming en een staat opbouwen gaan niet altijd noch vanzelf samen, maar we hebben de indruk dat het vandaag, zoals ook uit het slothoofdstuk blijkt, dat we vaak aan herdenking doen, zonder, zoals men in 1863 en 1913 wel begreep, de toekomst mee op te nemen. Dat geldt voor 1957, toen het verdrag van Rome werd getekend, dat inging in 1958… voor de zes die samen de EEG vormden. In 1987, en later steeds sneller werden pogingen ondernomen de grondslag van de EU uit te breiden, maar de vorming, de verklaring, de taal zelf volgde niet. Op dat vlak is Willem I duidelijk wel geslaagd, want dat Nederland nu een democratische, parlementaire rechtsstaat is, waar in principe religieuze vrijheid bestaat en die religies naar het inzicht van Abraham Blankaart vrij redelijk lijken, zien we toch, dat de levensbeschouwingen doorheen de afgelopen 2 eeuwen niet altijd zo redelijk zijn gebleken. De verzuiling is er een tegenvoorbeeld van. Oh ja, het polderen is gebleven, heeft uitbreiding gekend, maar tegelijk lijkt ook dat weer op grenzen te botsen, omdat de gemeenschappelijke visie waarom men zou overleggen, waarom een besluit van node is, moeizamer geformuleerd wordt. Anders gezegd, men wil wel overleg, maar er is geen eindmeet, geen doel. Die urgentie had Willem I ongetwijfeld wel. Alleen, die bleek niet haalbaar, financieel niet en politiek niet – ten aanzien van de Oostenrijkse Nederlanden. Maar echt gefaald blijkt het project niet, omdat staten en naties niet zo gemakkelijk schipbreuk leiden,  mits er een politieke cultuur bestaat, zoals Nederland die kende ten tijde van de Restauratie – die geen restauratie kon zijn maar juist een tijd van grondslagen leggen, voor een ongewisse toekomst. En laat nu net dat voor politici altijd weer het lastige wezen, dat men werkt aan iets waarvan men de resultaten niet per se zelf zal zien. Toch is dat misschien meer eerbaar dan de burgers zomaar tevreden stellen met snelle hapjes.

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten