Filosoferen op 1 been

Kritiek

Stemming maken
en instemmen
René Gude en Theo Maassen in gesprek

Ik zag er maar een stukje van, de eerste uitzending en heb het dan maar opnieuw bekeken, want het gesprek dat Theo Maassen en René Gude, Denker des Vaderlands en man met een zware last, sloeg echt wel in. Vooral omdat hij het had over thema’s die niet altijd zomaar aan de orde komen, tenzij in al te apodictische uitspraken.

Hoe kijken we naar ons land, naar Europa en wat weegt door, de kwalijke kanten of wat goed gaat? Sommige politici en commentatoren kunnen het niet laten hun zin voor kritiek te verengen tot een afmeten van wat is aan wat ze als ideaal, waarbij ze aannemen dat zolang het ideaal, van gelijkheid niet bereikt is, de wereld aan verbetering, aan vernieuwing toe is. Maar zegde Gude, innovatie, vernieuwing, het blijft een nare idee, zonder dat hij zich laat vastpinnen op een conservatief standpunt. Behouden wat goed is? Het vergt, zo vernamen we grote aandacht voor de dingen en niet een oppervlakkig hanteren van een of andere meetlat, waarvan we de ijk niet kennen.

Dus moet men wel streven naar verbetering, lotsverbetering, betere geneeskunde, beter onderwijs, denk ik dan. Nu lijkt dat alles al te evident, namelijk dat vernieuwers, mensen die vooruitgang willen, kunnen toch alleen maar verbetering voor ogen hebben. Nu heeft de denker des vaderlands een zware aandoening te verstouwen gehad, beenmergkanker en na een eerste behandeling kwam de ziekte terug en diende het been geamputeerd. Toch kan je er niet naast kijken, de man is meer dan dat verloren, geamputeerde been. Zijn hoofd is nog altijd tot behoorlijk denken in staat.

Maar zoals Arendt al schreef, als je denkt ben je wellicht enigszins van de wereld, maar je blijft betrokken de dingen des daags. Sommige filosofen dat die dingen er niet toe doen, maar misschien, veronderstelt ook René Gude, heeft het niet zo heel veel zin om zich voortdurend in theoretische modelbouw te verliezen. Want dan heeft men geen argumenten om bijvoorbeeld zekere populisten aan te pakken. Tegelijk ziet hij het als zijn rol zijn filosofische tuin te onderhouden en daarbij de oude inzichten zo goed mogelijk te vatten en dat aan zijn tijdgenoten mee te delen. Hij blijkt niet bang het tijdsbestek te verlaten om na te denken, maar hij denkt in deze tijd. Wat een verschil met Ico Maly, die in zijn analyse van een partij, de N-VA in het Franstalige magazine Le Vif te vertellen dat de partij zou putten uit de traditie van de antiverlichting. Daarbij verwijst hij naar een criticus van de Franse Revolutie, Edmund Burke, maar zonder na te gaan, heb ik de indruk hoe dat het tegenwerping kon of kan zijn van de Verlichting. In Kraamkamer van de Verlichting laat Jabik Veenbaas zien dat die eeuw van de Verlichting minder evident, laat staan minder eenduidig is dan we graag aannemen. Iemand als Herder was een protestantse dominee in Königsbergen, maar ontpopte zich in Frankrijk tot een oorspronkelijk denker, die bijvoorbeeld enkele interessante gedachten over nationalisme op tafel bracht, maar voor Ico Maly is het nationalisme sowieso conservatief. René Gude heeft het niet zo hoog zitten, die afkeer van Nationalisme.

Het probleem is namelijk dat men dan, als ik goed geluisterd heb ten minste, niet echt meer bij machte is te waarderen wat er is, hoe de mensen zijn en handelen, want men moet werken aan verbetering, verandering… Nationalisme kan ontaarden, maar ook de afwijzing ervan kan nefast uitpakken voor een goed begrip van de dingen.

Zo te zien valt te begrijpen dat die uitspraken van Gude in Vlaanderen niet echt resoneren, want hij vloekt op nagenoeg alle terreinen met wat men de elitaire consensus kan noemen. Hij wil een Geert Wilders niet verguizen, maar beseft dat hem alleen maar terechtwijzen niet zal helpen. Hij verwees naar Frits Bolkestein, de leermeester van Wilders, die lang voor Wilders over Europa een en ander te berde bracht dat Gude wantrouwig stemde. De natiestaat was voor Bolkestein nog altijd de norm en Europa riep problemen over zichzelf af. Voor Gude is de natie en het nationalisme niet vanzelf een voorwerp van haat, net omdat we kunnen instemmen met het goede dat de staat, de sociale welvaartsstaat heeft gebracht.

Maar om Geert Wilders en andere populistische partijen, zoals het Front National aan te pakken, dient men als filosoof stemming te durven maken. Maar ook met instemming voor het goede in Europa, in onze welvaartstaat. Tene quid bene? Zeer zeker, maar ook nagaan of het gebouw niet aan aardbevingen of grondverschuivingen onderhevig is. In plaats van altijd te willen bouwen, kan men, aldus de filosoof ook nadenken over het belang van onderhoud. Onderhoud van de wegen, van gebouwen, van het eigen gestel… Voorbij dus de wegwerpsamenleving.

Maar hoe zou men kunnen instemmen met een samenleving als de onze? De vraag kwam van Maassen, maar Gude bleef zichzelf en liet zien dat er wel degelijk een en ander is waar we mee kunnen instemmen. Voor mij gaat het dan, ondanks het gezeur over onveiligheid om de vaststelling dat we gevrijwaard blijven van wapengeweld, van straatvechten, van weerwraak en dat soort zaken. Het zijn evoluties die ten onzent al 1000 jaar geleden op gang gebracht werden, al kan men gemakkelijk argumenteren dat het allemaal onvolkomen is gebleven. Dat duidt op een verschil in visie. Ook solidariteit bepleiten, waarbij men de rijken lijkt te willen uitsluiten of mensen die door hun eigen schuld in problemen komen, wordt wel een heel nare vorm van solidariteit. Het gaat bij solidariteit ook om de financiële grondslagen voor de sociale zekerheid, ook een herverdeling via de fiscaliteit gaat om solidariteit. Men heeft dat argument uitvoerig behandeld en altijd weer komt men niet verder dan het bepleiten van solidariteit in financiële termen, terwijl zoiets als broederlijkheid vaak onbesproken blijft want in een of andere vorm gaat het om hoe we zelf tegenover het publieke staan. En wil nu net het gesprek over instemming daarover gaan, over het aanvatten van het gesprek, over een welwillende betrokkenheid bij de samenleving. Die instemming gaat niet over het aanvaarden van een situatie waarin de mens een wolf is voor de andere, net over de beschaving, die we hebben ontwikkeld. René Gude die zelf weet hoever de geneeskunde hem gebracht heeft, zal het wel met me eens zijn als ik de beschaving meer acht dan een dun laagje vernis, dat wil zeggen, zolang u en ik die beschaving, die waarden en wat er uit volgt aanvaarden, ermee instemmen.

De bankiers die zoals Gekko riepen: “greed is good!” en politici die geloven dat we geen regelgeving behoefden, behoeven, kunnen zich er niet vanaf maken met het adagium Private vices, public benefices, omdat we moeten vaststellen dat net Adam Smith in zijn andere hoofdwerk “theory on moral sentiments”, dat probleem ernstig onderzocht heeft en afgewezen. Het gaat om een moeilijke kwestie, zoals ook Max Weber kon vaststellen die net schreef dat een bepaalde deugdoefening, de protestantse moraal aanzette tot kapitaalaccumulatie. Het verhaal is dus complexer, ik bedoel, het begrijpen van waar we mee bezig zijn, kan ik niet alleen in een gesegmenteerde vorm gegoten duidelijk maken, het overzicht herwinnen heeft ook wel enig belang.

Het gaat er dus om, als men Gude volgen wil, dat de geschiedenis van de filosofie ons volop aanzet na te denken over wat we horen te doen, zonder dat weten wat betamen betekenen kan a priori gegeven is, al geeft Gude wel aan dat er goede gebruiken en tradities zijn. Maar tegelijk pleit hij voor ambachtelijkheid. Ach wat, ambachten, dat is toch uit de tijd. Maar toch, zoals hij uitlegde, kon ik me daar wel een beeld van vormen omdat het de kern raakt van wat we als mens kunnen doen: de vaardigheid verwerven om steeds weer hetzelfde, of bijna hetzelfde te doen en soms komen er wonderbaarlijke resultaten uit. Net als we de zaken ook enigszins op hun beloop laten, terwijl we doen wat moet, ontstaat die bijzondere chemie, van aangrijpen, of aanvatten en loslaten.

In onze wereld- en mensbeelden ontdekken we precies hoe de samenleving wel degelijk functioneert zonder dat overheden alles onder controle hoeven te hebben. De vrijheid van ons, burgers, bestaat er namelijk net ook in dat we bereid zijn dat te doen wat we nodig achten om met onszelf en onze omgeving in een bijzondere verhouding te staan. Instemming en committeren: we engageren ons ten behoeve van de gezamenlijkheid. Net dat lijkt in onze repressiever wordende samenleving voor de overheid en vooral de politiek zo moeilijk. We vragen transparantie maar bedoelen volkomen beheersing van processen. Daar blijkt ook René Gude behoorlijk wat kopbrekens over te hebben.

Aan het einde van de weg zien we natuurlijk wel dat het geld een rol speelt, maar ook dat andere facetten hun belang hebben. Instemmen met het goede dat verwezenlijkt werd, dat we delen, dat we beschaving noemen, kan zowel tot uitdrukking komen in de vorm van stemming maken als in de vorm van een engagement.

Stemming maken? Oh, dat is populisme, luide roepen dat het allemaal niet deugt en de hele zaak op de schop moet. En vooral dat de schuldigen en aan de puinhoop maar tegen de muur… zo ver mag men niet gaan, al blijft het zo dat heel wat stemmingmakerij nu net gaat over de kleine kantjes van de politique politicienne. Zelden gaat men over tot een goede analyse van de keuzes en de aanpak, meestal over de resultaten of vermeende resultaten. Kiezen betekent dus inderdaad wel eens verliezen en dan is het wel zo nuttig aan te geven hoe men als bewindvoerder de balans heeft gemaakt, inclusief de onzekerheden en onbekenden die ermee verbonden zijn. Nu lijkt het er vaak op dat politici zich wel committeren voor een ambt, maar daarbij de notie verantwoording verengen tot het in het oog houden van de wet, want meer kan men ook niet doen. Zou het?

En kunnen burgers zich dan committeren? We doen het al en soms vrij massaal, maar tegelijk stellen mensen vast dat hun engagement voor de publieke zaak niet geheel ernstig wordt genomen en dat is een kwalijke zaak. Ook blijkt dat ons engagement vooral in rekening wordt gebracht als we ons verzetten tegen keuzes van de overheid, niet als we ons met die keuzen kunnen verzoenen of die willen steunen. Grote projecten lopen mis, omdat soms gewoon enkelingen zich verzetten, wat hun goed recht is. Maar hoe kan de Raad van State, die hierover gaat in België, als puntje bij paaltje komt, die ene klager volgt en de verwachtingen van andere burgers daarmee negeert. Een positieve petitie indienen bij het Vlaams Parlement voor de Oosterweelverbinding, zou dat iets hebben uitgehaald, voor het kanaal van Zeebrugge naar het continentale netwerk van binnenwateren? Een moeilijke kwestie, zo te zien. De solidariteit van middenveldorganisaties om zich te verzetten leek iedereen mee in bad te trekken, ook als men vond dat het kanaal een logische zaak zou wezen.

Maar ook in ons persoonlijke leven speelt die betrokkenheid meer dan we zouden denken. Omdat we beseffen dat anderen, zo heet het, profiteren van systeem moet het systeem op de schop. Of zou het zijn dat we onze eigen positie tegenover wet en moraal projecteren op anderen, dat we anderen fundamenteel zijn gaan wantrouwen. Ruth Andreas-Friedrich schrijft aan het einde van haar dagboeken Berlijn 1938 – 1948 dat mensen zich wel gezamenlijk hebben verzet tegen de overheid, de Nazi’s, maar toen het zaak was het land weer gezamenlijk op te bouwen, kwam de verdeeldheid, ook binnen haar groep. Men moet zich dus afvragen of we nog wel enig zicht hebben op die gezamenlijkheid. En dat geldt dan weer in Europese zin, want we kunnen moeilijk solidair, samenhorig zijn met landen, burgers, medeburgers, waarvan we de heftige geschiedenis niet begrijpen.

René Gude brengt met zijn gesprek wel een en ander op gang, maar het lijkt erop dat men dit even vrijblijvend vindt als wat Bekend Volk, BNers en BVs te melden hebben. Onder meer dat men psychisch, existentieel leed, een beendermergkanker en een amputatie van een been en bovenbeen, veerkrachtig kan doorstaan. Eenvoudig moet dat niet geweest zijn, maar tegelijk, de veerkracht van die man laat zien dat mensen wel degelijk over het vermogen beschikken de zwaarste aandoeningen niet enkel fysisch te overwinnen maar begrijpen dat dit hen, ondanks alles, kansen geeft voor een verder leven, hoe anders het ook wezen zal. Dan krijgen pleidooien voor euthanasie om het psychisch lijden te beantwoorden met een zelfgekozen exit onder medische begeleiding wel een andere betekenis. De vasthoudendheid dat men elk (psychisch) lijden moet voorkomen is voor mensen die ermee aan de slag gaan, met vallen en opstaan, met steun van naasten, magen en vrienden vaak storend en misschien zelfs een hinderpaal.

Men zegt dat de wet niemand zal of zou verplichten tot euthanasie, wat wel helemaal te erg zou zijn. De andere kant, dat men probeert te overleven en van het leven in een beschadigd lichaam toch nog iets wil maken, blijft daardoor onderbelicht. Men maakt geen gewag van levensblijheid, die er bij René Gude duidelijk afstraalt, zonder dat hij daarvoor euforisch uit de hoek komt.

Besluit kan dus zijn dat we met de zegeningen die het leven in deze maatschappij en cultuur kunnen ervaren best zorgzaam omspringen. Dat we het menselijke niet zien als een abstract gebeuren, maar dat elkeen leert te roeien met de spanen die hij of zij ter beschikking heeft en dat men misschien toch eens meer het begrip respect in ogenschouw kan nemen.


Bart Haers  

   

Reacties

Populaire berichten