(G)een Dominant Duitsland

Recensie

Angst voor Duitsland
Waarom we het land niet begrijpen

Dirk Rochtus, Dominant Duitsland, Pelckmans, 2013 (2de druk) 226 pp. Prijs: 21.50 €

Het verhaal van Duitsland beperkt zich gemakkelijk tot enkele data, enkele kenmerken, doorgaans negatieve connotaties maar uiteraard ook de oorlogen die Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw hebben geteisterd. Iemand was er verantwoordelijk voor, dat staat als een paal boven water, maar tegelijk is er veel gebeurd, waar we niet veel van afweten. Enfin, dat is wat me ook na lectuur van dit boek van Dirk Rochtus, dat in september verscheen voor het boek inneemt, dat er veel aan de orde komt dat het begrijpen van de vele Duitslanden die er waren mogelijk maakt. Veel is er niet over gezegd, gelukkig blijken we als lezer wel de weg te vinden naar het betere boek.

Heeft het zin een boek te schrijven in het licht van de verkiezingen (22 september 2013), die een situatie voor even lijken vast te leggen? Het boek van Dirk Rochtus laat zien dat men er niet voor hoeft terug te schrikken, want er valt genoeg materiaal aan te dragen voor een overzicht over wat in Duitsland en de buurlanden beweegt. Tegelijk valt het op dat zijn uitgebreide betoog op de vraag of Duitsland dominant is dan wel wil zijn, een zeer genuanceerd antwoord oplevert, dat in deze tijd van zogenaamde doorgedachte visies niet helder of vanzelfsprekend genoeg is. Maar laat dit nu net een verdienste zijn van het boek.

Hoever men kan doordringen in het reilen en zeilen van een land als Duitsland, valt uit dit boek ook weer af te lezen en er mag gezegd dat we voor de recente evoluties in het land van Goethe en helaas ook Rosenberg veel aanwijzingen aantreffen dat de evoluties sinds de Napoleontische oorlogen in dat land, net als de rest in Europa indrukwekkend moeten heten, maar tegelijk moeilijk zomaar te vertalen zijn.

De grote kwestie, aldus Dirk Rochtus, was voor wat men de Biedermeierzeit, de tijd van de restauratie hoe men eenheid en vrijheid met elkaar kon realiseren. 1848-1849 is een episode in de Duitse geschiedenis die wat belang en gewicht aangaat zeer zeker lang heeft nagewerkt, ook toen Duitsland een Pruisische ambtenarenstaat was geworden, na 1871, na keizerskroning. De zoektocht naar de vraag hoe men burgerlijke vrijheden en eenmaking kon realiseren werd in de Paulskirche in Frankfurt, waar het parlement toen bijeenkwam, niet gevonden, onder meer omdat men het niet eens kon worden over de Groot-Duitse en de zogenaamde Klein-Duitse oplossing. De eerste impliceerde dat Oostenrijk met het hele landencomplex erbij – of alleen het Duitstalige Oostenrijk – in het nieuwe Duitsland een plaats kon vinden. De Klein-Duitse oplossing? Alleen de Duitse vorstendommen en vrijsteden en het Habsburgse rijk intact laten, was een mogelijkheid, maar of die zo klein mocht heten, blijft maar de vraag.

Het blijft moeilijk in werken over Duitsland de invloed van de Keizer, Wilhelm I en Wilhelm II af te wegen tegen andere groepen in de samenleving. Rochtus probeert vooral aan te geven dat het nieuwe Duitsland, dat van 1871 een Pruisisch project werd, maar het volstaat niet vorst Otto von Bismarck op te voeren, om het beeld scherp te krijgen. Maar het kan inderdaad niet de bedoeling zijn die aspecten even grondig onder de aandacht te brengen, zonder het hele verhaal te vertellen. Het is dan ook belangrijk dat de auteur laat zien dat achter die realiteit, die hij beschrijft nog andere particulariteiten zitten, die ook met Duitsland te maken hebben, maar evengoed, met de andere buurlanden.

Wat misschien meer aandacht had verdiend, blijft de vraag hoe het Duitse Nationalisme, verbonden met het Liberalisme in de 19de eeuw en door Bismark geofferd op het altaar van de efficiënte staat tot in 1945 is blijven nawerken maar ook dezer dagen nog reflectie vereist. Over het Burgertum schrijft de auteur iets aandachtiger, maar het probleem van het nationalisme ten tijde van het Keizerrijk en de onthutsende vormen die het aannam, kan men best wel onder de aandacht brengen. De eenheid werd gesmeed, maar de vrijheid en eigen leven vorm geven leken moeilijker – of beter, werden een unpolitische Frage - , terwijl aan de andere kant ook Duitsland – en Oostenrijk – de nodige excentriekelingen kende en ook vormen van decadentie in velerlei vormen de kop opstaken. Niet dat we persoonlijk decadentie zouden veroordelen, wel dat de ruimte die een samenleving laat voor decadente leefwijzen meteen ook zorgt voor tegengewicht. In die zin meen ik dat meerdere auteurs – ook als het om Frankrijk en het UK gaat – vergeten dat spanningsveld in beeld te brengen. Maar toch wijst de auteur erop dat vooral in de Burschaften – de kerels met littekens op de wangen en de kin -, hoogstudenten die er een erezaak van maakten hun eer met de sabel te verdedigen, waren dan ook niet per se dezelfde die het grootburgerlijke cultuurleven vorm gaven. Het is een van de redenen waarom men kan zeggen dat de situatie in het Duitse culturele leven, in een brede zin opgevat niet eenduidig was. Maar dat universiteiten zowel de aanjagers waren van een nieuw soort nationalisme als van een meer gesofistikeerde cultuurproductie, mag men niet uitsluiten.

Het argument waarop mijn observatie berust, zit in het boek van Dirk Rochtus, althans, de vaststelling dat de lui die juichten op de Kurfürstendamm op 3 augustus 1914 en mee de sfeer hebben geschapen waarin een elite zich voor de oorlog bereid toonde, kan niemand loochenen. Het andere verhaal, de mensen die de cultuurproductie toen op een hoger niveau brachten zit vervat in de vaststelling dat in de SPD, die al enkele generatie zuchtte onder het conflict tussen de traditionele arbeidersbeweging en een intellectuele elite, die zich inliet met de wetenschappelijke onderbouwing van de ideologie een modernere elite werd gevormd, met als ambigu toonbeeld Martin Heidegger. Wie de geschiedenis van de SPD kent, zoals Jacques van Doorn, beseft dat er zich in de universitaire milieus wel degelijke scherpe disputen moeten hebben afgespeeld. Een derde verhaal kan ook niet onvermeld blijven: een zich ontvoogdende intellectuele Joodse middenklasse, waar Rochtus ook op wijst, maar waar hij niet dieper op in gaat. Toch kan men het nationalisme van deze recent, maar soms al langer in het Duitse academische leven verweven ontvoogdingsideaal van joodse burgers, die vaak uit de verbanden van synagogen en andere culturele instellingen die met het Duitse Jodendom samen hingen, niet onvermeld laten want het laat zien dat ook hier spanningen en al zeker met de Burgerschaften niet afwezig konden blijven. Wibke Bruhns heeft dat in het familieverhaal van haar familie “Meines Vaters Land” uitgewerkt en ook aangegeven dat als er al geen sprake was van apert antisemitisme, dan toch behoorden de leden van de Joodse burgerij niet tot hun kring, die van de ondernemers uit Halberstadt en net als de familie Mann omhoog geklommen via de Industriële revolutie.

Nu zou de lezer kunnen denken dat we het fundamenteel oneens zijn met de benadering van Dirk Rochtus, maar dat is het punt niet dat ik wil maken. De benadering van Rochtus neemt het verleden van Duitsland mee om het grote verhaal van deze tijd uiteen te zetten: zal Duitsland Europees zijn of Europa Duits? Zal Duitsland dominant zijn en daartoe moet hij het grotere verhaal van Duitsland uit de doeken doen, die voor weinigen onder ons geheimen zou mogen hebben, maar die helaas, zeker wat Weimar en de Bonner Republiek betreft, doorgaans veeleer schematisch wordt verteld. Wat we met het vorige paragraafje aangaven was vooral aantonen, dat de synthese die Rochtus brengt, een werkelijkheid zit die men niet zomaar bevroeden kan. De geschiedenis van een land laat zich gemakkelijk vertellen in grote lijnen, maar het is wel zo nuttig als lezer daarna verder uit te zoeken hoe op het mesoniveau van kringen, beroepsgroepen, gemeenschappen de verhalen ingevuld werden. Want hoe na 1945 in Oost en West met de Vergangenheit, het verleden werd omgegaan en aan de toekomst werd gewerkt, is voor ons herleid tot misschien vijf namen en drie woorden: Adenauer, Kohl en Merkel, Gauck; maar ook: Wirtschatswunder, Hereniging, Merkozy. De auteur van het hier besproken essay legt nauwlettend uit dat die periode na 1945 voor Duitsland, voor de Duitsers in het Westen én voor die in het Oosten altijd weer iets van verwonding en trauma heeft behouden, dat men zelf niet tracht te vergeten.

Welk land stelt vast bij monde van de premier dat haar Staatsraison het bestaan van een ander land is: Israel is de bestaansreden van de Bondsrepubliek Duitsland. Maar ook, voor wie oplettend leest, kan gezegd worden dat Duitsland ook met de nabuurstaten, eerst in het Westen en vervolgens, na de Wende de buurlanden in het Oosten in het reine diende te komen. Willy Brandt deed zijn gebaar in Warschau, maar diende ook met Rusland een bijzondere band te ontwikkelen, maar tot vandaag, met Joachim Gauck en Angela Merkel, die beiden het wedervaren in het Oosten kenden, heeft Rusland anno domini 2013 een kwaaie klant.

De ommekeer, de vraag of Duitsland herenigd werd dan wel of uit twee resterende stukken van het Duitsland van 1937 een nieuwe eenheidsstaat werd gevormd – en hoe – komt in dit boek wel degelijk aan bod, omdat die gebeurtenissen mee tot de verdieping van de EEG en omvorming tot de EU hebben geleid. Maar ook van Duitsland vergen dat noch de regering noch de burgers het verleden niet vergeten, terwijl men tegelijk ook de eigen rol in de bondgenootschappen kan opnemen, zonder opnieuw gevaarlijk te worden. Terecht krijgen we hier de vele afwegingen te verwerken die men maken moet in Duitsland, maar ook in hoofde van… de nabuurstaten. Het gevolg beschrijft Dirk Rochtus met bekwame vlotheid, want we zien hoe na de Wende niet enkel de Duits-Duitse betrekkingen op de helling staan, of liever, de helling waar een nieuw schip van staat moet worden gebouwd met vele vraagstukken, tot met de omgang met de Stasi-archieven, de werkgelegenheid in de oude Länder van de DDR, met haar toen hoog geprezen industrie, maar die door de Treuhandanstalt als schroot werd opgedoekt.  Finaal moeten ook hier weer de verschillende culturen onder de aandacht komen, maar hier blijkt dat de eenheid minstens voor de bewoners van de oude DDR de omslag snel gegaan is – wat de ontwikkeling naar democratie tegelijk heeft bemoeilijkt en verzekerd – maar ook overduidelijk van de burgers vergde dat ze de oude heimat niet geliefd hadden, maar er toch nostalgisch op terugkijken.

Daarom schrijf ik hierboven ook dat we het land van Goethe, Marx, Max Weber en Walter Rathenau, Rolf Biermann en Joachim Gauck, mevrouw D…  - u zal haar niet kennen, maar ze bracht haar jeugd door in de DDR en spreekt nu West-Vlaams – niet zo gemakkelijk kunnen begrijpen als we zouden willen, maar niet iedereen heeft daar problemen mee, want het eenvoudige verhaal is gemakkelijker te onthouden. En we kunnen toch maar vaststellen met Dirk Rochtus, met anderen dat Duitsland niet de hegemoniale rol speelt bij de eenwording van de EU die in het verhaal van het Wilhelmitische Duitsland kon verteld worden. Maar goed, Pruisen woog toen zwaar in het land, maar verdween na 1945. En Europa, dat werd gemaakt op economische gronden, maar met politieke doeleinden. Die kan men gemakkelijk onderscheiden, want als iets politiek van groot gewicht is, dan is het de keuze tussen oorlog en vrede, de middelen van een staat, soldaten, arsenaal en financiën voor oorlog of voor vrede. Daarom lijken oorlogen zo dominant in de geschiedenis, terwijl ze naar verhouding in tijd veel minder vergen dan vrede – om de volgende oorlog voor te bereiden. Na 1945 werd die logica gewijzigd en dat was het Europese project.

In Duitsland stuit dat project, zeker ook sinds de crisis van 2008 op tegenstand omdat teveel soevereine macht naar Brussel zou verhuisd zijn en Duitsland best terug zou kunnen keren naar de DM. Maar in de buurlanden zijn de gemoederen niet minder paradoxaal verdeeld, want men wil dat Duitland meer doet om de economie in andere landen te versterken en tegelijk… de Euro ondersteunt met haar sterke economie. Zelden las ik in een overzichtelijker relaas die spanningen in de politieke opinies en de publieke opinies, die vooral via media worden geventileerd. Helmut Schmidt heeft in deze onderscheidend gesteld dat over de bestaansreden van Europa als politiek project discussiëren tijdverlies is en een gebrek aan beschaving betekent. Het gaat er daarom ook om dat we opnieuw in gedachten houden wat de inzichten waren van de mensen die in 1950 het Frans-Duitse samenwerkingsverdrag sloten, waarbij de Fransen, nadat een of andere variant van het Morgentauplan door de Amerikanen was afgewezen, besloten met de nieuw gestichte Republiek van Bonn, een Westbindung op te zetten. Ook voor de Duitse politici was dit een goede benadering, omdat ze zo doende, aldus ook Dirk Rochtus, een kernprobleem van de Duitse cultuur konden omzeilen: de vrijheid was altijd geofferd aan bestuurskracht en werd ook nog door Thomas Mann in “Betrachtungen eines Unpolitischen” in 1915 opgezet als een poging de eigen weg van Duitsland te beschrijven, gericht tegen de Franse opvattingen over staat en natie. In 1933 – 1938 zou diezelfde Thomas Mann de zaken anders benaderen: Duits zijn hangt niet (langer) samen met de staat en het dienstbaar zijn aan die staat, maar ook dient men de vrijheid van de burger als autonoom subject te respecteren. Thomas Mann zou zich dan ook als representant gaan gedragen van de Duitsheid, maar ook als representant van een Kultur- en een Mensopvatting. Over zijn schrijverschap kan nog veel toegevoegd worden, maar het lijkt me goed in gedachten te houden dat, zoals Dirk Rochtus te berde brengt, de Bonner Republiek niet de Weimarrer Republiek wilde zijn.

De eenmaking heeft 2 Duitslanden tot 1 Duitsland willen herwerken, maar heeft het centralisme blijvend getemperd, in die zin dat de vertegenwoordigingen van de Deelstaten in de Bondsraad de Bondsdag kunnen overrulen, vooral als de kiezers zo de kaarten verdelen dat er geen eenvormige meerderheid is. Het nieuwe Duitsland na 3 oktober 1990, de Berlijner Republiek is daardoor, dankzij de ervaringen van Bonn, maar ook dankzij de gevoerde politiek ten aanzien van Europa én ten aanzien van de DDR en Moskou door Willy Brandt, dankzij de keuzes ook na de Wende, niet meer gegrondvest op de bestuurlijke tradities van het Wilhelmitische Duitsland. Het zou evenwel, in een poging tot een reflectie op de Europese cultuur, nuttig wezen de wezensaspecten van de Britse moderniteit, de Franse, de Nederlandse (België en Nederland begrijp ik hieronder) te bekijken. Philipp Blom geeft daar een aanzet toe gegeven, maar ook bijvoorbeeld de schrijver Nir Baram, die in Goede Mensen  onder meer een jongeman laat handelen die zich met moderne marketing inlaat, ten tijde van de Republiek van Weimar, laat overtuigend zien dat de moderniteit in Europa – maar ook in de VSA – sinds het begin van de twintigste eeuw gelijkaardige uitkomsten vonden, maar tegelijk riepen die dan weer scherpe tegenreacties op. Voor het Europa dat we in de EU vorm geven, vormt dat spanningsveld naar mijn oordeel een belangrijke kwestie.

Dirk Rochtus brengt een synthese van de Duitse Vergangenheit, waar we lang niet alle aspecten van hebben kunnen belichten, met het oog de vraag of Duitsland dominant wil zijn te kunnen beantwoorden. Zijn analyse kan zeer wel overtuigen, vooral omdat hij in het licht van de Europese Constructie laat zien dat men de natie als referentiekader niet zomaar terzijde kan schuiven. Binnen Europa zal men die onderscheiden loyauteiten niet zomaar afbreken, want een supranationaal Europees Nationalisme zou afbreuk doen aan een samenlevingsmodel, waarin vrijheid, gelijkheid én Broederschap hun plaats hebben, naast de vraag hoe men eenheid in/uit verscheidenheid blijvend vorm kan geven. De visie op de Duitse (politieke) cultuur is daarom van belang en daar werpt de auteur een boeiend licht op. Dat er ook andere facetten aan het verhaal zijn, doet er geen afbreuk aan, maar het boek kan de lezer wel binnenleiden in een denkwereld die vandaag voor de Duitse medeburger – in Europees verband – essentieel is. Maar als we denken dat Duitsland te dominant zou wezen, moeten we niet gaan schreeuwen op het grote plein van het Europese Parlement in Brussel, maar met de eigen nationale politici het gesprek aangaan. Politiek bedrijven met andere middelen? Inderdaad, waar we ons niet voldoende op toe kunnen leggen. Politici zijn niet verkozen om de mens naar eigen wensen te hervormen, maar om precies mensen hun kans te geven af te wijken van normen. Joshka Fischer maar ook Joachim Gauck zijn daar pertinente voorbeelden voor, kunnen ons dus inspireren, maar ook Timur Vermes mogen we niet uit het oog verliezen. Maar dan moeten we wel aandacht opbrengen voor de culturele productie in alle 29 lidstaten. Dan zal blijken dat Duitsland lang niet zo dominant is, als we het wil vrezen.

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten