van de oude boerin en de levensvreugde

Reflectie

Volstaat het een sociaal discours te voeren?
Over het gevecht om de kiezer en nog iets

Marli Huijer. Discipline. Overleven in
overvloed.
UItegeverij Boom 2013.
274 pp. Prijs: 21,90 €. Overvloed die
we kennen vandaag leidt soms tot
problemen, omdat we er niet goed
mee omspringen. Marli Huijer pleit
voor meer (zelf)discipline, opdat
we met ons leven meer zouden
aanvangen... dan wat we nu
presteren. 
Vandaag was ik op verzoek mee gegaan naar de christelijke uitvaart van een dame van 103 jaar, die haar leven zonder veel lijden kon afsluiten, want hoewel ze nog even streed om te overleven, wist ze dat het goed geweest was. Het is op zulke momenten dat het absurde van het leven toch een weldoende glans krijgt. Zelf ken ik de dame niet, maar het was familie van goede buren, maar daar gaat het net om, we leven niet alleen en slechts in anderen herkennen we – van tijd tot tijd – het eigen bestaan.

Ja, van tijd tot tijd ga ik nog eens ter kerke, niet altijd vol goede wil, maar omdat het ritueel van het afscheid ons, mij ertoe uitnodigt en soms wordt het dan toch iets, soms blijft het wat triest. Het zal ook wel niet goed mogelijk meer zijn, want het priestertekort laat zich voelen, de betrokkenheid bij mensen, bij hun kudde wordt er niet sterker op. Ook lijkt er zich een kloof uit te diepen, want in die kerk was het ritueel geen moment om echt samen te zingen en ja, zelfs te bidden. Ach, wat zou het, een gebed? Toch, zo schrijft Leo Apostel kan ook de atheïst een gebed formuleren. Hoe dat zit gaat het bestek van deze reflectie te buiten, maar het is wel zo dat men op verschillende manieren kan deelnemen aan een ritueel. En wat meer is, wie de opstellen van de wijsgeer leest, komt onder de indruk van de perspectieven die hij schetst en omstandig ontwikkelt, want ze gaan precies over wat we kunnen kennen en hoe we daarmee omspringen. Wetenschappelijk inzicht, de causaliteit als fundamenteel principe van de ordening en het functioneren der dingen, zal men niet negeren, wel integendeel, het vormt dat basis van de noodzakelijke kennis om het bestaande te begrijpen.

Toch is het zo dat voor Apostel het begrijpen van de werkelijkheid niet impliceert dat men daarmee zich wel kan situeren in het bestaande. Zoals na hem Mark de Kesel schreef dat we de goden moeten breken, liet Apostel ons begrijpen dat we de rede zelf ook niet als een afgod kunnen beschouwen, dat voorbij het observeren, voorbij het rationele begrijpen we altijd nog het bestaande en ten aanzien ervan kunnen transcenderen. Hier ziet hij, Leo Apostel dat gelovigen, theïsten en atheïsten elkaar niet zo ver ontlopen, als men bereid is aan te nemen. Het uitdagende zit hem niet – aldus de filosoof – in het al dan niet weten dan wel geloven, maar in het vermogen zich doorheen geestelijke oefeningen een besef van verbondenheid met het bestaande te ontwikkelen.

Het is dat we bij sommige mensen onderkennen, hun levenshonger, vitalisme en vertrouwdheid met het leven. Ik denk altijd weer wat voor een zegening is iemand te ontmoeten die niet zit te zeuren over wat er allemaal mis gaat en hoe erg het gesteld is met de medemens, met de politiek, de jeugd en armoede. Alles tot een probleem maken, het leven willen sturen, tot in de kleinste details, want toeval is niet zo goed, het geeft geen vleugels. Zelfs het probleem van het perfectionisme komt dan in een ander  licht te staan, want wat doet zo een mens in de moestuin, als ze prei kweekt en spruitjes, wortelen en misschien zelfs meer gespecialiseerde gewassen, waar ze wel van kan genieten, zelfs wanneer ze uiteindelijk het werk moet overlaten aan anderen.

We zijn er zo van overtuigd dat als het minder worden, als we langzaam de kracht verliezen om het alles zelf te doen, dat het leven dan zelf minder wordt. Alicja Herz-Sommer zag ik niet zolang geleden nog op BBC en ik vond haar, ondanks haar 110 jaren nog altijd een mens die de lucht deed trillen. Ach, het is alles illusie natuurlijk en al helemaal de levensblijheid. Want hoe kan men van het afschuwelijke gejakker houden? Toch, denk ik, heeft Albert Camus ook een punt als hij ons oproept zoals Sysiphus van onze opdracht, taak te houden, zelfs van een zinloos iets als het omhoog duwen op de helling van een rots, want hij kan er zin in vinden. En als we naar het ambachtelijke kijken, waar ook René Gude en Richard Sennett voor pleiten, dan behelst dat net eindeloze herhaling. Maar goed, zelfs de kunstenaar dezer dagen heeft dat ambachtelijke wegens zinloos uitgerangeerd, al zijn er uitzonderingen natuurlijk. Zelfs de politici, die er eer mee zouden kunnen halen goede wetgeving te formuleren, telkens weer, alleen als het nodig is, waarbij men ervan op aan kwam dat ze de samenleving ten goede zal komen, billijk is en bijdraagt tot een versterking van het geheel.

Gedachten schieten op zo een dag wel eens alle kanten op, wat sommigen vervelend vinden, want wat gezegd moet, moet goed geformuleerd worden. Maar de indrukken, denk ik dan, die hebben we niet in de hand, als omstandigheden ons naar verschillende plaatsen, god betere ’t zelfs aan het Donkmeer te Overmere brengen. Hoe het er is? Tja, een waterplas, maar er rond veel bos en toch ook weer sterk geürbaniseerd. Het kan geen kwaad zo eens een plaats te bezoeken, denk ik, want het blijft tenslotte toch zo dat we ons altijd ergens bevinden. Sommigen menen dat we nog meer moeten verstedelijken, maar de aangename afwisseling van bos, weilanden, velden en zo van die waterplassen, of de boorden van de Schelde, waarom er niet de schoonheid van bezingen?

Het is werkelijk mogelijk te begrijpen dat onze ruimtelijke ordening alleen chaotisch wezen zou, want het is het product van verschillende fenomenen, zoals het feit dat men reeds in de late 19de eeuw mensen liever op het platteland hield, want in de steden zouden ze toch maar opstandig en revolutionair worden. De voorsteden groeiden, maar het platteland verstedelijkte op afstand mee. Toch blijft men, zoals de Vlaamse Bouwmeester suggereren, dat al die Vlamingen op het platteland hun dikke goesting doen, niet willen luisteren naar de plannenmakers. Of zou het kunnen dat de plannenmakers niet altijd begrijpen mensen niet van al teveel orde houden? Dat organisatie goed is, overdreven ordening en processturing misschien kan schaden aan het welbevinden?

Het verhaal van de sociale zekerheid, zoals dat sinds het einde van de 19de eeuw vorm kreeg en vooral tijdens en na WO II ontwikkeld en uitgerold werd, heeft voor deze dame van 103 dus wel degelijk betekenis gehad. Voor sommigen vormt die hele ontwikkeling in principe alleen een kostenfactor, maar de vraag is, blijft of het niet ook, tijdens de periode van wederopbouw niet ook voor de economie een heilzaam effect heeft gehad. Maar evengoed, wie naar de geschiedenis kijkt in de meeste economieën van West-Europa, dus ook de Britse, merkt dat men sociaal beleid noodzakelijk achtte om een duidelijk politieke reden: de sociale stabiliteit en voorspelbaarheid van het gehele bestel zou immers ertoe bijdragen dat mensen niet meer voor oplossingen zou kiezen als… Oswald Mosley, een Pétain in Frankrijk of uiteraard… Hitler in Duitsland, wat de Amerikaanse regering ertoe bracht elke poging de grond in te boren die Duitsland opnieuw economisch, politiek en sociaal, maar ook cultureel zou destabiliseren. Het Marshall-plan was een economisch en financieel programma met politieke en sociale doelstellingen. Alleen, wie daar nu naar kijkt, en naar actuele waardering kijkt, krijgt de indruk dat het geld werd gestort en daarmee de kous af was. De werkelijkheid is dat die hulp een aantal vliegwielen op gang brachten die in een relatief korte periode een nieuwe samenleving – die voorheen onmogelijk werd geacht – bewerkte, waarbij de luxe toenam, niet enkel voor de happy few maar ook voor de middenklasse en de arbeiders die zich geleidelijk met de middenklasse verbonden voelden. Met andere woorden, het kapitalisme van de late 20ste eeuw in Europa, daarover valt nog heel wat onderzoek te verrichten.  

Wie na 50, 60 jaar terug kijkt, probeert zich een beeld van de samenleving toen, rond 1958 probeert te vormen, zich herinnerend wat de media verteld hebben, zou menen dat Vlaanderen plots, in 1960 van een diep agrarische regio plots een regio werd van industriële hoogconjunctuur. Met werkeloosheidscijfers in de hand – die overigens in de loop van de jaren een autonoom leven zijn gaan leiden, stelt men vast dat er in Zuid-West-Vlaanderen toen nog mensen naar Frankrijk trokken voor seizoensarbeid. Wat men niet ziet, denk ik, is dat in de loop van die jaren heel wat seizoensarbeiders erin slaagden een goed bestaan op te bouwen. Het komt me voor dat hier de zwakke plek van die benaderingen aan de orde komt: men kan wel een aantal momentopnames weergeven, maar de dynamiek in de samenleving, die uitgaat van wat mensen met hun eigen leven willen, proberen, doen, blijft buiten beeld. De verantwoording zou dan zijn dat geschiedschrijvers zich aan de feiten, kenbare feiten moeten houden. Dat zou betekenen, denk ik, dat men bepaalde bronnen wel en andere niet acceptabel acht. Of, wat erger is, wat zo een onderzoek zou opleveren, zou het bestaande beeld misschien wel op de helling kunnen zetten. Want dat is wat we vandaag toch wel vaker vaststellen: bronnen die een bepaald beeld te bevestigen, eerder dan mogelijkheden te bieden na te gaan hoe het nu eindelijk geweest was – inderdaad voor zover dat bronnen toelaten, maar dan moet men zo exhaustief mogelijk te werk gaan en niet selectief.

Maar tegelijk moet men dan ook vaststellen dat men benaderingen zoals die van Richard Sennett of Tony Judt, minder belangwekkend acht dan het meer theoretische werk, waarin men probeert te schetsen hoe de betere samenleving eruit zou moeten zien, zoals van een John Rawls, Pierre Bourdieu en het hele leger sociale onderzoekers. Laat ons maar vaststellen dat het sociale bestel dat na de oorlog tot stand is gekomen, van bijzonder belang is. Hoe het evenwel uitgehold zou kunnen worden, blijft een vraag die mij bezig houdt, omdat men altijd verwijst naar “de gebruikers” die er mogelijk vooral misbruik van maken. Of het zou kunnen dat de afspraken mettertijd een andere inhoud hebben gekregen, vormt een zelden beantwoorde kwestie, maar ook hoe we het gaan financieren vergt aandacht en dan zijn niet enkel de gebruikers aan zet.

Tussendoor moet hier wel gewezen op wat sommige historici hebben aangegeven, namelijk dat men van een systeem van weldadigheid naar een systeem van rechten is geëvolueerd. Daarover zijn (stilzwijgende) afspraken gemaakt. Men kan dus niet zomaar mensen die beroep doen op het systeem, van kinderbijslag tot pensioenrechten en werkeloosheid, verwijten dat ze hun “rechten” laten gelden. De ondersteuning vanwege het OCMW neemt toe als men werkzoekenden uit de werkeloosheid zet, waarbij onlangs weer wist aan te geven dat jongeren er gemakkelijker beroep op doen, waarbij men al vaker mocht vernemen dat kinderen door de ouders “uit huis” werden gezet, om allerlei redenen, maar zeker ook financiële. Voor individuen die er het beste van maken, die ook weten dat er voor het ogenblik geen interesse meer is voor mensen boven een zekere leeftijd – lang leven het jeunisme, maar velen worden dus wel 80 jaar of ouder – stelt die bejegening hun eigen waarde meer in vraag dan de grote discussies over de sociale zekerheid laten zien. Net omdat die voor het persoonlijke geen oog hebben. En terugkeren naar het boerenbedrijf zit er ook niet meer in, natuurlijk, want die zijn ook voorwerp van schaalvergroting.

Men zal dus een en ander moeten bekijken, om iedereen zo goed mogelijk in hun rechten op de sociale voorzieningen te bevestigen, maar tegelijk zal men het systeem ook goed moeten fijnregelen. Alleen, merkt men, sinds 1989 kwam het proces van delocalisatie en globalisering zo op gang dat bedrijven, die voordien integraal deel waren van het bestel, nu plots buiten het systeem lijken te (kunnen) staan. In de hele discussie over arbeidsmigratie uit Roemenië en Bulgarije, na de Polen, blijken vakbondsmensen plots niet zo kosmopolitisch als ze ons verteld hebben. Maar tegelijk wil men toch, zeker naar aanleiding van de volgmigratie uit de landen van herkomst van de Marokkanen, Turken en anderen, dat die mensen hier zonder meer aanvaard worden en dat het lot van een aantal van die migranten niet zo aangenaam is. Maar dan blijft men, om allerlei redenen blind voor de mensen die het wel goed doen, want die zorgen ook niet voor problemen…

Wat de kern van het probleem goed vertaalt, kon men horen bij René Gude en heb ik in mijn stukje “Filosoferen op 1 been” zijn bedenking overgenomen dat het belang van onderhoud (van het bestaande) belangwekkender is dan het steeds weer bouwen aan iets nieuws. Een tweede aspect dat hij onder de aandacht brengt is dat we maar als politieke orde kunnen functioneren als onze zin voor kritiek niet enkel voortdurend op afwijzen afloopt, maar dat we kunnen instemmen met het bestel, de politieke orde en vervolgens binnen dat systeem dat behoorlijk complex in elkaar zit, met een bijna onoverzichtelijke regelgeving op nagenoeg elk terrein, kan ontwikkelen tot een goed onderhouden tuin, waarin het goed toeven is. Met andere woorden, ook daar is goed onderhoud nodig.

Toch zal men daarvoor misschien aan het kiesstelsel iets moeten wijzigen, namelijk dat als mensen, burgers naar het kieshokje komen en dan toch blanco stemmen, dan zou dat, als dit aandeel in de uitgebrachte stemmen kan leiden tot een lege zetel in de betrokken assemblee, die stoel ook moeten leeg laten, want dan zou het zero sum game dat de verkiezingen nu laat zien een soort opening bieden voor de kiezer: zij kunnen besluiten dat een zetel niet bezet mag worden, omdat ze in de gevoerde politiek en de politieke strijd nu net geen stem willen uitbrengen. Wie een stem verliest, moet niet vaststellen dat een andere die stem a priori kan inpikken. Het lijkt me beter dan het voorstel van David van Reybrouck, want het lotingsysteem werkt maar ten dele in een grote anonieme club, of het nu een stad als Antwerpen is, het Vlaamse parlement of het Europese parlement: wie zal men in zo assemblee neerzetten op grond van loting. Vergeten we niet dat de machtsgreep van Robespierre voor een deel mogelijk was omdat de keuzemogelijkheden van de kiezers waren beperkt geworden, maar vooral de leden van het Comité de Salut Publique roteerden wat het voorzitterschap betrof… Een systeem waarbij politici ervoor moeten vrezen dat er een paar lege zetels overblijven na de verkiezingen, zal hen ertoe nopen uit te zoeken waarom mensen wel willen stemmen of kiezen, maar geen partij, geen lijst naar voor schuiven.

Het resultaat zou wel eens kunnen zijn dat we politici krijgen, partijen krijgen, die omzichtiger omspringen met wetgeving, opdat mensen er zichzelf in kunnen terug vinden. Trouwens, dat verhaal over discipline, dat sinds de jaren 1960, volgens Marli Huyer ons leven is gaan beheersen, dat wil zeggen, dat we de discipline zelf, onder invloed van Michel Foucault hebben losgelaten, is door verschillende politieke stromingen opgenomen. Feit is dat we misschien te gemakkelijk en zonder goed zicht op de werkelijkheid de discipline zijn gaan loslaten. Aan de ene kant heb je sporthelden, die nooit een held of helding konden worden zonder er met de nodige discipline voor te leven. Aan de andere kant heb artiesten en spraakmakende figuren die niet door een bepaald kunnen onder de aandacht komen, maar meestal vermeende kwaliteiten toegekend krijgen, die zich juist in een volkomen negatie van discipline hebben uitgeleefd. Dat we hen zien als voorbeelden van succesvolle luiheid mag niet verhelen dat sommige van die mensen na een paar jaar in onoverzichtelijke miserie terecht komen. Met andere woorden, als jongeren, wegens gebrek aan een basisdiscipline in problemen komen, dan ligt dat eraan dat men het onderwijs een deel van haar opdracht heeft ontnomen en van de autoriteit, jongeren die discipline bij te brengen. En laat men nu niet afkomen met de karwats of andere lijfstraffen.

Marli Huyer geeft aan dat ze de nood aan stabiele instellingen, zoals het onderwijs welkom zou heten. In naam van de vrijheid en in de strijd tegen de institutionele autoriteiten, van de vaders/ouders tot oom agent en de docenten hebben we jongeren kansen ontnomen. Meer nog, ik denk dat men bij Foucault terecht kon lezen dat er heimelijke vormen van autoriteit en disciplinering bestaan. Maar neem de strijd om het Tweede Amendement bij de Amerikaanse grondwet in stand te houden, doet beroep op zowel de individuele vrijheid en op een zeker wantrouwen tegen anderen, c.q. de buren, terwijl men over het goed gebruik van die wapens, de disciplinering niet het nodige belang toekent.

En dan komen we terug bij die oude boerin, die stierf op 103-jarige leeftijd: zonder de discipline in het dagelijkse werk, had zij wellicht haar kinderen – inderdaad, het zijn er zeven – niet goed kunnen opvoeden. Maar ook het dagelijkse leven, het dagelijkse herhalen van klussen, maar ook de taken die bij elke dag thuishoren, van de kuisdag, de wasdag, de strijkdag enz. had zij – zonder de was- en andere huishoudelektronica niet kunnen waarmaken. De bevrijding van die lasten heeft ons veel opgeleverd, maar het punt blijkt te zijn dat we daar niet zomaar een zinvolle invulling aan hebben gegeven. Ik denk inderdaad – en zal dat helaas ad nauseam herhalen – dat we van de brede media en zeker de openbare omroep meer mogen verwachten dan alleen dolle pret. Ook daar schuilt een gebrek aan zorg in voor anderen, die van huis uit misschien niet zo gemakkelijk met kunst, boeken, wetenschappen of reflectie in contact komen, dan toch die weg te volgen. Of nog, het is niet sociaal kinderen de toegang tot hogere cultuur te ontnemen, want die pop is wel leuk, maar hoever strekt het?

De vraag is dus of al die mensen die ons aanmanen dat politiek sociaal moet zijn, waarbij ze zich vooral uitdrukkelijk beroepen op een juist begrip van het sociale wel oog hebben voor de zaken die we hier omzichtig hebben willen aandragen. Overigens zal men vaststellen dat bijvoorbeeld de Gemeentelijke Administratieve Sancties nodig zijn omdat we allen, elk voor zich, aan bepaalde regels niet hechten, zoals straatlawaai, wildplassen, sluikstorten; iedereen? Men zal merken dat veel mensen echt wel de weg vinden naar de glascontainer, naar het milieupark en vermijden anderen lastig te vallen. Maar het andere, de ruimte voor goede gesprekken over de kleine dingen des daags… en andere facetten van het goede leven, dat is inderdaad geen zaak van politici, die vooral kaders kunnen aanreiken, stabiele onderwijsinstellingen, goed voorziene openbare bibliotheken, behoorlijke infrastructuur en uiteraard een veilige samenleving, maar dat alles niet in een volkomen aard, maar wel zo dat we ons daar geen zorgen om hoeven te maken. Het juiste midden bij dit alles vinden lijkt me moeilijker dan de “moed van het midden” doet veronderstellen, want het midden, zoals Aristoteles het voorstelde, blijft altijd een nieuwe reflectie te vergen.

We moeten van politici niet verwachten dat ze beter zijn dan wij, maar we moeten onszelf niet enkel zien als ondergeschikten van politici. Zo een boerin die dertig, veertig jaar een boerenhuis leiden moet, heeft heel wat kennis, net zoals de boer zelf natuurlijk. Hoe het leven hen vergaat, blijft privaat, maar we kunnen wel veronderstellen dat als zoveel mensen van hun leven iets weten te maken, dat ze meer discipline aan de dag leggen, dan Marli Huijer lijkt aan te rekenen. Maar toch, ook haar bijdrage, net als die van René Gude blijven beklijven, omdat ze ons confronteren met de vaststelling dat het politieke debat al te vaak mensen van vlees en bloed negeert en gaat spelen met statistieken. En intussen doet het er wel toe als ondernemers, welzijnswerkers, artsen, docenten en ingenieurs bij wegen en verkeer of Rijkswaterstaat hun werk doen, niet enkel voor die boterham – want die verdienen ze – maar misschien nog maar ervaren als een bron van vreugde in de arbeid en levensvreugde, hoe klef dat laatste ook mag klinken. Die dame van 103 blijkt die heel goed geproefd te hebben, vreugde in de arbeid, levensvreugde.

Bart Haers    







  

Reacties

Populaire berichten