Eer aan de vertaler en dank aan de blinde verteller

Dezer Dagen

Liederen van oude krijgers
Het paradoxale succes van een vertaling

 Homeros. Ilias. Wrok in Troje
 Vertaald door Patrick Lateur
Met een nawoord van Tom Holland.
Uitgeverij Atheneum
Zing mij, muze, van de wrok van Achilleus, zoon van …

Een eerste vaststelling is en blijft dat we de laatste veertig jaar opnieuw in een situatie zijn verzeild geraakt waarin een deel van onze literaire traditie verdwijnt, de Griekse. Maar, zal men mij zeggen, dan komt er toch iets voor in de plaats. Maar kan men het verhaal begrijpen van Sandor Marai, die ons vertelt hoe er maar geen vrede op Ithaka lijkt te komen? Of referenties aan die Grieken in uitspraken van de paus of sommige politici? Niet dus.

Men kan natuurlijk de gek steken met een politicus die zijn interesse en sympathie voor de oude Romeinen niet verdoezelt, maar als politici of demagogen, zich volkomen meester gemaakt hebbende van die tradities er tersluiks mee uitpakken, zal men hen dan nog begrijpen? Of zal men blindweg meelopen met de bedoeling die redenaar had? Tja, omgekeerd, kan men nog wel genieten van een redevoering van al die droogstoppels, die zich enkel aan de feiten zeggen te houden? Er moet toch een verhaal doorheen geweven zitten.

Donderdag 20 maart kwam een intussen befaamd vertaler spreken in het salon van boekhandel de Reyghere, over zijn vertaling en wat dat verhaal nu wel voorstelt. Ik ben er nog niet toe gekomen de vertaling te lezen, maar wel ben ik, zoals wel meer mensen die Latijn en Grieks studeerden nog enigszins vertrouwd met het verhaal. Maar beweren dat ik de zangen alle hebben gelezen? Neen, dat geluk was ons niet gegund en zou ook vrij ondoenbaar zijn, tenzij we echt vele uren Grieks hadden gehad en vele voorbereidende jaren, want er valt heel wat over te vertellen en dus ging ik vol verwachting daarheen. En het was de wandeling waard, daarheen en weer terug.

Toen wijlen mijn vader nog goed ter tale was en dat was tot hoge leeftijd het geval, kon hij ons verbazen door wel veertig, vijftig regels uit de Ilias voor te dragen, niet enkel de eerste trouwens, ook andere stukken had hij blijkbaar goed achter de kiezen en bleef hij onthouden, ook na een werkzaam leven als tandarts… Toen ik en mijn broers studeerden was het in het middelbaar niet echt aangewezen te spreken over memoriseren. Alhoewel, de voorbeeldzinnetjes in de grammatica, in mijn geval Elementa van Lenaers waren ook wel best leuk om te lezen. Alleen vond ik dat sommige leerkrachten zich aan de grammatica vast- en vergrepen, zonder er het spelelement van te zien. Tegelijk is die grondige introductie in vocabularium, grammatica en syntaxis wel nodig om vervolgens te kunnen lezen, begrijpen en verwerken.

Moet iedereen Latijn of Grieks leren? Moet iedereen het alfa en omega van de atoomfysica kennen? Men zal zeggen dat beide niet te vergelijken zijn, maar de fysica van de natuurkunde was er wellicht niet gekomen – zeker is het nooit – zonder Thales van Milete, zonder Euclides of Archimedes en uiteraard waren er ook nog Newton, Leibniz, Christian Huygens en al die anderen voor nodig. Niet omdat het succes vele vaders heeft, maar hoe origineel de gedachten van Einstein ook waren, zelf wist hij dat hij, anders dan Poincaré wel bepaalde grenzen van het overheersende denken diende te overschrijden; wetenschappelijke inzichten staan vandaag hoog aangeschreven, maar niet alles is volgens dat model kenbaar laat staan dat alle fenomenen in het leven volgens het model van causaliteit valt voor te stellen of begrijpelijk te maken. De zangen van de blinde dichter, zoals zijn naam het zegt, vertellen over wat er in het leven voorvallen kan en dat is van een andere orde.

Maar terwijl ik naar het verhaal van Patrick Lateur luisterde, over de Homerische vergelijking bijvoorbeeld, waarin hij soms beknopt, soms zeer uitgebreid iets beschrijft, waarmee het verhaal niet zozeer uitgebreid wordt, maar waar de dichter ons een onverwoestbaar beeld voorhoudt. Gorter, maar ook Claus hebben van dat gebruiken van uitgebreide vergelijkingen gebruik gemaakt. Nochtans staan geen van beide bekend om hun voorkeur voor de traditie. Maar er is een verschil tussen traditie aankleven en traditie aanwenden.

Graeca non leguntur – of non legitur – was een middeleeuwse  uitdrukking, waarnaar ook Umberto Eco, met enige ironie naar verwijst. En toch werd de vertaling van de Ilias door Patrick Lateur een hit in het Vlaamse boekenland, niet in het minst met de hulp van de media. Mooi voor de Illias en we gunnen het de vertaler van ganser harte. Ook als lezer zijn we erom verguld, maar toch blijft het een beetje… bizar, want afgelopen decennia is de aandacht voor klassieke talen niet het fort van de media geweest. De hervormingen in het onderwijs waren erop gericht het ASO haar specifieke inhoud te ontnemen, te weten de toegang tot de klassieken – ruimer dus dan de klassieke talen alleen – te ontsluiten en vertrouwd te maken en dat werd en wordt vervangen door praktische kennis. Het verhaal van de Illias, van helden, goden en een paar gewone soldaten, die naar huis willen, zou dezer dagen, nu we de 100ste verjaardag herdenken van net zo een uitzichtloos conflict, best wel eens inspirerend kunnen werken. Ook moeten we, zowel kijkend naar Kiev, Moskou als Brussel, begrijpen dat die steden, zelfs de EU iets te maken heeft met de oude stichtingsverhalen. En dat is niet enkel een vaststelling van politieke aard, maar meer nog van culturele aard. Maar we weten dat dit laatste volgens een aantal actuele filosofen en wetenschappers van geen tel is, terwijl het de cultuur is waarin we ademen en leven, denken en dromen, spreken en handelen. Politieke handelingen verantwoorden? Noch Obama noch Poetin kunnen zonder referenties aan wat als algemeen geldend wordt beschouwd. Meer nog, ook Gekko kan maar zeggen dat winstbejag goed is, wetende dat iedereen het omgekeerde heeft geleerd.

Maar cultuur, maar de (oude) letteren hebben geen nut, Latijn of Grieks studeren, talen aandachtig bestuderen hebben geen zin en al helemaal geen nut. Zou het? De ouden zagen er het nut wel van, want de Kerk, die vermaledijde uitgewoonde institutie vond, met steun van iemand als Keizer Karel de Grote dat toekomstige bestuurders best goed gevormd waren, met dus ook kennis van soms weinig christelijke teksten. Akkoord, pas in de 13de, 14de eeuw begon men opnieuw Grieks te lezen en Erasmus (circa 1467 – 1536) was een van die lui die het belang van het Klassieke Grieks nog meer glans meegaf.

Natuurlijk is Troje, is de Trojaanse oorlog meer dan wat macho gedoe, want zoveel wordt er niet gevochten, er wordt meer gesproken over wat men nu zal gaan doen, zoals Patrick Lateur wist te vertellen. Het strijden zelf, het optrekken van troepen en het verzinnen van listen om de andere partij uit verband te spelen, het blijft de kern van de Ilias, maar toch, de wrok blijft het motief dat alles aanstuurt, de wrok van Achileus en het eergevoel van al die hoge heren. Fernando Savater verwijst naar Tersites, een gewone soldaat, die na de ruzie tussen Achileus en Agamemnon naar huis wilde, zoals het andere voetvolk, maar Odyseus die begreep dat het mis kon gaan, legde hem het zwijgen op met de uitspraak dat er maar een koning kon zijn. Agamemnon moet verguld geweest zijn, maar finaal waren het toch de gelijken die het met elkaar eens moesten zien te worden en dan moest zelfs de koning wel eens het onderspit delven. Sabater wijst erop dat de macht in het midden ligt, waar dan de leiders omheen zitten en in zekere zin, is het een mooie metafoor voor het vermogen van mensen om ondanks hun thymos, eergevoel, toch wel samen te werken.

Daarom is het ook boeiend te horen hoe de vertaler zocht naar een goed metrum voor zijn omzetting van de oude, de oudste tekst uit onze cultuur. Want het verhaal van de oorlog in Troje was al enkele eeuwen in handen van de minnestrelen die van burcht naar burcht trokken om het verhaal te brengen, gezongen. De hexameter met uitgesproken klemtonen leent zich niet zo goed voor het Nederlands, maar het geeft de scholier/student wel kans op die manier andere aspecten van de taal te leren kennen. De vijfvoetige jambe leent zich beter voor het Nederlands dan de hexameter, waar oudere vertalingen zich aan hielden, zodat de tekst soms onbegrijpelijk bleek.

Nu is vertalen, heb ik zelf altijd gevonden, een bezigheid die bepaald creatief is, omdat men een gedachte of beeld dat in een andere taal aangrijpt niet zo gemakkelijk over te zetten is. Patrick Lateur zelf meende tijdens zijn causerie dat vertalen geen verraden mag worden en dat kan pas als men trouw blijft aan de auteur, aan het geschrevene, maar ook de eigen taal en de eigenaardigheden ervan trouw blijft. Op weg naar huis bedacht ik mij dat bijna alle volkstalen, behalve misschien het Italiaans verder tot cultuurtalen konden evolueren omdat men de eigenaardigheden van de brontaal diende om te zetten naar beelden en kleuren, geuren van de eigen taal. Men verwijst daarbij graag naar de vertalingen van de bijbel naar het Duits, het Nederduits – het Nederlands dus – of het Frans, maar ook andere klassieke teksten speelden hierin mee. Bovendien mogen we toch niet vergeten dat er in die talen al oudere verhalenschatten waren, waarvan we dan nog enkele flarden kennen, zoals “van den Vos Reynaerde” of “Karel en de Elegast” om het werk van Jacob van Maerlant niet te vergeten, die zelf ook de Historie van Troje hertaalde.

De Ilias blijft een monument in de Europese geschiedenis, een oertekst, waaruit veel van de beeldvorming is blijven rondzweven in de vele dochterculturen. Nog eens, er zijn nog steeds wel auteurs die er iets mee hebben aangevangen, zoals Sandor Marai, maar tegelijk blijft het een raadsel waarom een verhaal als dit, eerder een schat aan verhalen, de eeuwen kon overleven. Het is vooral vandaag paradoxaal dat een aantal mensen die nooit ofte nimmer veel aandacht besteed hebben aan de klassieke talen in het onderwijs, nu plots wel warm lopen voor deze zangen. Nog eens, onmiddellijk nut heeft het niet, maar blijkbaar onderkent men wel dat de tekst voor ons van betekenis kan zijn. Zelf heb ik niet het geluk gehad veel van de Ilias te lezen in de lessen Grieks, maar als student geschiedenis heb ik me er wel mee ingelaten, omdat ik het verhaal van Schliemann zo boeiend vond, vooral de vraag waarom Schliemann, Byron en anderen in de 18de en 19de eeuw zo gevlast waren op het onderzoeken van de historische vindplaatsen en er een en ander van mee te nemen voor eigen musea in het thuisland. Mary Beard en John Henderson beschreven met hun onderzoek, “Et in Arcadia ego” naar het wedervaren van een tempelfries hoezeer die Griekse wereld voor ons een soort reflectiekamer vormt, waar we ons aan zouden kunnen spiegelen. Maar we vergeten dan vaak de werkelijkheid van toen goed in kaart te brengen. En laat nu net dat een van de verrassende elementen zijn in het verhaal van Patrick Lateur, dat hij doorheen zijn verhaal vele aspecten van de teksttraditie aan de orde stelt.

Net daarom valt het te betreuren dat men die jongeren die er zin toe hebben en de mogelijkheden niet de kans (meer) geeft om zich met de vele eigenaardigheden van het Grieks én het Latijn te meten. Niet om slaven te worden van de oudheid en nog minder om de traditie blind te volgen en te koesteren. Neen, waar het om gaat, van Maerlant tot Marai en Lateur zien we dat waar we omgaan met de klassieken, met de talen van de klassieken zich perspectieven openen om zich met onze tijd in te laten.

Bart Haers  






Reacties

Populaire berichten