Europa, met wat verbeelding


Kritiek

 

Wie denkt gij dat we zijn?

Over de genese van een Europese verbondenheid

 

Het verhaal van Othello, zoals Shakespeare het uitwerkte,
blijft emblematisch voor de wijze waarop het tragische in
onze cultuur vorm heeft gekregen. Dit schilderij van Othello en
Desdemona komt uit de traditie van Ingres, namelijk
Theodore Chaassériiau.
De moeilijkheid, zo sprak Ferrie Mingelen is dat er geen Europees volk bestond, bestaat en, kon ik vermoeden, zal bestaan, omdat... Nu, dat is het hele eiereneten natuurlijk, want is Europa alleen een staatkundige constructie, zonder dat er enige band zou zijn tussen die institutie en de onderdanen, maar ook niet tussen burgers van de verschillende naties die de institutie constitueren, dan is er van een verbondenheid geen sprake. Hoe of dat zo is en of dat onwrikbaar wezen, zou, blijft nog maar de vraag en geen kleintje ook, want die institutie moet dan wel met een democratisch deficit worstelen. Het is daarom ook zaak aan de weet te komen hoe individuele burgers een natie kunnen worden en wat dat impliceert, maar ook of op dit continent een overkoepelend natiegevoel kan bestaan.

Men wrijft Europa vaak het democratisch deficit aan, omdat de burgers er niet bij betrokken zijn en er zou namens die burgers geen mogelijkheden zijn  de leden van de Commissie te sanctioneren, het parlement zou geen wetgevend initiatief kunnen nemen en per slot van rekening zijn het de regeringsleiders die de zaak leiden. Maar zijn die niet democratisch verkozen. Sommigen zeggen dat Mark Rutte in Brussel, rond de tafel met Angela Merkel en Elio di Rupo inschikkelijker zou zijn dan op het Binnenhof. Misschien speelt daar mee dat zij in Brussel echt wel hefbomen in handen hebben om iets in beweging te zetten, die ze in de afzonderlijke hoofdsteden net niet (meer) hebben. De dubbelzinnigheid komt evenwel noch het landsbestuur ten goede noch de legitimiteit van Europa.

Pauw en Witteman hadden nog eens de goedheid om aan te geven hoe in het Europese Parlement de leden soms bijzonder grof gebekt uit de hoek kunnen komen, maar tegelijk was het goed nog eens ene Nigel Farage te horen fulmineren tegen de pas aangestelde Herman van Rompuy. Afgezien van de dedain van de Brit tegen de "kleine Belg" was er het gegeven dat Farage bijzonder zelfvoldaan uit de hoek was gegeven dat hij de Raadspresident laatdunkend als een bankbediende had afgedaan. Ik weet niet waar Farage zijn brood verdiende voor hij de politiek inging, want dat staat niet op de Wikipediapagina. Of hij is er niet fier over, of het getuigt van zijn genetische dedain voor mensen die hun brood verdienen met hun werk, hoe bescheiden dat ook mag lijken. De politiek in het UK is immers en dit kunnen we zeggen dankzij David Cameron, zeer elitair, bevolkt door mensen die via private scholen en enkele universiteiten hun weg hebben gemaakt. Deze vorming van een elite via slechts enkele paden, ondergraaft de democratie. Overigens, ook in Frankrijk blijkt die elitevorming zeer beperkend te werken en de dedain voor buitenstaanders is er niet minder groot, ook bij mensen die zich nu net als de kwintessens van democratie voorstellen. Zelfgenoegzaamheid, zelfbewustzijn, zelfoverschatting zien we altijd weer opduiken, maar een gezond zelfbewustzijn, dat ook de eigen beperkingen onderkent het minst.

Voor Europa is dat een problematische situatie omdat politici op dat niveau over de gang van zaken besluiten met een grote mate van abstractie en vooral een grote techniciteit, zodat de gevolgen van het geleverde werk zelden herkenbaar wordt, maar soms grote - en goede - gevolgen heeft. Want stellen dat de Europese regelgeving enkel negatief geoordeeld kan worden, lijkt mij toch overtrokken. Sicco Mansholt heeft een landbouwbeleid op poten gezet dat aan de ene kant veel van budget opslorpte maar voor de boeren allerminst nadelig uit is gekomen en deels ook mee het landschap in vele regio's heeft bewaard. Ook vogelrichtlijngebieden kan men best waarderen, omdat ook hier een biotoop in stand wordt gehouden dat voor mensen ademruimte kan scheppen. Het beleid van de Vlaamse regering rond groene ruimte, rond waterkwaliteit voert is ook gebaseerd op Europese regelgeving, waaruit laatst weer een nieuw besluit is gevolgd. Moet men daarom Europa verketteren? Het is de vraag waar we belang aan hechten. Nu kan ik mij wel indenken dat de stapeling van regelgeving voor burgers wel eens bijzonder irritant kan werken en daar moet dan toch ook over nagedacht. Eenvoud en soberheid in de regelgeving betrachten, zou dat niet een mooie uitkomst bieden, ware het niet dat deze regelgeving blijkbaar niet kan zonder vele juridische bepalingen, van definities tot uitvoeringsmodaliteiten en handhaving.

Als burger naar deze zaken kijkend, moet ik vaststellen dat er mij vaak informatie ontbreekt om tot een gedegen evaluatie over te gaan, al denken we vaak snel genoeg alles te weten om ons een beeld te vormen. Vaak gaan we daarbij ook af op de toonzetting, zowel van journalisten als van politici en commentatoren, waarbij de duiding er sneller komt dan de informatie over de feiten. Het heeft voor een deel te maken met de strijd onder politici die op het oog nooit meer ophoudt, maar ook journalisten en commentatoren dienen zich te profileren

Europa evenwel is een verhaal van middelen en (onderhandelings-)methodes, eerder dan van een doel, en dus moet men vooral oog hebben voor de inzet van de middelen. Maar als er iets voor de politici in dienst, met mandaat, heilig zou moeten zijn, dan niet het behagen scheppen in de populariteit, maar vooral kunnen aangeven waar men de positie van de burgers in de EU heeft versterkt, zodat zij hun pursuit of happiness kunnen aanvatten en verder zetten. De vraag is of dit een kwestie is van een minimaal bestuur, zoals libertairen volhouden, of dat de overheid hier niet voortdurend tegen grenzen aanlopen van wat nodig en wat erover is. De vraag is natuurlijk ruimer: wat zijn de taken van een overheid in een natiestaat en hoe vertaalt zich dat als natiestaten zich steeds meer tot elkaar committeren om samen een aantal gemeenschappelijke problemen aan te pakken? Voor sommigen, zoals Verhofstadt is de Natiestaat iets van de oude tijd en toevallig ook zo verbonden met het liberalisme van de negentiende eeuw, dat hij die problematiek het behandelen niet waard acht. Door een overweldigend kosmopolitisme te prediken, waar niemand nog ergens wortels zou hebben en alleen maar wereldburger zou zijn, kan hij met gemak de natiestaat terzijde schuiven. Alleen is het nog maar de vraag of wij, burgers dat zomaar aanvaarden, laat staan welke voorwaarden er nodig zijn om de natiestaat inderdaad lichter te laten wegen.

Het punt is dat de natiestaat als oplossing voor de anonimiteit - tegenover elkaar  en van overheid tegenover de burgers konden oplossen door, zoals bepaalde republieken, de Venetiaanse Republiek of de Republiek der Verenigde Provinciën het al hadden voorgedaan,  maar ook de Romeinen en de Atheners, wellicht ook de Perzen, hadden vormen van identificatie ontwikkeld. Het ging er, denk ik niet om dat men een Romein, een Hollander moest zijn, maar of men zich met de belangen van Holland of de Romeinse Republiek kon identificeren. Het verhaal bij Livius van Publius Horatius die zijn zus dood omdat deze haar verloofde, door Publius gedood in een duel, laat zien dat niet zozeer de verwantschap als trouw aan Rome de hoofdrol speelde. Verliep toen alles nog vrij kleinschalig - Livius schreef zijn ab urbe condita onder Augustus, toen de stad een Wereldrijk had in elkaar gebokst -, dan veranderde dat uiteraard naarmate de Republiek meer omvang kreeg en bekendheid met elkaar niet meer volstond om dat grote gebied met relatief veel burgers te kennen en zo verbonden te creëren. Het is een probleem waar men telkens op stuit als men in de discussie terecht komt van wat Europa zou kunnen worden. Voor velen kan het geen natiestaat worden, of een superstaat, voor anderen is dat de conditio sine qua non voor Europa.

Luc Devoldere, classicus en een belangrijke stem in het debat volgt ook de mening dat men pas een echte natie vormt als men dezelfde kranten zou lezen. Dat zou in Europa niet het geval kunnen zijn, want er zijn 24 officiële talen en niemand kent er meer dan zeven van, maar anderzijds kan men vaststellen dat de mediacultuur in Europa enerzijds en anderzijds het aanbrengen van beelden door de gang van zaken meer en meer zaak is van eenvormigheid. Bovendien kan men uiteraard nogal wat reeksen volgen die in andere landen gemaakt zijn, waarbij de omstandigheden waarin die zich dan afspelen zweven tussen (Scandinavisch) exotisme en directe erkenning. We lezen ook vaak dezelfde spannende boeken, van Harry Potter tot vijftig Tinten en wat populaire muziek aangaat is de verwevenheid nog veel groter. En toch lijkt het alsof je met een Berlijner of een burger uit Mompelier niet zo heel veel te vertellen zou hebben, met een Tsjech of Let overigens zou dat probleem nog veel groter zijn. Zou, voorwaardelijke wijs, omdat er veel is dat we delen op dat vlak van commercieel aanbod, ook al omdat de media originaliteit graag claimen maar van conformisme en mimetisme aan elkaar hangen. Bovendien zijn er de formats die voor bladen, radio en televisie bijna dwingend zijn en verder kan men over inhoudelijke benaderingen ook niet zeggen dat die zo ver van elkaar liggen.

Als er dus geen blad bestaat dat de naam zou kunnen dragen Brussel's Post, dan is het omdat men Brussel nog niet anders kan zien dat als een soort administratief centrum, wat het ook is, maar niet als een hoofdstad van een Europese politieke entiteit. Mark Rutte kan in Den Haag mooi beweren dat er meer terug moet naar het Binnenhof, in werkelijkheid zal hij noch zullen zijn collegae ons uitleggen hoe die hoofdsteden afzonderlijk de crisis van 2008 zonder nog meer kleerscheuren waren doorgekomen. Maar ook, want dat mag evenmin niet ontgaan, valt er geen politicus te vinden die over andere hoofdsteden, c.q. Athene geen onheuse dingen heeft gezegd en dan vooral in Den Haag zal dat moeilijk vallen.

Ferry Mingelen vond het niet doenbaar een goed antwoord te geven op de vraag waarom dat parlement altijd weer zo raar functioneert. Het is een parlement van rechtstreeks verkozen leden geworden, rechtstreeks door kiezers in elk land en met soms in eigen modaliteiten, sinds 1979 en de reden was toen, denkend aan het gekende rapport van Leo Tindemans dat het de EEG, toen nog, aan een publiek, laat staan een welwillend publiek ontbrak Maar ik denk nu dat veel burgers toen geloofden dat dit een nieuwe stap was in de democratisering van Europa, waarmee men bedoelde dat de burgers meer betrokken zouden raken, maar sinds 1991 is er een haast permanent gesteggel gekomen over de bestaansreden van de EU, waarbij men altijd weer courant beleid verwarde met de instituties en de traagheid van besluitvorming verweet terwijl men vaak vergeet hoe ook in Nationale staten grote dossiers soms dertig, veertig jaar moeten wachten een oplossing voor soms prangend genoemde problemen. Over die problematiek schreef Luuk van Middelaar een onvoldoende essay, waarin onder meer de vraag naar de betrokkenheid van burgers uitgebreid behandeld wordt.

De dramatisering van het nieuws, een dramatisering die nu iedereen in de ban lijkt te hebben, omdat ook de kwaliteitsmedia proberen de lezer/luisteraar/kijker aan zich te binden en omdat nu eenmaal nagenoeg iedereen gealfabetiseerd is en zelfs hoog geschoold mag heten, zorgt er tegelijk voor dat het debat zelf te vaak op bijzaken gericht lijkt, waarbij men afhankelijk van de positie in het dossier spreekt van symboolstrijd of principestrijd. De ongelijkheid bestrijden in het Vlaamse onderwijs, dat lijkt steeds meer op het onmogelijk maken van kwaliteit, terwijl onrechtvaardigheid er ook in kan bestaan dat men mensen niet alle kansen geeft hun talent te ontwikkelen. Alleen, het begrip ongelijkheid wordt sociologisch en niet cultureel opgevat. Hoe ver staat dan ook niet die Joodse cultuur van ons, die in de Oekraïne bestond en bepaald armoedig lijkt, maar waaruit bijna elke generatie mensen zijn voortgekomen, die uitblonken in kunsten en wetenschappen. Aan de andere kant, de loopbaan van dr. Aleta Jacobs was echt wel bijzonder, maar dat ze geneeskunde kon studeren hing af van een samenloop van omstandigheden, waar zijzelf geen greep op had. De toegang tot de studie geneeskunde kon haar niet verboden worden, maar na haar heeft men het verbod wel geformuleerd. Oh ja, Verlichtingswaarden, gelijkheid van man en vrouw? Men moet er toch maar eens beter naar kijken. Niet dat wij ons ertegen verzetten, wel dat de realisatie van het ideaal behoorlijk wat tijd in beslag nam en vele weerstanden had te trotseren en soms op nieuwe hinderpalen stootte.

En toch zijn het idealen die in de Europese geschiedenis tot stand gekomen zijn, die tot sterkere identificatie kunnen leiden dan nu het geval is, omdat nu de Europese gedachte er los van blijkt te staan. De ontwikkeling van het recht, van instellingen die geheel eigen zijn aan Europa en van daaruit werden uitgevoerd, naast een aantal concepten die door filosofen zijn aangedragen, zoals de mogelijkheid zichzelf te corrigeren of anderen via passende maatregelen de beste omstandigheden te bieden en de samenleving gebeurlijk te beschermen tegen chaos en onveiligheid, dat zijn alle vrij duidelijk op Europa terug te voeren inzichten. Uiteraard, dat het doorheen de geschiedenis zo kon verlopen dat sommige idealen wel eens tot een onevenwichtige uitvoering hebben geleid, mag ook duidelijk wezen.

Een van de specifieke kenmerken van de Europese cultuur is dat al vrij vroeg goed ontwikkelde onderwijsprogramma's werden uitgerold, via de kerk - maar welke instantie had er de mogelijkheden toe ? - waardoor het systeem in plaats van verstarrend, zoals men dat aan het Chinese examensysteem toeschreef net de mogelijkheid in zich droeg tot het ontwikkelen van een kritische geest. Luther was lang niet de eerste die op de kerk scherpe verwijten toestuurde, maar het was wel hij die een klimaat vond dat voor zijn boodschap open stond, zoals ook Calvijn in Genève een ideale republiek kon inrichten, maar vooral in de Republiek aardig wat aanhang vond.

De kritische geest vormt wat mij betreft dan ook de sterkste erfenis van de Verlichting en het zijn net mensen die de Verlichting herleiden tot inhoudelijke winstpunten, die haar het meeste onrecht doen. De politieke cultuur dezer dagen laat dan ook zien dat men de geest van vruchtbare kritiek niet echt waardeert, want als "Politieke correctheid" al iets betekent, dan is het dat men de andere verwijt op de eigen morele hoogvlakten te vertoeven. De kritische geest van de Verlichting overigens was behalve een persoonlijk engagement vooral een zaak van toewijding aan het kennen, begrijpen en omvormen van de samenleving. Maar ik denk dat Jonathan Israël zich vergist als hij de Verlichting herleid tot atheïsme, want de grootste inbreng van Diderot, maar ook van Voltaire en de Schotse Verlichting was niet het poneren van het atheïsme, want dat kon niemand toen volhouden, maar het omvormen van het recht, van het bestuur van de samenleving en van het bevorderen van persoonlijke vrijheid, gelijkheid en als het even kon ook broederschap.

In de lopende discussies over Europa ging die samenleving verloren, onder meer omdat men de verhouding tussen individu en samenleving, maar vooral tussen individu en overheid in termen van rechten ging gieten, waarbij andere consideraties verloren gingen. Zeker de relatie tussen de instellingen van de EU en de burgers kan men maar moeilijk uitgelegd krijgen, omdat de juridische formulering enerzijds complex werd en omdat een samenleving van 500 miljoen mensen niet te overzien valt. De verworvenheid van persoonlijke en onvervreemdbare rechten moeten we in stand houden - want nu staan die al eens onder druk door de machtsmiddelen waarover de overheid blijkt te beschikken - maar omdat men aan de formulering van grondrechten de gedachte heeft toegevoegd, in een ander register, dat men die rechten moet laten gelden, ze indien nodig afdwingen, zonder rekening te houden met omstandigheden, verliest men uit het oog dat men finaal zichzelf schade kan toebrengen. Het doel namelijk kan men mis lopen, omdat we met de uitkomst wel eens aan de haal gaan. Heeft men het over gelijke onderwijskansen, dan ziet men al eens dat het onderwijs er zelf aan ten onder gaat.  Was dat  Europees onderwijs, zoals hoger aangegeven, er mee de voorwaarde toe was dat er kritische geesten gevormd werden, mag men dus niet enkel aan dat principe van gelijkheid denken, maar moet men andere consideraties mee laten wegen.

Het probleem van de veeltalige media, of liever dat in elke taalgemeenschap eigen moderne media bestaan die de eigen taalgemeenschap versterken, zegt men, zal de vorming van een Europese gemenebest onmogelijk maken. Dat er zich bij de Europese elite wel zoiets als een eigen kring gevormd heeft, laten we nog terzijde, maar dat men op grond van die vaststelling een verder samenkomen van die 24 taalgemeenschappen ten enen male onmogelijk zou maken, blijft toch straf, want dan resten er ons twee mogelijkheden, allemaal Engels leren, of gewoon elk onze eigen weg gaan. Sommigen zeggen nu dat identiteit niets met taal te maken heeft, of waar men woont, maar dat is de wereld op zijn kop. Alleen is het niet zo dat men iedereen (binnen een taalgemeenschap) meteen van uniformiteit kan verdenken, of er een homogen karakter aan geven dat ten enen male onmogelijk is, omdat binnen de gemeenschappen de uniciteit van levenservaringen zelf tot een relatief grote verscheidenheid aanleiding geeft. Menen dat we ons moeten schamen om onze zogenaamde witte wereld? Shakespeare schreef al Othello en voor zover ik weet zijn wel meer mensen naar zonovergoten stranden in Afrika of Thailand gegaan... maar goed, ook dat zal wel niet moreel in orde zijn.

Maar identiteit? Ik vraag me steeds meer af op grond van welke filosofisch of sociologisch concept men dat denken over identiteit heeft verwrongen tot de gedachte dat wie een identiteit aankleeft daardoor ook onveranderlijk in zal blijven. Identificatie? Waarom men het Rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft afgekraakt is welbekend: toen nog prinses Maxima stelde namelijk bij de voorstelling vast dat er geen Nederlanders te vinden waren. Men vond dat uiteraard schandalig, maar zij had gelijk., want ben ik een Bruggeling omdat ik al 20 jaar in de stad leef, maar toch het dialect niet actief beheers? Als aanhanger van een vloeiende standaardtaal, ben ik dat ook niet van plan. Maar de taal die ik spreek deel ik wel met hen, met zes miljoen andere Vlamingen en als het even meezit, met zestien miljoen Nederlanders. Volgens sommigen groeien de talen uit elkaar, voor anderen is het een pot nat. Maar het is wel het Nederlands. Nu is het wel zo dat niet iedereen de taal voor gelijke doeleinden aanwendt, maar laten we zeggen dat de taal in een culturele context leven kan, zal dat wel mee bepalen hoe men zich als Nederlander voelt.

Het probleem blijkt evenwel op een ander terrein te vinden te zijn, dat van de gedachte dat men in principe best maar een taal zou leren, het Engels voor courant gebruik, maar slechts weinigen, heb ik altijd weer de indruk dat men de taal van Laurence Sterne of Yeats echt vloeiend weet te gebruiken. Dat vergt veel oefening, maar ook en vooral respect voor die taal en andere talen. Natuurlijk is het goed dat men die taal leert in school maar ook later, maar tegelijk, voor zover ik het kan overzien, belet dit niet dat we ook meerdere andere talen leren, niet enkel omdat we het nodig hebben, uit nutsoverwegingen dus,  maar vooral omdat elke taal die men leert andere facetten van de wereld laat zien, maar al die talen hebben wel gemeen dat ze toelaten die werkelijkheid ook vorm te geven op een wijze die voor anderstaligen begrepen kan worden. De Europese talen hebben zich namelijk ontwikkeld, zeker sinds de 9de eeuw en naarmate de contacten tussen Europa en die nieuwe gebieden, Oostelijk Europa voorbij de Elbe en de Moldau, Scandinavië, Hongarije, nu gedeeltelijk ook Roemenië en op de Balkan, op een manier waar precies de culturele eigenheid zich ook ontplooide, van de Bijbel, inclusief bijbelcommentaren, Latijnse en Griekse talen uit de oudheid en filosofische teksten, zodat een Jan Hus in Constanz in het Latijn en het Duits ondervraagd kon worden over zijn (vermeende?) ketterijen.

100 jaar na het begin van Wereldoorlog I lijkt het nog steeds niet mogelijk begrijpelijk te maken hoe de geschiedenis van de 28 lidstaten van de EU al heel vroeg met elkaar verweven is en dat sommige verhalen elkaar spiegelbeeldig aanvullen of dat het ene land iets graag in herinnering brengt en het andere er liefst als vermoord over zwijgt. Die geschiedschrijvingen, deels mythes, deels annales of kronieken, maar ook de verwerking door vakhistorici hebben met elkaar vaak ook methode, benadering en zelfs doelstellingen gemeen, omdat de cultuur waarin de vroege historieschrijvers maar ook historici vandaag werken door de academische samenwerking en de media steeds meer naar elkaar toegroeit. Alleen lijkt het voor vele Belgen, die de herinnering aan WO I tot walgen toe exploiteren en dat met vooralsnog niet te overziene gevolgen, moeilijk om die geschiedenis in het grotere verhaal van de landsgeschiedenis in te passen, maar al helemaal niet in wat men een Europese geschiedenis zou kunnen noemen. Niet alleen de bereidheid ontbreekt, voor sommigen, zij die de Vlaamse Beweging in de Belgische Nationale geschiedenis hooguit een hinderlijk detail vinden, kan die Vlaamse Beweging echt geen invloed gehad hebben op 's lands wedervaren, maar ook houdt men vast aan de Franse onschuld in de aanloop naar 1914.

Als dit zo is, als ik dit onderken betekent dat evenwel niet dat we ook zoveel in een Europees kunnen vertellen dat die grotere eenheid ook aan de orde komt en dat het identificerend kan werken. Waarom dat wenselijk zou zijn? Omdat dit in de grote veranderingen die  de verhoudingen in de wereld kenmerken samenwerking wenselijk kan zijn. Men kan dan beweren dat dit een Europees nationalisme zou opleveren, waarvoor het klassieke Eurocentrisme al voldoende materiaal heeft aangedragen. Maar men ook de redenering voeren die Herder voor ogen had staan en die Europese samenwerking een culturele en symbolische ondergrond geven, die mensen ertoe beweging kan het gemeenschappelijke lot onder handen te nemen. Want zelden nemen we de gedachte mee dat anderen Europa wel als een eenheid zien en daarnaar ook handelen. Het probleem is alleen dat handelsreizigers van koninklijke bloede vooral voor hun eigen land op weg gaan, maar dat de gemeenschappelijke actie niet altijd in de media de nodige aandacht krijgt.

Dat gezamenlijke en samenhangende karakter van Europa lijkt voor ons zo bijzonder moeilijk te bevatten, te meer omdat het meteen ook zou betekenen dat er dan niet meer zoiets als Nederland zou bestaan of Vlaanderen. Hier speelt niet de vraag mee naar subsidiariteit, maar het feit dat men zich geen Europese realiteit kan verbeelden, waarin het regionale een plaats heeft naast het overkoepelende. Toch kan men een Nederlander uit het Noorden horen zeggen dat een grote provincie Noord-Holland, Utrect en Flevopolder wel kan, maar dat men Groningen niet met Drenthe of met Friesland moet willen samenvoegen. De ene identiteit weegt zwaarder dan de andere. Omdat men Noord-Holland ziet als een staatkundige opdeling en Limburg of Groningen ook voor een verbeelde gemeenschap staan. Een Europese verbeelde gemeenschap? No way. En dat is dan maar meteen een gemiste kans, zoals, naar ik vrees Poetin ons nog wel zal laten begrijpen.

Maar angst alleen kan geen goede motivatie zijn, wel de veelzijdigheid en toch gelijkaardigheid van die Europese samenleving onderkenen, blijkt moeilijk. En dan heeft Ferry Mingelen wel een goede grond de vraag te stellen wie dat Europese parlement vertegenwoordigt. Het antwoord is eenvoudig: ons, maar die mogelijkheid blijkt vandaag moeilijk, want een Europees volk is er niet te vinden. Moeten we het nastreven? Kunnen intellectuelen, als ze dat al zouden willen er iets toe bijdragen? Misschien geeft juist het gebrek aan interesse voor Esten en Letten, Roemenen en Finnen ons het voorlopig vonnis: er is geen Europese gemeenschappelijke gedachte samen, als burgers het goede leven te bestendigen. Er is alleen een constructie die men de EU heeft gedoopt

Maar precies dat zou ons ertoe moeten brengen te begrijpen dat die instituties geen betekenis hebben als wij ze ons niet eigen maken. Misschien werpen de ambtenaren in Brussel graag wat hindernissen op, maar het is niet hun Europa, wij zijn Europa, hoe moeilijk dat altijd wel weer zal uitpakken. De crisis in Griekenland heeft op het oog de tegenstellingen in de EU verscherpt, maar misschien heeft men begrepen, in Athene of Thessaloniki dat men zelf ook niet teveel de kantjes eraf kan rijden, zonder het vertrouwen te verliezen van de anderen. De woede tegen Merkel en de Duitsers was duidelijk, maar hoe men uit de crisis komen zal zonder de instellingen op orde te stellen en de verantwoordelijkheidszin bij de regering en de bestuurlijke elite blijft een raadsel. De juridische aanpak alleen werkt niet, maar is wel nodig.

Besluit: De Europese verkiezingen van 2014 pogen de betrokkenheid bij het Europese bestuur te versterken en men moet dan misschien wel de vraag stellen waarom de media het Europese verhaal vooral negatief vertellen. Laat Geert Wilders of Nigel Farage dat maar doen, maar zorg wel dat, zonder de werkelijkheid te verbloemen, burgers inderdaad begrijpen dat Europa, niet enkel het courante beleid, maar de instellingen ook onze zorg en verantwoordelijkheid zijn. Oh ja, Mingelen noemde weinig goede Nederlandse EU-parlementsleden en vergat te zeggen dat ook de Tweede Kamer inspraak heeft in het beleid van de EU. Dat zou wellicht te verwarrend geweest zijn. Hoe men een volk wordt? Dat verschilt, maar dat er een stuk verbeelding, wensdroom aan ten grondslag ligt, kan men maar beter te baat nemen.

Bart Haers

 

 

Reacties

Populaire berichten