Wie hoort den Groote oorlog toe?


 Dezer Dagen


De groote oorlog

Nederlandse interesse, waarvoor

Mevrouw Marie-Elisabeht Belpaire, mecenas,
schrijfster, was een van die figuren die  hun eigen
bijdrage leverden aan de Vlaamse ontvoogding.
 anno 2014 zonder zin
voor nuance schrijven over
die ontwikkelingen, het blijft verbazen. .
Goed dat Nederland ook aandacht wenst te besteden aan WO I, de Groote oorlog, maar men moet het ook niet te gortig maken. Beweren dat de Vlamingen er hun oorlog van willen maken, bevreemdt mij nog geen klein beetje. Dat de herinnering vanwege Vlaamse politici en mensen uit de politieke beweging aan de oorlog én aan de strijd van hun voorgangers door elkaar lopen, kan men hen moeilijk aanwrijven. Het feit dat de discussie over het statuut van de taal, in rechte maar meer nog in feite een complex verhaal is, dat begint rond 1840 met het petitionnement van 1840 en in 1856 kwam er al een Grievencommissie, lijkt vooral van belang voor de petite histoire. Doorheen de 19de eeuw en tot aan de vooravond van de Groote Oorlog zien we dat Vlamingen, linkse en rechtse, dorpse en steedse, intellectuelen en kleinburgers zich gezamenlijk voor de eisen inzetten. Het is overigens maar de vraag waarom men de scheiding der geesten, die tijdens de oorlog haar beslag kende, maar al vroeger was ingezet, niet zo relevant acht. De scheiding der geesten betrof de kwestie of de Vlaamse ontvoogding loyaliteit aan Vorst en Vaderland uitsloot, dan wel of men binnen het bestaande constitutionele kader diende te blijven. Deze kwesties kan men dezer dagen wat Vlaanderen betreft futiliteiten noemen, bij de vorming van Europa, maar ook als het om conflicten elders gaat, kan men misschien ook wel eens verwijzen naar die Vlaamse Beweging. Want veel aanslagen hebben die vermaledijde Flaminganten niet gepleegd, als ik het mij goed herinner.

Karel van de Woestijne schreef ten behoeve van NRC tussen 1906 en 1929 brieven aan de NRC om het Nederlandse publiek op de hoogte houden van het leven in België, van het artistieke en literaire leven, minstens ook van  het politieke, kond te doen. Soms vermakelijk, nu eens sardonisch en dan weer laconiek, laat hij zien hoe in de late jaren van het bewind van Leopold II het land er anders was gaan uitzien en dat zich onder meer uitte in de arrogantie van de Vlaamse politici en academici. Maar bij gelegenheid kwamen liberale en katholieke Vlamingen elkaar tegen, zoals in Roeselare in 1906 toen de 50ste geboortedag van Albert Rodenbach werd gevierd en al wie telde in literair Vlaanderen aanwezig was. Het zou de laatste keer wezen, maar tot dat besef kwam Karel van de Woestijne pas later. In 1906 was het mogelijk dat Cyriel Buysse en Stijn Streuvels vlak bij elkaar zaten en alle discussies over staatsprijzen achterwege bleven. Maar de scheiding der geesten zou zich tijdens de oorlog voordoen, op grond van de bereidheid de Flamenpolitik van de Duitse bezetter aan te nemen voor eigen doeleinden.  

De vraag waarom historici dezer dagen in Vlaanderen en nagenoeg iedereen die zich met de Groote Oorlog inlaat de dynamiek negeert die zich in Vlaanderen na de diepe crisis van 1845-1850 heeft voorgedaan en waar naast economische ontplooiing ook culturele en politieke emancipatie steeds meer mensen kon aanspreken, blijft al te vaak onbesproken. Intussen gingen de politieke discussie tussen katholieken en liberalen verder, waar zich later  werkliedenpartijen bij aansloten - want het socialisme in Vlaanderen en België begon met werklieden11organisaties en niet bij Marx - waar zich dus de taaleisen steeds weer aandienden en het debat verstoorden... zegt men. De partij die het partijlandschap lang in ongerede bracht was precies de Meetingpartij in Antwerpen die ontstond tegen de plannen om van Antwerpen de versterkte burcht van het land te maken, le réduit National, met de bekende forten rond de stad die uiteindelijk al in 1914 geen nuttige rol bleken te kunnen spelen. Juist, de oorlog van 1870 speelde mee en dus was er een Europese context, die hier niet altijd in ogenschouw wordt genomen. Maar het mag duidelijk wezen, die Meetingpartij die antimilitaristisch was en zeker ook nog rancune koesterde voor de scheiding van het Koninkrijk der Nederlanden, zou, hoewel de beweging na een eenmalige bestuursperiode in het Antwerpse stadhuis, op 't Schoon Verdiep dus, wegdeemsterde, een zweem van anarchisme in de stad en het land laten rondwaren en vooral de idee als partij die het opnam tegen het establishment in de herinnering hangen.

Het tragische van de geschiedschrijving rond WO I bestaat hierin dat maar weinig historici zich echt richten op de periode van de ontwikkeling van de industrie in Vlaanderen In politieke termen valt de cesuur dan samen met de troonsbestijging van Leopold II in 1865, de Frans-Duitse oorlog en de toenemende druk de taalwetgeving op te zetten om de Nederlandstalige burgers, welk idioom of streekdialect ze ook spraken, hun identiteit vorm te laten geven. Leopold II was niet ongevoelig voor de Vlaamse revindicaties, zoals bleek bij de inhuldiging van het standbeeld voor Breydel en Pieter De Coninck op de Grote Mark in Brugge. Toen hij merkte dat burgers ontevreden waren dat zijn omgang met de stedelijke magistraat - die Franstalig was - contact met het Breydelcomité onmogelijk maakte heeft hij de volgende dag - zegt men - kroonprins Boudewijn gestuurd om dat goed te maken. Het is in elk geval zo dat de inhuldiging op 11 juli 1887 voor het comité een deceptie was geweest en dat vervolgens in augustus een meer volkse  inhuldiging plaats zou hebben gehad. Hoe het precies zat, verdient vooral verder onderzoek omdat het weliswaar een lokaal conflict was maar wel aangeeft dat al lang voor 1914 de gemoederen behoorlijk verhit konden raken en de rancune zelfs Leopold II niet ontging.

Van belang in de hele discussie over de betekenis van de Groote Oorlog, die voor mij minstens in de Europese context moet bekeken worden, maar voor dit land wel degelijk ernstige politieke gevolgen heeft gehad die men niet kan verklaren, laat staan begrijpen - we moeten het hierbij herhalen - zonder ernstig af te wegen hoe in de Nederlandstalige provincies van België gedurende de Negentiende eeuw een economische, culturele en politieke dynamiek is ontstaan. Zowel aan de zijde van de katholieken als aan de zijde van de Liberale beweging; meer nog, het waren Liberalen als Georg Bergmann en Anton Bergmann die hun onweerlegbare bijdrage hebben geleverd, maar ook Karel Lodewijk Ledeganck. Misschien vinden politici als Guy Verhofstadt dit storende details van de geschiedenis, het feit dat liberalen mee de taalrechten van de Vlamingen hebben bevorderd, moet men niet negeren. Dan was er dus de Meetingpartij en waren er de vroege aanzetten tot het Gentse Socialisme, waar men al evenmin ongevoelig was voor de gelijkberechtiging van de burgers, ongeacht hun taalgebruik of net inzake taalgebruik..

Geloofde men toen dat er zoiets als het homogene Vlaamse Volk bestond? Of een Belgisch Volk? Men kan beide toeschrijven aan de geest van de Romantiek. Dat is precies de vaststelling van Marx dat het nationalisme een zaak was van de Hogere Burgerij, ten koste van de arbeiders, heeft hem er toe gebracht, voor zover ik het begrepen heb, tegen dat burgerlijke, liberale nationalisme, dat ook door de katholieken werd gedeeld, een internationale van het proletariaat op te zetten, want alleen een internationale beweging van gezellen zou die burgerlijke verwatenheid met succes kunnen bestrijden. Toch liet het Gentse model zien dat aandacht voor taal ten behoeve van de arbeiders mensen als Moyson en anderen niet vreemd was. Vader Anseele zou daar het zogenaamde biefstukkensocialisme tegenover gezet hebben - Erst kommt das Fressen und dann die Moral? - maar precies de culturele poot van Vooruit voorzag ook in het ontwikkelen van de taal, onder andere met toneel.

Was Vlaanderen rond 1900 meer agrarisch dan Nederland, Duitsland of Frankrijk? Ook in het artikel in NRC viel er niet aan te ontkomen dat die Vlaamse soldaten toch maar boerenkinkels waren. Mag een klein beetje meer zin voor nuance en detail? 1°) de Vlaamse bevolking was sinds 1750 sterk gegroeid en precies de voedselcrisis van 1845-1850 liet zien hoe sterk de relatieve overbevolking doorwoog; 2°) de industrialisering in Gent en de uitbouw van de haven van Antwerpen zou de verstedelijking aantrekken, maar toch bleven in delen van de Kempen en Binnen-Vlaanderen - ruwweg de streek tussen Maldegem, over Tielt tot Geraardsbergen en Ronse in het Zuiden - worstelen met overbevolking, dat wil zeggen met mensen die niet direct emplooi vonden in de oude landbouw, de ter ziele gegane huisnijverheid incluis en 3°) de migratie vanuit Vlaanderen naar Charleroi, Luik maar ook naar Noord-Frankrijk moet men toch ook in rekening brengen, alsmede het feit dat vanaf 1890 de overheden kozen voor goedkope treinabonnementen om de steden en industriegebieden niet te laten uitgroeien tot bolwerken van socialisme, revolutionairen en ook wel om hygiënische redenen. De industrialisatie bereikte Vlaanderen nog op een andere manier, want men kan vaststellen dat vanaf 1880, toen  stoomschepen, met betere opslagcapaciteiten ertoe bijdroegen dat broodgraan goedkoper uit de VSA, Canada en Argentinië, maar ook Rusland aangevoerd kon worden. Door deze wijziging van de markt verloren vele landbouwers in de meest vruchtbare gebieden hun bedrijf, omdat ze niet konden opboksen tegen die nieuwe concurrentie. De vooruitgang? Net wat u zegt. Die boeren werden vaak stedelingen of schakelden over op tuinbouw en groententeelt in de rand van de stedelijke agglomeraties. Anderen zouden in de steden als slagers, charcutiers en aanverwante ambachten hun brood gaan verdienen.

Wie ging er dan naar het front? De boerenbevolking in Vlaanderen was al in relatief gewicht sterk verminderd ten aanzien van de arbeiders, maar dat lijkt historici niet te deren. Maar het andere aspect mag ons dan niet ontgaan: wie hing de Vlaamse gedachte aan? Marc Reynebeau was daar in "Het Klauwen van de Leeuw" expliciet over: de middenstand, vooral de kleine middenstand, want de hogere middenstand die leerde toch snel Frans. Zou het zo eenvoudig zijn, als men kijkt naar het gemak waarmee mensen als Frans van Cauwelaert en August Vermeylen, twee telgen uit het Brabantse genus van de herenboeren, zich van het Frans bedienden en de Vlaamse zaak dienden. Ook Cyriel Buysse, verwant aan de gezusters Loveling, aan de Gentse hoogleraar Paul Fredericq, hoewel hun verwantschap eerder leidde tot animositeit, was een Nederlandstalig auteur, gehuwd met een Nederlandse, Haagse dame,  maar ook bevriend met Maurice Maeterlinck, de Gentse Franstalige schrijver die met zijn werk de Franse letteren zeer heeft verrijkt, maar nu in Vlaanderen vooral gekoesterd wordt... om te laten zien dat kosmopolitisme wel kan. En dan kan ik niet voorbij aan de andere Rodenbach, Georges, die twee boeken in Brugge situeerde, naast enkele gedichten over de zwanen van Brugge. Nu we toch een cataloog van namen presenteren, mag Marie-Elisabeth Belpaire niet ontbreken die zelf vanuit een eerder Franstalig liberaal milieu voor het Nederlands koos, maar wellicht zich vergiste door de zijde van de katholieken te kiezen. Zij financierde het Nederlandstalige tijdschrift "Dietsche Warande en Belfort" en werkte mee aan de zaak van de vrouw door een vrouwenafdeling op te richten van de Vlaamse katholieke Hogeschooluitbreiding. Op het oog lijken het allemaal voorbeelden, details, maar als men probeert een beeld te schetsen van het Vlaanderen tijdens de roemoerige jaren die het einde van de 19de eeuw kenmerkten, dan krijgen die namen, faits et gestes pas betekenis. Eenvoudig wordt het plaatje niet van het België dat in 1914 in de oorlog betrokken raakte, maar men kan de verschillende culturele, artistieke maar ook economische en politieke winden niet negeren.

Lodewijk de Raet (1870 - 1914) belichaamt de ontwikkelingen in de door ons benaderde periode in zijn leven en loopbaan als econoom, politicus en - jawel - pleitbezorger van Vlaamse ontvoogding. De man is intussen nagenoeg vergeten, al bestaat er nog steeds een stichting met zijn naam,  maar hij was bij leven verbonden met zowel Solvay - via Waxweiler zelfs met Albert I - als dus met de Vlaamse zaak. Hij muntte het begrip "Vlaamse Volkskracht" waarmee hij economische activiteit bedoelde en niet enige vorm van militarisme of politieke straatrevolutie. Onze kijk op het intellectuele leven voor 1914 in Vlaanderen kan men overigens breed uitmeten, precies met figuren als Lodewijk Dosfer, Vermeylen, Karel van de Woestijne en zovele anderen. Ook de jonge bioloog Marcel Minnaert, wiens ouders in Brugge docenten waren aan de lerarenopleiding, kan men in het plaatje brengen, vooral omdat hij publiek stelling innam tegen de bekende open brief aan Albert I, van Jules Destrée, met de bekende zin: Sire, ils nous ont pris la Flandre. Minnaert zou kiezen voor het activisme, dat merkwaardig genoeg mee gesteund werd door Nederlanders die al dan niet in Vlaanderen leefden: Derk Domela Nieuwenhuis, die in Gent Jong Vlaanderen zou oprichten, maar ook in Nederland kon de beweging op sympathie en steun rekenen...

Laten we dus niet altijd weer in dezelfde valstrik trappen en doen alsof de oorlog plots de Vlaamse zaak deed opwellen: Albert I sprak immers de gedenkwaardige woorden:

Gedenkt gij Vlamingen de slag der Gulden Sporen

en gij Luikerwalen, de zeshonderd Franchimontezen...

maar ook hield men iedereen graag voor dat we allen Belgen zijn, maar dat is slechts een familienaam, want de voornaam is Vlaming dan wel Waal... Alle waren het verdienstelijke pogingen de eenheid van het land te bewerkstelligen door de verschillen te benoemen en te erkennen. Men kan het een vorm van repressieve tolerantie noemen, maar het er viel voor Leopold II en Albert I niet aan te ontkomen en als we afgaan op het testament van Leopold III - gedateerd 1944 - ging die nog het verst in zijn erkenning van de Vlamingen binnen het koninkrijk. Maar helaas stonden er nogal onvriendelijke zaken in over de Regering en de volksvertegenwoordiging tijdens de fameuze meidagen van 1940, waarbij de neiging ten faveure van een meer autoritair regime niemand mag ontgaan. Met andere woorden kon men 's konings aandacht voor Vlaanderen en de Vlaamse zaak gemakkelijk verdacht maken.

Als dus de journalist in NRC weet te vertellen dat WO I de Vlamingen en de Walen blijft verdelen, als historici zoals Sophie de Schaepdrijver persisteren in hun voorstelling en blijven vertellen dat die vermaledijde Vlaams-nationalisten plots uit hun doosje zouden zijn gekropen, dan valt daar wel op af te dingen. Wat men zal toegeven is dat het geen volkse beweging was. De details van de vele verhalen die men overigens, wat mij betreft, kan vergelijken met andere regio's in Europa, zoals Lode Wils dat deed, maar of ik tot dezelfde conclusies zou komen, blijft dan nog maar de vraag; de details geven een complexe samenleving, waarbij mensen hun persoonlijke ambities betrachtten waar te maken en daarbij al dan niet hard botsten met de zetelende macht, die ze zelf wilden veroveren. Aan het Front, vooral tussen Nieuwpoort en Diksmuide zaten jongens die uit velerlei milieus kwamen, arbeiders, boeren, bedienden en schoolmeesters, om de seminaristen niet te vergeten, die vaak dienst deden als hospik. Maar er was ook de regering in Le Havre, die vaak botste met de koning over de inzet van de troepen. En er waren parlementsleden die de zorg op zich namen voor de vele vluchtelingen in het niet door de vijand bezette deel van het land, maar ook in Nederland en Frankrijk... en er waren de Activisten, sommige vooral Vlaams-nationalisten, anderen misschien wel geïnspireerd door het expressionisme of het Futuristisch manifest. En dan waren er nog kunstenaars, schrijvers die zo goed en zo kwaad als het ging in het UK trachtten te overleven. Toch nog een klein detail: men weet dat de Belgische regering en de Franse overheid een akkoord hadden om vluchtelingen in te zetten voor de economie, maar ook dat Belgische vluchtelingen emplooi zochten, maar dan lang niet altijd in de industrie of als landbouwknecht werden aangenomen, maar ook in de ambtenarij, de gezondheidszorg - apothekers bijvoorbeeld - en anderen, omdat ze nu eenmaal gediplomeerd waren. Er waren in Vlaanderen toch universiteiten, er was industrie en er waren plaatsen te geef in de kantoren waar tal van schrijfhanden van doen waren. Tijdens WO I bleken die zeer nuttig en men kan dus niet blijven doen alsof de Vlamingen alleen maar boerenknechten, dienstmeiden en arbeiders waren, want het beeld vergt meer oog voor detail. Om maar een saillant voorbeeld te geven: in 1920 stierf na een chaotisch verlopen betoging op 11 juli, verboden door het Antwerpse (liberale en Franstalige) stadsbestuur Herman van den Reeck. Soms wil men hem voorstellen als een arme jongen, maar zijn vader was ambtenaar en zijn moeder wilde het gezinsinkomen aanvullen met een winkel. Straatarm waren zij dus niet, maar het werd dan ook meteen middenklasse en is ook dezer dagen in een middenklassensamenleving par excellence geen adelbrief, want men deugt pas als men uit de werkmansbroek zou zijn geschud. Het punt is dat deze Herman van den Reeck, zoals de dichter Paul van Ostaijen en de schrijver/diplomaat Jan Albert Goris (die schreef onder de naam Marnix Gijzen) in het activisme had meegelopen, maar eerder vanuit een modernistische aandrift, omdat deze jongeren te jong waren geweest om naar het front te trekken en in Antwerpen niet behept waren met een Dirk Domela Nieuwenhuis en andere door het Alldeutsche Verband geïnspireerde lieden - althans is dat de indruk die men aan de Flamenpolitik en de rol van een paar Nederlanders in de financiering van het activisme kan overhouden.

Men kan er dus niet omheen dat voor WO I de conflicten tussen Vlaamse intellectuelen, ondernemers, onderwijzers en anderen enerzijds en het Belgische establishment al langer smeulden, soms hoog oplaaiden. Men kan evenmin heen om het feit dat tijdens de oorlog en onmiddellijk na WO I de Vlaamse Beweging een politieke lading kreeg die tot lang na WO II een onmiskenbare stempel op de politieke conflicten en besluitvorming zou drukken in dit land. Tegelijk kan men de gebeurtenissen in het bezette land en in het niet door de vijand bezette deel van het land niet los zien van wat elders aan de gang was, zelfs de Russische revolutie enerzijds en de muiterijen aan de Somme hebben hun weerslag gehad, maar of er omgekeerd vanwege de Vlaamse soldaten, die meertalig waren, zeker als meer geschoolde rekruten het Belgische leger konden vervoegen in 1915  ook invloed is geweest op die Fransen of Britse soldaten, lijkt nog niet echt bekeken. Waarom ook, het waren toch maar provincialen, nietwaar.  

Opnieuw, tot slot moet de vraag gesteld of onze benadering van WO I niet te zeer geïsoleerd gebeurt, in de ruimte, want men kijkt al te vaak alleen naar de gebeurtenissen aan het Belgische Front, maar ook en vooral in de tijd. Men hoeft, wat mij betreft, de inzichten van mensen als Frans van Cauwelaert, Lodewijk Dosfel of Karel van de Woestijne toch niet te onderschrijven om er kennis van te nemen en er volgens de regels van het metier, gebaseerd op wat men Historische kritiek placht te noemen,  mee om te gaan. Maar als ik zo een artikel in NRC lees, dan wordt ik eens te meer moedeloos, omdat men historici citeert, woord en wederwoord aandraagt, maar in feite en zeer storend bovendien weigert de vraag te stellen waarom historici als mevrouw de Schaepdrijver weigeren de betekenis van de Vlaamse Beweging voor, tijdens en na WO I ernstig te nemen, precies - ik moet het echt weer ten overvloede te berde brengen - omdat België als politieke structuur, maar ook als samenleving en als een land met twee sterk onderscheiden culturen anders niet te begrijpen valt.

Coda:


in de geschiedenis van Europa blijft de aanloop en de oorlog zelf die begon met een moord in Sarajevo vandaag nog een vreemd gebeuren. Karel van Isacker heeft geprobeerd weer te geven hoe het land België doorheen haar geschiedenis veranderd is, maar voor veel collegae was zijn benadering, die ook de literaire expressie van die verandering niet uit de weg ging, had te impressionistisch. Men kan zijn benadering kritisch bejegenen, maar ik moet vaststellen dat het vaak inzichten heeft opgeleverd waar ik als (jong) historicus iets mee kon. De benadering die het de redactie van NRC behaagde te brengen, heeft, niet enkel gezien het voorziene bestek, maar vooral vanwege de reden van het stuk als omwille van het opzet het nadeel dat het de grote verscheidenheid en de dynamiek van de samenleving in Vlaanderen uit het oog verliest en dat, meen ik, vormt de grond voor heel wat stennis, gesteggel en politieke onmin in dit land. Aan de andere kant, zou men erom treuren dat een land dat neutraal bleef tijdens WO I nu toch aandacht op wenst te brengen? Geenszins, want die periode, met het falen van linkse partijen in Europa, verder politieke moorden, op Jaurès, later op Rosa Luxemburg en Karel Liebknecht, maar ook op Walter Rathenau in 1921 en het falen van politieke leiders als Raymond Poincaré en de Russische Tsaar ... en al die andere evoluties, moeten ons wel interesseren. Maar, dames en heren journalisten, graag wat meer sérieux. En van vakhistorici mag men verwachten dat ze precies de aandacht vestigen op de soms zeer tegenstrijdige evoluties die zich   simultaan voordoen. In 1913 werd het Vredespaleis ingehuldigd, maar daar lijkt men in Vlaanderen dan weer niet wakker van te liggen en dat, geacht publiek, moeten we toch proberen te begrijpen.


Bart Haers
Post Scriptum: Men kan vele van deze namen ook vinden in de eerste en tweede editie van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging of via Wikipedia. Maar dan nog is het aan ons om de zaak in een zinvol verband te brengen en de kwestie die we hier vooral wilden behandelen betreft het nogal naargeestige beeld dat men van Vlaanderen nog maar eens aan de orde stelde. Er zijn argumenten te over om dat beeld te nuanceren.

 



Reacties

Populaire berichten