Liefde en politiek

Recensie

 Kameraadschap Planten

Martha Nussbaum, Politieke emoties.
Waarom een rechtvaardige samenleving
niet zonder liefde kan.
AMBO 2014.
481 pp. prijs: 2995 €
Kameraadschap planten, schrijft Martha Nussbaum, verwijst niet a priori naar de traditie van het marxisme, maar naar de noodzaak en het vermogen van mensen om samen te leven. De samenhorigheid is niet permanent en niet in alles. Maar er is wel - als het moet - de mogelijkheid om samen iets op te bouwen. In onze samenleving lijkt die gedachte na de oorlogsjaren doodgebloed te zijn.  

Het lezen van boeken leidt vandaag hoogstens tot trompetgeschal, maar zelden wordt over een boek een echt debat gevoerd. Zeker filosofische essays worden vooral binnen selecte kringen besproken. Alicia Gescinska schreef binnen het al te beknopte bestek van een recensie in de krant een gunstige waardering over "Politieke Emoties. Waarom een rechtvaardige samenleving niet liefde kan" geschreven. Ik herhaal de titel maar even omdat het nuttig is de gedachte zelf goed tot zich door te laten dringen. Want de gedachte gaat, zo denken we nu onmiddellijk in tegen het discours van wat men neo-liberalisme noemt. Maar ook Links houdt er een idee op na dat men structuren in het leven roepen moet om de rechtvaardige samenleving te realiseren, maar dat roep ook wel problemen op, omdat de structuren en procedures alleen nog niet tot een samenleving leiden, waar mensen iets mee aankunnen. Zelf meent Martha Nussbaum dat haar essay een aanvulling vormt op "a Theory of Justice" van John Rawls, maar misschien stelt ze zich daar te bescheiden op. Rawls erkent wel dat emoties betekenis hebben, maar als het erop aan komt in het model de ruimte te laten voor emoties, niet enkel die emoties die leiden tot haat, ruzie en twist, maar ook positieve emoties dan gaat hij toch de discussie uit de weg.
Schreef ik eerder al over de oproep van mevrouw Nussbaum na te denken over een werkbaar nationalisme, dat wil zeggen een nationalisme dat de interne cohesie bevorderd maar niet gericht is op vijandschap, noch tegen andere samenlevingen, noch tegen interne vijanden, dan moet gezegd dat mevrouw Nussbaum wel meer te vertellen heeft. Haar onderzoek betreft de vraag hoe een samenleving voor alle participanten burgers bevredigend kan functioneren, als de voorwaarden op juridisch gebied voor een rechtvaardige samenleving uitgerold werden en haar antwoord kan best inspirerend werken. Filosofen hebben altijd de gedachte uitgedragen dat het wijsheid heten mag de eigen emoties te wantrouwen, omdat dit ons op een verkeerd spoor kan zetten. Maar als angst een slechte leermeester heten moet, dan kan angst best in een aantal omstandigheden net bijdragen om tot een betere benadering te komen. In het essay valt ook te lezen dat emoties niet eenduidig zijn en dat bijvoorbeeld afgunst wel negatief is, maar dat vormen van afgunst ook gunstige stimuli voor gedrag kan vormen. En wreedheid?
Rawls schiep volgens Martha Nussbaum de theoretische fundamenten voor de ideale samenleving, maar het blijft, meent zij, een model, voorstel, dat niet aan realisatie toe is. Maar zij meent dat aan zijn voorstel ontbreekt precies het merg van de samenleving, de sensibiliteit voor concrete noden, voor vragen en hoe om te gaan met emoties van mensen. De idee is namelijk dat zij vaststelt dat in bijna alle systemen sinds Plato het menselijke aanvoelen, de emotie ontbreekt, waarbij net zij, op grond van ethologisch onderzoek en andere research bij dieren aangeeft dat ook zij emoties kennen in een of andere vorm. Maar het zou van ontkenning van het menselijke getuigen als we dat vermogen tot empathie alleen in een positieve, zorgzame zin zouden begrijpen. Doorheen onderzoek over menselijk gedrag en het gedrag bij dieren, laat Nussbaum zien dat de emotie niet per se menselijk is, dat ook de impuls die emotie geeft aan gedrag - het verhaal van een groep olifanten die bij door een trein aangereden dieren blijven, vond ik wel bijzonder - niet per se medeleven uitdrukt, maar destructief uitpakken kan.
De verleiding te verdwalen in het essay ligt dichtbij en toch, het is gewoon een kwestie van lezen. De referenties zijn niet Europees, want Nussbaum vindt ze vooral in de VS en India, maar enkele uitstappen naar Aristophanes, de tragedie en de komedie zijn onvermijdelijk. Het verhaal dat we te lezen krijgen is meer dan een pleidooi voor een model van samenleving, maar een aangeven van wat deze dame de democratie, de liberale samenleving ontberen vindt. Het best lijkt het me een blik door de vensters te werpen die ze opent, want veel meer is niet mogelijk, tenzij het essay te lezen.
Nussbaum opent een aantal vensters op een mogelijke samenleving, waarbij we moeten vaststellen dat ze niet enkel kijkt naar een ideaal of ons een ideale voorstelling van zaken aanbiedt, maar integendeel, anders dan filosofen plegen te doen, ons vergast op historische voorbeelden waarbij het er haar om te doen is ons duidelijk te maken dat het niet zo is dat eenzelfde probleem in verschillende regio's of tijdperken op een en dezelfde manier opgelost kan worden. Misschien dat men vandaag bij het woord "nigger" denkt aan jazz, dixieland en zelfspot, geuzennamen, maar toch, wie het woord in de mond neemt, kan het schudden. Als ik mevrouw Nussbaum goed begrijp is het weinig zinvol op die manier racistische uitingen in te dammen. Bovendien, als men er mooie liedjes om verbieden moet, wat levert het op. Overigens kan men, zo valt in dit essay te lezen op een uiterst keurige en fatsoenlijke wijze mensen wegzetten als onmensen, zonder dat de betrokkenen het zelf door hebben. De bouw van New Dehli ging ten koste van een oude stad, die ondanks de grote groepen mensen met zeer verschillende achtergronden een grote eenheid vertoonde. De nieuwe stad die de Britse architect sir Edwin Lutyens ontwierp, waar Nussbaum veel op aan te merken heeft, blijkt voor het goede samenleven nefast: mooi, overweldigend en kil. Niet alleen werd de oude samenhang vernietigd, waardoor machthebbers en bestuurden wel hun plaats konden vinden en de stad leven kon, terwijl de nieuwe stad in wezen zielloos uitpakte - en nu deel is van een metropool van 21 miljoen inwoners. Hoe moet dat gaan... Maar het punt is dat Nussbaum, anders dan andere filosofen het specifieke, het concrete aan de orde durft te stellen als betekenisvol.
Een belangwekkend concept in haar essay brengt Nussbaum in het oog van het debat, overlappende consensus. Het gaat over inzichten, overtuigingen die leven in de onderscheiden gemeenschappen die in eenzelfde grotere politieke gemeenschap. Het gaat over waarden en over wat menselijk is, over men beschouwt als fatsoenlijk en waar men elkaar kan vinden om samen iets op te bouwen. Overlappende consensus is dus geen consensus die van bovenaf wordt opgelegd maar wel door de overheid, door leiders die iedereen willen verzamelen rond bepaalde belangrijke ondernemingen. Zo vergde het herstellen van de oorlog in 1865 in de VSA, dwong de situatie van het uitermate diverse rijk van de Moghul, dat door de Britten na de de Sepoy opstand dreigde uiteen te vallen en zware onderlinge vijandschap dreigde op te leveren respectievel Lincoln en  Tagore tot benaderingen die niet getuigen van rechtlijnigheid, maar vanuit de omstandigheden te zoeken naar samenhang. Om van de onafhankelijkheid een succes te maken stonden Nehru en Ghandi, naast anderen voor dezelfde moeilijkheid vijandschappen te temperen maar om te buiten. Om in India Hindoes, moslims, christenen en anderen mee te nemen in het verhaal van de onafhankelijkheid, maakten zij gebruik van inzichten uit de onderscheiden groepen, maar ook van gebaren, symbolen en rituelen. Ook zou men de strijd tegen het kastensysteem werd gevoerd op grond van het formuleren van een overlappende consensus.
Alweer een concept, zal men zeggen, maar misschien kan het een venster openen omdat het hier niet enkel om de tolerantie gaat die de overheid moet bewerken, maar ook de verwachting opent, aldus Nussbaum dat mensen niet enkel elkaar verdragen, wat op zich al een verdienste was van Spinoza en van de Republiek tijdens de gouden eeuw - en volgens Russel Shorto overgedragen aan de jonge kolonie die van Nieuw Amsterdam New York zou worden. Ook gaat overlappende consensus verder dan het verwachten van de meerderheid dat zij de minderheid niet zou gaan verdrukken. Het Indische luik in het boek, dat uitgebreid en belangwekkend is, laat zien dat de meerderheid uiteraard ook onderdrukt kan worden door kleine groepen. De problemen in Amerika rond de segregatie zijn voor ons moeilijk te vatten, maar anders dan Malcolm X heeft Martin Luther King jr; zoals Ghandi begrepen dat hij niet enkel kon preken voor eigen parochie.
Het hanteren van gebruiken en ideeën, voorstellingen uit onderscheiden religies, culturen die binnen dat ene gebied leven dat we als een natie zien, kan het mogelijk maken meer mensen aan te spreken dan een specifieke doelgroep. Het probleem dat Nussbaum aanraakt, zou in de VSA sinds Busch maar ook in het actuele Europa van gewicht horen te zijn, maar het blijft, moet opgemerkt, altijd zo dat politici wel zeggen een bepaalde groep aan te spreken, maar zelden ertoe komen de andere partijen, segmenten in de samenleving weten te bereiken. Een rechts politiek kan maar moeilijk een links intellectueel bereiken, ook al doet men daartoe wel eens pogingen. Maar in Europa speelt nog iets anders mee: het cultiveren van de bestaande natiestaten, zeker bij de herdenking van WO I leidt er zelden of nooit toe dat de vele partijen in die oorlog en in de oorlog als geheel, van 1914 tot 1945 meer doen alleen de eigen parochie aanspreken. Europa heeft de vrede gewonnen, eerst in 1948 in een gewapende vrede en vervolgens in 1989 in een opstand in het Oosten van Europa, zij het met als correlaat dat de erkenning van de woede ten aanzien van het Sovjet-systeem en de binnenlandse pilaren van het systeem een uitweg heeft gekregen.
Het concept van overlappende consensus veronderstelt overigens ook, aldus dus de filosofe, dat we kijken naar iets meer dan alleen maar rationele oplossingen zoeken. Het gaat bijvoorbeeld over Cherubino, de knecht die ziet dat zijn baas, de graaf met zijn geliefde de eerste nacht wil doorbrengen. Almaviva en Suzanna, dat gaat niet goed voor Cherubino, maar de gravin zal aan het eind begrijpen dat het voorrecht niet meer kan en ja zeggen tegen een nieuwe samenleving zonder dergelijke onterende voorrechten. De hele ontwikkeling van het begrijpen van deze opera past in het oeuvre van Nussbaum, die met theater, opera en literatuur altijd zeer bezig is geweest. Toch zien we haar ook hier, net als in haar andere werk aannemelijk maken dat niet enkel het woord en de taligheid van gedachten ons sturen. Voor rationele filosofen en voor linguïsten vormt dit een groot probleem omdat gedachten alleen in woorden vorm kunnen krijgen of nog: zonder woorden geen gedachten. Maar wat is het dan? Martha Nussbaum  laat zien doorheen haar analyse van de Da Ponte-opera van Mozart en in het verdere boek, laat zien dat talig gedachten wel degelijk van belang is, maar dat muziek, dat vormgeving ook krachtige dragers van gedachten kunnen zijn.
De gedachten in een park uitdrukken? In een stad? Het gaat niet om de ordening als zodanig, maar de ordening van het park dient de vrije omgang van mensen, zodat mensen elkaar ontmoeten zonder dat formele verhoudingen in het geding zijn. Dat stelt Martha Nussbaum voor en er valt wel iets voor te zeggen. Het gaat bij haar dus niet om de formele aspecten als doel, maar de inplanting van een schaatsbaan, een brug, allerlei andere elementen waardoor het goed toeven is. Niet enkel voor de happy few, maar zeer ook voor minderheidsgroepen. In die zin kan ik denken aan het Warandepark in Brussel, waar met de kiosk en de eetstalletjes met tafeltjes onder de bomen een sfeer ontstaat waar men allerlei mensen vreedzaam met elkaar kan zien omgaan. Toch gaat Nussbaum verder dan we zouden geneigd zijn aan te nemen. Het millenniumpark in Chicago diende een aantal problemen in de stad op te lossen en dan vooral de feitelijke scheiding tussen leefwerelden opheffen en haar beoordeling luidt dat het park aan die verwachtingen voldoet.
Het is niet zonder schroom dat men over liefde en politiek kan spreken, want beide termen lijken totaal verschillende werelden op te roepen en waar de politiek de oorlog met andere middelen suggereert, daar veronderstelt men bij het woord liefde heel wat. Maar zij maakt wel aannemelijk dat het niet om de politiek als metier gaat, maar om wat politici met het kostbare weefsel dat een samenleving, een gemeenschap is, kunnen omgaan. Dan worden haar uiteenzettingen over Tagore, de Bauls en Aristophanes zinrijk, want het gaat niet enkel op de samenleving op een rationele wijze te analyseren en goed beargumenteerde oplossingen te voorzien, want die zijn dan wel nodig om gerechtigheid in de samenleving te brengen, ze volstaan volgens Mevrouw Martha Nussbaum niet om het hart redenen heeft die de rede niet kent. Daarom komt ze uit bij de wijze waarop Tagore omgaat met de erfenis van de Bauls, zotskappen, slonzigaards, maar vooral gericht op het lichamelijke.
Het is al langer haar kritiek dat in de filosofie het lichamelijk en de redenen van het hart geen plaats hebben. Het gevolg is volgens haar wel dat daardoor in de samenleving de goede argumenten voor beleid niet altijd aanvaard worden omdat ze als te kil beschouwd worden. Door de analyse van het project van Franklin Delano Roosevelt om te fotograferen hoe Amerikanen getroffen werden door de grote depressie om andere burgers die minder getroffen waren mee in te nemen in een verhaal van solidariteit en de New Deal. Sinds 2008 is wel vaker verwezen naar The New Deal, waarbij de stemmen luid klinken dat het mislukt is, terwijl anderen en zeker ook Nussbaum menen dat het geslaagd is. In louter economische zin, in termen van herstel van de welvaart heeft de VSA tussen 1932 en 1945 toen de president stierf een onvoorstelbare groei gekend. Maar voor Nussbaum is het belangrijker vast te stellen dat de The New Deal vooral de erkenning heeft opgeleverd dat we samen deel hebben aan wel en wee van de samenleving en dat die campagne van Roosevelt, de fotografische pleidooien voor samenhorigheid wel degelijk aanvaardbaar gemaakt hebben dat de slachtoffers van de Grote Depressie er niet alleen voor stonden.
Blijft de uitdaging die Nussbaum ons voorlegt en dan is de neiging nabij dat zij het over een permanente, statische, immer egale liefde zou gaan, maar dat heeft zij uitdrukkelijk niet voor ogen staan. Door ook te onderzoeken hoe de komedie werkte bij de oude Grieken, het verhaal van de Bauls, legt zij een band tussen het persoonlijke liefdesleven, dat wel eens chaotisch kan uitpakken en de liefde die ze van belang acht in de samenleving. De verhouding van de machthebbende groepen en de groepen die ervan uitgesloten werden, wordt in haar betoog de grote uitdaging om de rechtvaardige samenleving te bereiken. Begrijpen we eenmaal dat negatieve emoties als afgunst, afwijzing en angst ook wel positieve aspecten hebben, zoals bijvoorbeeld wedijver, zoals de gedachte dat angst een preliminaire emotie is, die ook bij dieren voorkomt - de hele discussie over emoties bij dieren kan men maar beter goed nalezen - maar ook gunstig kan uitpakken, mits enigszins getemperd. Maar belangrijker is het dat men schroom, schaamte, trauma en stigmatisatie erkent als emoties die in het politieke een grote rol spelen, ook kan benaderen zonder in kille analyses te blijven hangen. Het gaat dan niet om een afwijzen van elke zweem van racistische uitspraken, maar om na te gaan hoe men de gemeenschappelijkheid, gezamenlijkheid kan realiseren en helaas of gelukkig zal dit een werk van lange adem zijn.
Martha Nussbaum zal dan ook niet begrijpen dat een aantal mensen hier te lande menen dat het racisme hier een alles verterende veenbrand blijkt. Alles verteert die brand, zegt men, omdat het de mogelijkheid tot goed samenleven zou opheffen, een veenbrand omdat we er slechts bij momenten iets van merken, maar het brandt wel. Racisme kan, zegt men, niet relatief zijn. Het valt op dat Nussbaum wel zegt dat men in scholen en via de media tegen diepgravende racistische sentimenten de nodige boodschappen moet inbrengen. Maar zij meent dat zij die de racistische gevoelens niet weten te temperen niet geholpen zijn met afwijzing. Een verhaal brengen, lees ik, waarin men het gezamenlijke avontuur van een samenleving, waarin gerechtigheid mogelijk is, zal meer zoden aan de dijk zetten. Daarbij kan men de vele vormen die mensen in hun persoonlijke leven kennen, erotische liefde, ouderliefde, clubliefde... mobiliseren om een liefde voor dat bijna abstracte lichaam dat de samenleving is in het hart te sluiten. Dan verandert de analyseerbare eenheid natie in een gemeenschap. Neen, geen kloostergemeenschap of iets sectairs, wel integendeel een eigen vorm van liefde voor het algemeen.
Men zal het met mij eens zijn dat de achtergrond van haar verhaal, waarin zij de slavernij, de Burgerrechtenbeweging en de oproep van Obama om de diepe kloven in de Amerikaanse samenleving onderzoekt aan de hand van het optreden van publieke leiders, van Lincoln tot dr. Marten Luther King jr. en vaststelt dat deze sprekers vaak vertrekken vanuit de erkenning van de werkelijkheid om vervolgens de mogelijkheden voor de toekomst te schetsen, de hoop die gloort en dat zij daarin plaatst hoe mensen dit maar kunnen als dit meer is dan de vrucht van wetenschappelijke analyse. Laat die maar gebeuren, laat John Rawls inderdaad zijn onderzoek naar de contouren van de rechtvaardige samenleving, allemaal hoogst waardevol, maar vergeet niet dat mensen behept zijn met bloed, zweet en tranen. Haar bewondering voor Rabindranath Tagore, Nehru, Ghandi... vormt voor haar aanleiding aannemelijk te maken dat een complexe samenleving, met grote spanningen tussen kasten, tussen groepen, via de aanpak van Tagore en de anderen wel degelijk instrumenten kan ontwikkelen waarin mensen ervaren dat ze met elkaar wel moeten optrekken omdat ze in hetzelfde schuitje zitten en tegelijk dat dit maar kan als men mensen bij elkaar brengt.
Tot slot van deze kanttekeningen moet ik opmerken dat deze benadering van hoe we een leefbaar samenleven kunnen opbouwen mij wel aanspreekt, omdat het aansluit bij een vraag die mij al bezoekt sinds ik Han Fortman las, Erich Fromm ook: waarom blijken historici en sociale wetenschappers niet bereid aspecten van het menselijke, in hun primaire, niet gecultiveerde vorm ook gemeenschappelijk met dieren, de emoties dus, niet te betrekken in hun visie op samenlevingen vandaag en bij het zoeken naar oplossingen naar pregnante problemen. Maar ik denk dat men hier de meetbaarheid der dingen te sterk op de voorgrond plaatst alsook, zoals Nussbaum aangeeft, want dan negeert men het menselijke en dat kan men, zoals Blaise Pascal al wist proberen het kwaad, het onrecht uit te roeien, de negatieve emoties komen sowieso: "L'homme est ni ange ni bête et le malheur veut que celui qui veut faire l'ange, fait la bête".
Dit soort inzichten zijn intuïtief en worden daarom vaak afgewezen, maar dit essay van Nussbaum laat zien dat het wel degelijk van belang blijft te beseffen dat mensen een deugdzame visie opleggen en tot een deugdzaam gedrag aanzetten niet veel uithaalt als men het feit negeert dat mensen zijn wat ze zijn. Of nog, vele modellen vertrekken vanuit of negeren het gevaar van antroponegatie en dan blijkt alle streven naar een betere samenleving boter aan de galg. Misschien voelen wereldverbeteraars er zich wel goed bij, de aanpak die Martha Nussbaum presenteert, komt mij boeiender en zelfs meer resultaatgericht voor.  
Bart Haers




Reacties

Populaire berichten