Politiek bedrijven zonder richting?


Kleinbeeld

Warreling van gedachten?


Marten Melsen, Kermishoekje of hoe mensen best
informeel met elkaar om kunnen gaan zonder stampei
te maken of messen te trekken. Alleen, dit soort
taferelen past niet in het beeld van journalisten... en
commentatoren. 
Soms lijken journalisten niet goed te weten waar ze mee bezig zijn. Het is een bedenking die opwelt als het stof in de arena is opgetrokken en de kemphanen in hun honk wachten op de volgende clash. Dat politieke strijd met wedijver te maken heeft en in een democratie vaste prik is, mag niet verwonderen, dat de politieke strijd alleen nog tot tactische bewegingen kan leiden, is tegelijk een riskante evolutie voor de democratie. Wat is er gaande en waarom begon ik met de bedenking dat journalisten het ook niet meer lijken te weten.?
Ik denk dat journalisten meer dan in de tijd van de verzuiling betrokken partij zijn en zoals in de Deense serie Borgen gesuggereerd werd ook hun eigen persoonlijke strijd om winst voeren, terwijl ze ook hun broodheer aan de verkiezingen moeten laten winnen. De informatiewaarde van sommige gesprekken en artikelen zijn ronduit bedroevend. Als het dan toch interessant zou kunnen worden, zoals in verband met het kindergeld, dan blijkt men toch weer maar een criterium te hanteren, of het probleem van de ongelijkheid kan opgeheven worden. Nu, dan gaat het over rechtvaardigheid en wat Martha Nussbaum de gerechtigheid noemt die we kunnen nastreven. Het verschil? Rechtvaardigheid wil of beter laat veronderstellen dat een samenleving gebaseerd is op gelijkheid, maar vraagt niet of dat echt een goed zaak is voor de samenleving. Gerechtigheid, zo kan men lezen, betekent dat men ook verdiensten erkent en dat ongelijkheid niet het probleem is, wel de wijze waarop mensen die in ongelijke omstandigheden leven met elkaar omgaan. Aan de ene kant is er de mogelijkheid van verachting, ontmenselijking, aan de andere kant afgunst, schaamte en trauma, stigma ook.

Volgt men de discussies over onderwijs, over herverdeling en het kindergeld, dan heeft men de indruk dat men zozeer streeft naar gelijkheid dat men voor mensen geen goed woord over heeft: iedereen moddert maar aan, iedereen maakt zich schuldig aan fout gedrag zo lijkt het wel, maar kan men dat ook hard maken. Met Rik Torfs stel ik wel eens vast dat wereldverbeteraars de omstandigheden waarin mensen handelen, mensen naar de wereld en anderen kijken vanuit een soort kooi bekijken, maar ze kunnen nog omlaag of omhoog, noch naar links of naar rechts. De gelijkheid, die we meekregen van de Verlichting naar men zegt, vergt dat de omstandigheden voor iedereen gelijk zouden zijn. Dat valt in geen enkele samenleving te realiseren zo te zien, want altijd zijn er varkens die meer gelijk zijn, zoals Georges Orwell in Animal Farm optekende uit de mond van de chef van de varkens, die ook de gelijkheid onder de dieren wilden realiseren.

Maar er is meer aan de hand, want in het onderwijs wil men de gezonde wedijver al tijden tegengaan en zijn het altijd de zwakken, uit achtergestelde gezinnen die het minder doen, vernemen we om de haverklap. Zou men daar werkelijk voldoende data voor hebben? Of is men de fameuze Fils à papa vergeten, die toch niets moest doen? En is men vergeten hoe strebers gepest werden soms, op school? En nog iets lijkt men vergeten te zijn - we zullen niet aflaten hieraan te herinneren -: de kwestie dat jongeren uit achtergestelde gezinnen in die tijden, van de late negentiende tot de twintigste eeuw vaak hun stinkende best deden om uit te blinken, want ze begrepen hoezeer ze een privilegie genoten. Men zou ook hieruit kunnen besluiten dat het ook nooit goed is. Maar belangrijker is dat wie voor onderwijshervormingen gaat niet gelooft in de mogelijkheid dat in gezinnen die het niet breed hebben toch gestreefd wordt naar grote inzet om het op school goed te doen. De blik op de samenleving die Herman de Leeck in zijn werk als hoogleraar wierp, was er nog altijd een van mededogen, heb ik de indruk, maar ook van geloof in het vermogen van mensen om het ondanks de omstandigheden beter te doen dan men zou verwachten. Vandaag lijkt men vooral met meetbare facetten aan de slag te zijn en dat kan pijnlijk uitpakken, want de metingen leveren niet altijd het juiste weten op. Richard Sennett heeft net als Susan Neiman gewezen op de kloof die er kan bestaan tussen wat experten denken te meten en hoe het er werkelijk aan toegaat. Rik Torfs weet dat in een totaal ander terrein duidelijk te maken: zijn de Russen Europeanen? Voor sommige geleerden in de jaren 1990 niet, voor die Russen toen wel, maar nu? Is men arm omdat men niet naar een ressort kan gaan in de Dominicaanse republiek, misschien draagt men zo ook niet bij aan de klimaatveranderingen.

Nu goed, de kwestie die ons bezig houdt is of en hoe men via het toekennen van kindergeld mensen tot een bepaald gedrag kan aansporen en wie zegt dat het beter is maar twee kinderen op te voeden of dat het beter kan zij voor vier te gaan? De grote gezinnen moet men afraden. Veertig jaar geleden las ik in een boekje van Frans over een gezin met twee kinderen, een koningspaar en de ouders waren nog wel van verschillend geslacht, maar dat leverde dan weer een paternalistisch plaatje van de patriarchale verhoudingen op en ook dat mocht niet. De werkelijkheid puren we vaak uit extreme voorbeelden, want een boer die baas is op zijn erf, kon best ook wijs genoeg zijn om zijn zonen mee te nemen in het denkwerk, door het hen te leren, al doende. De tragedie "De Vlasschaard" van Stijn Streuvels was en is m i die zin ook voor politici best leerzaam: als men het allemaal alleen moet weten, mag weten, dan zal men als chef de file wel eens in de verdrukking komen. Alleen, op een boerderij van enige omvang, met (veel) werkvolk, zal de goede boer wel delegeren, aan de boevers en aan de melkmeisjes, maar hij is inderdaad de baas, behalve in huis en doorgaans ook als het om het gevogelte gaat en de moestuin. En afhankelijk van omstandigheden had de boerin ook meer te vertellen dan alleen op die terreinen.

Onze blik op mensen is gefixeerd door iconen, die ons niet de werkelijkheid laten zien, maar een bepaalde, gewenste of extreem ongewenste werkelijkheid. U begrijpt dat die ongewenste werkelijkheid niet aan de orde is en weggewerkt moet worden. Ongelijkheid is onwenselijk, racisme is onwenselijk, maar het wegwerken, zo bedacht Martha Nussbaum gaat niet alleen via de weg van wetgeving en handhaving, want dan blijft het alles kil en afstandelijk, academisch ook. Meer nog, denk ik, gaat dit in tegen de gedachte dat mensen in hun dagelijkse leven niet extreem goed noch extreem slecht handelen, zonder af te dingen op het feit dat kleine dieven veel tegen de lamp lopen en grote dieven vaak eindigen in het pluche. Berlucsoni heeft delen van zijn fortuin in de schoot geworpen gekregen dankzij Bettino Craxi, die later gevlucht is uit Italië. Voor links is dat nooit een kwestie geweest, wel dat Berlusconi bij de EVP onderdak heeft gevonden. Betreurenswaardig uitvloeisel van het systeem van fracties in het Europees parlement, logisch als men versplintering en oeverloze debatten wil vermijden.

Demografisch gaat Europa erop achteruit, cultureel klagen mensen erover dat onze samenleving door vreemden, mosims wordt overgenomen in onze steden en zelfs stellen sommige mensen erover dat onze steden, behalve Brugge dan misschien in de ken uitsterven - in Brugge valt het grote aantal woningen voor tweede verblijven op - maar Amerikaans is de toestand niet. Bekijkt men de zaak anders, namelijk Vlaanderen als een stadstaat, dan zijn er vele kernen en is concentratie van armoede en relatief begrip. Overigens, migranten gaan na een en soms pas na drie generaties weg uit hun getto, als het al zo mag noemen, om te verkassen naar oudere middenklassewijken.  Ik denk Richard Sennett dit in zijn essay "Respect" mooi uitgewerkt heeft door erop te wijzen dat de stadsplanners te extreem met een blauwdruk werkten en niet altijd het organische, het niet beheerste accepteren. Planning is inderdaad belangrijk om behoeften te kunnen voorzien en wegeninfrastructuur uit te werken. Planning mag nooit de dodelijke greep op de samenleving worden die in de SU schering en inslag was en bovendien ook nog eens moreel vernietigend werkte.

Een gezin is dus niet enkel een wooneenheid, een fysiek gegeven waar in fysieke noden voorzien wordt, maar ook een plaats, als er kinderen geboren worden, waar een en ander wordt overgedragen. We zullen het gelukkige gezin niet idealiseren, want het is stil waar het nooit waait, maar het is vooral schier onbegrijpelijk dat men de baten van een goede familie voor de samenleving niet erkent. En men moet inderdaad begrijpen dat het mis kan gaan, dat echtscheiding best bij wet geregeld wordt, maar tegelijk zal men toch ook begrijpen dat echtscheiding voor kinderen lastig kan zijn. Het komt vanzelf wel goed? En dan maar klagen over alleenstaande moeders die het zo zwaar hebben. Waarmee men dezelfde observatie presenteert als die mijnheer Dalrymple, alleen, men zegt dat men aan de omstandigheden van doorgaans de vrouw met kinderen zonder gemaal wil werken. Hoewel Theodore Dalrymple er wel eens een karikatuur dreigt te maken, heeft hij toch een punt als men die schrijnende situaties ziet als het gevolg van het verlies aan waarden en wellicht, denk ik dan, aan gehechtheid.

Het "kindergeld" werd in de jaren na Wereldoorlog II gezien als een manier om gezinnen te beschermen tegen de gevolgen van een extreme economische storm, zoals de werkeloosheid en het pensioen. Men wilde dus ervoor zorgen dat als een gezin door ziekte, sterfte een beroepsinkomen moest derven de ouders de kinderen toch nog minstens materieel op de rails kon houden. De solidariteit binnen leefgemeenschappen die zich vaak uitdrukte in spontane ondersteuning, huwelijk van de weduwe, dat goed, maar ook slecht kon aflopen, was niet meer voldoende gebleken na de sinistere jaren dertig. Er bestond hier unanimiteit over, maar over de uitwerking is wel gesteggel geweest.

Maar het opvoeden van kinderen, zegt men slechts zelden, geeft ook een stuk cultuur door, ten kwade misschien, ten goede zeer zeker; natuurlijk, wat bedoelt men met doorgeven van cultuur en waarom dat goed zou zijn. Wel, in Duitsland werd een aantal jaren geleden vrouwen met een zeer goede opleiding te laat aan kinderen toekwamen of zelfs helemaal niet. Nu, het probleem was niet van demografische aard, veeleer van culturele aard, omdat te weinig kinderen van huis uit die normen en waarden meekregen die we modern noemen.

"It takes a village to raise a child", hoort men wel eens, maar er zijn geen dorpen meer, zeker niet in de geesten. Ook kan men heroverwegen of de afkeer van sociale controle zo gegrond was. Het beknotte de vrijheid, zegt men, maar het gaf ook waarden en normen mee, waar kinderen zich lang niet altijd rigoureus aan hielden. Overigens, als er al eens pilaarbijters waren die te nauw toekeken, dan kregen ze vaak ook wel het deksel op de neus. Nu men de stad promoot als oord van creativiteit - maar veel creatievelingen zoeken wel graag een stulpje ergens in het zonnige zuiden - omdat er alles zou kunnen, merkt men niet dat die steden, in de VS maar ook hier inderdaad door de anonimiteit mensen naar de marges verdrukt.

Is het dan nooit goed? Nooit zal een perfecte samenleving bereikt worden, ongeacht wat het ideaal ook mag inhouden. Maar zoals ook Rudiger Safranski aangaf, blijft het maar de vraag of men een realistisch beleid kan ontwikkelen dat ergens toe leidt of nog, de Romantiek - als een Duitse affaire, aangelegenheid - is niet problematisch, omdat ze de politiek, het gevoerde beleid niet enkel als een technocratisch beleid kon zien. Alleen kan ook de romantiek in de vorm van romantische bevlogenheid ontaarden en nog geen klein beetje. Martha Nussbaum gaat verder en stelt dat vast dat een liberale samenleving, waar vele gezindten naast elkaar kunnen leven zonder elkaar de duvel aan te doen, iets ontbeert: de warmte van wederzijdse aandacht én ruimte voor kritiek. Want het heeft weinig zin de eigen samenleving te bejegenen alsof alles er verloopt zoals in de beste der werelden. Maar men kreeg afgelopen jaren in Vlaanderen alsof er niets goeds gebeuren kan. De cultuur? De beotiërs deden beter. Ruimtelijke ordening? Zoeken naar een Arcadië is er zinloos. Onderwijs? Het bereikt het grote doel niet: iedereen dokter in de wis- en natuurkunde. En de taal, tja, dat is een tussentaaltje. Mag men dat nog kritiek heten?

Onze samenleving veranderde zeer afgelopen veertig jaar, sinds de eerste oliecrisis, maar stellen dat het allemaal fout zit, dat mensen, burgers niet weten waar het om draait, het blijft mij verwonderen, want zij die het zeggen, zijn nu eenmaal ook maar burgers en vaak ook zonder politiek mandaat. Maar goed, wie voortdurend pausen aanstelt, die onfeilbaar zijn uit de aard der zaak, kan niet anders dan menen dat het plebs, nu ja, plebeïsch is, zich plebeïsch gedraagt, terwijl men gemakkelijk mensen in de omgeving kan herkennen en erkennen die bijzonder zijn op hun gebied. Het is niet omdat de brede media er geen aandacht voor hebben, dat het allemaal niets zou voorstellen.

Meer nog, de gedachte dat alleen het beste goed genoeg is, waarbij de criteria moeilijk vast te leggen zijn, zorgt er niet (meer) voor dat er een gezonde wedijver zou bestaan, maar eerder dat mensen zonder meer worden afgewezen en dat wat ze te vertellen hebben als kunstenaar of wetenschapper van geen tel zijn kan. Het gevolg is wel een verschraling van het aanbod in de samenleving en een feitelijke inperking van persoonlijk initiatief, want als men niet de eerste zijn kan, zegt een bekend Vlaams historicus-journalist, dan moet men er niet aan beginnen. Zou het echt zo zijn? Of moet men precies (jonge) mensen stimuleren, in wiskunde of taal, ook als men weet dat het niveau middelmatig zal zijn? Ach, de middelmaat? Arthur Schopenhauer had het er al lastig genoeg mee, maar vandaag, in tijden waarin zelfs een hond moet excelleren, kan men zich afvragen of men op die manier de samenleving niet tekort doet.  

Het punt dat bij deze campagne en de wijze waarop de media er verslag van brengen opvalt is dat niemand de zegeningen van een mature samenleving in meerdere opzichten weet te waarderen. Alleen dan kan men zich buigen over de vraag wat goed is en behouden mag worden, maar ook kan men pas zo de nodige veranderingen voorstellen. We leven vandaag nog steeds in een behoorlijk welvarende samenleving, maar vrijwel iedereen loopt met het angstzweet in de handen dat het minder worden moet. Ook ging verloren en dat in verschillende opzichten dat het informele in de samenleving zorgde voor een grotere gemoedelijkheid en aanvaarding van wat er alles mis lijkt te gaan. Zoals Paul Frissen schreef, we zijn het gevoel voor tragiek wat vergeten en menen dat elk probleem een oplossing moet krijgen of erger, men verzint oplossingen zonder dat er een probleem te bespeuren is.

Journalisten lijken, net als politieke wetenschappers als Jan Blommaert te geloven dat de samenleving toe is aan een grondige wijziging, opdat het model van John Rawls kan zegevieren, maar zijn model is niet geheel op de werkelijkheid gebaseerd en dat uit zich in het journalistieke discours in een hervormingsgerichte benadering, terwijl we misschien, zoals ooit Hugo Schiltz het zegde, met fijnregeling moeten bezig zijn. En waar ook daar de gevolgen niet het beoogde resultaat bewerken misschien de dingen aan de wijsheid van burgers overlaten. Maar te veel pragmatisme kan ook weer schadelijke bijwerkingen vertonen, omdat men geen idee meer heeft waar men op uit is. En dat lijkt vandaag het tekort van de poltieke discussies, dat iedere partij erin slaagt voorstellen te doen die praktische problemen kunnen oplossen, mochten ze zich stellen. De uitstroom zonder diploma? volgens sommigen 14 à 15 % en volgens anderen 7 %. De uitstroom zonder diploma mag niet kunnen, maar als iedereen een diploma halen kan, wat betekent dat dan?

Kortom, de warreling aan boodschappen zorgt voor een warreling aan gedachten, maar als niet duidelijk is waar het heen gaat, worden mensen lastig, want de toekomst mag dan vanzelf al ongewis lijken, wanneer politici en journalisten in de debatten voortdurend met kleine zinnetjes elkaar courtoiseren, of anderen zacht afkatten, dan is er van debat geen sprake. Duidelijkheid brengen, zeggen journalisten, is onze boodschap. Wie zal het betwisten? Alleen, waarover kan het gaan, als men het over duidelijkheid wil hebben. Duidelijkheid kan erin bestaan dat politici, een partij zegt dat men het ASO niet zal laten afbouwen. Duidelijkheid kan ook betekenen dat anderen zeggen dat die ene partij ongelijkheid in het onderwijs wil laten voortbestaan. Maar beide hebben niet zo heel veel met elkaar te maken. De een gaat over inhoudelijke kwesties betreffende het onderwijs, het andere over een vermeend uniek doel van onderwijs. Het eerste, het inhoudelijke debat kan wel gevoerd worden in het licht van het tweede, maar wie ten koste van alles de ongelijkheid wil wegwerken, moet bedenken dat ook dit onrechtvaardig en ondoelmatig zal uitpakken. En ja, ongelijkheid in de extreme zin die Nussbaum schetst in het Amerika van de segregatie of het India, Pakistan van de vorige eeuw - waarbij Pakistan veel minder doelmatige instrumenten heeft ontwikkeld om tot gelijkheid te komen, maar ook tot respect tussen de verschillende groepen in de samenleving - komt in Vlaanderen niet voor. Alleen lijkt de migratie hier  voor spelbreker te spelen en dat zal dan toch onderzocht moeten worden. Men moet niet de strijd aanbinden tegen racisme, maak ik op uit het werk van Nussbaum, maar als men soms diep gewortelde vormen van racisme merkt, moet men instrumenten aanwenden om er tegenin te gaan. Oproepen tot respect is een zaak, maar afhankelijk van de omstandigheden, van historische en andere aard, aldus Nussbaum kan men een gemeenschappelijke emotie oproepen en onderhouden, maar tegelijk toelaten dat niet iedereen dat onmiddellijk of in dezelfde mate deelt.

Nog 14 dagen voor de campagne achter de rug is. Wat zal elke kiezer zeggen en hoe zal dat uitpakken in de resultaten? En heeft het werkelijk zin jonge mensen die hier hulpeloos toekwamen en toch iets maakten van hun leven hier terug te sturen? Is het geen vreemde vorm van gastvrijheid? ach, natuurlijk, gastvrijheid is niet in het geding, alleen het voorkomen van illegale instroom. De migratie binnen Afrika, binnen andere werelddelen is groter dan de toevlucht hierheen. Syriërs mogen komen, maar niet teveel.

Het blijft alles warrelen en dartelen en soms is het grappig, maar vaker nog verliezen we uit het oog dat een samenleving niet zomaar onderworpen hoeft te worden. The rule of law? Precies, maar het moet wel om overzichtelijke en voorspelbare wetgeving blijven gaan, niet om een voortdurend bijsleutelen zodat precies de zwakste medeburgers niet meer weten waar zij aan toe zijn. Billijkheid vergt ook discipline, zegt Marli Huijer en dat lijkt me een goede gedachte.

Bart Haers

Reacties

  1. Iemand schreef anoniem dat de warrelende gedachten tot een warrige tekst hebben geleid. Dat kan kloppen, want ik wilde precies uiting geven aan wat mij dwars zit, niet enkel bij wat poltici vertellen, maar ook anderen. Er is geen domein waar men niet stuit op inconsistentie en drogredenen, die het voor de toehoorder moeilijk maken er iets mee aan te vangen. Over onderwijs, gezinsbeleid, innovatie... altijd zit er ergens iets in de redeneringen die ervoor zorgen dat we zoals mijn held Tsjeve de Melkboer, wel eens kunnen applaudisseren, maar tegelijk weet hij, weten de toehoorders dat de mooie woorden geen ander doel hebben dan te behagen. Mag een tekst dan geen weergave zijn van die heersende verwarring op het politieke toneel?

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten