Het racisme van de anderen

Kritiek

Eén waarheid
met een levendig en veranderlijk gezicht
Gedachten over Arendt, Lessing en Zweig

Hannah Arendt, Politiek in donkere tijden. Essays over vrijheid en vriendschap. Boom 1999. 221 pp. Geen Prijsvermelding. Ik herlas de dankrede van Hannah Arendt toen ze in 1959 de Lessingprijs mocht ontvangen. 

De recensie van Zweig's roman, Ongeduld, viel nog enigszins mee, de gedachten die de roman oproept, vraagt meer en misschien vooral de vraag hoe we naar Toni Hofmiller kijken: hij aanvaardde de visie van Dokter Condor, de waarheid van Edith en de hulpbehoevendheid van Lajos von Kekesfalva, maar hij vond geen weg uit de doolhof. Hannah Arendt ontving de Lessingprijs van de stad Hamburg en daarom sprak ze op 28 september 1959 een dankrede uit. De omvang van de rede is op zich al wonderlijk in onze tijd, de visie die ze erin te berde bracht niet minder: het gaat om een nadenken over Innere Emigration, over menselijkheid, medelijden, over het levendige en veranderlijke gezicht van de waarheid. Intussen blijkt de realiteit mij weer eens bij te benen, want de discussie over racisme bij het Antwerpse politiekorps mocht dan al een probleem zijn lang voor het nieuwe gemeentebestuur aantrad, het probleem was en is helder: racisme mag niet, maar kan een overheid of een morele waakhond mensen in het emotionele gareel dwingen? Hierover geeft Hannah Arendt in 1959 een interessante rede gehouden, waarbij ze duidelijk maakte dat een Duitser en een Jood in de duistere jaren wel niet konden zeggen: zijn we niet beiden mensen? wel: Duitser en Jood, én vrienden. Het gaat bij Arendt om het volkomen in de wereld zijn en de wereld niet ignoreren.

Lessing was een van de lui die in de 18de eeuw de Aufklärung vorm gaven, lezen we bij Arendt en figureerde Nathan der Weise naar het model van Mozes Mendelsohn die in de 18de eeuw mee de Joodse emancipatie vorm gaf. Het mag duidelijk wezen, de zaak van de ontvoogding van mensen die een ander geloof aanhangen, vormde op zich een boeiend en verbazingwekkend avontuur, waarbij opgemerkt moet worden dat het ook nog eens succesvol is verlopen. De reactie? Daarover gaat het bij Arendt: wat betekent de visie van Lessing, het stuk Nathan der Weise voor een goed begrip van de "Duistere jaren".

Nathan der Weise brengt volgens de filosofe onze aandacht op gang over wat er tussen mensen kan bestaan, met name de wereld. Vriendschap, menselijkheid, medelijden komen bij Lessing aan de orde, maar niet op de wijze waarop we dat doorgaans horen.
We vernemen dat Lessing de waarheid aan de vrijheid wilde opofferen, want als er een algemene en geaccepteerde waarheid is, dan valt het gesprek stil en daar blijkt het bij Lessing en bij Arendt om te gaan. Lessing staat dus niet zo in de Verlichting als men het laatste decennia is gaan poneren: de Verlichting is de gelijkheid van man en vrouw; of: de gelijkheid is de scheiding van kerk en staat en nog: de Verlichting is atheïsme. Dat zijn inzichten waarover de heer Lessing nog wel eens wil discussiëren en dan kan hij dat atheïsme, dat hij tegen een dominee of rabbi nog zou verdedigen, wel afvallen in een gesprek met - waarom niet - Etienne Vermeersch. Lessing was niet wat we vandaag een relativist noemen, of een postmoderne filosoof, al lijken die alweer achter de horizon verdwenen. Maar net dat punt maakt het bijzonder relevant om ons even met deze dankrede van Hannah Arendt in te laten. Want wat Lessing blijkt te bewegen heeft te maken met de vraag hoe we naar de dingen kijken en vandaag lijken we vooral belust te wezen op heldere en onweerlegbare waarheden.

Het debat, aldus reeds Voltaire het voorstelde, moet men wel voeren, eerder dan zomaar te stellen dat iets is zoals het is en niet anders. Want de waarheid behoort, zoals Lessing stelt, alleen God toe, of Allah dan wel Jahweh, maar mensen kunnen hoogstens gelijk hebben, en of menen wel eens gelijk te hebben. Trouwens in deze godsdiensten is het min of meer blasfemisch zich meester te achten van de waarheid, al moeten ze hun verhaal wel zonder voorbehoud doen aan derden, zij die niet geloven. Het blijft voor mij een van de paradoxen die religieus bevlogen mensen altijd weer voor een stevige portie denkwerk zetten, al nemen de meeste graag een ommetje en menen dat als het Evangelie, de Wet of de Koran door God is geschreven, ze wel de goddelijke revelatie in handen hebben en op die manier beschikken ze dan weer over de waarheid, terwijl de anderen dwalen.  

Lessing ging Voltaire niet echt voor, noch het blijkt het omgekeerde het geval, maar beide hadden het inzicht ontwikkeld dat men inderdaad de religie niet teveel terrein hoeft vrij te geven, want dan wordt het oppermachtig en dan wordt het ook gemakkelijk infaam. Maar Arendt gaat verder dan Lessing en legt uit dat we oog moeten hebben waarop we met tolerantie, broederschap en solidariteit omgaan. Zij stelt dat vriendschap in de samenleving in geen geval enige relevantie kan hebben, net omdat vriendschap iets is dat tot de particuliere sfeer behoort en men weet dat zij huiverig was, zelfs obstinaat verzet aantekende tegen de gedachte dat het persoonlijke in de politiek mag getrokken worden. Haar verwijzing naar Rousseau en de wijze waarop de Franse Revolutie de broederschap invulling gaf, geeft aan dat die vorm van broederschap haar niet zint, maar ook Lessing lijkt er geen fiducie in te hebben.

Bekijken we de dankrede van Hannah Arendt, dan leidt ze ons behoedzaam en onverschrokken doorheen een mijnenveld van "idées reçcues", die er vaak voor zorgen dat er in de samenleving wel heel wat overtuigingen stevig geworteld zijn, maar die zelden - ondanks alle geroep om kritische zin - onderzocht worden. De werkelijkheid niet ignoreren is een van de stapstenen die ze bij Lessing opmerkt, dat wil zeggen, zij die menen onomstotelijk gelijk te hebben, ignoreren de werkelijkheid vaak even goed als zij die menen - ut supra - de waarheid in bezit te hebben. De grote waarheden, zo zegt zij verder, zijn al zo vaak aan gruzelementen geslagen, dat de zuilen nog nauwelijks weer op te bouwen en toch doen we dat telkens weer.

Wij hechten aan dat hele stuk aandacht en proberen het te begrijpen omdat we dezer dagen steeds weer te maken hebben met zoiets als racisme, waarbij niet enkel racisme afgewezen wordt, maar waarbij men nogal eens ver gaat in het afgrenzen van wat racisme is en tot slot wie zich eraan schuldig zou maken . Lessing heeft met Nathan der Weise een stuk geleverd dat tragisch is van opbouw, waarin de vriendschap aan bod komt, maar ook uiteraard de verhoudingen tussen mensen van verschillende gezindten, Joden, christen en Moslims, waardoor het stuk dat in de tijd van Saladin speelt, wel degelijk over tolerantie gaat, maar Hannah Arendt is over dat begrip kritisch. Want tolerantie, zo meent zij, kan er evengoed toe leiden dat groepen uit de wereld gehouden worden en op zichzelf plooien. Maar daarbij ontstaat zo een sterke samenhang dat de wereld die alleen kan bestaan tussen mensen, dus als er ruimte is tussen mensen, als die dan ook nog eens hun individualiteit behouden, dat die hechte samenhang alleen bij pariavolkeren kan ontstaan. Maar meteen ontstaat in zo een cultuur, een tegencultuur noemt Arendt het ook, een solidariteit die de beschaving doodt, waarmee op haar leerpunt uitkomen, namelijk dat de beschaving alleen kan bestaan als mensen zelf wegen kunnen gaan en dwalen.

Arendt wordt vandaag veel aangewreven misschien lijkt ze daarin meer op wat Lessing te beurt viel, dan wij ons kunnen voorstellen, want het denken van Arendt kon niet functioneren zonder zich van die inzichten bewust te zijn. De "banaliteit van het kwaad" wrijft men haar nog steeds aan, net als haar visie op het gedrag van Joodse leiders, iets dat anders had gekund: die leiders hadden Joden kunnen aanzetten onder te duiken, niet in te gaan op de bevelen zich naar het station van A'dam of Amersfoort te begeven of zich te melden bij de Dossein-kazerne in Mechelen. Ik denk dat in deze rede uit 1959 duidelijk maakt, dat Arendt goed begrepen had dat hier veel meer in het spel was dan een staatkundig stelsel. Als zij haar eigen positie tegenover haar Joodse identiteit uitspelt en uitlegt hoe het in Duitsland tussen 1933 en 1938 aan toegang, potentieel, in aanleg totaal en totalitair, maar nog niet zover dat dit ook gerealiseerd werd, zien we dat zij het heeft over het opkleven van een identiteit aan derden, zonder dat die zich kunnen verdedigen, maar integendeel weer in het anonieme van het stempel verdwijnen. Echter, zo lezen we, gaat het om het bekende principe dat wie aangevallen wordt zich slechts kan verdedigen in de termen waarin men wordt aangevallen. In heldere tijden zou men kunnen denken dat men er zich niet toe hoeft te laten verleiden, daarop, op die invectieven in te gaan, maar in tijden van mensonterende vervolgingen, ligt dat wat moeilijker of zoals Arendt het schrijft:

"Wie dergelijke identificaties met een vijandige wereld afwijst, 
mag zich   
oneindig superieur voelen aan deze wereld, 
maar het gaat hier om een   superioriteit 
van een min of meer comfortabel ingericht 
koekoeksnest in de wolken."
(p. 171)

Met dit alles staan we dan ook vandaag weer voor de vraag hoe we met iemand omgaan die roept dat er minder Marokanen moeten zijn, dat mensen Negers zijn of andere vormen van identificatie, die de paria's niet willen en die we zelf als samenleving niet aanvaardbaar achten. Arendt verwijst ook naar een versregel van Lessing:

         Jeder sage was ihm Wahrheit dünkt
         und die Warhheit selbst sei Gott empholen

Arendt ziet het bij Lessing, maar een kleine googeloefening brengt ons bij ene Matthias Claudius, maar goed, het komt voor bij Lessing en hij neemt aan dat we moeten betrachten naar wat ons werkelijk en waarheid dunkt moeten spreken, wetende dat we de waarheid zelf maar beter aan God toevertrouwen, dus er niet al te gek veel aanspraak op maken. In meer dan een opzicht zien we bij Martha Nussbaum hetzelfde verhaal opduiken, wat niet vreemd mag heten, want ook zij houdt en hield zich bezig met de tragedie en met de deugdenleer van Grieken en Romeinen.

Ten aanzien van migranten vandaag horen we regelmatig dat wij racistisch zijn, maar dat wij ons daar niet van bewust zouden kunnen zijn, terwijl zij het wel degelijk zo aanvoelen. Het komt mij voor dat in de wandeling mensen elkaar doorgaans anoniem bejegenen, elkaar pas moeizaam of met voorbehoud tegemoet treden en ruimte laten voor een gesprek, waarin de wereld gestalte kan krijgen. Voor de goede orde, de ouden, zeker de Grieken vonden dat vriendschap niets te maken heeft met wat wij eraan toedichten, namelijk de intimiteit waarin we ons durven bloot te geven en onze inzichten kenbaar maken. Voor de Atheners en later de Romeinen was het gesprek cruciaal als scheppende act. In het actuele debat over de ordening van de samenleving tot stand en dus kon men wel degelijk de dingen zeggen zoals men die zag, wetende dat de ander er wel de verdraaiingen van zou zien.

In die zin kan men ook niet voorbij aan een passage in de rede van Arendt waar ze het over zakelijkheid heeft, want die zou menselijkheid in de weg staan. Zij verwijst naar de voor haar zeer Duistere Tijd, het bewind van de Nazi's in Duitsland en grote delen van Europa. Zij wijst erop dat de theorieën waarop zij hun rassenleer grondvestten allerminst Duits waren - bijvoorbeeld Gobineau en de mythe van het Arische ras... - maar ook zeker niet typisch Duits waren. Het punt is, zegt Arendt dat zij er politieke conclusies uit trokken die wel  steek hielden. Dus, de rassenleer, onbewijsbaar overigens en tegen de menselijke natuur, werd politiek zo vertaald dat ze werkbaar waren, maar ten koste uiteraard van menselijkheid. Belangrijk in de redenering die de filosofe opbouwt rond het denken over Lessings ongebondenheid is precies dat deze op die vraag neen antwoordt: kan men een vriendschap opofferen tussen twee mensen omdat een leer, hoe onweerlegbaar ook, het anders stelt. Lessing is immers ongebonden op een voor ons ongemakkelijke manier: hij betrachtte een denken dat noch juridisch, noch moreel, noch religieus gebonden is. Maar zijn benadering is niet subjectief en al helemaal niet op het zelf betrokken.

Aangaande de klachten over racisme is dat in die zin van belang, dat onze instrumenten om identiteiten op te leggen, om mensen er ergens onder te brengen de alerte partijdigheid missen die net Lessing ons nagelaten heeft, waarbij we leren dat de waarheid levendig is en veranderlijk. Men kan met een moslim, jood, christen het gesprek aangaan, zonder het wezen van de onderscheiden religies in het geding te brengen.

Wat we vandaag meemaken stelt ons voor een probleem waar ik nog steeds niet klaar in zie, maar dat maatschappelijk wel van belang is: 1°) als het zo is dat men geen waarheid kan bezitten, hoogstens inzichten ter beschikking heeft die kunnen veranderen omdat er nieuwe informatie komt of omdat de gesprekspartners veranderen, waarom zou men dan, in onze totaal nieuwe samenleving geen middel vinden om mensen als mensen te zien, die zichzelf willen presenteren. Gaat het mis, dan kan men hen daarop wijzen. 2°) Als men vrienden kan hebben die andere wegen bewandelen, zou het dan niet zo zijn, dat men hun die wegen laat volgen, tenzij je weet dat ze zichzelf in gevaar brengen? Ik denk dat de discussie over de Syriëvaarders inderdaad niet als een maatschappelijke kwestie van wet en orde alleen kan gevoerd worden. Deze mensen trekken zich terug in een wereld waar ze geen tegenspraak ontmoeten, hoeven te vrezen, maar waar er ook geen ruimte is om de wereld zelf vorm te geven. 3°) Wat als de geleerde discussie, zoals paus Benedictus die in zijn redevoering te Regensburg aansneed over de vraag hoe we met de Islam omgaan kunnen door in overweging te nemen dat in de Christelijke wereld, rond veertienhonderd, een keizer vaststelde dat overal waar de Islam kwam er oorlog heerste en bloedvergieten kwam, ontaardt in een kakofonie van stemmen, waarbij de enen zich vergenoegden dat de paus ook iets tegen de Islam in te brengen heeft en de ander dat de Paus de Islam fout bejegende, op grond van vooroordeel en derden er zich liefst niet veel van aantrokken, nu eens ertoe zou leiden dat we de leerstelsels, doctrines of de wetten van deze religies gaan zien los van mensen die ze eventueel belijden?

Ik heb niet de indruk dat er in Vlaanderen regelrechte haat leeft, die slag om slinger aan het licht zou komen, al zegt men uit onderzoek te kunnen afleiden dat dit wel zo is. In de publieke ruimte is er doorgaans niet veel reuring als er mensen van alle windstreken afkomstig elkaar hier ontmoeten. In de relatie tussen een potentiële werkgever en een werkzoekende kan dat moeilijker liggen, dat klopt, maar over het algemeen zijn werkgevers, zeker als ze via al dan niet geoutsourcste vormen van HRM werken, niet zomaar bereid die mensen voldoende vertrouwen te geven om hen aan te werven. Men verwijt dat die werkgevers, omdat dit discriminatie zou zijn, want tegelijk wrijft men de werkgever aan behept te zijn met niet te staven vooroordelen, terwijl die meent zorg te dragen voor het welslagen van de onderneming. Nu, als dat nu eens de aard van de mens zou blijken te zijn, dan kan men die werkgevers tot Pasen op een maandag valt blijven aanrekenen dat ze kortzichtig zijn, waarbij men dan wel niet vergeten mag bij zichzelf te rade te gaan. Als het er evenwel op zou neer komen dat als de situatie waarin de sollicitatie verloopt er een zou zijn waarin de werkgever jongeren ontmoet die leergierig stage komen lopen... maar die krijgen geen stageplaatsen, zegt men.

Kortom, we zitten in een discussie waar het gesprek onmogelijk is geworden. De een zegt dat er een verstikkend racisme is, de ander ontkent dit met klem en alles blijft zoals het is. Arendt stipuleerde dat vriendschap politiek niet relevant is, maar maatschappelijk is juist het sluiten, aangaan van vriendschappen, zeker als ze publiek zijn, van groot belang, net omdat ze aan de hand van Lessing aanduidt dat die vriendschap de kern van de inzichten van de ander niet hoeft te raken, aan te raken. Het menselijke was voor de filosoof en dichter, die heel erg kritisch stond tegenover zijn samenleving, maar tegelijk weigerde een vast punt te kiezen van waaruit hij kritiek geven zou, wilde, was dus gelegen in de mogelijkheden tot spreken.

Ik denk niet dat ik de hele dankrede van Hannah Arendt hiermee recht doe, maar ik vindt het wel van belang dat we vandaag, waar we de Ander met invectieven overladen en zelf de al dan niet wetenschappelijke of filosofische waarheid in pacht menen te hebben en ons gelijk, onze opinie als onweerlegbaar maar ook en erger nog als een schild hanteren, waar niemand iets aan kan veranderen, daarom die rede in herinnering te brengen, want zij, de spreekster open hiermee onverwacht een perspectief waar we vandaag vooral blind voor zijn. De waarheid is, aldus nog Arendt, dat wie meent dat de ene tijd meer verlicht is dan de ander, al eens op aanwijzingen kan botsen dat zelfs de "siècle des Lumières" ook wel eens duister bleken. Niet de tijd is verlicht, niet de filosofie van deze of gene is verlicht, maar het vermogen doorheen het denken licht te werpen op de zaak en toch mensen als mensen te blijven zien, niet a priori als dragers van een verderfelijke of gevaarlijke filosofie, kan dat licht versterken. Het is tot slot niet zo dat de waarheid relatief is, wel dat onze inzichten vaak niet meer zijn dan opinies die we uit de mouw schudden, maar niet meer dan dat. Gelijk hebben is de kunst, zegt men, maar Lessing maalde er niet om.

Net omdat Stefan Zweig in zijn roman Ongeduld een onbeholpen jongmens, die naderhand als een held onthaalt en begroet wordt, ten tonele voert, de klaarblijkelijke onmacht van de geneeskunde tegen psychosomatisch onheil aansnijdt en tot slot het onvermogen verhaalt de juiste toon te vinden tegen het zieke, maar levenszieke meisje, dat wil zeggen dat ze al te graag zou leven, maar niet kan, dat alles bracht me tot het herlezen van Arendts redevoering. Het punt is dat Zweig in de roman over de Joodse achtergrond van Laios Kekesfalva zeer laconiek spreekt, maar dat mensen de heer en magnaat aanvaarden omdat hij nu een adellijke titel draagt en von Kekesfalva mag, moet genoemd worden, waardoor het antisemitisme onderhuids aanwezig is, zonder een thema te worden. Er worden gesprekken gevoerd, maar nooit in de betekenis die Lessing of Arendt wenselijk achten: dokter Condor geeft de jongeman raad, zet hem in ter genezing van het meisje, maar wil, kan niet vertellen dat de jongeman haar echt meer moet bieden dan zijn medelijden maar haar maatschappelijk accepteren. Voor hem is het moeilijk, want het leger blijkt een broeihaard van antisemitisme. Ook Wibke Bruns laat zien in het familieboek, Het land van mijn vader, dat haar familie niets over Joden hoefde te zeggen, maar in "de wellevende kringen" van Halberstadt frequenteerde men geen joden. Ons beeld van het antisemitisme projecteren we graag op de verhouding tot nieuwe "metoiken", de immigranten en hun nazaten uit Turkije, Marokko en Algerije, terwijl het antisemitisme andere gronden heeft, die met superioriteit én inferioriteit in hoofde van zowel joodse mensen als antisemitisme leefden en nog leven.

In dat opzicht kan men Zweig in de traditie van Lessing plaatsen, zij het in een andere tijd, waar men de emancipatie en het maatschappelijk succes van Joden lijkt te betreuren en onwenselijk acht. Het racisme in Europa, ook in Vlaanderen heeft dan ook apert andere wortels en een andere voedingsbodem dan bijvoorbeeld in de VSA of het Zuid-Afrika voor Mandela president werd. Zoals Martha Nussbaum schreef, is het van belang niet enkel in een intellectueel discours het racisme te bestrijden en/of de nieuwe samenleving te benaderen en vorm te geven, maar te aanvaarden dat de samenleving veranderde en daarin dienen ook intellectuelen welbevinden mogelijk te maken. Of nog: racisme aanklagen moet men zeker niet nalaten als er reden toe is, maar men moet zich daarom nog niet in een min of meer comfortabel koekoeksnest in de wolken wanen.  

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten