Verandering van politiek personeel

Kritiek

Democratie, volonté générale en het persoonlijke


David Cameron verzet zich tegen de benoeming
van JC Juncker tot voorzitter van de Commissie
en in de Britse pers wordt een nogal ranzige
campagne gevoerd tegen de man, ad hominem.
Wil Cameron zijn anti-Europese achterban
behagen of gaat de pers vanzelf wel te keer
omdat het Brite volk nu eenmaal niets moet
hebben van continentale politici? Algemene
volkwil dus: Blijf Brits, Hollands, Frans... tot
China ons komt vertellen dat we niet veel
meer te vertellen hebben. De volkswil zegt
dat er minder Europa nodig is omdat
politici hen dat voor hebben gezegd. Maar ik
ben benieuwd naar dat referendum. 
Jean-Claude Juncker? Een zuipschuit, een nitwit uit een onbeduidend lidstaatje, een man die al jaren boven zijn intellectuele niveau politieke boksmatchen heeft gevochten. Maar David Cameron, die zelf meent dat hij en zijn gelijken al te elitair gerekruteerd worden, zodat men zich wel vragen kan stellen over hun interesse voor wat "gewone" mensen aanbelangt en bezig houdt. En ja, ook hier te lande hebben we zo onze problemen, onder meer met een politicus die zomaar de politieke erfenis van zijn vader kon claimen en nu vijf jaar in de net niet afgeschafte senaat zal vegeteren, maar alleen al de titel van senator zal hem een aureool van voornaamheid geven, terwijl zijn gedachten misschien niet zo eerbiedwaardig mogen heten. Enfin, aan de vox populi zal het niet liggen.

Democratie heet het, vormt de beste manier om het algemeen belang te formuleren maar of dat meer oplevert dan grondstromen, valt nog te bezien. De "Volonté générale"? Het is een notie die we vooral kennen van Jean-Jacques Rousseau, maar die men bezwaarlijk zomaar als de uitdrukking van de democratie kan vertalen. Bovendien geldt voor de articulatie van de "volonté générale" nu net dat de meerderheid het haalt, ook al zouden de argumenten van een minderheid beter uitpakken. De kwestie is urgent omdat de politieke besluitvorming, zelfs op gemeentelijk niveau vaak overkomt als een bizarre mengeling van toverkunst en verleiding, waarbij de redelijke argumentatie vaak achterwege blijft. Bovendien zorgt de vierde macht niet steeds noch met voldoende aandacht voor een gedegen afweging van de standpunten.

Nog eens moeten we daarom de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in België, Vlaanderen in herinnering brengen, waar politici leuke dingen voor de mensen beloofden, maar, moet gezegd, niet keken naar de prijskaartjes. Twee jaar later proberen de colleges van Burgemeesters en Schepenen, (burgemeesters en Wethouders, waarbij het woord schepen echt bewust verwees naar de zo geprezen autonomie van de steden, zij het niet altijd geheel correct begrepen) met alle middelen het dreigende bankroet af te wenden. De afvalophaling aan huis en de inrichting van een milieupark, tegen betaling van een afvaltaks loopt in sommige gemeenten in het honderd, omdat de gemeenten de inkomsten uit het milieupark maximaliseren, maar de burgers blijken dat niet te pikken. Ook als het om het bouwkundig patrimonium gaat, monumenten en landschappen gaat, probeert men er een slaatje uit te slaan. Mag een mens zich afvragen of dat niet de hele heisa rond WO I gewoon ridiculiseert, waarbij te vrezen valt dat de vermoeidheid over die oorlog stilaan zal toeslaan, zelfs in verre buitenlanden. Men stelt vooral een gebrek aan maatvoering vast bij de gemeenten, omdat ze blind gebleven zijn voor de gevolgen op langere termijn van leuke beslissingen voor de mensen.

Schoolzwemmen? De gemeente vraagt plots een veelvoud van de oorspronkelijke bijdrage, voor het busvervoer van de kindjes, want de kas is leeg. Zelfs de zwembaden moeten er in sommige gemeenten aan geloven, want uiteraard kan zelfs het onderhoud van het gemeentelijke zwembad hoog oplopen en aangezien nogal wat van die voorzieningen dateren uit de jaren van hoogconjunctuur, die voor de gemeenten iets langer duurden dan voor de burgers en dus nu vaak veertig jaar of ouder zijn, lijkt renovatie niet meer de meest geschikte oplossing, omdat men nu energievriendelijker zwembaden kan bouwen. Alleen, de kost gaat de baat vooruit en een gemeente of kleinere stad kan dat niet zomaar opbrengen.

Ook als het om cultuur ging hebben onze steden en gemeenten behoorlijk verdienstelijk werk geleverd en was de toegang lange jaren open voor kinderen uit alle maatschappelijke geledingen. Maar op zeker ogenblik begonnen politici te geloven dat de heer Bourdieu gelijk had met zijn onderzoek uit 1964 dat die investering alleen  de middenklasse bereiken zou. De maatregelen die men vervolgens nam, hadden tot gevolg dat deze voorziening steeds selectiever mensen rekruteerde: in naam van de democratische toegankelijkheid. Het blijft merkwaardig, denk ik, te moeten vaststellen dat men politieke besluitvorming graag ideologisch en tegelijk wetenschappelijk wil funderen maar geen oog heeft voor de mogelijke ongewenste neveneffecten. Paul Frissen heeft dat in zijn studie "De Fatale Staat" omstandig uitgewerkt, maar voor de brede media was noch is dit een punt van reflectie. Niettemin, na een politieke vergadering, van een partij, van een gemeenteraad of van een parlement kan men wel eens horen oreren dat waar gehakt wordt spaanders vallen en dus, wanneer een gremium de knoop heeft doorgehakt dat men met de gevolgen moet leren leven, ook de minder aangename. Op die manier komt tegelijk aan het licht dat politieke besluitvorming voor politici niet veel anders dan de boksring waar ze elkaar k.o. kunnen meppen, zonder zich met de gevolgen in te laten. Politiek bedrijven evenwel is geen spel, maar zou vooral een zaak moeten wezen van omzichtigheid én van besluitvaardigheid. Mocht het ene het andere uitsluiten, dan zou men zich ernstig vragen moeten stellen over de mogelijkheid van gepast beleid, dat niet ten koste gaat van mensen.

Overigens, dat laatste zal de politicus ten allen prijze vermijden, zegt men mij steevast, want politici zijn angsthazen als het erop aan komt de goegemeente te treiteren of mensen voor problemen te stellen. Directe schade zal men niet toebrengen, indirect kan men deze of gene wel kansen ontnemen of geen kansen aanreiken, zonder dat dit terug te voeren valt tot een of ander politiek besluit, waarbij men wijselijk de ambtelijke molen over het hoofd ziet.

 Hebben we ons tot nu enkel bezig gehouden met lokaal bestuur, dan ligt het voor de hand dat we ons niet aan vragen kunnen onttrekken over het beleid op andere beleidsniveaus. Moeten we de provincie in rekening brengen? Misschien niet, want de provinciale overheid voert op een aantal domeinen wel degelijk beleid, maar vaak gaat het om het beheer van natuurgebieden, musea en nog enkele zaken meer, maar de vraag of de provincie een blijvertje moet zijn, krijgt in de politiek maar geen gedegen antwoord. Een andere organisatie van intermediair bestuur dringt zich op, maar dat gemeenten voor veel meer zaken zullen moeten samenwerken, ligt voor de hand, alleen is dan de vraag welke taken die gemeenten dienen te krijgen.

Maar goed, democratie op het niveau van een natie vergt staatsinstellingen want het is dus niet zomaar mogelijk het omgekeerde te beweren, al is het historisch wel zo dat de natievorming ook maar mogelijk is gebleken nadat er instellingen tot stand kwamen. John Lukacs meent dat de korte Twintigste eeuw laat zien dat de natie veel sterker is gebleken dan de staten, alvast in Europa, omdat de natie hoe dan ook "verteld" kan worden, terwijl de staat zich articuleert in wetgeving en handhaving van die wetten. Meteen denk ik dat we moeten vaststellen dat natievorming weliswaar in de negentiende eeuw een liberale invulling heeft gekregen, terwijl de staat steeds bureaucratischer werd en steeds meer, in functie van ideologische evoluties en technische mogelijkheden een ambtenarenstaat werd.

Nu zou men kunnen stellen dat de ambtenarenstaten als een invectief moet gelden, maar het blijft evenwel moeilijk uit te leggen dat van de twaalfde eeuw af vorsten er zich bewust van werden dat ze zich van goede adviseurs en uitvoerders dienden te voorzien om de zaak, dat wil zeggen hun wensen uitgevoerd te zien. De raadgevers zelf zocht ook weer medewerkers die aan hen verantwoording verschuldigd werden en zo ontstond een begin van een staatsapparaat. Naarmate de stedelijke elites hun plaats opeisten in de staat, zou die staat complexer worden en dat versterkte zich nog eens toen steeds meer mensen een behoorlijk leven kregen en zich gingen moeien met zaken die hun persoonlijke belang oversteeg. Hoewel we vandaag vaak de indruk krijgen, als men over de middeleeuwen en de moderne tijd wil spreken macht én staat synoniem zouden zijn voor vorstelijke almacht en willekeur, kan eenieder die ook maar een beetje ingevoerd is in de samenlevingen voor de 19de eeuw dat bestuur al lang aan de willekeur van de ene vorst ontsnapt was. Zelfs ten tijde van het vorstelijk absolutisme, waarvan Filips II van Spanje een voorbeeld is, maar meer nog ten tijde van de Franse koningen Louis XIII en vooral Louis XIV werd hun macht pas duidelijk dankzij hun naaste adviseurs, al letten die vorsten zelf zeer nauwlettend op de winkel. Maar terwijl Louis XIV ons fascineert omwille van zijn titanische kracht bij de uitoefening van zijn macht, spreken we zelden over de gebeurtenissen in het Engeland van Elisabeth en nog minder van haar opvolgers. Oliver Cromwell en uiteindelijk Willem III, de koning-Stadhouder. Ook voor de Republiek der Verenigde provinciën hebben we vooral oog omwille van de culturele uitstraling van de Gouden eeuw, het paleis op de Dam, Rembrandt en Vermeer. De samenleving zelf en de werking van de instituties interesseert ons al veel minder. Oh ja, men heeft het wel eens, denigrerend, over de regenten en dat zegt men met nog grotere wrangheid over de 18de eeuw. De regenten, dat staat voor stagnatie, gebrek aan inzicht en een tekort aan burgerlijke vrijheden. Dat de voordelen van de regentensamenleving zo rond  1650 voor de betrokkenen ver boven een poging een vorstelijk regime te verkiezen viel en toen dus Willem II probeerde de Staten van Holland en vooral Amsterdam met geweld naar zijn hand te zetten, doch ongelukkig genoeg stierf, begon het tijdperk van Johan de Witt en van de regenten die een voor die tijd bijna uniek bestel uitvaardigden. Niet helemaal uniek, want ook Venetië kende een republikeins bestuur maar ook dat was behoorlijk elitair. We zouden dan ook kunnen gewagen van een paternalistisch burgerlijk bestuur, waarbij geldt dat wie niet tot de vroedschap behoort niet veel te bassen heeft. Luc Panhuyzen beschrijft hoe de regenten in Dordrecht en elders van tijd tot tijd met opstanden van "het grauw" af te rekenen hebben en er zich naar best vermogen tegen beschermen, maar dat weerspiegelt zich niet per se in hun bestuursdaden.

De democratie van de late 19de eeuw en de twintigste eeuw verschilt daarvan op het oog omdat het democratie gaat vertalen als de macht van de meerderheid, wat een vertaling zou moeten heten van de volonté générale. Wie de helft van de stemmen plus 1 haalt, heeft het voor het zeggen, al mag duidelijk zijn dat die macht ook altijd weer maar tijdelijk verschaft wordt. Het gevolg is wel dat politici aangewezen zijn op het verwerven van de volksgunst. John Lukacs laat zien dat dit aan het einde van de 20ste eeuw en sindsdien niet verbeterd is, dat dit meerderheidsdenker tot politieke machteloosheid leidt. De volonté générale sluit in wezen besluitvaardigheid uit of verhindert dat goed beleid uitgerold kan worden.

Meer nog, de wakkere burger werd plots een autonoom handelend figuur, vooralsnog meestal om beslissingen die door assemblees en bestuurders worden genomen, terug te draaien, maar ook om initiatieven van andere burgers, bedrijven die willen uitbreiden of domweg investeren, tegen te houden. Speelpleinwerking? Niet in mijn achtertuin. Natuurlijk krijsen kinderen de hele tijd, roepen ze voortdurend van alles en aan het eind van de dag is men murw geslagen, dus dat speelplein moet maar verhuizen. Vliegtuigen bezorgen overlast, maar niet als ik mij per vliegtuig naar andere oorden begeef. Fijn stof? Mag niet, enfin, ik zal er het rijden niet voor staken. Hout in de open haard? Mag niet meer want experten hebben vastgesteld dat dit voor fijn stof zorgt. Nergens is er een begin van de debat welke rechten de wakkere burger kan claimen en waar die niet zozeer de overmacht maar wel het algemeen belang moet erkennen, mits de aperte schade vergoed wordt.

Alleen is het zo dat die wakkere burger zelden actief zal blijken in algemene debatten, doch altijd punctueel optreedt, want die belangen kan men duidelijk omschrijven. Als dan blijkt dat politici om allerlei redenen zelf hun eigen inzichten de rug toekeren, ontstaat politieke besluiteloosheid en blijven problemen aanslepen. Maar het moeilijkste blijkt het als de overheid besluitvorming ontwikkeld, bijgestaan door experten, maar niet gedragen door ervaringsdeskundigen, zoals in het onderwijs blijkt. Experten ontzeggen vaak zelfs leerkrachten en recalcitrante directeuren van scholen het recht om hun opvattingen van kritische kanttekeningen te voorzien. Nu, die experten adviseren de overheid, politici in de wetgevende en de uitvoerende instituties, maar het is niet zo dat zij beleid kunnen maken. De hervormingen die men wil? Sommigen willen hun onderwijs nog meer richten op de idee van Rousseau dat je kinderen de indruk moet geven dat ze het zelf mogen ontdekken, anderen vinden, op goede gronden, dat je nooit ver zal komen als je niet een stevige basis onder de knie krijgt, van wiskunde, wetenschappen maar ook talen.

Merkwaardig is namelijk dat we tegelijk verwachten dat iedereen op de arbeidsmarkt kan komen, kant en klaar, zonder voorverwarmen. Een mens is, zelfs al zou men de psychische enhancement zo ver drijven dat we mensen kunnen programmeren onvoorspelbaar en men loopt dus het risico dat iemand toch eenmaal tot het inzicht komen kan dat het systeem van verbetering niet deugt. Enhancement betekent verbeteren, maar de vraag is of en hoe we die verbetering willen invullen: gezond leven, niet roken, niet drinken, geen foute grappen vertellen, geen fouten maken, anderen niet irriteren, kortom geen foute verwachtingen koesteren. De "volonté Générale"? Laten we elkaar niet voor de gek houden en erkennen dat we ons wel eens als een Stirner voelen, die de menselijkheid van de andere niet meer erkennen kan, maar tegelijk beseffen we dat het leven behoorlijk eenzaam zou uitpakken mochten we echt zo gaan leven. De verwachting dat anderen volledig en altijd aan onze wensen en wij dus aan de wensen van derden zouden beantwoorden, kan men dus niet legitimeren.

We geloven nog steeds en doen we nog steeds geloven dat we elkaar vrijheid gunnen en de ruimte om te dwalen. In NRC schrijft Marian Donner dat de kunst te clean is geworden, maar laten we wel wezen, toen Ramses Shaffy stierf in de relatief gezegende ouderdom van 71 jaar na een zonder meer ruig leven, waren er mensen die vonden dat de man geen groot mens kon zijn, want een zuipschuit en wat nog al niet meer, maar hij was wel een van de zangers die ons met het Nederlandse lied konden verzoenen. Maar goed, we willen clean zijn, zuiver, gewassen met hysop en vooral anderen moeten dat zijn, om de sociale zekerheid en het openbare orde niet onder druk te zetten.

De volonté générale vandaag vertolkt dit evenwel niet, wel is het de articulatie van inzichten in wat op wetenschappelijke gronden goed, rationeel zou zijn. Men kiest voor gezondheid als morele dwang, men wil mensen aan het werk, ook al is er niet voor iedereen meer werk en men wil voor met rust gelaten worden, zonder dat we vergeten te netwerken natuurlijk, maar onwelkome verrassingen, c.q. het volle leven en het onbestendige willen we niet meer. Mensen dromen voor zichzelf nog wel van allerlei esbattementen, seksuele en andere, maar het kost best geen moeite en geen gezeur. En de samenleving, die moet ook maar perfect wezen.

Links meent dat iedereen wil dat er gelijkheid wezen zou, volkomen en anonieme gelijkheid, terwijl er veel voor te zeggen valt dat mensen nu eenmaal verschillen. Het is ook maar de vraag of het werkelijk goed is dat we allemaal in hetzelfde procrustesbed gelijk gemaakt zouden worden, want we zouden onszelf veel geluk, maar ook veel leven ontzeggen. En bovendien, politiek zou die gelijkheid ontaarden in een vorm van technocratisch totalitarisme en zoals het zich nu laat aanzien, zijn er maar weinig mensen die daar bezwaar tegen aantekenen. Een mens die niet gezegend door talent of schoonheid in deze wereld wordt geworpen, zeggen mensen in de kunstgallerij vol afschuw kan onder ons niet zijn, maar vijf uur later zullen ze een manifestatie bijwonen om te pleiten voor inclusief onderwijs. Laten toch eindelijk weer eens de charme van de paradox en meer nog van de inconsistentie van het leven toe, vooral voor onszelf.

Overigens heeft het verkiezen van democratie maar weinig zin als men blijft geloven dat mensen zich steeds meer aan dezelfde normen moeten houden, die, naar men zegt niet moreel maar wetenschappelijk gefundeerd zouden zijn en met alle technologische middelen ook gehandhaafd zullen worden. Zeker is dan ook, denk ik, dat we onszelf op die grond steeds meer regels opleggen, maar tegelijk dat we geloven dat die wetenschap ons altijd betere levensomstandigheden zou schenken. Maar niet enkel de gelijkheid is aan de orde, ook de veiligheid en de noodtoestand die men daar in het leven heeft geroepen, moet ons zorgen baren. Iedereen is potentieel een gevaar op de weg, kan niet rijden, kent de verkeersregels niet en lapt die ook nog eens aan zijn laars. Dat valt dan toch haast dag na dag te vernemen van het Belgisch instituut voor Verkeersveiligheid, maar ook automobilistenorganisaties willen ons doen geloven dat ons verkeersgedrag niet door de beugel kan. Te vrezen valt dat ze de waarheid niet geheel verdraaien, maar vooral een aantal zaken overdrijven. Als iemand stomdronken in de auto stapt en nog eens rijdende een sms intikt, dan kan het gebeuren dat hij een jonge moeder met kinderen doodrijdt en voor het leven onherstelbaar verwondt. En dan moet men niet alle autobestuurders aanpakken maar die persoon zelf voor de verantwoordelijkheid plaatsen. De veiligheidsobsessie is geïnstitutionaliseerd omdat het tot de volonté générale zou horen dat ongelukken in het verkeer, of meer nog, in het eethuis mag ons ook niets overkomen... nergens eindelijk. Maar wat mogen we dan verwachten indien we zelf in de fout gaan?

We hebben dit stuk over "la volonté générale" aangevat omdat we de stellige indruk hebben dat we ons leven en dat van anderen steeds weer en steeds meer overladen met regels en eisen, opdat er niets fout zou gaan. Het leven, zoals Paul Frissen stelt, verdraagt die veiligheidsmachine niet. Maar ook het publieke welzijn en het persoonlijke welbevinden kunnen die dwang niet verdragen. Diversiteit en variatie maken deel uit van de samenleving, van onze cultuur, maar we zijn vergeten wat tolerantie en lankmoedigheid inhouden. Politieke partijen moeten evenwel leveren: steeds meer veiligheid, geen racisme noch discriminatie, zelfontplooiing maar geen overlast en nog zo wat van die tegenstrijdige verwachtingen meer. Het debat zal dus niet moeten gaan over de volonté générale, want die kan men niet formuleren, laat staan articuleren. Mocht men deze paradox willen afwijzen, dan kan men zich toch wel overtuigen van de moeilijkheid om steevast en altijd weer te formuleren wat het volk wil, mocht het al bestaan. Want dat het volk, begrepen als een homogene masse gelijkgestemde individuen, een fictie is, zal nu toch wel duidelijk zijn, maar toch kan het volk als natie begrepen op een aantal momenten een grote gemeenschappelijke gedachte gestalte geven. Maar het is evenwel niet nodig dat iedereen volkomen instemt, wel dat we kunnen begrijpen dat overheden zaken ondernemen of steunen die niet geheel onze goedkeuring wegdragen. Echter, als de overheid voortdurend in haar voornemens belemmert wordt, zou dat wel eens het samenleven in ongerede kunnen brengen.

Beweren tot slot dat de volonté générale niet kan bestaan, lijkt me dan weer een stap te ver, want we hebben, doorheen honderden jaren politieke en juridische cultuurontwikkeling gezien dat gebruik van geweld werd afgewezen. We kunnen niet aannemelijk maken dat we nu plots zouden aanvaarden dat messentrekkers de publieke ruimte onveilig maken of dat een burgermeester het een bagatelle, een fait divers noemt, als mensen gewapend met AK 47's door de stad racen met gestolen bolides. Maar dat is een evidente afwijzing van de eigen verantwoordelijkheid vanwege die burgemeester, die overigens wel graag verkeersboetes int bij brave huisvaders en -moeders.

Democratie is dus maar nodig om de onbestendigheid van de omstandigheden op te vangen en onze visie op een ernstige manier met elkaar te confronteren en ook omdat niemand ten allen tijde zonder meer de algemene volkswil kan lezen, zonder leesfouten. En tot slot, maar dat heeft slechts gedeeltelijk met die algemene volkswil te maken, moet men zich afvragen of onafgebroken bestuursdeelname door dezelfde groepen wel zo wenselijk is. Burgers weten dat ook, want in discussies hoort men vaak dit argument: veranderen van partij om de plakkers aan het pluche wakker te houden, want de arrogantie van de macht drukt zich ook uit in de gedachte dat die politici die aan het pluche verkleefd en verknocht zijn licht paternalisme uit de hoek komen en komen we toch weer bij de volonté générale uit.  

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten