(Geen) leuke dingen voor de mensen

Dezer Dagen

De overheid in last
over belastingen en uitgaven

Brugge site Oud Sint-Jan
Wie had kunnen denken dat rectoren van de overheid te horen zouden krijgen dat ze het met minder zouden moeten doen? Dat gemeenten hun budgettaire noden niet meer zouden kunnen voldoen? Maar ook dat de integratie van de EU als markt voor sommige landen beter zou uitpakken dan voor andere? Maar tot slot is er die andere vraag: kan de overheid buiten en boven de burgers besluitvorming opleggen? De technocratische ambitie en bureaucratische aanpak botst op de uitgesproken desiderata van burgers. Nog eens, het gaat om meer dan om een bestuurspraktijk, maar om wat filosofen als Martha Nussbaum aan de orde hebben gesteld: betrokkenheid, emoties in de politiek.

Het bestuur van de gemeente, maar ook van Vlaanderen, Europa heeft voor burgers belang, maar al lijkt dit een open deur intrappen, de kwestie is toch dat die deur vaak min of meer verhuld achter een fraai wandtapijt van beloften en plannen verborgen blijkt. De kwestie is immers dat veel van wat ooit werd ingesteld als goede praktijk, na verloop van tijd haar eigen dynamiek krijgt en soms anders uitpakt dan gewenst. Daarom is het goed de discussie van de financiering van het hoger onderwijs en vooral de universiteiten te bekijken. Een kleine excursus in de actualiteit is hier ook aan de orde, maar finaal gaat het over de vraag wat betekent toegankelijkheid en democratisering van de universiteit en het hoger onderwijs. Bij uitbreiding zal het over burgerschap moeten gaan.

Het stuk van Reynebeau over het kanongebulder van augustus 1914 van dinsdag 30 juli gaat over hoe België een land was van grote industriële productie en lage lonen. Ook zou de regeling van de arbeid nog altijd te wensen hebben overgelaten, al was bij de concessie voor de uitbating van de mijnen in Limburg na 1908 bedongen dat de mijnwerkers een 8-urenwerkdag zouden krijgen. Het debat over het lager onderwijs en de leerplicht tot 14 jaar, die er in 1914 kwam, had zwaar te lijden onder het opvallende conflict tussen enerzijds conservatieve katholieken, genre Charles Woeste en vooruitstrevende fracties, die vonden dat de ouders hun kinderen naar school moesten kunnen sturen. Men vergeet dat de steden al voor 1914 niet-betalende scholen in hadden gericht. De vraag naar onderwijs was er, maar dat neemt Reynebeau niet mee. Evenmin zal het hem interesseren dat er tussen de toplui van Solvay en Cockerill, Tessenderlo ook, en het zogenaamde werkvolk een middengroep bestond, onder meer van meestergasten, bedienden en onderwijzers, maar we weten dat voor Reynebeau de middenklasse verwaarloosbaar is: wie zich laat meeslepen door het proces van embourgeoisement is geen proletariër meer, maar nutteloos en maatschappelijk irrelevant. Vandaar ook dat Reynebeau alleen de echte elite enige aandacht waard acht. Van democratische ingesteldheid gesproken.

Nu, de democratisering van het onderwijs dateert niet van de periode na Mei'68, maar werd gedragen door burgerjongens en dito meisjes die al aan het studeren waren, de eigenlijke studietijd al min of meer achter de rug hadden. Burgerlijker dan Mei '68 kon je het niet hebben. Maar zoals gezegd, de middenklasse ging studeren, zoals de broer van Alfons de Ridder -aka Willem Elschot -, die arts werd, beide zonen van een bakker op de Keyzerlei, toe die as nog maar pas tot leven kwam. Maar ook boerenkinderen gingen studeren, met beurzen. De kerk en vrijzinnigen streden hun oorlog om de ziel van het kind met gevoelige resultaten van die kinderen, want zij werden bekwaam zelf keuzes te maken.

Toen de regering op zeker moment het inschrijvingsgeld wilde verhogen tot 10.000 BEF, was het kot gewoon te klein voor de studentenvertegenwoordigers, want dat zou het einde betekenen van de democratische toegang tot de universiteit. Vandaag blijkt men 600 € inschrijvingsgeld te betalen, zowat 24.000 oude Frank, al is de omrekening niet helemaal te rechtvaardigen, omdat de koopkracht toenam, maar ook omdat aan de ene kant het artsenexamen werd ingevoerd en anderzijds iedereen met een diploma secundair onderwijs moet worden aanvaard. Dat men kan overwegen dat niet alle afstudeerrichtingen van het secundair gericht zijn op verder studeren aan de hogeschool of universiteit, lijkt dan niet mee te spelen. De optie om de schotten tussen richtingen op te heffen in naam van de rechtvaardigheid, daar hebben we het al uit ten treure over gehad, maar dat men de richting BSO beter kan afstemmen op leerlingen die via praktijkonderwijs een grotere kans op een succesverhaal kunnen beleven, terwijl er anderzijds leerlingen zijn die via een stevige taalopleiding of wiskunde en wetenschappen hun gading kunnen vinden. De universiteit, waar men nu ook bezig is het discours te ontwikkelen dat studenten moeten slagen, dat falen niet rechtvaardig mag heten, kan pas echt iets betekenen voor studenten wanneer die studenten ook bereid zijn om een studie ernstig te nemen. Pedagogisch comfort? Mag, maar als cursussen goed gedoceerd worden, studenten kunnen enthousiasmeren, dan kan het universitaire beleven voor die studenten echt wel iets meebrengen. Mag dan niet elke inschrijving leiden tot een succesverhaal? Wie zal het tegendeel beweren, want dat is toch niet rechtvaardig? Maar anderzijds, wie studeert, die het inschrijvinggeld betaalt, die engageert zich en als de universiteiten studenten bij het handje moeten houden, dan verliest men veel energie, die niet in behoorlijke adstructie van studiestof gestoken kan worden.

En toch gaat het nu dus werken aan de ondersteuning van studenten, want het kan toch ook niet dat men de indruk wekt dat studenten het niet zelf oppakken? Het inschrijvingsgeld voor studenten die slagen zou dus in het tweede en derde jaar... maar men heeft het jaarsysteem afgebouwd, omdat het niet relevant zou zijn, maar niemand kan beweren dat er geen logische opbouw zou zitten in de opbouw: eerst diepgravende inleidingen, het instrumentarium van een studierichting leren kennen en in de vingers krijgen en dan vervolgens steeds verder doordringen om geleidelijk vertrouwd te raken met de staat van kennis in een studierichting, een onderzoeksdomein om vervolgens door middel van een scriptie te demonstreren dat men het vakgebied afdoende beheerst om er echt zelfstandig mee om te gaan. Het moet natuurlijk wel onderkend worden dat sommige vakgebieden zeer gespecialiseerd zijn geworden en soms een heel specifiek domein van kennis onderzoeken. Op zich hoeft dat geen probleem te wezen, maar het blijkt vandaag wel zo te zijn dat men, om het aantal leerstoelen te kunnen uitbreiden en om in een internationale context een respectabele plaats te verwerven vakgebieden is gaan opdelen tot zeer onderscheiden maar tegelijk nauw verwante gebieden. Dat de overheid betrokken is bij de instelling van nieuwe leerstoelen, als subsidiërende overheid ligt ook voor de hand, maar het kan ertoe leiden dat de specifieke verwachtingen van universiteiten op die manier in een carcan gestopt worden. De overheid zorgt voor de erkenning van wettelijke graden, de universiteit voor de wetenschappelijke graden, maar tegelijk merkt men dat de universiteiten en een aantal faculteiten in het bijzonder niet voldoende docenten kon aanstellen in vergelijking met de groei van het aantal studenten, zodat de mensen die er nu zijn vaak te zeer benomen zijn door lesopdrachten en door administratieve eisen. Het onderzoek gaat verloren.

Er kan dus gesproken van misgroei in het universitaire systeem waar men niet direct antwoorden op heeft omdat men vergeten is, denk ik, dat onderzoek niet op afroep tot stand komt, maar, zoals blijkt uit de discussies rond de vermindering van middelen door de overheid, zal men zich moeten afvragen hoe men de opdrachten, onderzoek en onderwijs met elkaar kan blijven verzoenen. Prof. dr. ir. André Oosterlinck heeft enige tijd geleden voorgesteld de inschrijvingsgelden voor beroepsgerichte richtingen, toegepaste wetenschappen voorop, te verlagen en die voor naar zijn oordeel irrelevante richtingen zoals geschiedenis of klassieke literatuur, filosofie ook te verhogen. Maar misschien zou men dan wel moeten oordelen dat politieke en sociale wetenschappen, rechten of psychologie, in de mate dat de instroom te groot is, met hogere inschrijvingsgelden bedacht moeten worden. Daarom denk ik dat men de studiekost voor wie hard studeert en goede resultaten haalt in het tweede en derde jaar verlaagd zou kunnen worden, zodat zij die op koers zijn niet meer kosten aan de samenleving, de ouders en de universiteit en zij die achterop raken zouden wel degelijk de meerkost niet recupereren. Nu weten we dat het in bepaalde richtingen zo is dat studenten 2 tot 3 jaar meer afleggen dan verwacht wordt, waardoor het kostenplaatje gaat oplopen; tegelijk lijkt het voor studenten die een Master na Master willen volgen kostelijker dan vroeger... En dat is wellicht ook niet zomaar te rechtvaardigen. Het hangt er natuurlijk maar van af of die ManaMa aansluit, verbreedt dan wel volslagen los staat van de oorspronkelijke opleiding.

De kwestie van het inschrijvingsgeld aan de universiteit weegt op het debat, maar mag niet verhinderen dat men andere consideraties ook ter harte neemt: de administratieve lasten voor docenten, de kwaliteitscontrole die een grote verantwoordingsplicht oplegt, waardoor er ook weer geld en tijd verloren wordt. Zouden studenten niet beter af zijn met professoren die gewoon konden doceren? Maar dan moeten we vaststellen dat een wetenschapper als Heike Kamerlingh Onnes wel degelijk bezig was met de praktische en bestuurlijke aspecten zijn laboratoria, iets wat ook van Marcel Minnaert kan gezegd worden. In de tijd toen de universiteit vaak een plaats bleek voor pioniers, konden professoren niet anders dan zich ter wille van hun plannen diep inlaten met het management van hun laboratorium.

De overheid kan evenwel niet anders dan het onderzoek aan universiteiten ondersteunen en bovendien moet men niet doen alsof universiteiten niet al langer op fondsen van sponsors en van mecenassen kunnen rekenen, wel integendeel. Een deel van de kost van de studenten wordt overigens veroorzaakt door.. de nood aan grotere leslokalen, auditoria en seminaries of hoe men vaklokalen ook noemen wil. De democratisering bracht baten en lasten dat zal men dus moeten bekijken. Maar de overheid dient erover te waken dat (goede) kandidaten voor hoger onderwijs de kansen krijgen en voldoende gemotiveerd worden, zowel in het S.O als aan de universiteit zelf. Of liever, de universiteit moet studeren aanmoedigen en ook in het S.O. kan een zekere motivatie niet ontbreken. Het lijkt er soms op dat men hier alle studenten over dezelfde kam wil scheren, alsof het ook zo is dat wie niet wil studeren dat echt moet doen, tegen heug en meug. De bittere werkelijkheid is dat ouders en overheid, de samenleving liever iemand zien falen in de studie aan de hogeschool dan hem of haar de kans te geven succes te vinden in een nederig beroep.

Maar er is meer aan de hand, wat tegelijk met de discussie over de financiering van het hoger onderwijs komt er iets anders op de proppen: de voortdurende uitbreiding van woongebieden, zodat de bebouwde oppervlakte snel toeneemt en de publieke open ruimte stelselmatig in de verdrukking komt. De bouw van windmolens voor elektriciteit? De aanleg van zuiveringsbekkens voor afvalwater? De bouw van bedrijven voor werkgelegenheid, enfin, om zinvolle activiteiten op te zetten die ook nog eens werkgelegenheid opleveren? Alles botst op negatieve oordelen en overheid kan per slot van rekening nergens meer gunningen afleveren voor noodzakelijke infrastructuur etc. omdat het land vol is. Het blijkt ook allemaal relatief te zijn, want toen de gewestplannen opgesteld worden, is er wel een en ander mis gegaan. Vandaag kan men klagen over de verrommeling van het landschap, het is wel allemaal gepasseerd doorheen administratieve molens. Als rond een bedrijf, ingeplant in een open gebied, dertig, veertig jaar later een hele woonwijk is gegroeid, dan moet dat bedrijven een andere locatie zoeken of sluiten. Men kan zich afvragen of dit redelijk mag heten en toch, blijkbaar vinden we dat maar normaal. En zo zien we dat iedereen van autowegen gebruik wil maken, voor het werk, voor de fun, voor reizen of familiebezoeken en tegelijk, als die onvoldoende blijken, verzadigd blijken gedurende vele uren van de dag, dan nog weigert men een vervelende oplossing te aanvaarden: een verbreding van de weg of misschien zelfs een oprit afsluiten, zodat er geen weefbewegingen ontstaan die voor ongevallen kunnen zorgen.

De overheid evenwel die zich voor vervelende oplossingen geplaatst zien kan dat besluiten tot een technocratische, tot een bureaucratische uitrol, waarbij mensen zich miskent voelen, maar men kan ook proberen mensen mee te krijgen in een verhaal. Nu is de overheid niet meer de best geplaatste instantie om geloofwaardig projecten te presenteren en mensen uit te nodigen die te gaan steunen, omdat de overheid al te lang van wat Carl Schmitt het inroepen van de uitzonderingstoestand noemt, gebruik heeft gemaakt. Men kan die visie niet beperken tot alleen politionele acties van de overheid, waar de overheid het monopolie van geweld heeft, maar dient ook op vlak van administratie en het uitvoeren van plannen in overweging genomen te worden: de heftige protesten in Antwerpen, met de vaststelling dat een nieuwe oeververbinding onder de Schelde zou leiden tot het aanleggen van een snelweg doorheen de stad, het blijft verbazing wekken, want nu lopen er oververzadigde autowegen doorheen de stad en die kan men ontlasten, maar dat lijkt net het punt: men gaat uit van bijkomende overlast, terwijl de nieuwe snelweg van een boog een cirkel maken kan. Zonder enige hinder gaat het niet, maar een website over wat nu gepland is, oogt bijzonder interessant, juist voor die delen van de stad die nu achter een brede machtige stroom van beton van de stad afgesloten moesten leven. Eerlijk, ik begreep noch ik begrijp de positie van Manu Claeys en co, want in feite willen ze overtuigen door aspecten van het onderzoek niet ter discussie voor te leggen. Dat wil zeggen dat de overheid keuzes moeten maken die niet geheel evenwichtig aan het publiek worden voorgelegd, maar hier, moet men vaststellen, heeft de overheid tekort geschoten.

De neiging van de bureaucratische ambtenarenstaat om politieke beslissingen door te voeren zonder met de omstandigheden en de verwachtingen van het publiek rekening te houden, moet ons wel boeien, omdat we tot het onthutsende inzicht zijn gekomen dat de overheid nog weinig gedaan krijgt vanwege burgerlijk verzet. Aangezien we een boon hebben voor burgeractivisme, moeten we wel tot de vaststelling komen dat de overheid, politici én het ambtelijk apparaat dat de overheidsbeslissingen concreet maakt, aan een activiteit te weinig aandacht besteedt: de mogelijkheid benutten met goede, redelijke argumenten de voor rede vatbare burgers ervan te overtuigen dat een plan van aanpak in hun belang is. Of het nu over de verbindingen via binnenwateren gaat of over wegen, over windmolens en hoogspanningskabels, altijd zijn er partijen, in deze, actiegroepen die iets op gang weten te brengen, met goed gekozen argumenten, namelijk die argumenten die de medelotgenoten kan overtuigen. Daar staan doorgaans weinig tegenargumenten tegenover. Nu, nogmaals en zeker ten overvloede, de overheid, of beter, een aantal politici hebben gedurende jaren door verbloemend taalgebruik, door soms cynisch negeren van het algemeen aangenomen inzicht dat iets nodig is of net niet, het vertrouwen van burgers verspeeld. Prof. Dr. Marc Eyskens is niet de enige, maar hij was het wel die zijn eigen landgenoten voor wonderwel gelukte primaten uitschold, apen, met name, waardoor hij vond dat zijn aftreden nadat gebleken was dat een internationaal gezochte terrorist het land en de hoofdstad had bezocht, nergens voor nodig was. Misschien niet, maar wie is er ooit vervolgd voor de manipulatie van gewestplannen.

Nu, met de inwoners van Assebroek, in de omgeving van Klein Appelmoes kan men het wel eens zijn, in overstromingsgebied moet men niet bouwen. Maar ook waar is dat mensen rechten hebben op een behoorlijke woning. Nu, wikkende en wegende komen we tot de vraag of we genoeg aan inbreiding doen, aan het hergebruiken van reeds voor bewoning of industrieel aangesneden gronden, opdat we de open ruimte nog wat open kunnen laten. Het is aan de overheid om hier de conflicterende belangen met elkaar te verzoenen, maar niet door een decreet, een oekaze uit te vaardigen. De mogelijkheid om bij de Raad van State in verweer te gaan is een goede zaak, maar dient niet altijd het algemeen belang. De andere mogelijkheid? Ambtenaren van ruimtelijke ordening de mogelijkheid bieden met rechthebbenden en derden te gaan bespreken welke richting het uit moet, of om weide- en akkerland of om uitgewoonde woningen te herbestemmen. Maar uitdrukkelijk kan en moet hier gesteld worden dat de overheid in deze pas indien alle argumenten uitgeput zijn gebruik mag en kan maken van de uitzonderingstoestand. Wetgeving is nodig om rechtstitels ter beschikking te stellen van ambtenaren die een project moeten begeleiden. Maar dan komt de fase die men nu al decennia tijdverlies noemt: het goede overleg. Maar dan zullen ook burgers bereid moeten zijn mee te gaan in het gesprek. Wijkvergaderingen, bijvoorbeeld over de aanleg van een nieuwe parking ondergronds op de site Oud Sint-Jan in Brugge, verliepen niet altijd evenwichtig en constructief. Petities van buurtbewoners stoorden de burgemeester mateloos en zijn ambtenaren nog meer.

De overheid is in last omdat men, passend in een oude bureaucratische traditie de burgers als rechtsonderhorigen beschouwt die maar hebben te slikken. De burger werd mondiger en dus werd de neiging nog verder ingeperkt om met die burgers het gesprek aan te gaan, terwijl het omgekeerde net nodig en wenselijk ware geweest. Ik ben het niet eens met de kritiek van Straten-Generaal, maar ben er wel van overtuigd dat een minder paternalistische houding meer burgers kritisch had gemaakt tegenover ... Straten-Generaal. Aan de andere kant, men kan niet naar de burgers gaan met vage plannen, want die zal er zich na verloop van tijd met een grap vanaf maken. De inspraak van burgers bevorderen, betekent niet dat men eist dat de overheid eerst zegt dat er een probleem is, met God en klein Pierke gaat overleggen en twintig jaar later tot een besluit komt, dat het mosterd na de maaltijd is. Neen, als er plannen zijn moeten die goed uitgewerkt, eventueel met een aantal alternatieven bij de hand aan het rechthebbende publiek voorgelegd worden. Maar vooral, ambtenaren die deze overlegronde moeten begeleiden, leiden, moeten betrouwbaar zijn, dat wil zeggen dat politici, gemeenteraadsleden en volksvertegenwoordigers hen in het publiek de ruimte bieden om de voorstellen uit te leggen. Waarom moeten ambtenaren dit doen? Omdat eens een besluit is gevallen, de politici niet op hun beslissing kunnen terugkomen, tenzij er tegensprekelijk is gebleken dat er betere oplossingen zijn. Maar dit kan geen 10, zeker geen twintig jaar duren. Als dus sommige politici en actievoerders tegen de plannen van Oosterweel blijven ageren, dan moet hen vragen of hun actie proportioneel is en of zij de kosten van verder uitstel willen accepteren. De verbeteringen in Merksem zouden niet voldoen? De aanpassingen op Linkeroever louter cosmetisch? Laten we wel wezen, het gaat hier om het ontlasten van een stuk autoweg dat om de haverklap stremt en uren vertraging bezorgd aan vrachtwagenbestuurders die met lading onder weg zijn en voor particulieren of andere individuele gebruikers van de weg. En ja, ook wie naar Lichtaart, Zonnebeke of Adinkerke gaat om er een pretpark te bezoeken, verricht een economische handeling. Dus zomaar negeren kan men die mobiliteit vanuit economisch oogpunt ook niet.

De overheid zal zich dus opnieuw geloofwaardig moeten zien te maken en dat terwijl burgers elke fout, elke vergissing genadeloos lijken af te straffen. Enfin, het hangt af van de manier waarop men, zoals Arendt het stelde, rekening houden wil met menselijke aangelegenheden, zodat er maar een mogelijkheid rest: proberen te overtuigen, met goede argumenten. En toch, opdat dit slagen zou, moet het mondige publiek ook luisterbereid wezen, niet onderworpen aan de wil van de soevereine bestuurders, maar begaan met het algemeen belang. Een gebrek aan pedagogische aanpak in de scholen, waar men kritische omgang niet mag verwarren met blinde afwijzing, heeft er mee toe geleid dat mensen zich maar moeizaam als burgers beschouwen.

Het gaat dan niet enkel om een verhaal van rechten en plichten, maar om de vraag hoe we ons tot de belangen van derden kunnen  en van het geheel kunnen verhouden. Burgerschap kan het overheidsoptreden vlotter laten verlopen, zonder dat de burgers onderworpen moeten wezen. Burgerschap vormt er het tegendeel van: meedenken met de overheid en tegelijk niet nalaten de eigen belangen goed te begrijpen. Een scherper onderscheid tussen privaat, particulier en het publieke kan helpen, want nu, dezer dagen blijkt men het publieke over te laten aan de overheid en wellicht zorgt dat ook voor ongenoegen. Plannen, wensen en idealen hebben we bij de vleet, goed debat, overtuigend debat hebben we te zelden. Want pas dan zal men het burgerschap ook kunnen kaderen in termen van betrokkenheid tussen burgers onderling en ten aanzien van het geheel. En dan zal het voor de overheid beter mogelijk  mensen, burgers te overtuigen van de goede zin van grotere projecten. Gedeelde vreugde is immers dubbele vreugde. Maar momenteel kan vooral een vijandigheid bespeuren die de overheden telkens weer in last brengen.

Wat voor effect dat hebben kan op het politieke debat, bijvoorbeeld in het Vlaams parlement? Misschien zal men dan rechtvaardigheid betrachten in plaats van anderen een gebrek aan zin voor rechtvaardigheid te verwijten. Dat laatste kan altijd nog, maar als dat begrip van wat (on-)rechtvaardigheid[i] niet ook verwijst naar concrete omstandigheden, naar menselijke aangelegenheden zal het wel goed klinken, maar niet per se overtuigen. Het is de kwestie die ons al langer bezig houdt: waarom lijkt het er wel eens op dat politiek, anders dan Arendt dacht, niet zozeer pragmatisch handelt, in het licht van concrete aangelegenheden, maar precies met filosofische inzichten goochelt, zonder ze te toetsen aan de ervaringwereld van burgers. Links zegt dat een beleid van "rechten en plichten" hardvochtig uit zal pakken, rechts meent dat dit niets minder dan een zaak van rechtvaardigheid is, maar wie bepaalt wie op welke rechten aanspraak maken mag en wie zal vaststellen of iemand aan zijn of haar plichten heeft verzaakt. U begrijpt dat die discussie dezer dagen merkwaardig genoeg niet verder komt dan... praatjes bij plaatjes, of erger nog, slogans en kreten. Rechtvaardig is niet enkel wat men buiten de gang van het leven als rechtvaardig kan beschouwen in een doortimmerd filosofisch en ethisch discours, maar ook wat mensen, wellicht wel eens zonder goede gronden, als rechtvaardig dan wel onrechtvaardig beschouwen. Is rijkdom voor de ene rechtvaardig verworven door eigen werk, dan kan men toch vragen stellen bij de verdeling van inkomens. Maar ook, denk ik, zal men de aard van het werk, de opleidingen om een beroep uit te oefenen in kaart brengen. Of de aard van de risico's die men loopt. En neen, een boef of maffiabaas die zoals men weet ook risico's loopt - bij het overtreden van de wet - kan dat risico niet als verantwoording inroepen. Maar goed, soms blijken we blij te zijn met sommige activiteiten, zoals het verwerven van cocaïne maar mogelijk is omdat die organisaties er zijn. Hypocrisie blijft voor iedereen een aangename deugd. Moet de overheid dan niet de invoer en verdeling van drugs verhinderen? Het blijkt nog steeds een voorwerp van academische discussie. En de overheid? Die moet mensen beschermen tegen ongezonde voeding, maar kan ongezonde voedingsgewoonten niet zomaar bestraffen, want die behoren tot de private levenssfeer. De kerntaken kan de overheid dus niet altijd zomaar invullen. Dat lijkt mij ook inzake het probleem van de ruimtelijke ordening wel aan de orde: een huis, een tuin en een mooie oprijlaan, zijn dat niet de wensen van velen onder ons. Als er onvoldoende toegankelijke groene ruimte blijft, kan het met minder ook, toch? Maar dat vergt een debat en verdraagt geen oekazes.

Bart Haers










[i] http://www.standaard.be/cnt/dmf20121123_00378785

Reacties

Populaire berichten