Aan het verdrag van de vriendschap denken we niet?

Dezer Dagen

De Oude Wereld
Wat een sentimentele oorlog

Ondertekening van het Elysée-verdrag,
ook wel Verdrag van de vriendschap
genoemd in 1963, maar dat in de
overwegingen bij de herdenkingen
van 1914 niet in herinnering
gebracht wordt, wellicht wegens
te evident. 
Hoeveel zal men zich nog herinneren, zal men op ons afvuren, dat men de herinnering aan WO I noemt, zoals in het UK waar men bekende jongelui als Andy Murray "enlisten" zal, net als ander schoon volk: geen treffender beeld om te laten zien dat de oude wereld werkelijk doorleeft. Een brief uit 1939 van man die zijn dochter smeekt Berlijn te verlaten, een brief in dichtvorm, wordt op muziek gezet. Heel schoon allicht, maar het lijkt of we nog enkel op een Stendhal moeten wachten om de helden van de Oorlog echt tot leven te zien komen in de verbeelding van jongere mensen, die later geboren werden.

Naar aanleiding van de herdenking - jawel, de 100ste verjaardag - van de vernieling van het fort van Loncin, had men het over emoties. Mijn grootouders waren toen kinderen, mijn andere grootouders trouwden in augustus 1914 maar voor het overige? Emoties over Loncin? Ik weet niet hoe authentiek die kunnen zijn. Tegelijk is het merkwaardig dat men de opeenvolging van feiten nog nauwelijks in een zinvol verband weet te brengen. ach, het zal wel een blijvende ergernis blijven de komende maanden en jaren, waarbij we ons misschien ook nog eens zullen ergeren aan wat niet herdacht wordt.

Aarschot was een van de Martelarensteden, maar in de afgelopen veertig jaar heeft men in de media maar zelden over die zijde van de oorlog gesproken. Meer nog, de gedachte leek mij, niet geheel ten onrechte, dat men de oorlog wel herdenken mag, kan, zal men niet tegenhouden, maar dat men achteloos voorbij gaat aan de veranderingen die sinds 1914 het bestaan in Europa hebben benvloed. ¨Waar het om gaat is dat men in de actuele constellatie, ongeacht het heersende euroscepticisme, die oorlog er een was waaraan nagenoeg actuele lidstaten deelnamen, waarbij sommige niet bestonden, maar alle wel de gesel van de oorlog ervaren hebben, zelfs het neutrale Nederland. Duitsland kan, mag deelnemen aan de herdenkingen, maar de wonden van Leuven, Aarschot, Dendermonde, maar ook Visé, Dinant... openhalen als feiten die nog altijd opnieuw herdacht moeten worden, heeft ook een andere betekenis: de daders komen opnieuw in het vizier en maar men negeert het feit dat in 1963 het Elysée-verdrag getekend werd dat de oude erfvijandschap begroef, het vriendschapsverdrag waaraan Charles de Gaulle en Konrad Adenauer hadden gewerkt, zodat al te heftige herdenkingen wel niet gewenst kunnen zijn. Is België dan ook gebonden door dat verdrag? In feite heeft de opeenvolging van Europese verdragen die kwestie eenduidig beantwoord: de oude vijandschap noch de neutraliteit van de kleine koninkrijken hebben nog enige betekenis.  In de oorlogsherinneringsindustriële productie van evenementen heeft dat aspect van de naoorlog, de geschiedenis na 1945 geen plaats.

Evenmin wordt vaak over militaire strategie en over de praktijk van de strategen tijdens de oorlog heen gekeken. Loncin kon via zware bombardementen uitgeschakeld worden, wellicht liggen er nog resten 150 à 200 soldaten onder het puin, maar het is geschiedenis. De oorlog is aangevat, daar kan geen twijfel over bestaan om hem te winnen. Zoals Croesus wist dat als hij de oorlog begon er een groot rijk zou vergaan, wat ook gebeurde, want hij verloor het zijne, maar goed, de ambities van Croesus waren niet min, doch Cyrus had ook wel enige ambitie en dus ontstond een situatie waarin twee redelijk goed georganiseerde legers tegen elkaar stonden en de overwinning voor beiden buiten beeld bleef. Na het veldtochtseizoen ontbond Croesus zijn legers maar Cyrus niet en kon Sardes, de stad van Croesus veroveren. Volgens Herodotos zou na een paar bijzondere momenten de terechtstelling van Croesus door Cyrus afgestopt zijn, maar goed, historici doen niet aan verhalen, toch?

Het punt is dat we bij Herodotos vooral het verhaal van Croesus vinden, minder de ontwikkelingen in het Perzische Rijk, dat in 490, dus een tweetal generaties later de Grieken en de Perzen rechtstreeks met elkaar zouden confronteren, op het Griekse vasteland en niet meer in Klein-Azië. Het is niet altijd een kwestie van onwil, maar in de Europese geschiedenis heeft men de ontwikkelingen in Bagdad en verderop naar het Oosten nooit als deel van de eigen Europese geschiedenis gezien. Alleen in relatie tot Europa, zoals ten tijde van Xerxes en Darius kon Perzië enige betekenis hebben, maar de interferenties die beide culturen zouden beinvloeden, blijken voor een goed begrip van de Europese geschiedenis belangrijker dan we doorgaans uit de populaire lezing van de feiten afleiden. Eurocentrisme? Zeer zeker en ook wel een onbewuste partijdigheid. We zien dat ook als het om de Punische oorlogen gaat, waar we nagenoeg blind zijn voor het feit dat Carthago in staat was het Romeinse rijk te weerstaan en zelfs ernstig te bedreigen. Maar men zal behalve over Dido, Hannibal en Hasdrubal weinig vernemen. Het werk van Tom Holland over de Perzische oorlogen en over de ontstaansgeschiedenis van de Islam vormt op dat vlak een interessante uitzondering en het is dan ook niet zonder reden dat diens werk redelijk goed aanslaat bij zakenlui en anderen die graag een boek lezen tijdens de vlieg- of treinreis.

Het punt dat we aan de orde stellen heeft te maken met de gedachte dat we de aanloop van de dertigjarige oorlog 1914 - 1945 niet goed overzien noch dat we ons, nu we de opeenvolging van oorlogshandelingen in de tweede helft van 1914 dag na dag volgen, van de samenhang geen goed beeld meer vormen. Wel moet men begrijpen dat de Duitse oorlogsmachine niet door een geest werd aangestuurd, maar door een groep militairen, die met zeer nauwkeurig bepaalde doelen te werk leken te gaan, maar toen de realiteit weerbarstiger bleek dan de verwachtingen, men een psychologie van terreur en de schending van het ius in bello voor lief heeft genomen. Maar kan men dat de Duitse legerleiding terecht verwijten, dan zal men zich ook afvragen waarom men, eens de oorlog aangevat noch aan Britse zijde noch aan Franse zijde een andere reflex heeft kunnen opmerken dan het even vasthoudend aan de gestelde oorlogsdoelen doorgaan "jusqu'au bout": voor Frankrijk was dat de recanche voor 1870 - een oorlog die in onze annalen zelfs geen voetnoot waard is - en de vernietiging van de Duitse en Oostenrijkse dreigen op Frankrijk en Midden-Europa.

Zien we hoe Duitsland, Frau Merkel er op een ongezien doortastende wijze alles op inzet om de conflicten in Oekraïne te ontmijnen, hoe de VN dan toch een poging onderneemt om de Islamitische staat buiten de wet te stellen, dan merkt men dat er in de beeldvorming rond WO I iets ontbreekt: was er dan geen instantie die betracht heeft de oorlog te stoppen? Hoe kon het dat de grootmachten zo weinig weerbaar stonden tegen de verleiding alles in te zetten om de tegenstander te vernietigen, terwijl het besef dat Europa hoe dan ook een grote culturele samenhang vertoonde. Natuurlijk, in de nationale geschiedenissen primeerden respectievelijk Vercingetorix voor Frankrijk, Hermann in het Teutenburgerwald en nog wel enkele legenden. Heeft men, daarop verder bordurend in de periode voor 1914 het belang van Karel de Grote afdoende onderkend? Feit is dat François-Leopold Ganshof na Wereldoorlog I van dat Karolingische rijk een belangrijk deel van zijn onderzoek maakte. Maar vooral na WO II zou hij zich nog intenser met de Europese dimensie van het historisch onderzoek bezig houden. Het valt mij op, post factum, dat sinds de jaren 1990 de Europese dimensie van historisch onderzoek aan onze Vlaamse universiteiten geen vervolg meer kende, terwijl Henri Pirenne én Ganshof daar zeer intensief over hebben nagedacht. Ook toen ik studeerde werden we zelden vastgepind op onderzoek van de eigen regio alleen, wat voor de vroegmiddeleeuwse geschiedenis meer voor de hand ligt. Wat ook opvalt is dat de aanzetten tot synthese van grotere gehelen van historische kwesties na 1990 ook niet meer van de grond lijkt te zijn gekomen. In dat kader zal men de benadering van WO I hodie wel degelijk begrijpen: fragmentarisch en zonder meer gericht op "lieux de mémoire".

Opvallend was ook dat men op televisie sprak over de emoties die de vernieling na zware bombardementen van Loncin nog zou opwekken. Ik stipte het al aan, maar het lijkt wel het moment om een aspect van geschiedschrijving aan de orde te stellen dat ook al bijna geheel uit het oog verloren is geraakt: de historische sensatie. Johan Huizinga heeft hierover niet zo heel veel  over geschreven, maar wel, denk ik met Frank Ankersmit een interessante kijk gegeven over de mogelijkheid die het verhaal van een plaats, een idee, een beeld, een persoon kan hebben voor wie het overkomt. Ik denk met Ankersmit dat het niet vanzelfsprekend is dat in Damme bij een graf aan de man toegeschreven, iemand plots de idee zal hebben, het beeld, volkomen onverwacht van Jacob van Maerlant of van zijn bestaan. Het kan zijn dat, in hetzelfde Damme plots de idee opkomt dat daar ooit Genuezen, Venetianen, scheepsvolk uit Kampen, Riga of Novgorod gepleisterd hebben, zaken hebben gedaan. Maar die intuïtie komt er niet als men zich nergens van bewust is, van de historische lading van een plaats. Op bezoek in Aken, rondkijkend in de Paltskapel, probeerde ik me Alcuin voor te stellen, die daar in de buurt geweest moet zijn in de nadagen van de regering van Karel de Grote, dezelfde Alcuin die mee de inhoudelijke aspecten van de Karolingische renaissance - al is de naam kort door de bocht - vorm gaf, maar vooral op die manier aan de Westerse cultuur een cultureel en intellectueel raamwerk gaf, dat ons vandaag ten enen male ontgaat omdat we vele aspecten van die geschiedenis niet naar waarde weten te schatten. Maar de genius loci sprak over iets anders, de verdwenen Sint-Donaaskerk in Brugge, afgebroken toen Vlaanderen geannexeerd  was door het Revolutionaire Frankrijk, maar die kerk werd bediend door kanunniken die mee de administratie van het graafschap bestierden, namens de graaf en deel hadden aan de curia comitis. Op die plaats, in Aken, versierd met indrukwekkende mozaïeken, kwam ook Galbert van Brugge weer aan de orde, omdat de Sint-Donaas nu eenmaal gebouwd was naar het model van de Paltskapel...

Tegenover die historische sensatie staat voor Huizinga de verwerving van historisch inzicht, waarnaar we net verwezen, omdat historisch inzicht niet mogelijk is zonder grote vertrouwdheid met het beschikbare materiaal. Huizinga heeft beide vormen van omgang met de geschiedenis overdacht, zowel het inzicht als dus de sublieme historische sensatie. Ik denk dat een bezoek aan de stranden waar op D-day de ontscheping plaats had, of, evengoed in de buurt van Duinkerken tot beide aanleiding kunnen geven, maar dat dit de inwerking is van kennis van dat specifieke verleden. De historische sensatie levert geen bijzondere kennis op, laat niet zien iets dat een toevoeging zou kunnen zijn aan de gebeurtenissen zoals we die kennen en waar historici indrukwekkende boekwerken over hebben geschreven. Maar het opent wel denk ik de mogelijkheid iets te ervaren van wat betrokkenen zouden hebben beleefd.

Spinoza die vernam dat Johann de Witt werd gelyncht nabij het binnenhof, wilde erheen. Bij een bezoek aan het Mauritshuis - ironie dus - kwam de gedachte bij me  op te kijken hoe het er allemaal wel niet uitzag, waar die gewelddadige strijd en steekpartij had plaatsgevonden. Maar ook, omwille van andere kennis kwam ook een cultuur naar boven, zoals Simon Shama die beschreef, maar ook E.H. Kossmann en uiteraard, aan het einde de eigen ervaring met het actuele Nederland. De elementen mogen dan fragmentarisch lijken, het geheel oogt anders wel boeiend genoeg om er zich mee in te laten. Maar goed, dat kan ik dan doen in de gedachte dat die geschiedenis mij raakt omwille van de taalverwantschap, de nabuurschap of andere afstandelijke redenen, maar in feite geldt hier, zoals ook met de Duitse, Franse., Poolse geschiedenis van belang is, dat die geschiedenis ook ons moet raken, net omdat doorheen de geschiedenis de verwevenheid van die landen en dus onze landen net zo groot was, waarbij uitwisseling van producten, mensen en ook wel eens ideeën niet onderschat mag worden. Die aanrakingen door de geschiedenis wekken evenwel geen grote emoties meer, al kan het zijn dat de nagedachtenis - of het gebrek eraan - van Simon Stevin mij vooral altijd weer verrast. Maar sentimentaliteit is me daarbij vreemd, behalve misschien als ik in de omgeving zou komen van Ferney-Voltaire want komen er weer verhalen op. De wereld is vol verhalen, maar de aard van de emoties, van verwondering, bewondering, soms medeleven, daar moet men toch omzichtiger mee omspringen, c.q. de sensatie kan er wel zijn, maar doen alsof we nog in onze persoon geraakt worden, kan een bedenkelijke illusie blijken.

De negentiende eeuw, de eeuw van het liberalisme en van de natiestaat, bracht ook denken voort dat zonder socialistisch te zijn, toch op de vrede gericht was. In de herdenkingen rond 1914 had de herdenking van de in gebruikname van het Vredespaleis te den Haag in 1913 wel een mooie opmaat gevormd, maar het blijkt tot heden zo dat "gebeurtenissen zonder gevolg" finaal zonder betekenis zouden zijn. Maar nu zetelen wel een paar tribunalen in Den Haag en er is ook het internationaal hof van arbitrage. De oorlog heeft men niet kunnen voorkomen en ook wist men in de hoofdsteden en vooral bij de chefs van staven niet van ophouden. Woodrow Wilson probeerde het 1915 en ook de paus, Benedictus XV, een Italiaan heeft inspanningen gedaan de oorlogvoerende naties rond de tafel te krijgen, maar dat is mislukt, maar hoe dat mislukt is, valt moeilijk uit de bronnen af te lezen. Maar in de overzichten over de oorlog komen die initiatieven (nog) niet aan de orde, net zo min als de reacties van de oorlogsvoerende naties.

Valt het eventueel niet vaak voor dat naderhand, als men het eerst anders geprobeerd heeft, toch naar ideeën en voorstellingen van zaken teruggrijpt, als het probleem maar blijft woekeren? De paradox is, nu we zo met de herdenkingen bezig zijn met de herinnering van feiten uit het verleden, uit de oorlog dat we nergens ook maar een begin van inzicht krijgen in de oogmerken van de tegenstanders en hoe dat op het terrein tot uiting kwam. De strategische lijnen van het Schlieffenplan zijn goed gekend, de militaire oogmerken waren duidelijk, maar het leek erop alsof men wilde voetballen zonder keeper aan de andere kant, zelfs zonder tegenstander. Ook de slachtoffers worden voorgesteld als mensen die van een natuurramp te lijden hebben, terwijl voor de feiten alleen daderschap, menselijke actie verantwoordelijk is. Maar hier komt dan de moeilijkheid aan de orde, dat men beseft dat men de vijand van toen niet meer als zodanig kan behandelen. De vijand van toen, die zich er niet voor schroomde een furor teutonicus over dit land te laten razen, werd een bondgenoot in de Navo en een medestichtend lid van de EEG.

Er is nauwelijks iemand die dit niet weet, maar het blijft wel zweven over de slagvelden van weleer. Bovendien, wat anderen niet graag horen, is er de vaststelling dat Frankrijk de oorlog niet ongenegen was. Men wilde, voor Duitsland te machtig werd in demografisch, econmich technologisch en militair opzicht het keizerrijk intomen, meer nog, uitschakelen. De aanval kwam van Duitsland, maar in Parijs kon men nauwelijks wachten en men diende troepen van de Belgische grens terug te trekken om niet in de verleiding te komen het land toch eerder binnen te dringen dan Duitsland. De strijd werd van begin af aan in de media aan alle kanten, behalve de Belgische, voorgesteld als een heroïsche strijd, gestaafd aan de hand van dubieuze theorieën. Rassentheoretische konterfeitsels waren toen schering en inslag, zelfs bij de Britten, gewoon omdat het een aangename verklaring leek voor de eigen superioriteit, terwijl de mobiliteit in de eeuwen voordien al niet veel grond gaf voor de idee dat het Franse, Gallische ras inferieur dan wel superieur zou zijn aan het Germaanse ras. De Fransen geloofden dat het uur van de wraak gekomen was, maar de soldaten zouden al vlug laten weten dat zij aan wraak niet dachten. Maar zoals al langer geweten is, in de aanloop en de uitrol van WO I kan Frankrijk, als net niet weerloos slachtoffer geen  schuld treffen. Na 1963 en het verdrag van het Elysée is voor dergelijke voorstelling van zaken geen plaats meer, maar ze blijft de basislaag waarop men alle gebeurtenissen vanaf vier augustus 1914 blijft kleuren.

Het zal, het is ook voor mij niet mogelijk, zomaar onpartijdig naar de praktijk van de oorlogsvoering te kijken, maar WO I was dan wel een oorlog met inzet van mensen uit alle delen van de rijken die betrokken waren en die geen enkel land spaarde, ook niet de neutralen. De furor Teutonicus kan men herdenken, moet men herdenken, men moet dan ook man en paard noemen, maar gezien de evolutie der dingen, van het verdrag van Versailles tot de eenmaking van Duitsland in 1990 en de actuele rol van Duitsland en de Duitse regering in Europa, zal men het herdenken van de furor zien, benaderen als een exces van generaals die alle gevoel voor maat verloren hebben. De oorlog blijft een bezigheid die beantwoordt aan een eigen ratio, waartoe die wreedheden niet hoeven gerekend te worden. Maar het blijft opmerkelijk dat we daar nog steeds emotionele betrokkenheid bij zouden moeten ervaren. Die kan authentiek zijn, bij mensen wier oom of grootvader erbij betrokken was, de stad waar men leeft en die slachtoffer werd, dat alles kan maar tegelijk zal men er zich dan rekeningschap van geven dat dit herdenken de lokale impact van het gebeuren laat zien. Zoals mensen die nog weet hebben van de plunderingen van het machinepark en andere aspecten van de bezetting. Maar goed, ik zie niet goed in hoe men in deze de politieke implicaties voor de Europese herinnering zal kunnen vertalen. Meer nog, het blijkt vooralsnog onmogelijk te bedenken dat mensen toen, burgers, ambtenaren, studenten niet met een hoop andere overwegingen bezig waren. De hogeschool in Gent? De vernederlandsing werd door Albert I niet in het vooruitzicht gesteld. De soldaten die zich - vaak omwille van hardnekkige clichés - miskend voelden door hun superieuren, het zijn alle aspecten die aan de oorlogslogica zelf vreemd zijn, maar de concrete feiten wel kleurden en zelfs beinvloeden. Maar die facetten blijven vandaag onderaan de archiefkasten liggen, omdat men nog steeds vasthoudt aan het verhaal van Versailles. Maar dat staat dus haaks op latere afspraken die voor ons handelen nu van belang zijn. Herdenken is een kunst, denk ik, die we nog niet geheel onder de knie hebben. Of nog, de oude wereld ging voorbij, iedereen deed zijn deel, ten goede en anderszins, maar vandaag kunnen we, met uitzondering van een paar figuren, nog weinig mensen moreel ter verantwoording roepen. 51 jaar geleden werd het vriendschapsakkoord tussen Duitsland en Frankrijk getekend, nu vraagt François Hollande aan Duitsland om de Franse economische motor weer aan de praat te krijgen, maar kan hij het niet laten de oorlogsherdenkingsindustriële productie van beelden en voorstellingen te hulp te roepen om zijn beroerde politieke positie op te krikken.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten