Jeugdige bevlogenheid als thema voor historici

Reflectie

Hoe het onvoorstelbare & blindheid voor het onvoorspelbare saai uitpakken

Herman van den Reeck, neergeschoten door
de politie op de Antwerpse Grote Markt op
11 juli 1920 en intussen vergeten als icoon. Maar
hij staat ook voor die juvenile actiebereidheid,
die we vandaag niet meer zo gauw denken te
bespeuren, al vervolgen we vanzelfsprekend
Syriëvaarders als terroristen en vinden we
ISIS op goede gronden wreed en bloeddorstig.
Ze zeggen het immers zelf. Maar van den Reeck,
dat is geen geschiedenis meer. 
In het Archief en Documentatiecentrum van het Vlaams-Nationalisme (ADVN) heb ik rond 1992 enige tijd onderzoek mogen doen naar het korte leven van Herman van den Reeck, die op 11 juli 1920 in Antwerpen tijdens een verboden optocht werd neergeschoten. Maurice Coppieters heeft in "Het jaar van de Klaproos" de these van een politieke moord niet hard kunnen maken, omdat, naar mijn oordeel Herman van den Reeck voor de politie van Antwerpen geen persoon was die men moest volgen, maar wel, door zijn aanwezigheid gevaarlijk geacht werd. Net als Paul van Ostaijen en Jan Albert Goris, Marnix Gijsen dus, was hij als jongeman in het activisme beland. Zijn dood door achteloosheid werd voor de Vlaamse Beweging wel een tijdlang een icoon voor de houding van de Belgische vijandigheid. Toch is hij vandaag niet meer bekend, heeft niemand het nog over hem.

Over activisme gaat het tijdens deze herdenkingen rond WO I niet. Of het heiligschennis zou zijn? Geschiedschrijving verdraagt deze selectiviteit niet en het was de periode, Wereldoorlog I, waarin het Vlaamsnationalisme politiek werd. Hoe dat gebeurde, heeft wel enig belang omdat het mee de verhoudingen in dit land grondig zou wijzigen, wat men ook mag beweren over de onbeduidendheid van de politieke bewustwording in Vlaanderen, want hoe men het ook draait of keert, men zal vaststellen dat na 1918 de Vlaamse politiek binnen het Belgische geheel niet meer alleen door welwillende heren als de drie Kraaiende hanen gevoerd zou worden. Frans van Cauwelaert, Camille Huysmans en Louis Franck hebben voor de oorlog met veel geduld en steun van intellectuelen de Vernederlandsing van de Gentse Hogeschool bepleit, maar pas in 1930 zou dit gerealiseerd worden. In Praag kon in 1882 in Praag wel een (her-)stichting van een Tsjechische universiteit plaats grijpen, om Tsjechische studenten en Duitstalige wat uit elkaar te halen. De hele geschiedenis van Latijn, Duits en Tsjechisch aan de Praagse universiteiten zou onze aandacht niet gekregen hebben als we niet al langer geleden zowel met Bedrich Smetana én vooral met Jan Hus hadden kennisgemaakt.

In België waren er vooraanstaande mensen die vonden dat de ene taal wel en de andere niet voor het hogere, de wetenschappen, de literatuur en zo verder geschikt zouden zijn en sommige zangers dezer dagen vinden dat blijkbaar ook, want zonder ervoor over de flair, de scherpzinnigheid en het talent te beschikken, proberen zij amechtig in het Frans te zingen. (Sorry, brave Daantjes en co, maar ik hou te zeer van de esprit van Brel, Moustaki en Françoise Mallet-Joris, van Boris Vian om nu maar ineens dat gekweel te kunnen waarderen. en er zijn best wel uitmuntende Nederlandstalige barden die zelfs in Frankrijk bij connoisseurs enige waardering genieten). Neen, de afkeer voor het Nederlands was viceraal om politieke en culturele redenen en dat kan men in de geschiedenis van dit land niet negeren.

Nu goed, Herman van den Reeck vond ik niet zozeer belangwekkend omwille van zijn trieste lot, maar omdat hij op een voor mij verrassende manier voor de moderniteit stond, zoals ook Van Ostaijen bijzonder weinig met traditionalisme te maken had. Maar men vond die conclusies om allerlei redenen niet afdoende. Intussen is er gedurende twintig jaar niets gedaan met onderzoek naar wat men zou kunnen noemen de niet traditionalistische aspecten van de Vlaamse beweging. Progressief wil ik het niet noemen. Wel kan men het streven naar moderniteit  in hun benaderingen van hun werkelijkheid, de samenleving waarin zij leefden niet ontkennen, tenminste, als men maar een poging doet dat te onderkennen. Het modernisme voor 1914 is in Vlaanderen en in onderzoek naar filosofische en artistieke ontwikkelingen in de Vlaamse samenleving nagenoeg afwezig, terwijl men toch met "Van Nu & Stras" toch wel een literaire beweging had die niet bleef steken in de ... boerenroman. Want laten we de Vlasschaard van Streuvels wel zien als een roman in een boerenmilieu, de kwesties die tot het tragische einde leiden, hebben wel te maken met de nieuwe tijd. En van Elsschot, de eerste stedelijke auteur, van Herman Teirlink die beide los stonden, als ik het enigszins begrepen heb, van de beweging "Van Nu & Straks" hebben andere eigentijdse kwesties behandeld. Maar goed, als Pallieter verschijnt in 1916 gaat het om de vraag of men in de moderne tijd kan leven en er alle gevolgen van kan accepteren. Pallieter droomt van een leven buiten de tijd, maar ook dat is een modern antwoord.

De aanzet van deze reflectie ligt voor een keer niet in de oorlogsherdenkingsindustriële stroom van stukjes. Wat me ertoe aanzette is de verrassing die velen aan de dag leggen als het om de in oprichting zijnde Islamitische Staat gaat en de snelle bewegingsoorlog die ze weten te voeren. Ben ik dan voorzienend geweest? Neen, maar wel vond ik al van bij het begin van de Arabische Lente dat men de krachtsverhoudingen noch de interacties tussen verschillende actoren in respectievelijk Syrië, Egypte, Tunesië van voldoende belang achtte. Een revolutie verloopt doorgaans niet volgens een vast stramien. Het klopt dat in eerste beweging de Arabische lente in het herstel van nieuwe autocratische systemen lijkt uit te monden, of erger, in een bloedige veroveringsoorlog, zoals ooit en eens in hetzelfde gebied, waar de Islam in minder dan een eeuw van het Arabisch schiereiland de hele Zuidkust van de Middellandse Zee veroverde en ook Klein-Azië en het Perzische Rijk, dat even voordien nog in conflict was met het Byzantijnse rijk.

Onze visie, die zoekt naar patronen, herkenningspunten, slagwoorden die we kunnen plaatsen, laat blijkbaar niet goed toe dat de dingen zich voltrekken zonder we er iets aan willen of kunnen doen. Maar onze blik wordt geconfronteerd met onbegrijpelijke wendingen, waar we het hoe en wat, laat staan het waarom niet onmiddellijk van zien. En ja, ook onze ideaalbeelden bepalen vaak onze analyse, zodat, niet zodra we er de contouren ook maar enigszins van herkennen, is onze analyse klaar.

Bekijken we dan de wijze waarop men ons de herdenkingsindustriële productie van beelden en reminiscenties aan WO I serveert, dan moet men erkennen dat we er dan al helemaal niet slagen te begrijpen dat voor alle actoren die toen betrokken waren, burgers, bestuurders en militairen, dus ook zij die schreven over den oorlog en al die andere dingen, de toekomst nogal onvoorspelbaar was, maar dat ook zij hun analyses maakten. De Vlaamse Beweging in bezet gebied was zeer verdeeld en lang niet iedereen die de Hogeschoolcommissie en andere initiatieven rond de Vernederlandsing van de Vlaamse samenleving steunden in 1914, zouden zich bereid tonen mee te gaan in het aanbod van de bezetter, de Flamenpolitik. Lodewijk de Raet stierf in november 1914, maar zijn naam mag dan voortleven in een instituut rond burgerschap, zijn visie op economie en samenleving, op de wisselwerking tussen de verschillende facetten blijft vandaag in het debat over waar we met Vlaanderen binnen Europa heen willen, vaak onbesproken, omdat men te zeer vreest in een politiek vaarwater terecht te komen. Met alle respect voor bijvoorbeeld de Gravensteengroep, maar een stevig debat over de contouren van een economisch beleid, een aangepast onderwijsbeleid ook, kan men niet (blijven) uit de weg gaan. De instellingen hebben hun belang, maar zijn geen doel op zich. Overigens, de moderniteit van Lodewijk de Raet, staat als een paal boven water, want de man was medewerker van het Institut de sociologie en van de Nederlands-Belgische commissie van toenadering, onder leiding van Theo Heemskerk en Auguste Beernaert en hield zich bezig met landbouwvraagstukken - zegt Wikipedia - kan men niet licht ontkennen.

We moeten het dan wel hebben over de moeizame verhoudingen aan het Front en in het bezette land, want was Marcel Minnaert, de jonge bioloog een van de eerste die op de uitdagende brief van Jules de Destrée had gereageerd, dan zou blijken dat hij na zijn vlucht voor de repressie omwille van zijn Activisme, na de oorlog in Nederland als astrofysicus een eigen weg verkoos te volgen en toen het VNV en de Nederlandse vrienden van de Vlaamse Beweging in de NSB leken te verzanden in autoritaire maatschappijvisies en antisemitisme, dan haakte hij af: de strijd voeren voor Vlaanderen wilde hij wel, maar hij kon niet met alle vrienden overweg.

Precies het onderzoek naar Herman van den Reeck, bracht me als historicus op verschillende sporen, die in de publicaties niet altijd van belang lijken. Alleen Gisèle Nath lijkt met haar onderzoek naar de uitwerking van de voedselhulp aan noodlijdende burgers in het bezette land, ook de discussie over de bedeling van die hulp mee te hebben genomen, meer nog, het bleek in de groepen die de hulp moesten toebedelen dat er tussen paternalisme en een modernere opvatting scherpe tegenstellingen ontstonden die in het strijdperk leidde tot verlies voor de paternalisten.

Aan de vooravond van de Oorlog bestonden en ontstonden in verschillende landen verenigingen of bewegingen die zich als "Jong-" presenteerden, zo ook Jong-Vlaanderen, dat tijdens de oorlog onversaagd de weg van het activisme koos. Daniël van Ackere schreef er een uitgebreid boek over, over dat activisme, maar de redenen waarom rond 1900 jongeren zich begonnen te roeren, tegen de paternalistische samenleving en dit naarmate het modernisme steeds uitgebreider ingevuld werd, door technologische vernieuwingen, door wetenschappelijke vooruitgang zonder voorgaande en door artistieke prestaties die niet altijd evenveel controverse opriepen, blijft vaak onbesproken. Prof. em. dr. Eric Defoort heeft hierover tijden een colloquium over Herman van den Reeck een aantal interessante inzichten gebracht, want dat juvenile karakter van vele bewegingen; anders dan de jongerenafdelingen van onze partijen sinds de jaren 1970, wilden deze jongeren iets nieuws op gang brengen en breken met het oude: absoluut modern zijn dus.  

Het kan mij niet bekoren, moet ik zeggen, dat stilzwijgen over die bewegingen her en der in Europa, waar bijvoorbeeld het nationalisme, internationalistische bewegingen en zoveel meer andere "-ismen" door het zwerk hun boodschappen brachten en dan weer elders, via tijdschriften van een dag of enkele jaren opgepikt werden. Men zal de volgende jaren aandacht opgebracht zien voor regionale blaadjes die aan het front ontstonden, door soldaten, aalmoezeniers en hospieken geschreven. Het kan zijn, denk ik, vrees ik, dat men die aspecten van de geschiedenis hoogstens aandoenlijk noemen zal, maar in de ontwikkelingsgang van die jongeren zal het niet zomaar eenduidig inwerken. Onderzoek naar de ontwikkeling van opinies en de vraag om inzicht lijkt men van weinig belang te achten. In feite, moet ik vaststellen, benadert men WO I, de Grote Oorlog bijzonder gezagsgetrouw en systeembevestigend. Nadat in 1996 Marc Reynebeau zijn "het klauwen van de leeuw" publiceerde, volgde applaus op vele banken en wie er geen pap van lustte, diskwalificeerde zich als oubollig, traditionalistisch en uiteraard kleinburgerlijk. Dat uiteraard is een conclusie die hij distilleerde uit een van de slotbeelden van boek, waar hij nog maar eens het verhaal opdist van de piano's die bij flamingantencollaborateurs door het raam werden gekieperd.  Maar niet alle trotse bezitters van een buffetpiano waren collaborateurs.

Nu, het ernstigste bezwaar dat tegen Reynebeau maar ook anderen die het Vlaamsnationalisme wensten te onderzoeken aangedragen kan worden, moet wel de idee gelden dat alles wat niet in de feiten objectief zou bestaan, geen betekenis heeft: geloof, ritueel, verhalen en traditie, het zijn alles maar daimonen, efemere niet bestaande zaken. Wie de geschiedenis bestudeert komt wel vaker ideeën tegen die mensen beroeren, enthousiasmeren en begeesteren, hen tot nobele dan wel tot snode daden aanzetten, gewoon omdat mensen zonder een ideaal, zonder een visie die het dagelijkse overstijgt vaak niet veel bereiken. En de ideologie die Reynebeau hanteert voor zijn geschiedvisie, is dat niet het Marxisme, maar dan ontdaan van zowat alles wat bijvoorbeeld de school van de Annales zo waardevol maakte.

Kan men een samenleving alleen beschrijven aan de hand van de dingen die werkelijk zijn, laat staan begrijpen? Het zal wel moeilijk vallen, omdat mensen met de onhebbelijkheid behept zijn dat de samenleving en de realia niet afdoende zijn. De strijd voor het ideaal van de klassenloze samenleving is even absurd als de strijd van een natie die zichzelf niet erkend weet in de bestaande staatsstructuur, of dat nu de Tsjechen zijn het Habsburgse rijk dan wel de Polen in het rijk van de Tsaren of zelfs de Duitstaligen in Oostenrijk van Frans-Josef II en de toenmalige burgemeester van Wenen, Karl Lüger, die zich al evenzeer geminoriseerd voelden. Dat men 100 jaar later naar Oostenrijk-Hongarije kijkt alsof het land in verval was, tot geen krachtdadige initiatieven in staat was, berust ook al niet op waarneembare en zakelijke dingen, maar op, hoe kan het ook anders -?-, inzichten en vooronderstellingen, verbeelding, vanwege de Serven, de Fransen en de Russen dus. Mensen die telkens menen dat de alleen de dingen de geschiedenis bepalen en ontkennen dat ideeën ertoe doen, raken verstrikt in de eigen observatie van de verleden werkelijkheid. Het heden laat toe dat verleden te onderzoeken, maar in dat verleden de aantrekkingskracht van inzichten en ideeën ontkennen, of die nu van Ferdinand Domela Nieuwenhuis komen dan wel Dirk Domela Nieuwenhuis Nyegaard, de Nederlandse medestander van de Gentse activisten. Het belang van ideeën in het maatschappelijke leven, zelfs van normen en waarden, mag men niet ontkennen en meer nog, vooruitgang, moderniteit zijn te enen male ondenkbaar zonder ideeën.

Wat nu mijn verbazing altijd weer wekt is dat bij de overzichten en andere uitspraken, schrijfsels over WO I, de noodwendigheid van het gebeuren primeert en het gebrek aan aandacht voor de inzichten van zowel de generaals, de politici, de burgers en al die jongelui aan het front, maar zij die te jong waren in 1914 en te eenzelvig zoals "zot Polleke" - Paul van Ostaijen dus -, die alle hun inzichten, observaties en verwachtingen hadden, soms tegen alle redelijkheid in. Ze deden er wel toe, het klassenbewustzijn van de hogere officieren, het gebrek aan inzicht in de eindigheid van hun grondstoffen - soldatenlevens - en de beperktheid van hun begrip voor de situatie. Maar dat alles past niet in de lezing van de oorlog, net zo min dus als die onverlaten van activisten en muiters aan het front. Hun belang op het ogenblik zelf? Zoals van de Zwarte Hand in Servië? of was het een geleidelijk verstrakken van voorheen door velen gedeelde inzichten?

Nu we het vandaag meemaken hoe in Donetsk door enkele heethoofden zakelijke belangen verkocht worden als een (nieuwe) strijd tegen het fascisme in Kiew, terwijl de burgers in Oekraïne net streden voor democratie, de "rule of law" en andere kenmerken van onze samenleving die ons dierbaar zijn, vrijheid niet op de laatste plaats, lijken dat soort bedenkingen mij van groot belang. Maar in de lezing van de geschiedschrijving en in de observaties over Kiev, de Palestijnen en ook wel de mensen die de oprichting van het Kalifaat te vuur en te zwaard bevechten - ervoor strijden dus - zien we dat dit soort benaderingen van geen tel meer zijn.

Of de strijders voor het kalifaat conservatief zijn, teruggrijpen op de traditie? Zoals Martha Nussbaum betoogt in haar essays "Politieke emoties" en zoals Marc de Kesel betoogt in "Goden Breken" gaat het om vormen van moderniteit die of de traditie zeer selectief hanteren of hopen terug te keren naar de oorspronkelijke en zuiverste vormen van het gedeelde gedachtegoed. In de presentatie, de argumentatie en de verbeelding ervan zal men wel op stukken van het verleden beroep doen, maar alleen die welke het eigen toekomstbeeld schragen. Keurt men zoiets als Isis af of goed, zonder een begrip in de dynamiek van bewegingen in die regio, soms met steun van traditionele Arabische instituties zoals Saoedi-Arabië of zelfs van de baarlijke vijand, de VSA op gang gebracht, altijd weer zien we dat op enig moment niet meer de werkelijkheid, objectief en meetbaar, maar ideeën hierover en verwachtingen het overnemen. Dan past het niet meer a priori van conservatieve gedachten of tradionalisme te gewagen, want wat mensen drijft is een amalgaam.

De oorlogsherdenkingsindustriële voortbrengselen in woord en beeld laten ons op onze honger, want elke verrassing is uit den boze. Figuren als Ernst Jünger of Camille Huysmans, zelfs Frans van Cauwelaert blijven buiten beeld en de artikelen van Karel van de Woestijne, gepubliceerd in NRC worden niet in rekening gebracht. De aanhanger van een Nederlandstalig Vlaanderen zal de activisten niet volgen, maar zal vooral na de oorlog de verstarring in de benaderingen afwijzen. Hij zal de kunst van heden, telkens nieuwe kunst dus beschrijven, maar van Herman van de Reeck zal de dichter niet zo veel begrijpen, al schrijft hij er wel over. en hij schrijft over de blijvende lastering der Vlamingen, over de reinste van alle idealisten, Lodewijk Dosfel, die in dezelfde week van 11 juli 1920 veroordeeld werd tot een zware gevangenisstraf. Dosfel was ook een van die idealisten die de Gentse universiteit, door de bezetter Vernederlandst, schraagden en zijn straf niet ontliep.

Nu weet ik wel, dat een staat een verplichting heeft de openbare orde te verdedigen en te beschermen, maar dat die jongeman in 1920 werd neergeschoten en zwaargewond aan zijn lot overgelaten, heeft de gemoederen in Vlaanderen meer verhit dan lieden als Sophie de Schaepdrijver en Marc Reynebeau willen erkennen. Dat onze zelfverbeelding bol staat van verhalen, van ervaringen en van wensen, verwachtingen ontgaat hen, zeker als dit leidt tot besluiten zoals die van Jan de Vos, toenmalig burgemeester van Antwerpen, die de viering van 11 juli eenvoudig verbood. Lode Wils mag dan menen dat die Vlaamse Beweging evident conservatief was en katholiek wilde zijn, Herman van den Reeck, uit een - vooruit dan maar - kleinburgerlijk gezin, wiens vader ambtenaar was en moeder een winkel hield en die zelf merkwaardig genoeg aan de ULB geneeskunde zou gaan studeren, die de kerk niet echt toegewijd leek en vooral, die zich eerder aan de zijde van Clarté, van de linkse bewegingen bevond dan in kleinburgerlijk ressentiment te blijven hangen, die jonge man die stierf zal de volgende zes jaar niet herdacht worden, helaas ook niet in de Vlaamse Beweging, omdat hij niet past in de Oorlogsherdenkingsindustriële nijverheid noch in het beeld dat ook de Vlaamse Beweging soms van zichzelf koestert. Alle moderniteit werd eruit geperst, alle reminiscenties aan jeugdig, zeg maar juveniele begeestering werd en wordt hem en velen onder zijn gelijken ontzegt. Wat overblijft is een kloon van een Antwerps burgerjongentje.

Saai is dan ook de hele herdenking tot nog toe en wie er meent inzicht in het verleden uit te mogen putten, zal aan het einde van de rit vaststellen dat men figuren als van Cauwelaert, Frans dus, Camille Huysmans of Marcel Minnaert, Jozef Simons en al die anderen, die soms verkeerd liepen, later in hun leven of net onverwachte loopbaanwendingen niet schroomden, niet heeft leren kennen, maakt de oorlogsherdenkingsindustrie volkomen saai, verre van onderhoudend ook en al helemaal niet tot een bron van reflectie, over het Europa van heden, over de positie van burgers in Tsjechië, Hongarije en waar dan ook. Zelfs zou enig inzicht in de emoties van die jongeren van toen, aan het front of in het bezette land nuttig kunnen zijn voor het begrijpen van de strijdbaarheid van jongeren vandaag, soms zelfs voor het communisme, zoals ik onlangs nog vernam.

Herman van den Reeck stond niet bedelend aan de poort, verdiende niet in zijn bitter brood onder het juk van slavernij en bidden leek hem zo te zien vreemd. Maar met de jongeren in Syrië en Irak deelt hij een bevlogenheid die wij niet meer kennen willen en "placet experiri" is ons vreemd. Dat we de ene beweging van jongeren wel pruimen en de andere verwerpen, doet er niets van af. Overigens, vandaag zal men pleiten voor een objectieve benadering van de geschiedenis en dan komt een marginale gebeurtenis als de dood van Herman van den Reeck niet aan de orde. Want wij nemen alleen aan wat zakelijk en objectief bestudeerd werd en ons in de vorm van officiële geschiedenis aangeboden wordt. Nu goed, dan zijn we ineens verlost van het lezen van Caesar, Seneca, Erasmus, Hobbes en Rousseau... want dat gaat alleen over ideeën en voorstellingen van de werkelijkheid. Ook de Ethica van Spinoza kunnen we voortaan met rustig gemoed terzijde laten: de geschiedenis, Haers, is eenvoudig en men moet het niet moeilijker maken dan het is: feiten, niets dan de feiten. Ook al geloven we dan wel dat alleen die feiten van tel zijn, zoals Reynebeau ons doet geloven, die met zorg geselecteerd zijn, waardoor een saaie geschiedschrijving ontstaat, die Henri Pirenne met recht zou afgewezen hebben. Maar goed, men kan Reynebeau er niet van verdenken Henri Pirenne of Herman van den Reeck ooit ernstig te hebben genomen.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten