Kan een regering dezer dagen begeesteren?

Kritiek

Economisch handelen
vs
studie van het economische

Any plan conceived in moderation must fail
when circumstances are set in extremes.
– Prince Metternich

Gaston Eyskens (Lier 1905 - Leuven 1988) was
een van die politici die indruk maken kon omdat hij
grenzen stelde aan zijn politieke ambities: telkens
weer, na de Koningskwestie, na de stakingen tegen
het economisch expansiebeleid en tot slot na
de eerste staatshervorming wilde men
hem weg en dan ging hij terug naar zijn
kamer op de universiteit om er te werken.
Misschien lijkt de voorstelling wat te schoon,
maar tegelijk kon hij mensen begeesteren,
terwijl zijn collegae zich uitsluitend met
elkaar inlieten. 
Het moet er maar eens van komen want de vraag bezoekt ons al tijden, waarom economen het object van hun studie zo behandelen alsof het volstaat aan een paar knoppen te draaien om door een dipje te geraken. Nu Europa, onder meer als gevolg van geopolitieke crises en van het gebrek aan bereidheid vanwege de politiek de economie te hervormen - dat laatste acht ik dus onmogelijk - in een nieuwe vertraging van de groei-fase terecht komt, kan men niet anders dan nadenken over de aannames die in het publieke discours vigeren, omdat sinds de crises van 1974 en 1979 gebleken is dat economen naar het woord van Tomas Sedlacek en dus John Meynard Keynes niet zo gek veel kunnen voorspellen en vooral de toekomst niet. Toch berust veel politiek gedoe nu net op aannames. Finaal is het wel zo dat economisch handelen door de staat bevorderd kan worden of een andere richting uitgestuurd kan worden. De sluiting van "maakbedrijven", bedrijven die zorgen voor een meerwaardecreatie en die buitengaats te gelde kunnen maken, draagt ertoe bij dat we in het wereldeconomisch systeem dat we vandaag kennen niet meer lijken te kunnen bogen op enkele troeven die in de specialisatiemechanismen een rol spelen en tot investeringen kunnen leiden.

De voorgaande paragraaf mag dan misschien een paar ongerijmdheden bevatten, ze vertolkt denk ik, ook een communis opinio die ons politieke debat al vaker heeft gestuurd, maar tegelijk moet men vaststellen dat het zelden zo merkwaardig sterk tot een gevoel van morose heeft geleid. De aanleiding van dit stuk vormt het spoeddebat over de begrotingstabellen in het Vlaams Parlement van donderdag 14 juli 2014, maar des avonds viel op de Nederlandse televisie een gesprek te zien over de cijfers die het Nederlandse CPB (Centraal Plan Bureau) had uitgebracht en de overheid aldaar stuurt bij het uitwerken van de begroting. Ook de discussie over de participatieve samenleving kwam - zoals elke week bij Knevel en Van den Brink - aan bod. De vraag die men zich dan stelt, luidt niet of het ooit wel goed komt, maar wel hoe we inderdaad de verschillende parameters weer op orde kunnen krijgen. Maar ook dan moeten we terug naar Tomas Sedlacek, opnieuw nadenken over de economie van goed en kwaad, om te begrijpen waarom de overheden het dezer dagen zo moeilijk hebben met de burgers te communiceren, te vertellen en te luisteren dus, over wat kan/moet gebeuren.

Een commentator schreef in de krant (DS 14 augustus 2014) dat we moeten begrijpen dat deze regering geen groots project heeft voor 2020 ten behoeve van Vlaanderen, maar ik weet niet of de regering zomaar grootse plannen kan koesteren: men kan bruggen werpen of tunnels graven, windmolenparken bouwen en eventueel werken aan een nucleaire centrale die niet op uranium draait, men kan het onderwijs verbeteren, men kan de fiscaliteit... aha, daar zijn we dan: bij de fiscaliteit ligt een kalf gebonden, maar niet het kalf. Want als de handel afneemt en dus de inkomsten van bedrijven dalen en de werkeloosheid toeneemt, dan zal de fiscale stroom opdrogen, zowel de personenbelasting, de btw als de vennootschapsbelasting. Belastingen verhogen levert dan weinig op, omdat men de aantrekkelijkheid van investeringen verder verstoort.

Sinds de oudheid vormde het heffen van belastingen een belangrijk machtsmiddel van de overheid, de vorst of een stad, maar daar stond wel iets tegenover en dat vergeten we vaak. Op haar hoogtepunt investeerde Rome relatief weinig aan bewapening en legers, maar des te meer werd werd in wegen en justitie geïnvesteerd. Het is een aspect van het Romeinse rijk dat we zelden mee krijgen, omdat we ons blind staren op de grote machtsstrijd die bijna een eeuw aansleepte en Rome van een elitaire republiek omvormde tot een keizerrijk. Maar uiteraard was de basisactiviteit voor een groot deel van het rijk landbouw en alles wat erbij komt kijken. Toch nam de handel in het Romeinse rijk toe en werden teelten uitgevoerd naar verschillende delen van het rijk, zodat de economie behalve op een subsistentieniveau ook tegelijk een transformatie door bleek te maken naar specialisatie en toenemende handel. Maar in het geldende beeld eindigt de geschiedenis van het Romeinse rijk zo rond 180 na christus, maar we kunnen natuurlijk de jaartelling ab urbe condita hanteren of het jaar vermelden van de consuls... Het gaat om lineaire tellingen, die weergeven dat de wereld volgens een vast ritme toch vooruit gaat, want iets kan men niet terugdraaien, dat is de jaartelling. We weten dat Rome in die periode, rond 170 door een pestepidemie getroffen werd, maar toch zou het rijk niet zomaar verdwijnen, gewoon omdat mensen moeten overleven, vorm willen geven aan hun leven. Tussen overleven en het leven vorm en consistentie geven ligt een breed scala van mogelijkheden, die we doorgaans afzonderlijk trachten te overzien, maar in wezen gaat het om verwevenheden die we slechts artificieel uit elkaar kunnen halen.

We verwijzen naar die dode periode in onze herinnering aan het Romeinse rijk, maar we zouden net zo goed de achttiende eeuw kunnen bekijken, waarvan we, wat Vlaanderen en Brabant, de Oostenrijkse Nederlanden aangaat zelden veel vernemen, omdat we er nu eenmaal van overtuigd zijn dat er niets gebeurde toen, nada. Wie naar demografische data kijkt, naar huizen en openbare gebouwen, wegenaanleg ook, nu vaak nog te zien in de tracés van de steenwegen, zal merken dat er in de inrichting van dorpen en wegen een gelijktijdigheid op te merken valt, terwijl we merken dat er in bijna alle dorpen in Vlaanderen toen al een hiërarchie van huizen ontstond, die lang heeft stand gehouden. Deze evoluties over langere periodes, een paar eeuwen, laten vermoeden dat gewoonten maar ook levensstijlen langer standhouden dan we denken, maar tegelijk kan men, wat de achttiende eeuw betreft, meer nog voor de twee volgende eeuwen enorm snelle en diep in het maatschappelijke weefsel ingrijpende veranderingen zien optreden, waarvan zeker tot rond 1914 de rol van de overheid beperkt was, maar daarom niet onbeduidend. In werkelijkheid was de economie rond 1910 best in goede doen in België en ondanks enkele kleine schandalen rond spoorwegmaatschappijen, leek men de zaken behoorlijk op orde te hebben; natuurlijk ijverden de socialisten voor de achturenwerkdag en algemeen stemrecht, voor beter onderwijs en nog wel wat dingen meer, maar tegelijk kan men zich vandaag afvragen of men een goed beeld kan hebben van de inkomenssituatie van leden van deze samenleving, welke perspectieven men koesteren kon en hoe men werkelijk leefde. Ons beeld, zoals we dat meekrijgen uit wat in de brede media circuleert, zoals de film Daens en andere zaken, laten niet toe er een inzicht uit te distilleren, wat nogal wat would be historici en sociologen doen. Dat er armoede was, kan men niet ontkennen noch dat de kloof tussen de rijken en de arbeiders tamelijk diep was, zal men minstens moeten onderzoeken. Maar die kloof vaststellen betekent nog niet dat die mensen die niet tot de middenklasse behoorden, geen goede perspectieven hadden, als de oorlog niet gekomen was. Tegelijk zal niemand ontkennen dat de sociale strijd van het ACW en de socialistische beweging op goede gronden beruste. Maar nog in de jaren 1980 werd ons een grauw en lichtloos beeld voorgeschoteld om ons van de ellende van de arbeiders te doordringen.

Maar zelfs als het over de periode na 1950 gaat - we laten de moeilijk in te schatten periode na de bevrijding even achterwege, al weten we wel dat Achilles van Acker en andere bestuurders, maar ook de bedrijven sneller dan bijvoorbeeld Nederland erin slaagden de economie terug op gang te krijgen. Toen na 1949 Duitsland opnieuw een soevereine staat werd, de Bondsrepubliek Duitsland, met een stevige beperking van die soevereiniteit en toen vervolgens in 1950 Frankrijk en Duitsland een economisch samenwerkingsverdrag sloten dat in 1957 tot het Verdrag van Rome leidde - ook hier zouden de vele tussenstappen ver leiden - kwam er van politieke zijde een aantal goede antwoorden op economische kwesties. Wie vandaag die ontwikkelingen bekijkt en daaraan de werking van de EU ijkt, moet vaststellen dat een hoop werk verzet is en dat men zich beter kan gaan concentreren op de vraag hoe we economische weefsels beter met elkaar kunnen verbinden. Maar tegelijk valt dan op dat economisch beleid vanwege overheden niet altijd met de nodige aandacht voor details wordt uitgewerkt, maar dat men macro-economische data wel eens ad libitum wil hanteren. De politiek van Tatcher en Reagan mag in deze als exemplarisch gelden: hun streven de vermeende knellende banden die de economische groei zouden beperken weg te nemen, hebben de economie niet gestabiliseerd en zij hebben andere facetten over het hoofd gezien. De middenklasse is in deze ideologie verpletterd geworden. Aan de andere kant, mag men zomaar stellen dat het alles nefast heeft uitgepakt?

Het valt op dat er sinds de jaren 1980 op technologisch vlak zoveel vooruitgang geboekt is, die we nu als evident beschouwen - ook activisten tegen de 1 percenters gebruiken deze technologie met groot genoegen; wie zal het hen kwalijk nemen? -  terwijl we ons nauwelijks rekenschap geven van de hoeveelheid energie die nodig is om ons allen op onze iPad of anderszins naar sport of porno te laten kijken. We kunnen ook andere dingen doen met die technologie, maar dat is het beeld dat de publiciteit ons aandraagt. De economie is veranderd en sommigen menen dat we in Europa over afzienbare tijd geen of nog weinig maakindustrie - weer zo een begrip dat wel iets wil zeggen, maar het niet afdoende doet - zullen overhouden, maar tegelijk voert men campagnes voor duurzaam ondernemen en wil men op goede grond overbodig transport van goederen onmogelijk maken.

In dat alles zijn uw, mijn keuzes en handelingen op het oog hoogstens van statistisch belang en daar zit met het oog op het te voeren beleid een moeilijk in te schatten lacune. Men zegt dan natuurlijk dat de macroeconomische modellen abstractie maken van economische keuzes, maar wanneer de Belgen een enorme spaarpot bij de banken hebben staan - die nu weinig lijkt op te brengen - dan blijkt dat die massale spaarzaamheid de inzichten over het gewicht van de marginale spaarquote in het stabiele economische model ver overschreden. Men wil door lage rentes die spaarzucht te temperen en dat lijkt enigszins te lukken, maar tegelijk blijft het moeilijk vast te stellen wat mensen nu beweegt om te sparen of te investeren, eventueel te consumeren.

Sinds Keynes heeft men vanwege de overheden altijd beloofd in de vette jaren te sparen om in de magere jaren niet de broeksriem helemaal te moeten aanspannen. Maar doorgaans beschouwt men de vette jaren niet als zodanig en als het er echt om gaat spannen, zal men dus of schulden moeten maken of, wat belangrijker is, doen alsof men moet besparen om de toekomst veilig te stellen. Het politieke verhaal is sinds de jaren 1970 in deze behoorlijk schraal geworden. Maar omdat men polariseert rond koele boekhouderspolitiek versus "le retour au coeur" kan men niet gaan chicaneren over meer adequate fijnregeling van de overheidsuitgaven. De regeringen in Europa nu, kan men wel stellen, kunnen op het oog alleen maar teleurstellen. Voor de burgers, enfin, voor het commentariaat is het gemakkelijk: de overheden zitten aan de grond en nu kunnen zij, de leden van het professionele commentariaat lustig adviezen geven, die ze morgen, volgend jaar alweer vergeten zijn.

Vandaar dat we in deze komkommertijd nog maar eens verwijzen naar Tomas Sedlacek: hoe zullen we als samenleving zowel economische als andere maatschappelijke waarden vorm geven? Aangezien men ervan uitgaat, heet het, dat economie bestuderen ook moet betekenen dat men het economisch handelen kan sturen, wat tot heden altijd heikel is gebleken, vooral omdat mensen bijvoorbeeld in de mate van het mogelijke fiscale plichten proberen te optimaliseren, komt men maatschappelijk zelden uit wat men politiek had beoogd. Tegelijk stelt men het nog altijd voor, zowel links als rechts zijn in dat bedje ziek, alsof economisch handelen alleen gericht zou zijn op winstmaximalisatie of de maximalisatie van het genot. Hoe men bepaalde handelingen kan toetsen aan dat principe valt nog te bezien. Bovendien merken we nog een andere paradox die mij problematisch voorkomt: men gaat mensen aansturen meer over de lange termijn na te denken, net inzake spaargeld en inzake gezondheid, maar tegelijk zal men ons dagelijks, via mediaberichten van nieuwsredactionele aard en van allerlei ontspanningsprogramma's tot en met de publiciteit dat we vooral ons genot op korte termijn moeten maximaliseren. En wie zal aantonen dat de ene of de andere benadering meer rationeel is? Bovendien kan men in het persoonlijke leven best wel plannen maken voor meerdere jaren, een paar decennia, maar hoe graag men het ook zou willen, men moet intussen leven. En bovendien zullen we dat leven invulling geven, op de een of andere manier zin geven ook. Met Camus kan men stellen dat het leven absurd is maar dat we het hoe dan ook zin kunnen en moeten geven. Dat betekent niet enkel onszelf verzinsels aanpraten, maar ook een verhaal proberen te maken, door dingen te doen, niet enkel keihard te genieten, al mag dat ook, maar ook door iets of van alles te realiseren.

Hier schuilt denk ik een lacune in het economisch denken, al ben ik er wel van doordrongen dat economen, marketeers en anderen dolgraag stoeien met de gegevens die de academische psychologie opleveren, maar tegelijk lijkt men de dynamiek van het persoonlijke leven en van groepen niet geheel te overzien. Het viel me op dat tijdens het WK voetbal in Brazilië nogal wat mensen zeer uitgebreid bezig waren om de omstandigheden te creëren die nodig waren voor het keihard genieten van de lange avonden voor de buis, thuis, bij vrienden of in de publieke ruimte. Maar tegelijk kwamen er berichten dat bepaalde economische activiteiten daardoor stil kwamen te liggen. Maar die omstandigheden creëren, bleek ook, bracht een hele handel op gang, van het huren van grote schermen, enorme consumptie van bier en hapjes en nog zoveel meer. De publiciteit zelf rond het WK was ook nog eens een handel op zich en er waren vooruitziende lieden die opvang voorzagen voor mensen die zich niet aan al dat voetbal kunnen laven. Er waren zelfs restaurants en bistrots die uitpakten met de kwaliteitslabels van gegarandeerd voetbal- en ipad-vrij. Want het genot van de ene kan de andere veel ergernis bezorgen. Maar wat we ook doen, tenzij we ons als zevenslapers terugtrekken uit de samenleving,  zorgen onze handelingen, of ze nu gericht zijn op het naakte overleven of op luxe en tijdverdrijf voor vormen van waardecreatie.

Nu stelt zich voor de overheid de vraag wat haar inbreng is in het economisch systeem, maar ook in de samenleving. Het ligt in de visie van Tomas Sedlacek dat de economische wetenschap dan wel waardeneutraal is, economisch handelen, dat ook exploitatie van mensen kan inhouden, is niet ethisch neutraal. Terwijl men het ethische  in wetten en deontologische codes giet, die niet zomaar een verhaal brengen, maar het toelaten dat mensen een deel van hun beroepsdiscipline kunnen putten uit de regelgeving. Nu, als we kijken naar de discussie sinds 2003 over de kernuitstap en de vele discussies in het parlement over de bijdrage van Electrabel, dan moet men nu wel vaststellen dat het voorgestane beleid er mee aanleiding toe kan geven dat het systeem spaak lopen zal. Volstaat het te zeggen dat men niet afdoende op nieuwe, groene energie heeft ingezet, dan moet men ook vaststellen dat verbinding van de zee - waar de windmolens staan en het binnenland voor de bewoners van het traject waar de hoogspanningslijn aangebracht moet worden, een probleem heet te zijn. Elia, het bedrijf dat voor het beheer van het hoogspanningsnet instaat, probeert het project erdoor te krijgen. Men zal begrijpen dat hier een en ander aan de orde is, dat best een goed gesprek verdient. Want men kan natuurlijk proberen zelf energieonafhankelijk te zijn, door zonnepanelen aan te brengen en een kleine windmolen, als men ver buiten de dorpskernen woont, men kan dan toch niet het transport van elektriciteit, op zee opgewekt tegenhouden. Maar vandaag blijkt dat geen bezwaar, waardoor er allerlei beproevingen aan Elia en de overheid worden voorgelegd.

Dat aspect van wat Tomas Sedlacek te vertellen heeft, ontgaat zij die in de publieke ruimte het woord voeren, ook economen: hoe brengen we mensen samen voor grote projecten en voor een goed samenleven. Het verhaal van de kerncentrales laat zien dat men onvoldoende zicht had op de vele aspecten, zoals onder meer de bouw van windmolens op het land, die voor sommige mensen een onverdragelijke aanslag blijkt op hun woonkwaliteit. En zo is er wel meer, waar men gemakkelijk allerlei meningen over kan spuien, zonder dat men zich nog iets gelegen laat aan de neveneffecten. Wie nu denkt dat ik mijzelf zo boven alles en iedereen verheven acht, dat ik de oplossingen bij de hand heb, vergist zich. Waar het om te doen is, betreft het probleem dat we politiek als een voortdurende strijd, net niet op leven en dood zijn gaan beschouwen, waardoor aan het einde het beleid zelf en de uitvoering buiten beeld blijven. Ik zeg dus niet dat het ene beleid de voorkeur verdient over het andere, want deze kritiek betreft het probleem dat de samenleving zichzelf verloren is in steeds weer herhaalde boodschappen, die men als de enige ware, juiste of rationele voorstelt.

Naast Sedlacek kan men verwijzen naar Paul Frissen, de auteur van "De Fatale Staat" die er net op wijst hoe men steeds meer technocratische invullingen geeft aan de beleidsvoorbereiding, waardoor de kritiek als vanzelf zinloos is en hier heeft zeker de SP-a met de voormalige excellenties Luc van den Bossche en Louis Tobback, Frank Vandenbroucke een zekere reputatie ter zake opgebouwd: de onvermijdelijkheid van zowel plannen als uitvoering, zodat de burger ging vragen stellen over het paternalisme van deze lieden.

Wil men dus opnieuw beleid gaan voeren dat meer mensen kan mobiliseren en dat een perspectief geeft voor zowel de nabije toekomst als een voor een bredere horizon - die laatste zal daarom altijd een zeker idealistisch karakter hebben - dan zal men die plannen ook beter kunnen uitleggen, wel wetende dat het staatsapparaat door de afgelopen eeuwen zeer complex is geworden en dat sommige plannen wel heel traag door de mangel gaan.

Economisch beleid voeren, betekent voor de overheid dat ze wel perspectieven kan aanbieden, maar de overheid is maar in beperkte mate de handelende partij, want het zijn de ondernemers, personen die handelen. En zij moeten daar dus de baten en de kosten van kennen. Maar het blijft wel zo, dat we alternatieven hebben, namelijk investeren dan wel de investeringen toevertrouwen aan banken, fondsbeheerders die dan het geld laten circuleren. Wie schreeuwt om jobs en ik weet van geen enkele politicus dat die dat niet doet, zal merken dat men het alternatief om hier te investeren wel best zowel fiscaal als administratief aantrekkelijk moet houden of maken. Tegelijk doet de overheid er veel aan om overheidsinvesteringen met de private sector op zetten, via PPS waardoor het risico ontstaat dat men een rent seeking behaviour stimuleert. In louter economische termen mag men dat neutraal bekijken, maatschappelijk moet de rente die particulieren voor die programma's ontvangen wel goed kunnen verantwoorden.  Scholenbouw is zo een project, al wordt er ook veel geld lokaal ingezameld met allerlei acties.

Als we zien hoe de baas van de Spoorwegen, de heer Cornu, met vele problemen te maken heeft dan zal het wel zo wezen dat hij aan zovele geplogenheden gebonden is, aan actoren ook, die zijn opdracht de reizigers goed te bedienen, altijd weer onder druk zetten. Het doet er niet toe of die reizigers voor het woon-werkverkeer gebruik maken van de spoorwegen of bus en tram, maar wel dat die vervoersmodi zo beschikbaar zijn dat mensen er een goed alternatief in zien voor de individuele vervoersmodus bij uitstek, de auto.

Laten we aan het einde van deze overwegingen dus maar vaststellen dat wat men als economische aannames dag na dag over ons uitstrooit zozeer gefragmenteerd blijkt en uit de context gerukt, dat elke stellingname ten aanzien van de mantra's, weinig met economische wetenschap te maken hebben of er een karikatuur van maken. De tweede zaak betreft het feit dat ons handelen altijd wel een economische consequentie heeft, ook al zijn we niet bezig in een economisch en rationeel kader te denken. Tot slot is het van belang dat wij en de overheid samen voor welvaart zorgen: de overheid zorg voor instrumenten en voorzieningen, zorgt dat die op billijke wijze verdeeld worden, maar kan niet alle onkosten voor bijvoorbeeld de bezigheid van kinderen op zich nemen. Die illusie die links graag blijft verkondigen, staat haaks op wat de PVDA in Nederland in de regering ondersteunt, waar de overheid voor een aantal activiteiten van burgers, voor zorg voor ouderen en andere hulpbehoevenden de familie eerst ingeschakeld wil zien. Zo geformuleerd is het drastisch, maar dat de familie ook mee zorg kan opnemen, betekent niet dat betaalbare professionele hulp niet aangeboden kan worden, zoals thuisverpleging en gezinshulpen.

Dat men beleid harteloos noemen wil, lijkt de samenleving, lijken velen niet echt te deren. Meer nog, Nederland blijkt plots tot het inzicht gekomen dat men te veel op defensie bespaard heeft en dat er nu zelfs geen behoorlijk skelet meer rest. Zijn we dan oorlogsgezind als we menen dat, ook voor dit land, dat landsverdediging, in een Europese context bij uitnemendheid een taak is van de overheid? Men kan dan altijd nog de oude discussie onder de founding fathers van de VSA gaan bekijken, waar de vraag naar de noodzaak van een groot staand leger door Georges Waschington himself betwist werd. Vandaag kent Europa, zoals René Cuperus na een lange termijn van vrede die we als een zegening tellen een grote terughoudendheid als het om investeringen in landsverdediging gaat. De herdenkingen van WO I, de discussie over het fort van Loncin, dat wil zeggen de vraag waarom de forten de nieuwe Duitse artilerie niet kon weerstaan, geeft vooralsnog geen aanleiding tot reflecties over de huidige staat van een Europese gemeenschappelijke defensie en elke poging tot geintegreerd militair beleid botst op de gevoelige tenen van de soevereine lidstaten.

Nadenken over economie kan men best op grond van goede en deugdelijke modellen, maar die zijn niet waardenneutraal, omdat ze telkens aannames en keuzes impliceren, die men te vaak niet weet over het voetlicht te brengen. Geloof in de samenleving als een gezamenlijk project dat nooit eindigen kan, zal een andere benadering voortbrengen dan een idee dat de staat de hele samenleving zal bestieren van bovenaf en technocratisch. Technologische instrumenten laten toe die gedachte werkelijkheid te laten worden, maar dan onderschat men wellicht de autonomie die mensen dezer dagen ontwikkeld hebben. Nog eens, wie economisch en algemeen beleid aan de man zal brengen, kan niet volstaan met een dialoog als van moeder tot kind: "Waarom?" - "Daarom". Verantwoording en zin voor nuance, maar ook vertrouwen in mensen dat die wel weten wat best is voor hen - en dat is niet per een kwestie van winstmaximalisatie alleen - maar ook voor derden, kan een nieuw elan geven aan deze wat sleetse samenleving. Men hoeft het Rijnlandmodel niet af te branden, om te beseffen dat sommige facetten in de uitvoering heroverwogen kunnen worden om het bestel zelf nieuwe vitaliteit te geven.

Misschien is dat de kwestie van vertellen, zonder de verworven inzichten die wel eens tegenstrijdig blijken zomaar op de mestvaalt van de geschiedenis bij te zetten. Het gaat erom, tot besluit dat we inzicht hebben in wat nu nodig is en daar gezamenlijk iets aan willen en kunnen doen. Maar ook zou het wenselijk wens, denk ik dat we die gedachte eens wat opzij schuiven dat Vlaanderen bij de top-3 in Europa zou moeten aankomen. We hebben het relatief goed, niet iedereen stelt het evengoed, ook dat klopt, maar toch, we kunnen vele problemen nog oplossen. Maar we missen een begeesterend perspectief voor de samenleving, want personen hebben die wel, maar daar kan men als samenleving niet over oordelen, want dat behoort tot de autonomie van de persoon - behalve als men een loopbaan als gauwdief of dealer voor ogen heeft staan. Alleen nog dit, wil men die autonomie realiseren dan kan men niet anders dan vooral jongeren goed vormen, niet alle op dezelfde leest, maar elk naar zijn of haar talenten. Scholen dus en meer dan behoorlijk onderwijs. De ideologische discussie gaat nu over gelijkheid, misschien te weinig over het aanreiken van de mogelijkheden om positieve vrijheden te verwerven. Maar dat is dan weer een andere discussie.

Wel is het dan nog altijd zo dat wat we de toestand van de economie noemen in vectoren opgedeeld, zoals ondernemers, ijver van medewerkers, de geschooldheid en de ambities van werkgevers en werknemers, als men dat alles mooi uitgetekend heeft, dan komt uit bij een rest, die economisch onbeduidend lijkt, maar maatschappelijk en finaal dus wel economisch betekenis heeft. Het gaat om de gedachte dat mensen bezig zijn, elk voor zich, dat ook, maar veel vaker in vormen van gezamenlijkheid en dat dit nu net de vitaliteit geeft die in groei vertaald kan worden. Het verhaal van een vitale samenleving? Ik weet het, sommigen huiveren ervoor, want we kennen de minder goede versies, maar de goede versies, zoals Lyndon B Johnson dat in beleid vertaalde, zijn we dan zedig vergeten. Dynamiek, vitaliteit, dat zoek ik wel eens wat vergeefs in de politieke verhalen. FDR, maar ook de oude heer Gaston Eyskens konden het wel vertellen, net als Winston Churchill. Mogen we dan niet betreuren dat politici als François Hollande, maar ook David Cameron of Di Rupo de politieke speerpunten vooral hanteren in het gevecht met de baarlijke duivels, nu eens links, dan weer rechts? Al zegt men dat ze het goed bedoelen, hun werkzaamheid betreft vooral het electorale scorebord. Soms pakt dat nog gunstig uit, maar het is niet hun eerste opzet.

Bart Haers




Reacties

Populaire berichten