De wanhoop van een koning tijdens het interbellum



Reflectie


Waarom was koning Albert I
depressief

over de wanhoop van een politicus



August Vermeylen, eerste rector van de
volledig vernederlandste universiteit Gent
in 1930: veertig jaar strijd, emancipatie
en streven naar vooruitgang. Vermeylen staat
voor veel, zodat hij net zo goed
deze bladzijde kan sieren als Koning
Albert I
Philipp Blom beschreef in een uitgebreid essay hoe de jaren van het interbellum een klimaat van onzekerheid schiepen waardoor mensen zich aan een strohalm gingen vastklemmen, terwijl er toch ook mogelijkheden lagen. In mijn recensie verwees ik al naar enkele figuren die buiten het kader vielen dat Blom ons schetste. Het maakt het essay daarom niet tot iets te negeren, want zonder dat boek zou ik niet tot de vraag gekomen zijn waarom Albert I zo depressief was in de periode voor zijn dood in 1934. Het roept wel de vraag op wat er toen speelde en waarom het voor ons niet zonder betekenis is erover na te denken. Het gaat me niet om de vorst, om het koningschap, om het feit dat Albert als persoon en als vorst wel degelijk toegang had tot vele bronnen van informatie en tegelijk merkte dat hij zoveel kon waarschuwen als hij wilde, zonder verder resultaat.

Toen ik een jongen was, gingen we van tijd naar een winkel tegenover de kerk, waar een en ander nog in wrak te kopen was, koffie, bloem, rijst.. waarbij een café, een afspanning hoorde, "De hoop op vrede". Herman Willems was de waard, zijn vrouw stond in de winkel en samen hadden ze een druk leven. Pas later, toen het dorp veranderde, begreep ik wat Wim Sonnevelt zong: we dachten dat het nooit voorbij zou gaan.

Herman Willems was ook iemand die de Vlaamse Beweging was toegedaan, die ook de herinnering aan Herman van den Reeck levendig hield maar er niet meer over spreken kon. De oorlog werd in het dorp ook steeds minder herdacht, Albert I kenden we uit de schoolboekjes als de Koning-Ridder, maar over zijn dood hing een mantel van verdichting en mysterie, tot ik op een dag, op wandel in de omgeving van Sint-Hubert een herdenkingsmonumentje vond, waar stond dat de koning zich in de omgeving had opgehouden, in de maanden voor zijn dood. De onduidelijkheid over de toedracht van zijn ongeval in Marche-Les-Dames kwam af en toe in de media aan bod, maar echt veel betekenis hechtte men er niet aan. En toch, proberen we ons in de geest van de vorst in te leven, dan wordt duidelijk, mits enige kennis van het moment, dat er veel speelde en dat zijn wanhoop niet uit de lucht kwam vallen. We zullen hier niet besluiten dat hij de hand aan zichzelf sloeg, want er zijn geen formele bewijzen voor, wel dat de man die van 1909 af koning was geweest, twijfelde aan de grondslagen van zijn bestaan en van de zaken die hij genegen was geweest.

Deze benadering laat toe aan het werk van Blom zo niet een addendum toe te voegen, dan toch een lacune in zijn werk onder ogen te zien: de ontwikkelingen in de Nederlanden, België en Nederland tijdens die periode te belichten en aan te geven dat de evolutie in de geesten in dit land en Nederland toch niet zo betekenisloos zijn als de internationale media - dus ook essays - laten uitschijnen door er te gemakkelijk over te zwijgen. want in die Nederlanden gebeurde er ook van alles: Em. Querido ving de auteurs in Exil op en gaf hen een vehikel om hun literaire activiteiten verder te zetten. Heike Kamerlingh Onnes was maar een van de wetenschappers die Nederland groot maakten op het terrein van de natuurkunde. De vliegtuigfabrieken van Fokker? En in Belgiê, Minerva? Het was technologie, maar tegelijk was het ook nog ambachtswerk, terwijl Lieven Gevaert en Leo Bekaert meer industrieel te werk gingen. Het beeld is, naar gewoonte minder eenduidig en voor historici wordt het dan wel eens lastig en voor niet-historici onoverzichtelijk.

Dit herdenkingsjaar, waar sommigen menen dat historici weinig toe te voegen hebben aan het vigerende beeld en een enkele historica haar best doet dat ook te onderbouwen, komt het boek van Philipp Blom wel als een aangename verrassing op tafel, want we kunnen terug verder denken dan die vermaledijde vier jaar van frontervaringen en van doorgedreven moderniteit. Koning Albert stond niet op afstandje, maar was als legerchef n° uno ook direct betrokken, maar als vorst zou hij tijdens het interbellum heel wat te overwegen krijgen, gegeven zijn mandaat om te raadplegen en te waarschuwen.

Albert I, geboren in 1875 en tijdgenoot van onder meer Thomas Mann - jaargenoot - was niet voorbestemd voor de troon tot zijn neef in 1869, maar vooral zijn broer, Boudewijn gestorven was in 1891, waarna hij dus in het vizier kwam. Gedaan met zijn autonomie, maar tegelijk misschien ook het begin van een zinvoller bestaan. Over Leopold II wordt in dit land weinig lovend gesproken, omwille van zijn maitresses, omwille vooral van zijn uitbuiting van Congo. Veel valt er niet op af te dingen, maar toch blijf ik die moralistische bril verdacht vinden, omdat het koloniale avontuur op zich in morele termen bedenkelijk mag heten, iedereen deed het, enfin, de mogendheden deden het en hadden nauwelijks meer consideratie met de eigen bevolking dan met de koloniale populaties.

Albert I maakte het mee hoe dit land, hoe Europa in een maalstroom van ontwikkelingen terecht kwamen die we als de Tweede Industriële Revolutie hebben bijgezet in het pantheon van de geschiedenis. De geschiedenis van deze periode heeft Philipp Blom beschreven voor de grote mogendheden, maar het valt op dat we geen idee hebben wat dat in België en Nederland heeft meegebracht. Het feit dat het Zuiden van de Nederlanden sneller op de trein van de moderniteit was gesprongen, de technologie, de grootschalige staalindustrie en de snelle verstedelijking kan men niet negeren, maar het punt is tevens dat dit parallel verliep aan andere ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van het onderwijs - de voorstelling van zaken dat in 1914 het merendeel van de rekruten uit Vlaanderen nog steeds analfbeet was, kan men maar beter goed onderzoeken, want sinds 1903 had men grote stappen gezet in de modernisering van het leger, want voor de regering en de vorst, Leopold II stond het vast, het land moest de eigen neutraliteit ook gewapenderhand kunnen verdedigen en bovendien diende men daarbij niet enkel op het materieel kunnen rekenen, maar ook op het  personeel en daarom werd toen besloten af te stappen van het lotelingensysteem om meer geschoold personeel dat met modern wapentuig en logistiek kan omspringen. Dat proces was pas in 1913 helemaal op de rails gezet.

Men zegt wel met enig recht dat de forten van Luik en Antwerpen niet stevig genoeg waren, maar vestingbouw dient, zoals Simon Stevin en Vauban al wisten regelmatig onderhouden en bij de tijd gebracht te worden. Bovendien waren de samenlevingen in Europa vrij open en kon men als toerist bij de forten in de buurt komen. Opvallend blijft de zwijgzaamheid over het beleid dat Frankrijk voerde  ten aanzien van Servië, dat wil zeggen dat Frankrijk verregaand het irredentisme steunde en vooral de propaganda  tegen Wenen en Boedapest mee onderbouwde. Mij kan men niet uitleggen dat men het Wenen van rond 1900 waar men Mahler, Schnitzler maar ook ene Wittgenstein aan het werk kon zien, een van die industriemagnaten die men echt niet kan negeren, mag beschouwen als een oubollige en uitgewoonde staat, want de werkelijkheid was zonder meer veel rijker geschakeerd. De opbouw, zeg maar de ontwikkeling van het zogenaamde oude en vermolmde keizerrijk, iets wat men dezer dagen graag herhaalt, wordt zelden in beeld gebracht. Of moeten we hebben over het Jonge Duitsland, dat wil zeggen een Duitsland, dat in die periode op alle terreinen het voortouw nam, maar tegelijk ontgaat het ook velen hoe een opvallend jonge bevolking in Duitsland aan de weg timmerde, als gevolg van... tja, hoe zal men die demografische boom begrijpen, te meer omdat Frankrijk op dat moment aarzelde om nog kindjes te maken.

Albert, van 1891 betrokken bij het koningschap als erfprins, als opvolger van Leopold II, die niet bepaald populair heette te zijn, maar die wel bezig was, met de uitbouw van Brussel, Oostende, mee ijverde voor de havens en tegelijk, zoals gezegd de ontwikkeling van de bevolking. Albert zal de hele discussie over de invoering van de school- dan wel leerplicht, waarbij Charles Woeste zo een desastreuze rol heeft gespeeld door voortdurend over de "liberté du père de famille" te zeuren in plaats van onderwijs een hefboom voor ontwikkeling te maken. Maar al bij al gebeurde lokaal veel, want ouders wilden, als het even kon, dat hun kinderen naar school gingen, hoe moeilijk dat ook was.

Albert zou dus via Emile Waxweiler (1867 - 1916) contacten hebben met de nieuwe maatschappelijke krachten, want Waxweiler legde de grondslagen van de Brusselse school voor sociologie en het Institut Solvay. Maar zo kwam Albert ook met een andere econoom in contact, Lodewijk de Raet, die nadacht over - non horresco referens -Vlaamse Volkskracht. Geen van beide zou WO I overleven, maar voor Albert, vermoed ik, blijft het van belang dat hij niet zomaar contact had met de oude adel of de stichtende families van de N.V. België. Wat het ook is, na de oorlog stond Albert net als de regering voor een onmogelijke taak: het land heropbouwen en daarbij het geloof in eigen kunnen herstellen. Waarom men in dit land dit project en proces van wederopbouw niet naar waarde weet te schatten, waarom het in het duister is blijven hangen, blijft een punt van twijfel, want het is wel nodig dat die inspanningen als project in de schoolboeken komen.

Aan het einde van de oorlog heeft Albert I met een aantal adviseurs een agenda bij de hand, die in Loppem zijn doorgesproken. Men heeft de Vlaamse vraag om de universiteit van Gent te Vernederlandsen afgewezen, maar het algemeen stemrecht - voor mannen - ingevoerd. Op het eerste zicht, zou men kunnen stellen dat de regering daarmee Vlaanderen negeerde, maar de geschiedenis tijdens het interbellum laat zien dat de maatschappelijke verhoudingen sneller wijzigden dan zelfs Jules Destrée had kunnen voorzien. Er was in die periode rampspoed, dat klopt, maar, de opbouw van de veestapel, het herstel van het industriële vermogen kwam er wel, de wegen werden hersteld en de Verwoeste gewesten werden hersteld als woongebieden, als landbouwgebieden. Er werden nieuwe zuivel- en suikerfabrieken gebouwd, Veurne en Diksmuide, met particulier geld. De PPS zat in het proces ingebakken en dat blijft, wat mij betreft een van de belangrijkste aspecten van het Interbellum, al spreekt men er alleen onder vakhistorici over.

Een ander aspect van die tijd bestaat erin dat men aan nieuwe dingen toekwam, zoals de aanleg van het netwerk voor elektriciteitdistributie, waarbij bijvoorbeeld boeren in de buitengebieden ervoor kozen hun huis en erf dichter bij de weg te bouwen, zodat ze elektriciteit kregen in het woonhuis en in de stallen. Het zijn aspecten van modernisering die men vandaag eerder banaal vindt, zoals het feit dat het spoorwegennet en het wegennet niet enkel hersteld maar ook verder uitgebreid werd.

Albert I maakte het dus allemaal mee als koning, stimuleerde als het nodig was en beleefde hoe de 100ste verjaardag van het land werd gevierd, maar er was veel dat hem aan het denken zette. De eeuwfeestpaleizen in Brussel getuigen nog steeds van de ambities in moeilijke tijden, zoals ook de aanleg van het Centraal Station tegelijk een esthetisch programma dat tijdens het interbellum voor veel kopbrekens zorgde op de agenda bleef. Nu was Albert niet zo geneigd als Leopold II om via stromannen van alles op de rails te zetten, wel zocht hij contacten met de grote geesten van zijn tijd, zoals Albert Einstein en patroneerde hij wetenschappelijk onderzoek.

Het is in deze context dat ik denk dat Philipp Blom ook wel aandacht had kunnen besteden aan de Lage Landen bij de Noordzee, waar de oorlog sporen had nagelaten en waar men - zowel in het Noorden als het Zuiden - veel in het werk stelde om de problemen op te lossen en mogelijkheden aan te grijpen. De aanleg van de Afsluitdijk, na veel voorbereidingen en gelobby tussen 1891 en 1927 verliep in wezen verrassend snel. Het valt me op, telkens weer, hoe moeilijk het is, wanneer men van een bepaalde periode een paar kenmerken heeft gemunt, andere facetten nog in overweging en in de weging te nemen om de periode te vatten.

Zowel in Nederland als in België ziet men daar afdoende sporen van, terwijl tegelijk bijvoorbeeld de inbreng in de arbeiderspartijen niet altijd aan de orde komt. Pieter Jelles Troelstra roept wel even de revolutie uit, maar veel meer dan een storm in een glas water werd het niet. In België werd de BWP lid van de regering, al zou het tot 1925 duren voor de partij via parlementaire weg in een sterke positie tot de regering kon toetreden. Intussen had België een doorgaans met de mantel der vergetelheid omgeven oorlogshandeling gesteld, de bezetting van het Ruhrgebied, in het zog van Frankrijk, dat mee de hyperinflatie veroorzaakte. Omdat de handelingen in deze nooit echt te berde komen en de eenvoudigste verklaring luidde: "we want our money back" dat wil zeggen, men wilde dat Duitsland de verplichtingen van de Vrede van Versailles zou nakomen en met bekwame spoed de achterstallige oorlogsschadevergoedingen zou uitkeren, waarbij men dacht het mes op de keel van het nog steeds van revolte en revolutie broeiende Duitsland te kunnen zetten, kan men de het proces van besluitvorming en uitvoering maar niet helder krijgen. In welk opzicht dit heeft bijgedragen tot de instabliteit van Weimar? Hitler probeerde in München een machtsgreep en verbleef vervolgens een jaar in een gevangenis, waar hij Mein Kampf schreef. dicteerde.

Maar ook artistiek kan men over deze periode in de Nederlanden wel meer zeggen dan doorgaans wordt aangedragen wordt.  Een talrijke schare aan schilders en beeldhouwers bleef interieurs verfraaien, zorgde ook in de openbare ruimte voor esthetische genoegens, maar dat, zo blijkt wel eens, lijkt men te vergeten. En toch, René Magritte was toen ook al vrij bekend en Hergé begon aan zijn verovering van de kinderziel.

Of zouden we het toch proberen, nagaan hoe het met wetenschappen en filosofisch debat gesteld was? Feit dat is dat in de literatuur figuren als Felix Timmermans, Willem Elsschot en in Nederland mensen als Menno ter Braak en Eduard Du Perron, Henriëtte Roland Holst en Adriaan Roland Holst hun bijdrage aan het bijwijlen scherpe debat leverden, ook al sprak Holst over rustige vastheid.  Verder was er ook de opvolging van het feministische project, de bouw van nieuwe steden en kortom, de gedachten waren ook toen best vrij, de beperkingen iets groter dan sommigen dachten. Architectuur werd in de sfeer van de Nieuwe Zakelijkheid kaler, maar ook dat had eigen charmes, die we vandaag wel eens negeren.

Wat we voor ogen hebben staan, hier nog enigszins oppervlakkig, dat is een beeld van de jaren na WO I en vervolgens voor WO II omdat het een tijd was, waarin mensen niet vergaten te leven, zoals Philipp Blom betoogt, maar wel met de onzekerheden en ellende van de tijd omgingen, of er probeerden aan te ontkomen, door ze te negeren. Men zegt vaak dat de Jazz pas na WO II in Europa geland is, maar het lijkt er wel op dat de komst van de Amerikanen in 1918 aan het front en vervolgens mee in de herovering van België niet onopgemerkt voorbij is gegaan. Hoe een mens als koning Albert daarmee omging? Wellicht gereserveerd, maar zeker is dat toch niet. Hij stond immers wel met zorg naar de samenleving en het moeilijke leven van de burgers te kijken, maar hij begreep dat er geen lievemoederen aan hielp: werken, zwoegen en wrochten was de boodschap. Toen in de jaren na de crash van Wallstreet ook hier de crisis landde en de industrie trof, die er pas bovenop begon te komen, soms nog steeds niet de oude productievolumes van 1914 haalde, de werkeloosheid toenam en de politieke instabiliteit, moet dit voor de vorst een zware ontgoocheling geweest zijn, net omdat hij er zo weinig aan kon doen. Ook politici getuigden er wel eens van dat ze machteloos stonden als de fabrieken sloten. Maar zij konden wel beleid maken, de industrie ondersteunen, de werkelozen ondersteunen, gezinnen bijstaan. Het plan de Man, een plan dat een algehele mobilisatie voor ogen had staan, dat tegelijk aansloot bij de Duitse pogingen, nog voor de machtsgreep van de NSDAP, de economie opnieuw handen en voeten te geven en mensen in hun bestaanszekerheid te beschermen, deels bij de New Deal van Franklin Delano Roosevelt, bleef nazinderen. Maar bij elk van die plannen, zo blijkt achteraf ligt niet de verdienste in de berekenbare vooruitzichten van succes, wat bijvoorbeeld in de planeconomie van Stalin wel het geval was, maar ook het Nazisme werkte, minder consequent, met planeconomie. In een rechtsstaat is het niet eenvoudig zoiets succesvol op te zetten. Stalin liet Amerikanen een fabriek bouwen in de Oeral, de grootste staalfabriek, Magnitostroi - de magnetische stad - ter wereld, maar de wijze waarop, was voor de technici uit de VSA een uitdaging, om de omfloerste taal dezer dagen aan te wenden. Want vele van de arbeiders kwamen niet uit vrije wil.

De vraag die ik ook te berde moet brengen is deze, vanaf 1918 zien we dat een aantal onheilsprofeten, zoals Oswald Spengler, de auteur van "Der Untergang des Abendlandes" vrij snel aanhang kon vinden bij het publiek, omdat men gelooft, niet ontkennen kan dat het Avondland zichzelf in de oorlog te zeer heeft uitgeput. Maar Spengler lijkt net daarom te betogen dat het avondland zich moet versterken, dat de mensen opnieuw moeten geloven in het genie van het Avondland. Ook in Nederland en Vlaanderen kreeg het werk aandacht, om de eenvoudige reden dat zeker in Nederland de aversie tegen het UK wellicht groter was dan tegen Duitsland: Duitsland bleef de intellectuele referentie, terwijl het UK door de strakke toepassing van de neutraliteit Nederland veel heeft gekost en toch wel soms ten faveure van de Oostelijke buur leek te handelen, dat tijdens de oorlog Nederland ongeveer  omsingeld had.

Toch zou in Nederland, waar de NSB wortel schoot, enigszins verbondenheid zocht met het Vlaamse VNV - terwijl in Franstalig België Léon Degrelle Mussolini met succes imiteerde - ook het burgerlijke verweer niet afwachtend blijven, zoals Johan Huizinga deed tijdens deze periode. Ook Jan Romein, Pieter Geyl droegen hun stenen bij, schreven voor vakbroeders, maar hadden ook opvallend een luide stem en een vaak aanhoorde stem in het publieke debat. Homo Ludens, van Huizinga, Erflaters van onze beschaving van Jan Romein en Annie Romein-Verschoor. Van Huizinga wordt wel eens gezegd dat hij conservatief en burgerlijk zou aangekeken hebben tegen mensen en dingen, maar misschien moet men dan zijn werk toch beter kennen, om te begrijpen dat hij drolerieën als de Ondergang van het avondland niet kon smaken.

In België trad Henri Pirenne intussen op, zo heet het, als een onderkoning die omwille van zijn deportatie en gevangenschap in Duitsland een held was geworden, die in Gent twee universiteiten wenste, maar uiteindelijk naar de ULB trok toen in Gent in 1930 een eentalig Nederlandse universiteit kreeg. Zijn rol bij de studie van WO I was overigens veel groter dan men vandaag doorgaans verneemt, omdat hij, mede gesteund door het Carnegy-fonds bronnen liet verzamelen over de oorlogsjaren en zelf in 1928 een eerste synthese over de oorlog neerpende en uitgaf.

Er valt dus wel degelijk veel te onderzoeken, maar daarmee heb ik nog steeds niet aangegeven waarom Albert I in de winter van 1933 - 1934 in de omgeving van Saint-Hubert zou rondgedoold hebben, enigszins depressief, minstens reflecterend over de gang van zaken. Men zegt dat hij van nature tot zwaarmoedigheid geneigd was, dat koningin Elisabeth nogal vaak eigen paden bewandelde en dat hij zelf zijn eigen bestemming niet vinden kon. Over het ongeval kan men niet zo heel veel met zekerheid zeggen, maar ik weet niet of het ook zinvol zou wezen. De gedachte die mij bezocht bij het lezen van Philipp Blom's boek over deze periode van crisis, waarbij de vorst zich meer verantwoordelijk zou hebben gevoeld dan hij kon omzetten in daden, was dat Koning Albert ook wel wist dat Pirenne zelf nogal pessimistisch dacht over de vooruitgang, wat hij voor WO I, nog wel even anders had gezien.

De regeringen waren in de periode na het uitbreken van de financiële en economische crisis niet bepaald toonbeelden van stabiliteit en daadkracht. Het land zocht maar vond niet direct mogelijkheden voor relance omdat de aandrijfwielen van onze economie, de export naar de buurlanden en naar de VSA, maar ook naar, al mag dat verbazen, Rusland stil waren gevallen. Kommer en kwel? Voor de bestuurders zeker, terwijl in sommige hoofdsteden nog steeds iets nazinderde van de it-girls, de flappers, de lui die uitgingen tot de ochtend en ontbijt namen om een uur of vier met een kleintje bier, dat was het beeld. Onzekerheid, onmogelijkheid adequate oplossingen te vinden, omdat niemand wist hoe men de verschillende mechanismen van de samenleving opnieuw aan de praat kon krijgen. Kan het dat de vorst hier het hoofd bij verloor? Zijn rol was constitutioneel beperkt, maar hij wist ook dat hij het zich niet kon veroorloven in Gap of Nice in een villa de boel de boel te laten, als hij dat al had kunnen doorstaan.

Via dit moeilijke omgaan van de koning met de crisis probeer ik slechts: een lacune in het boek van Philipp Blom in te vullen, zeer summier, maar wel omdat ik stellig de indruk heb dat in Vlaanderen noch in Nederland echt veel aandacht voor die periode opgebracht wordt. Ook aan de universiteiten lijkt een vragen voorbij te gaan, al moet ik hier toegeven dat voorzichtigheid geboden is, via literatuur-, kunst- en architectuurgeschiedenis onderneemt men wel een en ander. Maar of men daar als geïnteresseerde veel over vernemen kan in de bredere media, blijft nog maar de vraag en of er historici zijn die ons onderhouden willen over de evolutie in de geesten, komt dan ook aan de orde. Het doctoraatsonderzoek van Bruno de Wever, over het VNV en de greep naar de macht blijft daarom wel richtinggevend, net als het werk van Lode Wils over het handelen van Frans van Cauwelaert in de jaren van het Interbellum - als deel van een uitgebreide biografie. Emmanuel Gerard tot slot schreef over de crisis van de Katholieke partij in die periode die mee uiting was van de grote verscheurdheid en zelf haar eigen instabiliteit doorgaf aan de politieke instellingen. Kortom, wie het wil onderzoeken kan over bronnen beschikken, maar een poging tot synthese heb ik vooralsnog niet gevonden, die toelaat het beeld dat Philipp Blom ons voorhoudt te toetsen voor de Nederlanden.

We weten dat de koning stierf op 17 februari 1934 en dat dit in onduidelijke omstandigheden is gebeurd, die nooit door politioneel onderzoek werden opgehelderd. Hij heeft een grootse en meeslepende tijd mee beleefd, maar hij was er geen architect van, zoals niemand van de industrialisatie een architect mag heten, want het proces gebeurde eerder rommelig, met successen en falingen, met kleine en grote corruptie, maar ook ongekende inspanningen en vindingrijkheid, niet enkel vanwege de elites, want soms werd een voormalig smid, een koster zelf een staalfabrikant of machinebouwer.

Onze vraag was of en hoe een daadkrachtig man zo onder de omstandigheden kan hebben geleden, inclusief de machtsgreep van de nazi's, dat hij kennelijk niet meer kon functioneren - al wordt dat in de bronnen doorgaans niet goed duidelijk. Of de koning zelf over zijn lot beschikte, blijft een particuliere zaak. Dat deze in het land gerespecteerde figuur zich niet langer opgewassen zag tegen de politieke chaos en het onvermogen van de elites, lijkt mij wel indicatief voor de problemen en het gebrek aan perspectief. Dat mag ook wel eens beter onderzocht worden. Maar ook of het interbellum alleen maar als een tijd van crisis mocht en mag gelden, waarbij we kijken wat dan toch gerealiseerd werd.



Bart Haers

De beuwte gedenksteen die mij inspireerde. zie ook
http://www.wandelpaden.com/transar3.html

Reacties

Populaire berichten