Historisch denken: een meerduidig verhaal



Kleinbeeld

De herdenking blijft doorgaan
Sophie de Schaepdrijver als paus van WO I

Sophie de Schaepdrijver, de pausin van WO I
Alleen Elvis blijft bestaan! Zou het? Return to sender? Wellicht, maar toch, ik was verrast en ontgoocheld toen ik het programma had uitgezeten met Sophie de Schaepdrijver. Voor een keer was er ruimte opdat ze haar visie op WO I zou kunnen geven en vooral de plaats van die oorlog had kunnen toelichten, maar niets daarvan. Men volstond ermee dat WO I niet absurd kon heten en dat een land dat overweldigd wordt zich moet verdedigen. Maar of dat kan volstaan? Ook geen woord, geen vraag over Karel de Schaepdrijver, een broer van haar overgrootvader als ik het wel heb. Maar goed, wie was dat dan weer? Een van die zes die op zeker ogenblik de linies zijn overgestoken om de band te leggen tussen de Frontbeweging en de activisten. In de Vlaamse Beweging werden ze geëerd als de "sublieme deserteurs", maar het blijft natuurlijk een zaak die Sophie liever niet te veel onder de aandacht brengt, want zij wil er niet mee geassocieerd worden, want misschien had Karel de Schaepdrijver wel zijn redenen, maar zij zal die wel niet kunnen onderschrijven. Net dat, lijkt mij, een probleem voor de historicus: anders dan een Christopher Clark, een Dominic  Poirel, die proberen het algemene en het concrete in lijn met elkaar te krijgen en dus ook, indien nodig erkennen dat er een onoplosbare inconsistentie in het verhaal zit.

Laten we eerst eens proberen, de zoveelste keer overigens, de plaats van WO I in onze geschiedenis te omschrijven. Vandaag lijkt het niet zozeer een erfzonde als allesbepalend. In Amsterdam, als ik het wel heb, zal Geert Buelens met zowel Christopher Clark en Stefan Hertmans spreken over vriend en vijand in het kader van "de maand van de geschiedenis". Op vrijdag 17 oktober 2014 werd van Nieuwpoort tot Ploegsteert met fakkels, vuurwerk en andere lichtinstallaties de aankomst van de oorlog in het Westen des lands herdacht, waar het front bijna vier jaar zou bevriezen, met nog wel een pak doden, maar toch, wat de Belgische troepen betrof een beleid van voorzichtigheid vanwege de vorst, vaak tegen zijn eigen politici en militairen in, zoals het bij nader toezien een leerling van Clausewitz betrof. In "Vom Kriege" schreef hij niet enkel dat de oorlog de voortzetting van de politiek met andere middelen mag heten, maar hij beschreef ook hoe men succesvol oorlog kan voeren. Dat boek verscheen posthuum in 1832, maar bepaalde principes, zoals de keuze voor een proportionele aanpak en het vermijden van onnodige verliezen bij het eigen leger kan men minstens van evenveel belang hechten. Misschien was dat het voordeel van het feit dat de koning zich, niet geheel volgens de grondwet aan het hoofd van het leger had gesteld, nadat in de Kamer was besloten het land met hand en tand te verdedigen. Hij was dus niet enkel bezig met de oorlog, maar ook met de levens van zijn burgers. Mag ik vaststellen dat mevrouw Sophie de Schaepdrijver hier weinig of geen aandacht aan besteedt. De ideeën die de oorlogsvoerende chefs van staven beheersten blijft, het weze tot in den treure herhaalt, geven in de literatuur over WO I zelden aanleiding tot grondige analyses en dat lijkt mij van academische nalatigheid.

Nieuwe poging: de oorlog brak uit op een continent waar een behoorlijke mate van schizofrenie aan de orde van de dag was: het volk geloofde nog altijd in de   bijna eeuwige vrede, een deel van de elite leefde zonder het besef van grenzen en wilde dat zo houden, maar een ander deel van de elites zocht naar een benadering die de eigen natie binnen het Europese concert kon versterken: de Fransen wilden hun positie tegenover Kakanië versterken, de Oostenrijkers, of beter, de Duitstalige maar niet de Joodse Duitstaligen, wilden hun positie in hetzelfde Kakanië niet verliezen, joodse burgers namen stilaan interessante posities in en de Slaven hadden hun eigen desiderata zowel tegen Trans- als tegen Cis-Leitanië. Men kan hierbij niet voorbij aan een figuur als Thomas Masaryk, maar een goede geschiedenis van Tsjecho-Slowakije in die periode zou op dat vlak best verhelderende inzichten brengen.

Maar er was meer aan de hand, dat mevrouw De Schaepdrijver niet goed aan de orde stelt, want de redenen waarom de militairen in Duitsland hun militaire denkoefeningen hielden en de wijze waarop de keizer een eigen speeltje zocht, de vloot, waaraan ook een deel van de burgerij zich kon optrekken, waren niet de belangrijkste facetten van de Duitse cultuur. Het feit dat Thomas en Heinrich Man, de familie Klamroth in Haberstadt in Hannover, de landstreek dus, naast talloze anderen een Duits nationalisme omhelzen dat in organisaties als de Alldeutsche Verband het meest uitgesproken vehikel vond, mag ons niet doen vergeten dat intussen in wetenschappen, handel, cultuur en technologie een nieuwe wereld tot stand kwam, die we vandaag min of meer kunnen herbeleven als we zien wat de positie van Duitsland in Europa nu is, maar anders dan toen, maakt de Republiek deel uit van een Europese constructie, waar in de dagelijkse politiek wel veel op te merken valt, maar die toch ook, in termen van samenwerking en vreedzaam samenleven betekenis heeft.

De plaats van WO I in de geschiedenis? Noch Thomas Van der Veken noch Sophie de Schaepdrijver wagen zich eraan de oorlog te bezien in de evoluties die duidelijk al voor WO I op gang kwamen en die ook ver na WO I, zelfs WO II doorwerken. Het Servisch irredentisme, dat deze week botste met een equivalent Albanees irredentisme, komt in die optiek niet aan bod, de Franse politiek ten aanzien van het Duitse Keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije al evenmin. Men kan best verwijzen naar Joseph Roth, die de teloorgang van zijn geliefde landschap, zonder interne grenzen en redelijk welvarend maar niet kon verwerken. Maar of men het eens moet zijn met diens analyse dat het rijk van Frans-Jozelf en Sissi echt zo vermolmd was en obsoleet, het blijft de vraag en mevrouw de Schaepdrijver is niet geneigd er antwoord op te geven. Helaas, men kan, zoals onder anderen Philipp Blom aantoont de Grote oorlog niet echt als een accident in de loop der geschiedenis bekijken. er waren aanzetten, maar op het beslissende moment, in de zomer van 1914 wachtten de regering in Wenen en Boedapest lang om Servië voor een onmogelijk ultimatum te stellen. Frankrijk en Rusland garandeerden Belgrado de nodige steun en gaven het een blanco cheque. Toch blijft men beweren dat het andersom was, dat Berlijn Wenen groen licht gaf. Wel voor het ultimatum maar men geloofde nog dat een gedeeltelijke mobilisatie in Oostenrijk-Hongarije kon volstaan. Maar het probleem was dat men een gedeeltelijke mobilisatie niet geheel kon realiseren zonder ook andere legeronderdelen in staat van paraatheid te brengen. Dan vergeten we nog het probleem van de voedselbevoorrading ... Basale en banale dingen, die ook voor oorlogsvoering van belang mogen heten.

Maar we kregen een weliswaar bij tijd en wijlen emotionele Sophie de Schaepdrijver, die haar menselijke kant liet zien, verantwoordde waarom zij er altijd patent uitziet, met dank overigens, want het oog wil ook wat; alleen het oog dus. Het verhaal van haar succes, moet ik evenwel zeggen blijft wel een beetje klef, omdat er over haar boeken over de grote oorlog weinig meer dan onverbloemde loftuitingen zijn uitgesproken en geschreven, waardoor zij als vanzelf de experte werd van die ene episode. Andere stemmen worden geaccepteerd als het over deelaspecten gaat, maar het grote verhaal, van een moderniteit die geleidelijk ontaardt in een wedren tussen mens en machine, daar horen we weinig over. Haar liefde voor de stad, kan ik wel begrijpen, maar de reflectie leidt nergens anders toe dan dat ze graag naar Brussel komt, want die stad heeft iets van mysterie dat Amsterdam ontberen zou. Jawel, ze erkent node dat het bestuur er voor verbetering vatbaar is, maar voor het overige, "c'était au temps où Bruxelles Bruxellait.." toch?

Laten we wel wezen, net zoals in het gesprek met Herman Brusselmans valt de presentator hier niet zo heel veel euvel te duiden, want het zijn de gasten die "Alleen Elvis blijft bestaan" stofferen en dan is het verschil in intensiteit tussen het gesprek met Els Dottermans enerzijds en Sophie de Schaepdrijver, nagenoeg van de zelfde generatie, wel opvallend.

Natuurlijk kan men van het programma geen les in geschiedenis verwachten en daarop heeft mevrouw de Schaepdrijver ons al eerder vergast, wat niet in haar voordeel uitpakte, net om de redenen die ik hoger aanstipte. Het aandeel van de hoge officieren in de verspilling van mensen en materiaal, de blindheid van politici voor die onbegrijpelijke achteloosheid, want daar moet men toch toe besluiten, mag meer aandacht krijgen. Sommigen menen dat in 1916 een punt was bereikt waar men tot een onderhandelde vrede had kunnen komen, maar het is wel van belang, denk ik, te begrijpen wie die vrede door vergelijk heeft afgewezen en waarom. De oorlog werd uitgevochten met een inzet van middelen alsof geen van de oorlogsvoerende landen demografisch of technologisch maar vooral financieel een aantal beperkingen onder diende te zien. Er werd toen niet bespaard op het militaire apparaat, niet op de bewapeningsindustrie en ook wat de inzet van vrouwen in de industrie bleef men tot lang na de oorlog zeer stilzwijgen en toch, Sophie de Schaepdrijver spreekt niet echt over de oorlog als grote gelijkmaker in het lot van mannen en vrouwen. Toegegeven, na WO I kon men de vrouwen vrij snel weer bij de haard krijgen, al viel dat in sommige landen dan weer moeilijker omdat een generatie jongemannen gewoon verdwenen was, dood, gesneuveld of zwaar gewond.

Mogen we dus de Openbare Omroep, L'Armée Belge-Het Belgisch leger, auteurs en denkers vragen als ze al aandacht vragen voor den groten oorlog, dat ze dan toch proberen echt iets toe te voegen. Zo vaak al schreef ik hier dat zo rond 1975 het animo voor herdenkingen op 11 november er echt wel uit was, dat gedurende loden jaren, volgens sommigen moet men zo de periode van de verkiezing van Popie Jopie tot de val van de Muur bekijken, ook WO II als veelomvattend fenomeen uit beeld verdween, want de uitroeiing van de Joden kreeg grote aandacht. Sinds ik "De ondergang van de Joden in Nederland" van Jacques Presser heb ingekeken en later grote delen ervan doorgenomen, sinds ik ergens ik van Mulisch eerst en dan van Arendt over de zaak Eichmann hoorde op iet of wat systematische wijze, kwam het me voor dat wie erover wil spreken, over de notie van de banaliteit van het kwaad, echt wel niet kon afkomen met de gedachte dat een misdadiger die zoals meewerkte aan de Holocaust vanzelfsprekend een monster hoort te zijn. Het blijft wonderlijk dat men de idee van Schrijftafelmoordenaar niet wil vatten en nog minder de notie dat men indirect betrokken kan zijn bij een genocide, zich daar geheel en al bewust van kan zijn, maar toch, finaal de handen in onschuld kan wassen. De laatste tijd geldt dan weer het argument dat Eichmann zoals men die uit de stukken van het proces in Jeruzalem kan leren kennen juist tot de meest gedreven antisemieten zou hebben behoord. Waar ergens dan bij Arendt kan men lezen dat de man inderdaad naar Palestina was gereisd, Hebreeuws heeft gestudeerd en dat niet om redenen van filosemitisme?

Van een historica als mevrouw de Schaepdrijver zou men verwachten dat die kritiek op Arendt weerlegd werd. Maar hoewel ze de idee van de banaliteit van het kwaad of van de onnadenkendheid wel de nodige aandacht gaf, heb ik de indruk, dat het net een criterium kan zijn dat mee de kwaliteit van bestuur in een bestel, een democratie kan bepalen, dus kan stutten of net onderuit halen.

Ik kijk uit naar de studie van mevrouw De Schaepdrijver over ambitie doorheen de afgelopen 2 eeuwen, want ik denk dat dit wel eens een mooi onderzoek kan worden. Het zal immers een benadering van de paradigmashift die de Westerse wereld gekend heeft sinds de Napoleontische tijden. Al denk ik dat men toch voorzichtig zal moeten zijn als men de achttiende eeuw in het vizier neemt, want het komt mij voor dat toen al mensen - ook ten onzent - niet meer hielden aan de plaats die hen zo niet door God dan toch door het lot gegeven was. Het leek niet meer onzinnig om iets anders te willen dan de job van de vader of de hoeve van de vader verder te zetten. Maar hoe zich dat allemaal in het leven vorm liet geven, zal ongetwijfeld een zware en diepgravende studie vergen. Als het een paradigmashift zou wezen, wat hield dat in als het om het persoonlijke leven ging? Maar vooral, hoe ging een samenleving daarmee om die in al haar vezels het nog zo voorstelde dat de samenleving een gegeven is waar men als mens niet zo heel veel aan kan veranderen? De belangrijkste vraag is dan nog wie gegrepen werd door een expliciete vorm van ambitie?

Blijft alleen Elvis bestaan? We doen er veel aan om de herinnering aan WO I en de donkerste bladzijden van de twintigste eeuw levendig te houden. Veel minder inspanningen levert men om de meer enthousiasmerende bladzijden te belichten en de samenhang in een samenleving beter te onderzoeken. De ontmoeting met Marten Melsen - de schilder van het goede leven in de polder (1870 - 1947) - was er voor mij een die niet onopgemerkt voorbij is gegaan, omdat hij, de schilder die het platteland opzocht en er in een aantal opzichten probeerde naar de inzichten van Lev Tolstoj te leven, eens te meer een aanwijzing vormde voor een veel rijker en intenser cultuurleven in Vlaanderen dan men altijd weer weet aan te dragen. Men zou me natuurlijk kunnen nadragen dat ik weer eens voorbij ga aan die verdomde neiging van de Vlamingen de stad af te wijzen en het stadse leven. Maar Marten Melsen groeide op in Brussel, beleefde er zijn jonge jaren en leerde er schilderen, tekenen, het leven kennen. Toen hij weg kon uit de stad had hij een idee en hij heeft ernaar geleefd. Tegelijk kan men geenszins beweren dat de man een Beotiër was, want ook zijn kinderen en zijn vrienden hadden deel aan die cultuur.

Nu, Sophie de Schaepdrijver liet niet na aan te dringen op het feit dat we goed zouden beseffen dat ze een echt stadsmens is. Niets op tegen natuurlijk, maar ik vraag mij of we in Vlaanderen nog wel anders kunnen leven dan als stadsmensen, vervreemd van het landleven. Toen ik Anna Karenina las en later "Oorlog en vrede", beide van Tolstoj, kwam ik uiteraard onder de indruk van dat Russische leven dat de auteur ons voortovert, maar ook van de spanning tussen het leven in Moskou en Petersburg en aan de andere kant het landleven, al blijkt dat voor de verschillende figuren altijd weer anders uit te pakken. Dat Tolstoj op enig moment tot het inzicht kwam dat het verkwistende leven zonder andere betekenis dan zich bezig te houden of te laten houden hem weinig zinde, blijft mij wel bij. Het roept namelijk een vraag op, die men vandaag ook wel in overweging zou kunnen nemen, waarbij men niet zomaar de moderniteit afwijzen moet, maar er selectief, eclectisch mee kan omspringen.

Het blijft mij daarom verbazen dat een historica als Sophie de Schaepdrijver zozeer met zichzelf bezig lijkt, dat het leven van anderen, ook en vooral tijdens WO I haar maar matig blijkt te interesseren. Misschien, denk ik dan, is het dat wat mij in haar benadering van de geschiedschrijving nog het meeste treft, dat ze met wat mensen doen, als individuen en als groep, gemeenschap, geen voeling heeft, er niet echt veel interesse voor kan opwekken. Ik heb het dan even goed voor de grote namen uit de geschiedenis, als Moltke of generaal Plummer als voor minder bekende lieden als Jean-François Maes of een dokter Sebrechts. Het kan natuurlijk voor de historicus niet zo vanzelfsprekend dat men historische gebeurtenissen op het individuele niveau zou benaderen, maar het is voor een historicus m/v wel zo nuttig dat men toch het algemeen menselijke, datgene wat we allemaal aan nerveuze bedrading hebben meegekregen, in rekening brengt maar ook nagaat wat we er dan mee doen.

Die vaststelling van haar beperkte interesse voor het persoonlijke en het menselijke, culmineert in haar obstinate afwijzing te onderzoeken wat die soldaten aan de fronten bewoog om tegen de Franstalige oude garde van officieren in opstand te komen. Wetende dat een deel van de Waalse soldaten wellicht ook evenmin vertrouwt waren met het algemeen geldende Frans, want opgroeiend in het Picardisch of andere Waalse dialecten, zal men ook merken dat er tussen de soldaten wel meer solidariteit was dan we nu meekrijgen, net omdat het verhaal volkomen gepolitiseerd is geworden.

Soldaten kwamen ook aan de Somme in opstand, met stevige represailles, maar daar heeft ze meer belangstelling voor, al blijkt dat de beweegredenen niet zo heel veel verschillen. Maar even belangrijk blijft het moeilijk te negeren dat de militaire aspecten, de logica, de benaderingen vanwege chefs van staven voortdurend op de achterblijft. En dan, zou men kunnen onderzoeken waarom maar weinig officieren en politici, naarmate de oorlog verder woedt, erin slagen de emoties, de politieke emoties bij het volk en de militairen te peilen. Het zal wel een ander verhaal van WO I opleveren, maar het zal ook ruimte laten, denk ik, mensen als Junger nu net wel ernstig te nemen. Of zoals Tolkien schrijft: zij vochtend lachend en huilend.

Tolkien? Men zet hem weg als fantasy-auteur, terwijl hij net bezig was, via zijn constructie van talen en via het beschrijven van zijn imaginaire samenleving, zijn visie op onze samenleving vorm betrachtte te geven. De film komt niet in de buurt van het existentiële verhaal dat Tolkien beschreef. Of nog, wat Tolkien deed, zou men kunnen zien als een uitgebreide oefening op het denken van Ludwig Wittgenstein. Maar goed, we kregen beelden te zien over de verfilming van "Le colonel Chabert" van Honoré de Balzac,  "na de slag bij Eylau" (1807) zoals men dat ook kan lezen bij... Tolstoj, alleen, de beelden zijn inderdaad vrij schokkend, zoals alles wat met de oorlog te maken heeft. Ik vermoed niet dat Sophie de Schaepdrijver het vreemd vinden zal dat ik met Tolkien kom aanzetten, want zelf besteedt ze ook aandacht aan literatuur om zich een beeld te vormen van de samenleving, maar, het blijft dan alles wel een beetje vaag. En dat is wat me bij is gebleven, behalve de discobal dan. Alors on danse.

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten