De roeping van de kunstenaarsdynastie Cluysenaer



Tentoonstelling




J.P. Cluysenaer en nazaten





In het museum Charlier aan de kunstlaan te Brussel kan men dezer dagen een tentoonstelling bezoeken over een kunstenaarsfamilie en het viel mij alvast mee. 


Alfred Cluysenaer schilderde zijn zoontje Albert,
rond 1875, die zelf weer zijn jongvolwassen
zoon portretteerde rond1920..

Men zegt het zo gemakkelijk: Vlamingen houden niet van Brussel. Waarom zouden ze, als hen voortdurend gezegd wordt, tja, dat ze niet van de stad houden. In lang vervlogen tijden woonde ik er, wandelde er rond, blij van gemoed of wat triest, opgetogen over gevels en over aangename plaatsen om te vertoeven. Een van die plaatsen is al sinds tijden een eethuis met terras in de Sint-Hubertusgalerijen in de benedenstad. Maar ook rond Flagey is het goed toeven... Enfin, ik voel mij thuis in die stad en weet er altijd wel de weg te vinden. Waarom zou ik dan niet van de stad houden?

Zoals gezegd, de overdekte promenade in de binnenstad, gekend als de Koninklijke Galerijen vormen bij mijn bezoeken aan de stad een ankerplaats, zeker als ik nog even moet wachten op de trein, ga ik er graag even pleisteren. De kalfsblanquette is er delicieus. Om maar te zeggen, de Bourgondiër weet nog altijd wat in zo een gerecht aan smaken verborgen kan zitten. En laat nu net dat zijn wat Brussel zozeer kenmerkt, dat er altijd wel iets is, dat kan bekoren, ver buiten de toeristische circuits. Het hoofd van een neger, die in Brussel en omgeving werd opgevoed en zelfs probeerde Congo te vertegenwoordigen in het parlement. Het is een verhaal waar we zelden over horen. Het gaat om Panda Farnana, wiens beeltenis in het museum Charlier te zien is.

Donderdag ging ik dus nog eens naar Brussel, met de gedachte iets te zien dat ik niet kende, met name de werken van een dynastie van kunstenaars, te beginnen bij J.P. Cluysenaer, met vervolgens Alfred, Andre en John, om te eindigen bij de dichteres Anne Cluysenaer. Ik kende alleen de architect Cluysenaer, maar een echt overzicht van zijn werken had ik ook niet. Via Wikipedia kan men er een overzicht van zien, maar de man, geboren in Kampen in Nederland, ooit een Hanzestad, in 1811 en vanaf 1820 in Brussel opgroeiende, zag dat zijn vader door de Belgische Omwenteling van 1830 zijn goede baan verloor en vervolgens met vrouw en kinderen moest overleven. Jean-Pierre werd architect na een opleiding bij Tieleman Franciscus Suys en zou net als zijn leermeester zowel bij publieke werken betrokken zijn, zoals het conservatorium te Brussel, waarvan delen door verwaarlozing bijna aan de vernietiging overgelaten worden. Bestuurlijke wanorde - maar men moet dit niet wijten aan de Vlaamse Eisen en dito beweging - hebben een gebouw als het conservatorium langzaam laten vervallen, maar men zegt dat er nu eindelijk een oplossing zou zijn om de concertzaal te renoveren. Hopelijk, denk ik, zal men het gebouw echt wel eens volledig in al de glorie herstellen, uiteraard tegelijk gemoderniseerd op het vlak van energie, verwarming, ICT...

Nu goed, museum Charlier mag stilaan denk ik een icoon heten,want het burgerhuis was ontworpen om een centrum van kunst te zijn, eigentijdse kunst en Van Cutzem en Charlier stonden midden een kring van het artistieke leven van een hoofdstad. Altijd weer als ik langs ga bij het museum, rijpt de gedachte verder dat zij die zeggen van Brussel te houden, zich Brussel lijken toe te eigenen, dat zij vergeten dat deze stad al in 1828 best een internationale reputatie had en dat tijdens de negentiende eeuw de artistieke ontwikkelingen best met die in Parijs konden concurreren. Er was een markt, denk ik, van kooplustige bourgeois, die graag het neusje van de zalm in hun meesterwoningen voor hoog geachte bezoekers lieten schitteren. De gebroeders Oyen, Alfred Stevens en broers, Madou... en dus ook de familie Cluysenaer, die op de stamvader na ongeveer vergeten is. Natuurlijk, zegt men mij dan, we kunnen toch niet alles onthouden. Klopt, maar de keuzes of juist het gebrek aan interesse, want er is veel info beschikbaar, laat zien dat zij die zeggen van Brussel te houden, best hun liefde voor de stad wat zouden aankleden.

Ik was dus op weg naar het museum, mij wel bewust van de verrassing die mij kon wachten: ik kende niets van het werk van de leden van de familie Cluysenaer en moet zeggen, het was een verrassende wandeling en kennismaking. Want van die zoon, kleinzoon, achterkleinzoon Cluysenaer had ik nog niet gehoord en nog minder van de dochter, de dichteres. Natuurlijk, ik had meer interesse voor Cluysenaer kunnen opbrengen, maar ik heb wel een paar keer een geleide wandeling gevolgd en nooit werd ook maar aangegeven dat de zoon van Jean-Pierre Cluysenaer, Alfred (1837-1902) kunstschilder werd en dat deze zich weliswaar bekwaamd had bij Navez in genrestukken, maar toch met meer persoonlijke werken als "roeping" bekendheid had verworven. En hij liet studies na voor enkele werken in de publieke ruimte, waar zijn zoon André (1872 - 1939) de realisatie van op zich zou nemen. De wereld is rijker dan we denken, kon ik niet ophouden te overwegen.

Het is inderdaad geen grote tentoonstelling, maar daarom niet minder opvallend en instructief, want doorheen de familiegeschiedenis en de verschillende werken van telgen uit het geslacht, zien we dat de cultuur veel in petto kan hebben. Waren ze bij de tijd? Het portret van John Cluysenaer, beeldhouwer en schilder (1899 - 1986) geschilderd door diens vader pakt even opvallend uit als "Roeping", al zit er toch veertig jaar tussen.

Met André begint de familie een band met Schotland, het UK en doorheen huwelijken en de oorlog ontstond een internationale atmosfeer, waarin Anne Cluysenaer als dichter en als docente linguïstiek een bijzondere plaats kon verwerven, al zijn haar gedichten zo te zien hier niet bekend. Mevrouw Nathalie Jacobs die  de tentoonstelling vorm gaf op basis van werken die het Charlier Museum in de vorm van een schenking had ontvangen, wist wel enkele bijzondere dingetjes te vertellen, die duidelijk maakten dat we weer met iets nieuws te maken kregen, omdat de nieuwsmedia er geen oren naar hebben. Wanneer zal men bij de VRT of RTBf eens begrijpen dat men het kunstleven in België doorheen de afgelopen 10 eeuw best wat meer aandacht kan geven, zonder altijd te zeuren over topwerken. Het bleek ook, bedroevend genoeg, dat sinds lang andere musea in Brussel er weinig mee gedaan hadden, met het werk van de vijf Cluysenaers, want zoals gezegd, het conservatorium van Brussel staat te vervallen - terwijl het in gebruik is - als gevolg van bestuurlijke chaos. Maar dus, valt op te merken, staan de musea niet te dringen om de werken van Alfred, André noch  John Cluysenaer in de armen te sluiten.

We moeten vaststellen, wandelend en teruglopend door de tentoonstelling, dat de werken, zoals de bijzondere verbeelding van gezichten, het menselijk gelaat door John Cluysenaer echt wel bij de tijd is en na enige tijd in het geheugen gehecht wordt. De familie stelde het wel, beleefde de wereld waarin ze leefden en dus kan men vaststellen dat oorlog, toenemende welvaart en toenemende interesse voor schoonheid, voor kunsten hen toeliet in hun mandaat als kunstenaars hun leven uit te bouwen. Tegelijk valt op dat ze een oeuvre brachten dat vooral voor connaisseurs van belang blijkt, minder voor een breder publiek.

Het stelt mij voor een moeilijke vraag: met welk werk zal ik deze tentoonstelling illustreren? Moet het dan? Mag het er maar een zijn? Het zou het overwegen waard zijn meerdere werken onder de aandacht te brengen, maar er valt niet zo heel veel te vinden op het internet. Nu, bij nader toezien zou men kunnen zeggen dat ze niet tot de top van hun tijd behoren, maar net Alfred Cluysenaer werd in zijn tijd genoemd met Emile Wouters en Eduard Agneessens. Smaken veranderen, zal men zeggen, maar misschien hangt het af van de collectioneurs of bepaalde werken en kunstenaars onder de aandacht blijven. Levende artiesten kunnen hun werk zelf, met de bijstand van galerijen en curatoren van tentoonstellingen aandacht blijven wekken, voor dode kunstenaars zijn het collectioneurs die hun aandacht breed delen. Zo blijft ook die kunst leefbaar, levend...

Het blijft een verhaal van kijken en zien, van aanvoelen ook, wanneer men door de kamers op de bovenverdieping van het museum Charlier in Sint-Joost-ten-Node rondwandelt en slentert, want er valt veel te zien, of, bij herhaald bezoek te herbekijken. De kunst hangt namelijk niet op in een ruim bemeten heldere ruimte, maar in salons van de late negentiende eeuw, in een herenhuis, meesterwoning aan de rand van het nieuwe Brussel, waar ook Jean-Pierre Cluysenaer enkele woningen heeft neergezet. Neen, het hoeft niet, de grote, moderne tentoonstellingsruimten waar alles op de expositie van de kunstwerken gericht is, want net in die salons komt de kunst van mensen als David en Pieter Oyen, Alfred Stevens, van Strydonk of Jacob Smits het sterkste tot hun recht, omdat ze verbanden laten zien tussen levenssferen. En die contrasten maken nu net Brussel tot een levendige stad met vele variaties op het thema van de levensblijheid, waarbij kunst onontbeerlijk is. De kennismaking met de Cluysenaers werd dus een belevenis.

Bart Haers  

Via Wikipedia kan men vernemen - al weet ik niet of dat vermeld moet worden - dat mevrouw Anne Cluysenaers' dood als een gewelddadige dood behandeld wordt door het gerecht. Dat zou op 1 november gebeurd zijn. Een gewelddadige dood wenst men niemand toe, maar het is moeilijk, zo lijkt het wel, te bevatten dat mensen daartoe in staat zijn en tegelijk krijgen we via televisie en film vaak genoeg melding van gewelddaden tegen welmenende mensen. Nog eens, moet wikipedia dit melden? Niets dan de waarheid? Dat is zo, maar sommige data moeten misschien eerst door het gerecht bevestigd worden, voor men ze meldt.




Reacties

Populaire berichten