Denken over de inconsequentie


Recensie


Denker van deze tijd:
Leszek Kołakowski
Tegen het systeem


Jacques De Visscher, Alicja Gescinska, Guy van Heeswijck. Leszek Kołakowski; De Onrust van onze eeuw. Uitgeverij Klement/Pelckmans. 259. 24,95 €

Ik had al eens gehoord over deze Poolse filosoof en ook Alicja Gescinska had al laten horen dat er een boek zou komen over Leszek Kołakowski. Maar wat mocht ik verwachten? Toen ik het boek eenmaal in handen had, kreeg ik het even te kwaad, want de teksten zijn vlot geschreven, maar er opent zich een wereld, die vandaag door velen wellicht, neen, met grote zekerheid als illusoir bestempeld worde. Verwijzend naar een lezing van Kołakowski in het Nexus-Intstituut, waar men zich bezint over de cultuur die het oude Europa heeft voortgebracht, zocht ik even in het archief van De Standaard en ja hoor, de authentieke Poolse filosoof wordt door Frank Albers bij naam genoemd, maar de conferentie over het Kwaad, was niet aan Albers besteed[i]. Het kwaad kan men niet vatten, kan men niet objectief definiëren en derhalve, inderdaad, kan men er geen vaste betekenis aan geven. Het vormt mee de basis voor dit boek waar drie generaties filosofen, van de emeritus Jacques De Visscher, de Leuvense filosoof Guido van Heeswijck en de jonge filosofe van Poolse afkomst en nu actief in de VS, Alicja Gescinska hun gedachten over het leven en vooral het denken van Kołakowski lieten gaan.
Kolakowski ging doorheen de hel van WO II in Polen, een ervaring waar we als West-Europeanen alleen over kunnen horen spreken, omdat daar de oorlog nog wreder werd uitgevochten door beide partijen, De Russen, de Nazi's en de Wehrmacht, maar ook de derde partij, de Polen waren niet minder onversaagd. Maar aan het einde van de oorlog won Stalin en Polen zou het geweten hebben. Kołakowski dacht even, een aantal jaren dat hij het communisme zou kunnen omhelzen, maar het is anders verlopen.

Alicja Gescinska heeft de biografische schets van de man geschreven en daarmee een aantal wezenlijke thema's van zijn denken naar voor geschoven, maar zowel Jacques De Visscher als Guido van Heeswijk nemen verder in het boek volop deel aan de discussie. Het is niet altijd evident het product van een team van wel zeer onderscheiden filosofen als een eenheid te zien, maar dat lijkt in dit werk in die zin geslaagd dat elke bijdrage een eigen zicht op het werk van de filosoof biedt terwijl de lezer aan het eind wel heel wat stof heeft om over na te denken. Ik zal overigens over het essay dat aan het eind van het boek de introductie afsluit "de onrust van onze eeuw" afzonderlijk bespreken, omdat het een eigen benadering verdient.

Priesters en Narren

Deze tussentitel viel me op bij het overlopen van de inhoudstafel en haast onmiddellijk leek het me een geschikte invalshoek. Want Leszek Kołakowski laat verstaan dat wie zich als priester inschakelt in het systeem meteen ook de zwakke plekken van het systeem leert te negeren en ook wel de karaktereigenschappen van de priesters eigen moet maken. Daar staat tegenover de nar, die vanuit de marge het systeem met genoegen over de hekel haalt en toch, sommige narren worden ook priesters.

Het verschil tussen de Nar en de priester is niet het habijt, de zotskap, maar de systematische twijfel, maar toch, tegelijk, niet een twijfel die afbreuk doet. De man die enkele jaren geloofde in het marxisme, heeft dat geloof gethematiseerd, maar niet door plots te gaan preken dat er geen enkel geloof valabel is, maar dat geloof, overtuiging, inzicht in grotere verhalen, die het tijdelijke, het toevallige zin kunnen geven, voor mensen van belang zijn. De twijfel aan het godsgeloof kan geen kwaad, de zekerheid dat God niet kan bestaan is niet van de orde waar men het geloof en het transcendente kan situeren, maar ligt in het wetenschappelijke kennen en ook dat kan weer een mythe worden.

Maar Leszek Kołakowski kan het verschil tussen de priester en de nar niet genoeg benadrukken, waarbij hij vervolgens de bevinding aandraagt dat de inconsequentie best enige lof verdient, omdat wie alleen maar consequent kan en wil handelen, met zichzelf en met de eigen overtuiging in conflict kan komen. Is het niet zo dat pas zo de tragedie mogelijk zou zijn? De nar durft al eens zichzelf tegen te spreken, vele priesters raken verwrongen omdat ze er geen zicht meer op hebben of ze nog wel houdbare posities presenteren. Het kan dan ook niet verbazen dat Kołakowski kritisch zal kijken naar het moderne humanisme, omdat het er te vaak de schijn van heeft dat zij zich als priesters zijn gaan gedragen.

Prometheus en de mythe

 De moderniteit overdenken, savoureren hoeft niet te leiden, zo lees ik in deze bijdragen, betekende voor Kołakowski niet dat men op de een of andere manier opnieuw of eens en voorgoed naar een deterministisch mens- en wereldbeeld zou terugkeren, dan wel overgaan. De visie dat alles in de natuur bepaald is, omdat onze wetenschappelijke modellen van de fysische natuur nu eenmaal zouden stipuleren dat alles bepaald is - al houdt men dan niet afdoende rekening met de inzichten die de kwantumfysica heeft opgeleverd - maar ook, meen ik te mogen afleiden, meende hij dat het precies de mens gegeven is hoog te reiken en zich toch te vergissen.

Zou het effectief zo wezen dat wie dat deterministische model afwijst ook tegen de moderniteit en de vooruitgang in zou gaan, dan betekent dat ook dat vooruitgang weinig ruimte laat voor variatie, voor vrijheid en dat lijkt de filosoof in ballingschap niet te kunnen onderschrijven. Want was Kołakowski een tijd lang een overtuigd communist, dan blijkt hij naderhand te twijfelen aan de waarheid van het systeem en meer nog aan de menselijkheid. De mythes van de proletarische revolutie en van de zekerheid van het gelijk van de leiders, konden hem niet meer overtuigen. Was hij zijn loopbaan begonnen met een doctoraat over Spinoza, dan zou hij in ballingschap zijn werk over de Amsterdammer opnieuw bewerken en vele jaren later pas uitgeven. Hij heeft het niet zo voor de Amsterdamse filosoof, die ons met een visie op de aard der dingen opzadelde die volgens de Poolse filosoof in ballingschap niet echt vrij van tegenspraak mag heten. Het masochistisch determinisme zit ook in de visie van Spinoza, maar vooral, zo leest men, komt Kołakowski tot de bevinding dat Spinoza vrijheid hoog in het vaandel voerde en inderdaad een ontvoogdende filosofie aanbood, maar tegelijk zit ook de onvrijheid in zijn denken besloten. Onderkent de filosoof dat Spinoza vijf niveaus van autonomie, gaande van cognitieve vrijheid over metafysische vrijheid en dan verder via antropologische vrijheid en er is ook nog een morele vrijheid die ons voert naar politieke vrijheid, dan zitten er ook tegenspraken in die visie, die men zo te zien zelden aandraagt: want de visie van Spinoza is elitair en men moet er klaar voor zijn, gewapend voor zijn. Niet iedereen is dus vanzelfsprekend klaar voor de vrijheid. Zou het kunnen dat dit de voormalige communist te zeer doet denken aan de visie van de Communistische partij, die ook niet iedereen in staat acht de leer goed te vatten en er vooral trouw aan te blijven? Alicja Gescinska onderzoekt overigens de visie van Kołakowski over negatieve en positieve vrijheid, waarbij ze opmerkt dat hij net als Isaiah Berlin de positieve vrijheid afwijst, maar tegelijk, anders dan zijn collega wel zeer genuanceerd denkt over negatieve vrijheid en derhalve niet de mening is toegedaan dat het volstaat dat de vrijheid negatief gevrijwaard is, maar wel door goede wet- en regelgeving bijgestuurd kan worden.

Prometheus vormt in het denken van Leszek Kołakowski een interessante figuur in de mate dat de filosoof wel degelijk het belang van mythes heeft onderkend en daarmee gaat hij in tegen de moderne filosofische ontwikkelingen die precies de mythe als verzinsel niet ernstig wilde nemen. Maar zo blijkt ook, zelfs een wetenschappelijke visie kan uiteindelijk tot mythe worden, als alles in het teken van die mythe geïnterpreteerd moet worden. Op dat ogenblik is de blik op de werkelijkheid immers verstoord en mag men beweren dat men alleen op de feiten afgaat, die feiten zelf worden gelezen in het licht van de gekoesterde waarheid.

Nadenken over de Duivel

Frank Albers vindt, zoals velen onder ons dat we over de duivel en het kwaad geen zinvolle dingen kunnen zeggen. Maar in dit boek van Jacques De Visscher, Alicja Gescinska en Guido Vanheeswijck vernemen we dat Leszek Kołakowski de gedachte wil onderbouwen dat het kwaad een noodzakelijke categorie is van de dingen in de menselijke orde. De duivel, zo lezen we, is het eerste wat mensen in het kader van rationalistische opvattingen laten vallen, maar wie het bestaan van het kwaad ontkent, ontkent finaal ook het goede en het menselijke. De duivel, zoals we die kennen uit de literatuur moeten we ernstig nemen, zoals we het vermogen van mensen ernstig moeten nemen kwaad te doen. Want als het zo zou wezen dat kwaad iets is dat men kan oplossen, dat men kan overwinnen of dat men zelfs kan negeren, dan komt men in een samenleving terecht, zo meen ik te begrijpen, waar we de grenzen van ons kunnen niet meer herkennen.

Het klinkt vreemd dezer dagen over de duivel te horen spreken, want dat Thomas Mann ons een tafereel voortovert waarin de Duivel, Mephistopheles met de componist Adrian Leverkühn aan de praat gaat, maar het is nog niet het grote of kleine kwaad waar Kołakowski het over heeft, het kwaad dat waarvan we het bestaan ontkennen. Waarom het zo belangrijk is? Omdat het kwaad zelf de individuele verantwoordelijkheid betekenis geeft. Het gaat er dus om dat we het kwaad wel weg kunnen denken, het is er niettemin en kan ons belagen.

Waarom we het kwaad niet willen accepteren, blijkt wel uit het feit dat we dan iets moeten accepteren dat onszelf en ons bestaan overstijgt. Dat we dat liever niet onderkennen heeft als voordeel dat we het onaangename in eigen gedrag of gedrag van anderen kunnen proberen te verbeteren, denken we, maar ten gronde gaat het erom dat we de gevolgen van wat we doen, in vele facetten van ons bestaan naar onze eigen normen kunnen inrichten. Het vermogen het eigen gedrag te rationaliseren, heeft de notie van het kwaad overbodig gemaakt. Bovendien vormt de afwijzing van het kwaad een noodzakelijke voorwaarde voor de emancipatie van de individuele persoon en hier had de filosoof problemen mee. Want wat voor ons geen boosaardigheid in zich draagt, zal dus wel in orde zijn. Ooit mocht ik bij een lezing van prof. em. Louis Dupré meemaken dat de term "radicaal kwaad" dat ik slechts aanhaalde om een eigen vraag beter te situeren, werd afgewezen. Ik ben me sindsdien blijven afvragen waaraan dat wel mocht toegeschreven worden, want wie zich met religie en religieuze antropologie inlaat, komt altijd uit bij de vragen die ook Kołakowski zich stelde en die ermee te maken hebben dat het niet gaat om het kwaad, maar dat als men de duivel afwijst en afserveert, dan komt men in de problemen met de criteria van het handelen, het juiste handelen.

Oud-communist en christen zonder kerk

Wie niet in de werkelijkheid van Polen onder Gomulka of de DDR van Walter Ulbricht geleefd heeft, kan zich wellicht niet indenken hoe sterk de aandrang was zich te conformeren, maar ook dat het bijzonder moeilijk was en blijft, de visie van de Communistische partij te blijven aanvaarden.  Het probleem is niet, zo kan men uit het boek begrijpen dat Kołakowski zomaar de grondslagen van het communisme zou hebben afgewezen, want uit zijn hoofdwerk over dit thema, "Hoofdstromen van het marxisme" laat zien waar hij niet langer met het bestel kon instemmen. Het gaat niet om de vraag of het marxisme in se fout zou zijn geweest, noch omdat de politieke praktijk die voortkwam uit de zekerheid van het eigen gelijk dat doorslaggevend was, maar precies de kern van het marxisme, de heilsleer die het aanbiedt, de soteriologie die Marx biedt. Heel precies lijkt het grote bezwaar van Kolakowski erin te bestaan dat het marxisme de spanning tussen polen in de samenleving, de conflicten wil uitbannen. Want wie het particuliere bezit afschaft, omdat de conflictueuze samenleving een klassensamenleving moet heten en derhalve zal met de gewelddaad van de afschaffing van persoonlijk bezit en van de klassen, zal ook in dezelfde actie de vrijheid afschaffen - citeer ik hierbij uit het besproken boek. Het herleiden van conflicten in de samenleving tot de bezitsvraag, leidt ook tot een geloof in een eigen kunnen, een faustiaans zelfbeeld, zelfs opnieuw een determinisme, waardoor het menselijke alweer uitgeschakeld wordt.

Problematisch humanisme

Kołakowski was de gedachte toegedaan dat filosofen niet enkel met discussies over formele logica bezig hoeven te zijn, maar de gedachten van voorgangers ernstig kunnen onderzoeken, niet losgezongen van de eigen tijd, maar ook niet alsof men met een tekst om het even wat kan vertellen, want zoals hij van het marxisme zegde, was het wel zo dat die inzichten niet eindeloos rekbaar zijn, niet geheel ten onze dienste staan, mar precies ook nog eens een eigen onafhankelijk behouden, zodat we er ons niet zomaar meester van kunnen maken.

 Niet het humanisme an sich is problematisch, maar wel kan men zich afvragen, aldus Guido Vanheeswijck, of men ermee kan volstaan te poneren dat we slechts met waarden, normen en criteria te maken hebben, die we zelf formuleren. Ook blijkt men een aantal waarden te schrappen, te doen alsof ze nooit hebben bestaan. Immers, men wil laten geloven dat we alleen vooruit kunnen en dat enkel de vooruitgang heil kan brengen.

Het emancipatorische humanisme zou zich willen ontdoen van het mythische en Leszek Kołakowski meent dat dit kan leiden tot een culturele zelfmoord. Hij wijst het emancipatorische humanisme niet af - hoe zou hij dat kunnen -, maar ontkent wel dat we buiten het mythische kunnen. God en Duivel? Het zijn immers mythische begrippen waar we geen betekenis aan kunnen hechten, want ze passen niet in een wetenschappelijk kennen. Maar het is wel duidelijk, denk ik, dat wie alles wat niet tastbaar, niet kenbaar is, afwijst, op zeker ogenblik de grond onder de voeten verliest. Het gaat om de vraag, het prometheïsche zonder meer alle kansen te geven, maar daarbij te vergeten dat de vooruitgang, nieuwe inzichten niet zomaar moreel neutraal zijn. Hoe we die zullen aanwenden, blijft nog een vraag en daarom is het nuttig begrijpelijk te maken, dat men de technologie echt wel moet waarderen, maar tegelijk het menselijke niet uit het oog mag verliezen. En jawel, er zit daar iets vaag in, dat men niet a priori benoemen kan, niet kan definiëren en toch is het van belang voor ons zelfbegrijpen.

De Poolse filosoof zou het, zo blijkt uit dit boek, ook moeilijk hebben met een humanisme dat de theoretische en filosofische grondslagen die onze cultuur vorm hebben gegeven, zou schrappen. Toch kan men van Kołakowski niet beweren dat hij een katholiek zou zijn geweest en al helemaal niet een verstokte pilaarbijter. Hij plaatste zich buiten de kaste van de priesters, van zij die het mythische zeggen af te wijzen, maar intussen er alles aan doen om dat opnieuw te versterken. Omwille van zijn voorkeur voor de nar, kon hij zich niet binnen een kerk, zelfs geen vrijzinnige plaatsen.

Christenen zonder kerk

In het hele debat over de ideologieën van deze tijd, ziet men vaak een grote gedrevenheid het eigen gelijk te poneren waarbij men zich ook ineens bekent tot een bepaalde obediëntie, waarbij kritiek uit den boze is. Kołakowski die zelf van zijn geloof afvalt, zegt niet dat geloof uit den boze is, maar hij verkiest wel, zo blijkt een overtuiging zonder de neiging tot conformisme die met het omhelzen van een obediëntie samen hangt.

Het is voor ons, die de val van de Muur hebben beleefd, van op afstand natuurlijk, blijkbaar overbodig de beleving van een totalitair systeem te erkennen en er ons voordeel mee te doen. Want Leszek Kołakowski heeft op zeker ogenblik begrepen dat de vereisten die men aan het denken stelde en stelt, onder meer vrij zijn van tegenspraak, consistent zijn en vooral, zo blijkt, de universaliteit en eeuwige geldigheid van visies de werkelijkheid niet meer bevattelijk maken. Daarom zong hij de lof van de inconsequentie en dat zal velen wellicht vreemd voorkomen, want een filosoof die inconsequentie niet afwijst, is een charlatan, toch? Dat wilde hij ook zijn, maar het blijft maar de vraag of men de tegenspraken in onze visie op mens en samenleving kunnen blijven negeren.

Slot

Het boek van Jacques De Visscher, Alicja Gescinska en Guido Vanheeswijck kan mij wel inspireren, omdat het de moeilijke oefening voorstelt de samenhang tussen aangelegenheden die elkaar soms uitsluiten toch met elkaar verbonden te weten. Het komt mij voor dat men hier voldoende aandacht aan dient te besteden, omdat het contingente, het tijdelijke onze sfeer is en niet de transcendente sfeer of, zoals Lucien Goldmann stelde, het transcendente in het immanente, want zelfs de natuurwet, zo blijkt, kan zo voorgesteld worden dat het niet meer iets is, waar we iets mee kunnen aanvangen, maar moeten ondergaan. In die zin is de emancipatorische kracht van de moderniteit op een aantal terreinen altijd weer afgezwakt.

Het is niet eenvoudig een boek als dit afdoende te presenteren, maar ik denk dat de auteurs ons de kans bieden een denken te ontmoeten en er de betekenis van te onderkennen, dat we niet via de brede media zullen vernemen. Er bestaat nog altijd weinig animo op een doordachte manier de posities van intellectuelen in het verleden, die niet kozen voor een liberale open samenleving, maar zonder meer Stalin en het Marxisme-Leninisme genegen waren, te onderzoeken. Kołakowski laat toe vrijer te denken en al eens te erkennen dat twee inzichten met elkaar in tegenspraak komen.

Bart Haers





[i] http://www.standaard.be/cnt/dsl20062002_022 die Marx biedt. Heel precies lijkt het grote bezwaar van Kolakowski erin te bestaan dat het marxisme de spanning tussen polen in de samenleving, de conflicten wil uitbannen. Want wie het particuliere bezit afschaft, omdat de conflictueuze samenleving een klassensamenleving moet heten en derhalve zal met de gewelddaad van de afschaffing van persoonlijk bezit en van de klassen, zal ook in dezelfde actie de vrijheid afschaffen - citeer ik hierbij uit het besproken boek. Het herleiden van conflicten in de samenleving tot de bezitsvraag, leidt ook tot een geloof in een eigen kunnen, een faustiaans zelfbeeld, zelfs opnieuw een determinisme, waardoor het menselijke alweer uitgeschakeld wordt.

Problematisch humanisme

Kołakowski was de gedachte toegedaan dat filosofen niet enkel met discussies over formele logica bezig hoeven te zijn, maar de gedachten van voorgangers ernstig kunnen onderzoeken, niet losgezongen van de eigen tijd, maar ook niet alsof men met een tekst om het even wat kan vertellen, want zoals hij van het marxisme zegde, was het wel zo dat die inzichten niet eindeloos rekbaar zijn, niet geheel ten onze dienste staan, mar precies ook nog eens een eigen onafhankelijk behouden, zodat we er ons niet zomaar meester van kunnen maken.

 Niet het humanisme an sich is problematisch, maar wel kan men zich afvragen, aldus Guido Vanheeswijck, of men ermee kan volstaan te poneren dat we slechts met waarden, normen en criteria te maken hebben, die we zelf formuleren. Ook blijkt men een aantal waarden te schrappen, te doen alsof ze nooit hebben bestaan. Immers, men wil laten geloven dat we alleen vooruit kunnen en dat enkel de vooruitgang heil kan brengen.

Het emancipatorische humanisme zou zich willen ontdoen van het mythische en Leszek Kołakowski meent dat dit kan leiden tot een culturele zelfmoord. Hij wijst het emancipatorische humanisme niet af - hoe zou hij dat kunnen -, maar ontkent wel dat we buiten het mythische kunnen. God en Duivel? Het zijn immers mythische begrippen waar we geen betekenis aan kunnen hechten, want ze passen niet in een wetenschappelijk kennen. Maar het is wel duidelijk, denk ik, dat wie alles wat niet tastbaar, niet kenbaar is, afwijst, op zeker ogenblik de grond onder de voeten verliest. Het gaat om de vraag, het prometheïsche zonder meer alle kansen te geven, maar daarbij te vergeten dat de vooruitgang, nieuwe inzichten niet zomaar moreel neutraal zijn. Hoe we die zullen aanwenden, blijft nog een vraag en daarom is het nuttig begrijpelijk te maken, dat men de technologie echt wel moet waarderen, maar tegelijk het menselijke niet uit het oog mag verliezen. En jawel, er zit daar iets vaag in, dat men niet a priori benoemen kan, niet kan definiëren en toch is het van belang voor ons zelfbegrijpen.

De Poolse filosoof zou het, zo blijkt uit dit boek, ook moeilijk hebben met een humanisme dat de theoretische en filosofische grondslagen die onze cultuur vorm hebben gegeven, zou schrappen. Toch kan men van Kołakowski niet beweren dat hij een katholiek zou zijn geweest en al helemaal niet een verstokte pilaarbijter. Hij plaatste zich buiten de kaste van de priesters, van zij die het mythische zeggen af te wijzen, maar intussen er alles aan doen om dat opnieuw te versterken. Omwille van zijn voorkeur voor de nar, kon hij zich niet binnen een kerk, zelfs geen vrijzinnige plaatsen.

Christenen zonder kerk

In het hele debat over de ideologieën van deze tijd, ziet men vaak een grote gedrevenheid het eigen gelijk te poneren waarbij men zich ook ineens bekent tot een bepaalde obediëntie, waarbij kritiek uit den boze is. Kołakowski die zelf van zijn geloof afvalt, zegt niet dat geloof uit den boze is, maar hij verkiest wel, zo blijkt een overtuiging zonder de neiging tot conformisme die met het omhelzen van een obediëntie samen hangt.

Het is voor ons, die de val van de Muur hebben beleefd, van op afstand natuurlijk, blijkbaar overbodig de beleving van een totalitair systeem te erkennen en er ons voordeel mee te doen. Want Leszek Kołakowski heeft op zeker ogenblik begrepen dat de vereisten die men aan het denken stelde en stelt, onder meer vrij zijn van tegenspraak, consistent zijn en vooral, zo blijkt, de universaliteit en eeuwige geldigheid van visies de werkelijkheid niet meer bevattelijk maken. Daarom zong hij de lof van de inconsequentie en dat zal velen wellicht vreemd voorkomen, want een filosoof die inconsequentie niet afwijst, is een charlatan, toch? Dat wilde hij ook zijn, maar het blijft maar de vraag of men de tegenspraken in onze visie op mens en samenleving kunnen blijven negeren.

Slot

Het boek van Jacques De Visscher, Alicja Gescinska en Guido Vanheeswijck kan mij wel inspireren, omdat het de moeilijke oefening voorstelt de samenhang tussen aangelegenheden die elkaar soms uitsluiten toch met elkaar verbonden te weten. Het komt mij voor dat men hier voldoende aandacht aan dient te besteden, omdat het contingente, het tijdelijke onze sfeer is en niet de transcendente sfeer of, zoals Lucien Goldmann stelde, het transcendente in het immanente, want zelfs de natuurwet, zo blijkt, kan zo voorgesteld worden dat het niet meer iets is, waar we iets mee kunnen aanvangen, maar moeten ondergaan. In die zin is de emancipatorische kracht van de moderniteit op een aantal terreinen altijd weer afgezwakt.

Het is niet eenvoudig een boek als dit afdoende te presenteren, maar ik denk dat de auteurs ons de kans bieden een denken te ontmoeten en er de betekenis van te onderkennen, dat we niet via de brede media zullen vernemen. Er bestaat nog altijd weinig animo op een doordachte manier de posities van intellectuelen in het verleden, die niet kozen voor een liberale open samenleving, maar zonder meer Stalin en het Marxisme-Leninisme genegen waren, te onderzoeken. Kołakowski laat toe vrijer te denken en al eens te erkennen dat twee inzichten met elkaar in tegenspraak komen.

Bart Haers







[i] http://www.standaard.be/cnt/dsl20062002_022

Reacties

Populaire berichten