Mut zur Freiheit



Dezer Dagen

Moed tot Vrijheid
Het vermoeden wat het kan brengen

Gisteren viel er veel te zien aan de Brandenburger Tor en ik
was er graag bij geweest, maar de Duitse omroepen en ook NPO 2
besteedden er aandacht aan. Ik was verrast door het lichtspel,
dacht eerst aan Albert Speer om dan te besluiten dat
men de techniek om met licht te schilderen niet
achterwege mag laten omwille van een beladen
verleden. 
We vonden eerder al hoe erg het is dat de Vlaamse media slechts beperkt de herdenking van 25 jaar val van de Muur en die muur is niet vanzelf omgevallen. Het probleem waar we voor staan betreft het geloof in een ideologie die door de ervaring steeds weer gefrustreerd werd. De gedachte dat de Partij, de communistische partij vanzelfsprekend gelijk had, niet kon falen en dat niemand dus mocht twijfelen aan het historische gelijk van de partij, werd in de zogenaamde loden jaren, toen Reagan en Tatcher alle aandacht voor zich opeisten, niet meer zo expliciet herhaald, maar de ideologie zelf, bleek nog steeds voor velen, ook aan onze universiteiten onverkort valabel, al was er niet direct een partij die de ideologie in actie en praxis kon vertalen.

Meerdere redenen kan een tijdgenoot aanvoeren waarom de val van Erich Honnecker, het succes van Solidarnosk en al die andere omwentelingen zoveel indruk maakte, overal, behalve zo te zien bij de Vlaamse media. De afgelopen dagen was de bereidheid om te berichten over de herdenkingen van 9 november 1989 in Duitsland - uiteraard - indrukwekkend, ook in Nederland en Frankrijk kon men er blijkbaar niet aan voorbij, maar in Vlaanderen bleef het opvallend stil. Op NPO 2 kon men een uur lang de gebeurtenissen zien die zich toen en gisteren in Berlijn hebben afgespeeld. Op de Franse televisie werd ook een mooi stuk getoond en staat dit niet de herdenking van de Grote Oorlog in de weg.

Overigens, misschien viel er ook een mooie documentaire te zien over de Derde Republiek, die op zich een mooie introductie biedt tot de Franse geestesgesteldheid, c.q. revanchisme en het herstellen van het zelfbewustzijn. De Derde Republiek werd opgericht na de Val van Napoleon III en de smadelijke nederlaag bij Sedan in 1870. Het gaat dan over de bijna legendarische minister van nationale opvoeding Jules Ferry en over "la Vengeance". Het verlies van Alsace-Lorraine en Straatsburg door de nederlaag van 1870 en de keizerskroning van de Pruisische koning waren de druppels die generaties lang de Franse burgers en regeringsleiders deden koken.

De gebeurtenissen in Berlijn, van 25 jaar geleden, die gisteren herdacht werden, terwijl dit land de verloren onschuld van het IJzerfront blijft herdenken alsof het niet een eeuw geleden is, maakt ons dus duidelijk blind voor wat er aan substraat is gelegd waarin de oorlogsbereidheid kon opbloeien. Want  de Derde Republiek voerde een programma in dat op het versterken van het patriottisme gericht was. De analyse van de smadelijke gebeurtenissen van 1870 hadden immers geleerd dat de Pruisen veel meer patriottisch gezind waren, beter uitgerust en beter voorbereid op de oorlog, beter geschoold ook.

Er mag dan veel veranderd zijn in Frankrijk, op een punt is alles bij het oude gebleven: het onderwijs diende en dient het patriottisme aan te kweken bij de leerlingen. Van Vercingetorix over Clovis tot De Gaulle - de nieuwe naam in de canon van helden sinds Ernest Lavisse zijn populistische schoolboeken schreef -, dienden leerlingen te leren wat goed Frans gedrag is en ook links, getuige Mitterand, heeft nooit echt afstand genomen van die benadering der dingen. Erger nog, De Vde Republiek, waarin de President een veel grotere macht heeft dan goed is voor een democratie, waarbij de regering, de ministers altijd moeten vrezen in ongenade te vallen als de president slecht scoort in de opiniepeilingen, heeft na Giscard veel van haar wervende kracht verloren.

Het feit dat de Franse televisie een documentaire maakte over de patriottische opdracht van het lager onderwijs in het Frankrijk van de schande, het Frankrijk van de Derde Republiek, geeft aan dat men daar bereid is de kwestie grondiger te onderzoeken. Nu kan men dat onderwijsprogramma van Jules Ferry niet enkel toetsen aan het volgens sommigen verderfelijke nationalisme - alsof een ideologie alleen maar negatief kan uitpakken - maar heeft het ook mogelijk gemaakt dat jonge knapen die er iets van bakten ook kansen kregen voor middelbaar onderwijs, want men wilde, naar het voorbeeld van Duitsland de jongeren zo goed mogelijk opleiden, wat dus zowel voor die jongeren als voor de staat, "La Nation" goed zou uitpakken.

De afgelopen maanden is op de Duitse, Nederlandse en Franse televisie behoorlijk wat aandacht besteed aan de gebeurtenissen van 9 november, zoals over de vraag hoe men de positie van het individu dient te waarderen. De titel van het Burgerfeest "Mut zur Freiheit" waarbij noch de President noch de Kanselier, mevrouw Merkel het woord namen, maar waar de Ode aan de Vreugde, het laatste deel van de 9de symphonie van Ludwig von vertolkt werd, waar Wolf Bierman nog eens zong en waar de Val herdacht werd en deed de vraag stellen, opnieuw  stellen: Wat nu?

Het blijft markant dat men die vraag kan stellen: hebben we de moed om onze verworven vrijheid te veroveren, aan te wenden. Ik vond de idee wel aanspreken, want het kan toch niet dat we na 1989 geloven dat mensen niet over vrijheid zouden kunnen beschikken. Maar er is meer dan alleen de formele vrijheid, de grondwettelijke vrijheden. Deze zijn negatief geformuleerd in de zin dat de overheid niet mag tussenkomen als burgers zich verenigen willen, hun gedacht willen zeggen of willen ondernemen. De vraag of men positieve vrijheden moet onderschrijven blijft altijd nog een heikele kwestie, zoals Alicja Gescinska in een hoofdstuk over het denken van Leszek Kolakowski schrijft. Kolakowski verzet zich, zoals Isaiah Berlin tegen het invoeren van positieve vrijheden, maar zijn kijk op negatieve vrijheden is dan weer genuanceerder, zodat de verhouding tussen overheid en burgers in het ontwikkelen van een vrije en open samenleving altijd weer een discussie vergt over wat die vrijheden moeten bevorderen, emancipatie en waar men elkaar enigszins dient in te tomen, maatschappelijke stabiliteit. Of dat zomaar bij wet moet, dat intomen is ook voor Kolakowski een vraag. Wel meent ook hij, met zijn ervaring in de Poolse Communistische partij, dat vrijheid moed blijkt te vergen en dat we die ook moeten veroveren. De partij kan geen gelijk halen als er geen weerstand is.

Maar het hoeft ook niet zo te zijn dat mensen vanzelfsprekend tegen de regering in het geweer komen, zoals men de afgelopen weken wel kon horen, ook van intellectuelen die niet zo heel veel meer te vrezen hebben van het regeringsbeleid. De kwesties die vandaag aan de orde zijn, lijken tijdgebonden, eigen aan de omstandigheden van de crisis maar het kan ook dat er veel meer ideologische aandrijving achter het verzet zit, dan de omstandigheden laten vermoeden. De crisis gaat over veel, maar niet over de vraag of we de moed tot vrijheid op kunnen brengen. Het gaat om de vraag of we nog wel bezig zijn de dag van morgen voor te bereiden. In die zin vormt de herdenkingsagenda in Vlaanderen wel een probleem, want zelfs WO I ging om meer dan om het redden van het Vaderland. Het valt mij op dat slechts weinig stemmen in het herdenkingskoor zich buigen over de modernistische aspecten, zowel in hoofde van de militairen als in hoofde van de soldaat-vrijwilligers, maar ook de burgers zelf waren voor de oorlog niet immuun gebleken voor de lokroep van de moderniteit.

Hoe zullen we het begrip moderniteit omschrijven? Het gaat, voor de duizelingwekkende jaren om de ontwikkeling van industrie, de kunsten, de gedachten en voorstellingen, de ontvoogding van de menselijke persoon en dat alles in razend tempo, zoals onder anderen Philipp Blom het beschreef. Maar men kan ook verwijzen naar Modris Eksteins en Peter Gay, die alle aspecten van die periode, de beloftevolle jaren voor augustus 1914, onder de aandacht brachten. Opvallend is dat maar weinig auteurs de ontwikkelingen hebben beschreven in Praag, Warschau, Riga of Lviv, Boedapest en Sophia, het voormalige Oostblok dus. Het betekent onder meer dat we echt moeten nadenken of we de oorlog en alles wat volgde wel kunnen zien als uitingen van moderniteit, meer nog, of we de moderniteit bekijken kunnen als een utopisme? De moed tot vrijheid betekent dan ook dat we ons vrij kunnen maken van obligate inzichten, waar we zelf de druk niet van kunnen vatten. Het blijft opvallend dat we op die manier niet tot het debat komen hoe we met utopische en met utopistische inzichten kunnen omgaan. Zoals Rudiger Safranski het vertolkte, kan het geen kwaad onze politieke visie niet al vooraf te fnuiken door al te realistische inzichten, maar er ook een zekere verbeelding over wat zou kunnen zijn, in te vervlechten. Zonder ideaal geen werkbaar politiek verhaal. Alleen, zo laat hij ook zien, kan het fout lopen als dat ideaal al te stringent de visie op mens en samenleving gaat bepalen.

Men lijkt ook de vraag uit de weg te gaan hoe het komt dat twee van de hoogste ambten in het nieuwe Duitsland op de schouders rusten van mensen die de hele geschiedenis van de DDR hebben meegemaakt en aan den lijve ondervonden. Voor ons lijkt dat een fait divers, voor hen en voor de Duitsers is het duidelijk dat zij met recht uitdrukking geven aan de idee dat vrijheid een hoog goed is. Maar vrijheid is tegelijk helder en onvatbaar. Helder omdat men weet dat er niets of zeer weinig ons in ons handelen kan beperken, onvatbaar omdat we niet goed weten waartoe de vrijheid ingezet kan worden. De veertig jaar onvrijheid en de spanningen die dat met zich mee heeft gebracht, blijft voor ons een verhaal dat ver van ons bed blijft. Joachim Gauck heeft dan ook al een aantal keren zijn gedachten laten gaan over wat die vrijheid voor ons kan betekenen. Een rede werd uitgegeven onder de titel: laat je niet regeren door angst maar door moed.

Conclusie:

Het feest in Berlijn onder het motto "Mut zur Freiheit" kon mij wel inspireren. Hoezeer er ook reden mag zijn de zaken niet zomaar evident te vinden en de gedachte ook met enige achterdocht te bejegenen, dan nog is de vraag of we de moed hebben de geboden vrijheid gunstig aan te pakken. Wie de onvrijheid van het DDR-bestel niet gekend heeft, lijkt ook minder gevoelig voor de vrijheid die we genieten. Meer nog, zoals Hannah Arendt al beschreef, leeft de gedachte dat vrijheid een illusie is, sterker dan ooit. Het debat hierover blijft nog wel sudderen, maar lijkt voorbij. Nu de herdenking van de Wende onder het motto "Moed tot vrijheid" gevierd werd, komt het er dus op aan de discussie opnieuw aan te vatten. Vrijheid is een lastig iets, waar sommige filosofen en wetenschappers liefst van af willen. Zouden we dus niet beter zulk een motto laten vallen? Of geven we dan precies aan waarom vrijheid meer is dan een illusie. Want hoe kan men humanisme claimen als men de vrijheid eraan geeft?



Bart Haers

Reacties

Populaire berichten