Op het kerkhof of is het Vredestuin



Kleinbeeld


Novemberlicht

Kreek onder het afnemende winterlicht. Dat is het landschap waar ik
wel ets mee heb en toch, het is ergens ook geleend. 
Novemberdagen komen er altijd weer aan en soms sleuren ze een mens mee, soms blijft het alles onverschillig maar aan het licht ontkomt men niet. Het zal wel een stapeling van herinneringen blijken, waar je pas moeizaam de concrete realiteit van herkennen kan, als je er data bij gaat halen. Wie was er bij, wat werd gedaan en dan geleidelijk komt het dichterbij, niet dreigend, gewoon als levensfeiten, die sommigen wel beangstigend genoeg lijken.

Novemberdagen, dat betekende vele jaren een bezoek aan het graf van mijn grootouders, die geen van ons gekend heeft, want mijn vaders vader stierf voor mijn vader trouwde, maar toch, het bezoek konden we moeilijk vermijden en ook het bezoek bij mijn oom werd een gewoonte die pas eindigde toen ze oud werden, wat logisch lijkt, maar toch ook iets bijzonders heeft. Men hoort wel eens iets over familieruzies, over twisten over eigendommen en gronden, maar blijkbaar was daar geen sprake van. En toch, de stamvader, die bleef ook altijd onbesproken. Wie is hij geweest en wie was de stammoeder, want die is nog verder op de achtergrond verdwenen? Ik herinner mij dat ik af en toe vragen stelde en dat mijn vader daar niet zo heel veel over vertelde, maar als ik dan keek naar die ooms en tantes, dan bleek dat het toch een goede familie geweest moet zijn, dat enkelen studeerden, dat een tante er veel voor over had in het klooster te treden en finaal toch het klooster verliet, toen dat te werelds werd. Maar zij was dus jarenlang wel "tante nonneke" en dat was een wereld die we niet kenden, al kwamen we er wel eens op bezoek.

Pas naderhand merkten we dat we nog iets leerden kennen van een oude wereld, een wereld van vrome mensen, dachten we, maar vroomheid kon zich wel zeer opstandig uitdrukken of eigengereid. Die vaststelling kon ons finaal wel bekoren, want in feite begrepen we wel dat de familie niet zo gauw meegesleept werd maar zelf de zaak in handen bleef houden.

Het mag gezegd dat die mensen wel braaf wilden lijken, maar als het nodig was, zouden ze wel doen wat nodig was, gewoon omdat het voor boeren altijd zaak was de eigen hoeve intact over te dragen. Het betekende wel dat wie het hof wilde overnemen tot taak had te wachten tot de  vader des huizes bereid was de zaak over te dragen en ergens onderdak te vinden, wat dus ook gebeurde. Maar in al die jaren hoorden we ook verhalen, over een koewachter en twee koppige broers, die liever in een hol onder de grond gingen wonen dan belastingen te betalen.

Neen, de wereld was niet boos, mensen konden wel eens raar overkomen, maar het was alles vrij voorspelbaar, of toch niet want mijn grootvader beleefde twee oorlogen in zijn volwassen leven en dat heeft me al vroeg bezig gehouden, want al bij de eerste oorlog was hij te oud om nog te gaan vechten en bovendien pas getrouwd. Zijn vader, Ludovicus, was in 1880 secretaris van de kerkfabriek in die hoedanigheid betrokken bij de bouw van de kerk van Sint-Margriete, vlak aan de grens. Mijn grootvader was geboren in 1876 en was zo ouder dat mijn overgrootvader, de vader van mijn moeders vader. Hij, Eduard Haers was ook betrokken bij de schattingen van de oogsten, was ook dijkgraaf, verantwoordelijk voor de Sint-Janspolder en dus ook voor het voorkomen van overstromingen van de polder. De bezetter heeft in 1944 de polders in Zeeland en ten Noorden van het Leopoldkanaal geïnundeerd en hoe dat uitpakte voor de omgeving van het erf, is me niet duidelijk geworden. Wel bleken de fruitbomen daar opvallend jong, maar dat gold voor het woonhuis en de stallen, de schuur die alle gebouwd waren rond 1928.

Het blijft vreemd mensen te gedenken die men niet of nauwelijks gekend heeft, maar het hoort tot de familietraditie, tot onze cultuur ook, dat we eens per jaar die mensen gedenken die ons zijn voorgegaan en men kan zich afvragen of er blind voor blijven beter is. Zelf heb ik altijd zowel een ecologisch bezwaar tegen crematie gehad, want er blijkt veel energie voor nodig om een persoon mooi te verbranden, maar er is ook een psychologich bezwaar, want het willen opruimen van een aflijvige die ons dierbaar was, blijft me bevreemden. Waarom zouden we de natuur haar werk niet laten doen en geleidelijk het hele proces van stofwording laten doormaken.

Nu kan het natuurlijk wel rationeel heten dat wie sterft niets meer te betekenen heeft, maar dat lijkt me geen rationele benadering, want het doorgeven van het leven is minstens een reden waarom de voorzaten ons interesseren kunnen en waarom een gedachte gewenst is. Welke kleine gedachte men ook heeft voor hen die op het "Friedhof", in de Vredestuin, als men toch geen religieuze termen wil gebruiken, rusten, het blijft altijd een bijzonder moment bij zo een graf te staan.  Die voorzaten zijn er maar met hun leefwereld kan ik niet direct nog een contact leggen. De moeilijkheid is, dat de migratie van dertig, veertig kilometer de contacten met de leefgemeenschap van de voorzaten verbroken heeft en dat voor ons die namen niet zomaar iets betekenen.

Dat kwam me ook zo voor in Brugge, waar mijn andere grootouders begraven liggen en waar de oude kring van mijn grootvader en grootmoeder voor ons niet echt herkenbaar is. De grootooms en -tantes zijn ook overleden dus zijn er nog wel naneven - de directe familie van mijn moeder woont nu in het Gentse, Antwerpen en Brabant, zodat inderdaad ook daar een aantal contacten verbroken zijn.  Het is het leven, kan men dan vaststellen, maar het geeft wel aan dat gezeur over honkvaste Vlamingen misschien niet zoveel hout snijdt als men altijd weer aanneemt. Of zou het een uitzondering vormen? Ik denk veeleer dat honkvastheid niet per se problematisch moet heten, al kan het geen kwaad natuurlijk ook eens buitengaats te gaan kijken.

Het valt wel op dat men graag zou willen dat de scheiding tussen stad en platteland echt nog altijd zo diep was, maar precies in de Nederlanden, waar er relatief veel steden op korte afstand van elkaar groeiden en met een paar dipjes tussendoor doorheen de geschiedenis hun densiteit konden behouden  maar ook de interactie met het ommeland, sinds hun ontstaan blijft al te vaak buiten beeld. Dat men in landen als de VS steden heeft in the middle of nowhere kan men nog begrijpen, maar de Oostkust, rondom Boston lijkt me anders ook behoorlijk dichtbevolkt. De groei van de steden, zegt men, neemt ontegenzeggelijk toe, maar het valt wel op dat de plannenmakers anno 2014 nog altijd zwelgen in de aannames die tijdens het Interbellum al ravages hebben aangericht. Richard Sennett woonde in zo een woningbouwproject uit die periode maar waar hij kon ontsnappen aan de deprimerende sfeer, eerst door zich op cello toe te leggen en vervolgens op zijn studie geschiedenis en sociale wetenschappen, zijn er velen die precies door de omgeving zelf nooit durfden te dromen vooruit te komen.

In die zin kan men de discussie over verstedelijking, zoals Richard Florida en anderen die voerden, waarbij men zonder veel argumenten uitgaat van de idee dat de stad een centrum van elitaire en vooral vooruitstrevende cultuur zou zijn, terwijl de verstedelijking er gedurende decennia aanleiding toe gegeven heeft dat de oude centra ontvolkt raakten en de gezonde mix van elite, middenklasse en armere medeburgers verstoord werd. Nu lijkt men die verstoring gewoon verder te zetten, door de elite terug in de stad te willen krijgen. Creativiteit, zo komt het mij voor, vindt men overal, net zoals men ook in New York best wel eens provinciaal kan blijken.

Het is niet zozeer omdat mijn familie uit Klemskerke dan wel Sint-Margriete, twee poldergemeenten, maar de ene aan de kust en de andere gemeente  in een gebied dat aansluit bij zowel de Scheldepolders als de Zeepolders, dat ik iets zou hebben tegen de stad, laat staan tegen de morele goorheid van de grootstad. Beide werelden liggen niet zo ver uit elkaar en de toegang tot internet is overal verzekerd.

Novemberlicht blijft me fascineren, omdat het gaat over de dagen die snel overgaan in avondschemer en waar de uren in het afnemende licht de dagen zelf kleuren. Het is precies dan dat een herinnering aan Karel van de Woestijne kan opkomen: hoe die alleen schrijven kon bij een gloeiend heet gestookte kachel. Of waar we ons wel eens herinneren dat het klimaat, het weer op ons nauwelijks nog een invloed heeft, weinig consequenties ook. Hoorde ik mijn vader vertellen over hoe zijn vader met de sjees door de akkers reed en ging kijken hoe de boer het deed op het land, bij het ploegen of eggen. Maar, zegde men mij, die grootvader las des winters ook wel boeken. Lezen was geen zonde, noch zonde van de tijd noch zonde van de ongewenste inzichten. Misschien daarom dat ik hou van de melancholie die eenieder wel eens voelt opkomen en die we niet hoeven af te schudden, maar ook dient het nergens toe erdoor meegesleept te worden. In november komen de gedachten over de eeuwige wederkeer der dingen op ons af, maar het kan soms anders uitpakken.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten