WO I dubieuzer dan herdenkers suggererenErnest

Dezer Dagen

Komt het einde dan toch
hoe dubieus 11 november wel niet is

Ernest Lavisse (1842 -1922) legde mee
de basis voor een Frans zelfbeeld dat
ook nu nog de blik enigszins beneveld. Het Franse
patriottisme blijft doorgaans onbesproken,
terwijl het voor 1914 minstens even virulent
bleek als in andere naties het geval was. 
Plots is er de wapenstilstand, een paar dagen later in Franse en Britse kranten een overgave genoemd. Plots? De aanloop tot 11 november, waarbij men doorgaans slechts de moeilijke onderhandelingen in Compiègne vermeldt, terwijl men de gisting in de geesten bij de oorlogvoerenden noch bij de burgers vermeldt. Toch kan men bij Karel van de Woestijne lezen hoe rond 9 oktober de geesten aan het schuiven gaan en Wilson een voorstel bezorgd aan de Duitsers, waarin deze de bezette gebieden verlaten en zich binnen de grenzen van 1914 terugtrekken, overigens op vraag van de regering in Berlijn... Intussen heeft de keizer van Oostenrijk, Karel I, ook een memorandum uitgevaardigd, Het "Volkerenmanifest" waarin de Dubbelmonarchie door de keizer zelf wordt opgeheven en hij nog slechts staatshoofd is van wat eens Cisleithanië genoemd werd, alles ten Westen van een rivier, de Leithe.

Natuurlijk weet eenieder dat geschiedenis zich niet in schokken aan ons voordoet, maar dat, voor wie het weten wil, er altijd al voorafgaande gebeurtenissen, tekenen zijn, die in zich kiemen dragen van nieuwe feiten. Karel van de Woestijne laat zien dat in oktober 1918 de activisten vrezen voor de gevolgen van hun keuzes en hijzelf noch Herman Teirlinck kunnen medelijden hebben met die mensen die zeer openlijk de milde gaven van de bezetter accepteerden, zelfs nog meer vroegen.

Men kan natuurlijk 11 november herdenken als het einde van een uitzonderlijk wrede oorlog, waarvan de doelen na de eerste maanden zeer moeilijk te ontcijferen vallen, tenzij men hoopt de tegenstander te vernietigen. De Fransen, meer nog dan de Britten geloven dat ze de oorlog ten einde toe moeten voeren, de laatste van alle oorlogen. Maar wat dat anders betekenen kon dan de vernietiging van de erfvijand, blijft onbesproken. Tot juli 1918 lukt dat geenszins en vervolgens zullen de omstandigheden voor een doorbraak zorgen, zoals de politiek van Keizer Karel I, de afzijdigheid van Bulgarije en zelfs Turkije, maar vooral dus de actieve deelname aan de oorlog vanwege het Amerikaanse leger. Niet voor niets meent John Lukacs dat zonder die deelname de oorlog maar moeilijk gewonnen had kunnen worden door de Fransen en de Britten en hun koloniale troepen.

Wij weten wel een en ander, maar als we het over 11 november hebben, dan blijkt het moeilijk  de gang van zaken goed te begrijpen, tenzij we ermee volstaan te accepteren dat men plots tot een wapenbestand wilde komen. Het blijft opvallend dat men beroep doet op historici, maar als het erop aan komt een meer samenhangend verhaal te brengen, waarin men ook de inconsistenties durft te accepteren, dan hoeft men die historici er niet bij te hebben.

Was 4 augustus al moeilijk begrijpelijk te maken zonder de bijzondere rol van Frankrijk te vermelden, dan blijkt het voor wat betreft 11 november 1918 nog moeilijker zonder  de veranderingen in de Duitse samenleving in ogenschouw te nemen: de stakingen van de industriearbeiders vanaf maart 1918, waarna Erich Ludendorff besloot dat de keizer de parlementaire regeringsverantwoordelijkheid maar weer moest instellen. Zijn doel? De eer van het leger intact te houden en tijdens het interbellum zou hij er toe bijdragen dat de schande van de Wapenstilstand en vooral van Versailles op het conto van de burgerpolitici werd geschoven. Maar zoals ook Jacques A.A. van Doorn het beschreef, was het precies Ludendorff die eerst de politiek had uitgeschakeld en vervolgens haar de verantwoordelijkheid voor de nederlaag in de schoenen schoof. Dit impliceert dat de hoge officieren kansen hadden laten liggen om tot een eervolle vrede te komen. Ook aan Franse en Britse zijde was de animo om een redelijke vrede te aanvaarden lang onbestaande en men moet die bedenking in gedachten houden, al zal men die op een banale 11 november nooit horen.

Wie dus over 11 november spreken wil, zal veel in overweging moeten nemen, want de oorlog werd even hardnekkig gevoerd vanwege alle participanten. Zoals men weet kan men ook 9 november als een fatidieke datum noteren, want in 1918 kwamen toen honderdduizenden op straat in Berlijn om te betogen voor de burgerregering en tegen de militaire overheid, maar de burgerregering veegde hen met de hulp van soldaten van de straten en pleinen. In 1989 viel de muur en liepen de straten vol mensen, maar het leger bleef afzijdig. Dat er tussendoor op 9 november 1938 ook nog een Kristalnacht plaats vond, zelfs een boekverbranding op een andere 9 november mag ons niet ontgaan. Met andere woorden, voor ons is 11 november een belangrijk moment, in de beleving van de burgers was het einde van de oorlog misschien zelfs een ontgoocheling, omdat er zoveel geplunderd was.

De golven van herdenkingen van begin en einde van WO I fascineren me steeds weer, omdat het bizar is dat we nu, 100 jaar later zoveel te vertellen hebben over dat begin - maar de lezing blijft doorgaans behoorlijk selectief -  zoals ook het einde van de oorlog en de Wapenstilstand een eigenaardige situatie schiep, want voor de Franse en Britse pers ging het om de overwinning, terwijl de Duitsers konden beweren dat er geen vijand voet op Duitse bodem had gezet. Ten overvloede, sinds 1973 of 1974 heb ik vrij bewust elk jaar 11 november beleefd, maar gedurende bijna 30 jaar, van 1974 tot 2003 was het herdenken van de wapenstilstand een zaak van gestelde en ongestelde lichamen, van het jaarlijkse Te Deum en een beperkte herdenking bij het graf van de Onbekende soldaat. Reeds een paar jaar voor de hernieuwde belangstelling, begon een stroom van publicaties ons te belagen, maar de visie op WO I veranderde niet wezenlijk en nieuwe historische inzichten kwamen er niet. Pas toen Christopher Clark de Fischer These over de verantwoordelijkheid voor WO I die geheel en al bij Duitsland zou gelegen hebben, onderuit haalde, leek een debat zich te ontrollen. Maar men kon noch kan dit doen tenzij men de Franse geschiedenis grondiger gaat beschrijven, onderzoeken dus.

De gevolgen van de Frans-Pruisische Oorlog van 1870 die in 1871 eindigt met de keizerskroning van Wilhelm I tot Keizer in de Spiegelzaal in Versailles, 1871, vormt de terminus post quem, het moment waar Frankrijk gebiedsdelen verliest, Elzas en Lotharingen, maar ook moet men vaststellen dat men militair echt niet bij de les is geweest. Onderwijs, vakonderwijs en leger worden hervormd, de geesten worden aangescherpt, zoals een documentaire over de Derde Republiek liet zien. Dat verhaal van "Nos ancêtres les Gaulois", waarmee de jonge Franse knapen werden bekogeld sloeg natuurlijk niet echt op iets, want de Kelten als etnische groep vallen in het Frankrijk na de middeleeuwen moeilijk te herkennen, maar bovendien is het ook zo dat Vercingetorix een nederlaag had geleden, na een desperate opstand tegen Julius Caesar. Ernest Lavisse heeft zich in elk geval onsterfelijk gemaakt met zijn nationalistische en patriottistische onderwijsprogramma. We zijn er bedreven in feitelijke nederlagen om te buigen tot momenten van herinnering, alsof klinkende overwinningen er minder toe doen. Vlaamse historici zullen altijd weer het relatieve belang van 11 juli 1302 onder de aandacht brengen, dus vooral het feit dat de volgende jaren de strijd voortduurde. Dat de Franse koning, Filips IV er niet in slaagde de hele som van de schadevergoeding te innen, blijft dan onbesproken. Of 1302 voor ons nog belang kan hebben? Of 1918 nog belang kan hebben?

Alleen als we er de omstandigheden van onder ogen zien, als we de mythe van de zinloze oorlog afwijzen en begrijpen dat de oorlog door middelmatige generaals is uitgevochten, die voor hun soldaten en ondergeschikte officieren geen respect hadden. Ook zullen we begrijpen dat de geesten voor de oorlog klaar gestoomd waren. Hoe in Duitsland na de grondvesting van het Keizerrijk de industriële revolutie van het land een ongemeen machtig rijk maakte, dat zelfs het UK industrieel overvleugelde, mag men niet vergeten. Maar als Fischer na WO II de these onderbouwde dat Duitsland alle verantwoordelijkheid droeg voor de oorlog, dan zal men begrijpen dat Duitsland inzag dat het voor het welslagen van de Europese integratie nodig was dat de gedachte werd afgezworen dat Duitsland ten onrechte de morele verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven was geworden. Christopher Clark veegt de vloer aan met die aanpak en niet zonder reden. Alleen is de vraag dan wat we met die nieuwe inzichten aan moeten vangen. Want de schuld voor de oorlog, zegt men, moet toch ergens liggen. En Frankrijk zal haar eigen politieke en diplomatieke geschiedenis niet zo gauw heroverwegen.

Net omdat 11 november nog altijd een dubieus moment is, omdat de ene de overgave herdenken, terwijl anderen de wapenstilstand hoog houden, kan men die discussie niet goed aangaan. Nog eens, de Fransen hebben na 1871 een virulent patriottisme vorm gegeven, via het onderwijs en in de media. De zaak Dreyfus, die alle partijen verscheurde, leidde tot een nationalisme dat nog verder ging  en in de Action Française een opvallende uitdrukking vond. Charles Maurras richtte de beweging op in 1898 en dus mag men aannemen dat ook in Frankrijk het nationalisme stevig was geworteld.

Overwegen we dit alles dan blijft het waardevol 11 november te herdenken, maar zeer zeker ook is het nuttig het failliet van Wilson's betrachtingen te onderkennen. Men kan niet blijven doen alsof 11 november alleen maar het einde van de oorlog was, want er begon een nieuwe periode die niet zo snel tot welvaart zou leiden, want ad primum was zeker België leeggeroofd; ad secundum waren Frankrijk en het UK militair, industrieel en financieel uitgeput, om de demografische verliezen niet te vergeten; ad tertium was Duitsland moreel en politiek in opperste verwarring, met communistische opstanden en in München zelfs een korte tijd een Communistische Radenrepubliek, maar ook hadden burgers die keizer en legeroverheid veel te verwijten hadden. In het Oosten was overigens een nieuwe macht ontstaan, de Sovjet-Unie, met dank aan Ludendorff en Hindenburg, die er mee voor gezorgd hadden dat Lenin uit Zwitserland naar Rusland kon reizen met zijn getrouwen. Om maar te zeggen, een helder beeld is er niet direct. Dat hoeft ook niet, want wie van de geschiedenis heldere antwoorden verwacht, doet doorgaans de geschiedenis geweld aan.

Zoals wel meer het geval is, blijkt Karel van de Woestijne daarvan op een pertinente manier getuigenis af te leggen in zijn correspondentie aan de NRC, want hij weet blijkbaar goed hoe de vork aan de steel zit, in Brussel, terwijl andere informatie hem vaak niet bereikt, behalve dan dat de Duitse bezettingstroepen in Brussel en de burgerlijke ambtenaren vanaf 13 oktober 1918 de stad beginnen te verlaten. Dat verhaal zal men bij de herdenkingen niet horen. De burgers worden in deze oorlog schandelijk miskend, omdat men de oorlog te zeer als een militaire activiteit heeft beschouwd, terwijl het misschien wel de eerste totale oorlog mocht heten. De burgers in bezet België werden niet gespaard, zoals ik al vroeg heb begrepen, denkende aan mijn overgrootvader, Gustaaf Dumon (1880 - 1972). Daarom, vooral daarom denk ik dat men het dubieuze van 11 november niet over hoofd moet zien. Vooral de burgers zouden nog vijf, tien jaar de gevolgen ervaren van de oorlog. Ieper zou pas na WO II helemaal opnieuw in haar oude glorie hersteld zijn Neen, het was niet enkel een zaak van de soldaten. Maar zij waren het minst in staat zich te verzetten, want de hoge officieren dachten dat ze vrij konden beschikken over de levens van hun soldaten. Dat herdenk ik altijd op 11 november.

Bart Haers


   

Reacties

Populaire berichten