Het juiste midden in clair obscur



Dezer Dagen


Epifanie zonder app
Wat ons duidelijk werd

Verrassend misschien dat ik deze roemrouchte
politicus, Jospeh Fouché, duc d(Otrante
 kies om mijn gedachten te verlichten
omtrent wat we het feest van de openbaring plachten
te noemen. Vandaag hebben we de neiging
de dingen in clair obscur te bekijken, duaal,
binair, terwijl zo een Fouché best wel wist
meer baat te hebben bij subtiliteit en discretie
dan bij een bot sic ac non. 
Met zicht op een feest dat veel van de oude charme is verloren, kwam het me voor de geest dat we ons nog zelden echt verwonderd durven te tonen, of verlicht worden. Want het heeft me lang geduizeld telkens ik merkte dat de taal van de Verlichting niet zo gek veel verschilt van wat precies in de christelijke taal aan de orde was, te weten, verlichting, licht brengen in de duisternis. Hoe zit het dan?

Taal verdraagt alles en men kan alles zeggen, als men dat wil, het mooiste en het wreedste, het meest abjecte denkbaar. Het lijkt een dwaze opmerking, die iedereen toch al moet gemaakt hebben, maar de laatste tijd, is ze me opnieuw komen bezoeken en soms lijkt me de juistheid ervan betwistbaar, in die zin dat de taal inderdaad kneedbaar is en dat het niet de taal is, maar wij die de taal hanteren voor iets wat we zelf willen uiten. Ook dit is een cliché, ik weet het, maar het blijft me soms duizelen hoe bijvoorbeeld humoristen, vooral zij die vooral breed willen scoren, op die manier met futiele in plaats van subtiele opmerkingen komen. Wij beheersen de taal,maar niet hoe de ander de boodschap ontvangt en zo is er ruimte voor misverstand - dat gelukkig kan uitpakken. Acht ik het nuttig om een paar gedachten over epifanie, de dag van drie koningen te brengen, dan heeft te maken met de moeilijkheid die we vandaag ondervinden om boodschappen goed te coderen en decoderen.

Nu de jongeman Navid Sharifi terug is in het land na een rondvaart waarover best een novelle te schrijven valt, blijken de media in deze een wel heel bijzondere en niet altijd even heldere rol te hebben gespeeld. Kort voor of nadat hij gedeporteerd werd, kwam in het nieuws dat de jonge man in Iran bij een familieruzie iemand zou hebben verwond of erger. Wat er van aan was, is nooit duidelijk geworden, maar dat op die manier duidelijk was dat Sharifi in Kaboel wellicht magen noch vrienden zou vinden, was wel evident. Ook het feit dat VTM kennis in de wereld stuurde, die hem had kunnen beschadigen is me ook bijgebleven: mag een nieuwsredactie een bericht brengen waarvan de redacteuren weten dat het voor de betrokkene schadelijk kan zijn, zonder dat het algemeen belang ermee gebaat is? Sharifi had opnieuw uitgewezen kunnen worden uit Polen en dat is ook betracht, maar de journalist(e) die het ontdekt had, moet zich toch hebben afgevraagd of hier geen sprake was van verklikking. Ik weet het wel, de zaak is niet evident, maar ik vond het verrassend dat het bericht plots in de krant opdook maar dat men niet meer kon vertellen dan dat de jongeman dacht terug naar Waregem te gaan. Uit dit wedervaren is ook gebleken dat de betrokken diensten niet echt betrouwbaar zijn gebleken en deze jonge kerel over veel veerkracht moet beschikken.

De moeilijkheid is dat journalisten geacht mogen worden het maatschappelijk belang af te wegen tegen de particuliere inzichten van een jongeman met een geschiedenis. Als er zoveel mensen achter die jongen staan, omdat ze overtuigd zijn van zijn goede intenties, dan had de toen bevoegde minister of staatssecretaris misschien moeten overwegen in alle stilte een andere boodschap aan haar diensten te geven. Maar politiek is het mevrouw de Staatssecretaris wel in dank afgenomen. Vreemde verhoudingen komen zo aan het licht: de jongeman heeft mensen die hem steunen en burgers stemmen in groten getale op een staatssecretaris die hem het land laat uitzenden of niets doet om het te verhinderen.  

Maar dat is het punt dezer dagen: alles moet helder zijn, onbetwistbaar en boven discussie verheven... wat van alles aangaat, behalve onszelf. We leven in een wereld van clair-obscur, wat mij altijd weer verrast. Maar ook wat helder hoort te zijn en wat in het duister moet blijven, blijkt altijd weer even verrassend. Zoals gezegd, discretie is een schoon iets, maar soms lijkt men zich daar weinig om te bekreunen. Het blijkt nochtans van belang te beseffen dat wat we anderen niet gunnen aan discretie ook onszelf op enig moment kan raken. Het blijkt namelijk dat mensen het haast normaal vinden dat ze hun eigen kleine ondeugden kunnen beleven, maar evengoed van de andere eisen dat die volstrekt eerlijk is. Hoe lang duurt het nog voor er een app komt die de boodschappen van de (liegende) tegenpartij decodeert voor ons en zo elke naïeve welwillendheid ontsluiert? Misschien bestaat het al, maar zou het niet vreselijk zijn als we niet zomaar, uit louter welwillendheid een ander een goed gevoel kunnen geven, omdat een app zegt dat die iets anders wil vernemen?

Het is van belang dat we over technologische middelen kunnen beschikken, maar een mens moet ook nog iets om handen hebben. Niet elke realisatie is echt een stap vooruit, maar dat hoort men vanzelfsprekend niet graag. Marli Hujer legt uit dat een beetje discipline in tijden van overvloed best nuttig kan zijn, maar dat men zich daarbij kan behelpen van bijvoorbeeld apps om een deel van de discipline buiten zichzelf te plaatsen. Grote bezwaren zijn daar ethisch niet tegenin te brengen, maar misschien kan het wel verslavend werken en verliest men zo alweer op een onverwachte manier de regie op het eigen leven. En dan... is het ook nog eens zo dat een al te strakke regievoering het leven zelf heel erg duf kan maken.

Het is wellicht een typische verschuiving want waar anderen het hebben over het "juiste midden" waar Aristoteles het in zijn deugdenethiek over zou hebben, had ik, heb ik het liever over het onvindbare midden. De vraag is immers of men het altijd kan bereiken, dat zoeken van het midden tussen teveel honger of te weinig eten, te hard sporten en voldoende trainen... Wie het weet, wat het juiste midden is, kan immers in weer een ander exces vervallen. Het leven vergt dan ook training en een lange leerschool. Maar als je zo een violist het concerto van Brahms hoort spelen, dan weet je pas hoeveel discipline er nodig is en hoe lang die opgebracht moet worden om het stuk onder de knie te krijgen maar ook nog eens bij elke vertolking. Zoekend naar perfectie, hoorde ik eens iemand vertellen, verloor ze de ambitie om het nog goed te spelen, gewoon voor het plezier. Er leeft een excessief verlangen naar perfectie en daar pas zal het moeilijk zijn het juist midden te vinden.

Laten we dan maar verlichting zoeken, zal u zeggen, maar ik weet niet of men die zomaar vinden kan aan de hand van een app. Veeleer zal het erop aan komen te erkennen dat het niet om de perfectie te doen is, maar om een samenbrengen van zoveel energie en kunnen, dat het lukt de snelle loopjes en de trage delen, de vele instinkers te behandelen met een zigeunerachtige nonchalance, maar intussen wel alle zeilen bijzettend om het goed te doen.

Maar we hadden het over de idee van verlichting, verwondering, openbaring ook. Nu weten we al tijden dat de hele idee van een geopenbaarde heilsleer nergens op slaat en dat het allemaal sprookjes zijn, verzinsels van mensen. Maar juist daarom zijn die verhalen wel van belang en dus ook blijft het boeiend nadenken over de vraag waarom in sommige christelijke religies de Epifanie belangrijker is dan de dies natalis, de geboortedag. De dies natalis is van belang geworden, heb ik begrepen op het moment dat men van Jezus een volledig levensverhaal wilde brouwen en men erin slaagde die geboortedag rond midwinter te plaatsen. Drie Koningen, dat is een ander verhaal, wellicht even verzonnen als het verhaal in de stal op het veld, maar het gaat ook daar niet om, want die verhalen overleefden niet enkel omdat de kerk het wilde, wel omdat mensen er genoegen in kunnen scheppen door zo een verhaal te vertellen iets anders mee te delen. Minder gecanoniseerd gebeurt dat bijvoorbeeld ook in vrouwenvertrekken, vroeger, waaruit dan allerlei scabreuze verhalen ontstonden, zoals het evangelie van de spinrok.

Het gaat dus om antropologie, cultuurgeschiedenis, maar ook om het beleven van de dingen en die in een verhaal plaatsen. Een aantal jaar geleden zat ik op de tgv van Parijs naar Macon en had ik een boekje van Stefan Zweig gevonden over de bekende politiechef Fouché, die doorgaans voor vilein en erger wordt gehouden, maar waar Stefan Zweig wel meer in zag dan het abjecte, met name de vele talenten van de man. Ik moet zeggen, toen, in 1990 had ik van Stefan Zweig niet zo heel veel gehoord en over Fouché nog minder. Maar het gegeven van een verdwenen regime, in vele landen oostelijk van Duitsland inspireerde me wel het te lezen. Dat een intellectueel in de jaren 1920 de idee heeft over precies deze politiechef en politicus die de principes van Machiavelli goed in de vingers had, te schrijven, blijft me nog altijd verbazen. Nu was het te dien tijde bon ton auteurs als Zweig niet ernstig te nemen. Toen ik later de biografie van Frans Masereel las en ook daar de heer Zweig zag passeren, begon het me te dagen dat er meer aan de hand is. Gedurende meer dan twintig jaar is dat (her-)ontdekken van het oeuvre dat tijdens dat interbellum tot stand kwam, niet enkel van Stefan Zweig, maar ook van Thomas Mann, Joseph Roth, Romain Roland, Virginia Woolf, maar ook van Timmermans of Walschap een weg naar meer inzicht. Onder meer "De Vierde koning" van Gerard Walschap was zo een kleinood, waar men niet zo gemakkelijk over spreekt, terwijl het wel een inspiratie vormen kan, voor allerlei speculaties.

Is het dat wel, dat we willen, speculatie? Als historicus in de dop werd mij geleerd me niet aan speculeren te wagen, want we mochten alleen voor juist aannemen wat de bronnen duidelijk en ondubbelzinnig vertellen, nadat men er alle instrumenten van het ambacht dat Historische Kritiek heet op hadden losgelaten. Dat leek en lijkt me een zeer adequate positie en die kan ik best wel onderschrijven. Maar met het vorderen van de jaren merk ik dat bepaalde methodes, die men met het metier van de historicus verbindt, zoals het deconstructivisme gevaarlijk tenderen naar een negatieve vorm van speculeren, want alles wordt gekaderd  in een mensbeeld dat zowel te algemeen is als niet per se geëigend om mensen adequaat te portretteren. Deconstruvistische historiografie vertrekt immers evengoed van een egocentrisch mensbeeld dat ook de neoliberalen hanteren. Juist Stefan Zweig zette me dus op weg naar een benadering die minder eenduidigheid verdraagt dan we vandaag gewend zijn aan de dag te leggen.   

We tasten dus altijd wel rond, beschikken wel over meer middelen en instrumenten dan vroeger, ook in het dagelijkse leven, maar tegelijk lijkt het inderdaad dat we minder goed op de hoogte zijn van hoe het moet. Met de auto rijden? Volgens sommigen zijn we niet meer in staat de regels goed uit te voeren. Of zou het een gebrek aan discipline zijn? Niet met het mobieltje spelen, leert een boodschap op het scherm, maar tegelijk ziet men al eens een wagen bijna de weg afgaan. In onze drift elk accident te voorkomen, dreigen we te vergeten dat het goed is dat we ons zelf nog bewust kunnen worden dat niet alles in handen van derden hoeft te liggen. Inderdaad, als Marli Huijer schrijft dat we een deel van de discipline via een app kunnen uitbesteden, dan denk ik toch dat het net zo leuk kan zijn zonder app toch te doen wat moet en blij te zijn. Dat is wat deze Epifanie mij weer eens bij heeft gebracht. Hoe ik weet wat moet? Dat is een kwestie van zoeken naar het onvindbare juiste midden.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten