Met de voeten in filosofische humus



Recensie



Aan Adelheid,
over de eindigheid en de herhaling



Ger Groot, Sam Ijsseling. In gesprek met
Samuel IJsseling. Dankbaar en
Aandachtig. Uitgeverij Klement/ Pelckmans
2013. 148 pp. Prijs: 18,95 €
Brugge, 21 maart 2015

lieve Adelheid,

Het boekje van Samuel IJsseling, die in gesprek was gegaan met Ger Groot, Dankbaar en Aandachtig, heb je me dus niet voor niets gegeven. Nu ken ik mensen die meer vertrouwd zijn met de man en zijn werk, ik mocht hem ooit eens ontmoeten bij gelegenheid van een colloquium over onderwijsbeleid, door de Werkgemeenschap Vlaanderen Morgen ingericht. Vele kwesties die toen behandeld werden, kwamen de afgelopen jaren in de media aan bod, maar nogal eenduidig en zonder discussie. Wie zich voor een andere visie op onderwijs inzette, had, zegden de officiële commentatoren, de trein gemist. Na lectuur van dit boek denk ik wel degelijk dat die hervormers de trein wel hebben genomen die op hun perron stond, maar ze weten nu niet meer waar die heen gaat. Waar Samuel IJsseling gedurende een mensenleven aan gewrocht heeft, lijkt zich te laten samenvatten in de vraag hoe we in deze wereld zoals die is, zoals we haar kunnen kennen, voldoende stof vinden om er bedachtzaam mee om te gaan, zonder op een ideeënwereld daarbuiten beroep te moeten doen. Maar de weg is lang, zoals het boek beschrijft en de man die aan het einde apert het paganisme aanhangt, was in zijn jonge jaren pater Augustijn en ging vervolgens naar Parijs. Zijn afvallen van het geloof lijkt evident, maar doorheen de gesprekken blijkt Sam IJsseling de waarde en betekenis van de cultuur die het Christendom en de RKK hebben ontwikkeld niet af te wijzen. Maar, zoals blijken zal, gelooft hij dat de idee van de ene en enige God een idee over eenheid veronderstelt die ons handelen en observeren van de wereld en onszelf ertoe leidt dat we verscheidenheid niet aanvaarden.

 Maar hoe kan een toenmalige priester en Augustijner monnik via de filosofie in een totaal ander denken een eigen weg banen? Of vormt precies die achtergrond van theologische studies de voorwaarde om vervolgens eigen paden te zoeken en te vinden. Sam IJsseling ging na een verblijf in Rome naar Parijs,waar hij Derrida, Lacan en Paul Ricueur mocht ontmoeten. Nu, eerst vond hij Ricueur nogal matig als filosoof, maar toen hij later werkcolleges ging volgen, bleek Ricueur toch mee te vallen. IJsseling deelt in het spanningsveld dat in die jaren in Frankrijk hangt. Zo valt het op dat hij op zeker ogenblik merkt dat Emmanual Levinas er in wezen zeer strikte inzicht op na houdt die niet stroken met de receptie van de Franse filosoof, maar ook daar blijkt hij, ondanks de soms wel stevige kritiek toch wel aandacht te hebben voor het werk van Levinas. Ten gronde komen we aan de weet dat Sam IJsseling het grote patrimonium aan teksten best wil lezen, maar ook dat sommige teksten hem het lezen niet waard zijn.

Waarom hij aan het begin van zijn carrière zo in de ban kwam van Martin Heidegger, werk van hem vertaalde en toch, aan het einde van zijn lange loopbaan kon zeggen dat hij filosofische bronnen had gezocht, maar niet zomaar had aangenomen wat de auteurs ervan te vertellen hadden. Met Heidegger heeft hij een aantal keren van gedachten gewisseld, maar een blind volgeling werd hij niet. Zo had hij ook met Derrida regelmatig contacten en ook Lacan zou hij volgen, met dezelfd reserve. Maar is het wel terughoudendheid? Zelf zegt Sam IJsseling dat hij zich met de auteurs, filosofen die hij bestudeert zonder veel reserve opstelt, dat de kritiek niet de hoofdzaak is, maar als ik het hele boekje met gesprekken goed heb eigen gemaakt, denk ik dat hij wel degelijk heel intens met het werk inlaat en voor alles betracht te begrijpen wat Heidegger of Derrida en anderen te vertellen hebben. Maar tegelijk zal, zo lijkt het mij naderhand wel degelijk de kritiek vorm krijgen, dat wil zeggen het onderzoek, examen van de tekst. Kritiek als voorwaarde voor goede filosofie lijkt in hoofde van Samuel IJsseling eerder aanmatigend. Maar het betekent ook niet dat de filosoof zomaar overneemt wat hem aangereikt wordt.

Opvallend is dat Samuel IJsseling niet ingaat op de kwesties rond Heidegger en het nazisme, Heidegger en het antisemitisme, waarover nog onlangs een publicatie verscheen, waarin de cahiers noirs geanalyseerd werden. Frankrijk heeft het werk van Heidegger altijd grote aandacht gegeven, of beter, Franse filosofen hebben Sein und Zeit van Heidegger zeer aandachtig gelezen en er de hele verwerking van proberen uit te voeren. Maar ook IJsseling vertaalde werk van Martin Heidegger. Zoals gezegd, hij kan zich vinden in een aantal opvattingen, bijvoorbeeld over het probleem van de metafysici die de filosofie telkens weer zou voortgebracht hebben. Maar, zo lezen we, ook Heidegger ontkomt niet aan de verleiding die van de Platoonse ideeënleer uitgaat en blijft uitgaan, wat voor IJsseling van wezenlijk belang is, of beter, waar hij liever afstand van neemt.

Want een belangrijk hoofdstuk in het boek, een belangrijke tittel in het gesprek gaat over "Retoriek en filosofie", waarin IJsseling uitlegt dat het voor de filosoof cruciaal is te weten in welke taal hij tot zijn lezers, haar lezers aanwenden zal. De moeilijkheid is, zoals ook voor Heidegger bleek en voor Derrida dat zij menen dat hun taal en de overdracht die ze beogen, niet gebonden zou zijn aan overtuigingsstukken. Bij Martha Nussbaum vond ik een uitgebreid essay over de gelijkenis tussen de werken van Plato en de klassieke tragedie, Ayschulos, Sophocles en Euripides. Ook IJsseling had dus vastgesteld dat bijvoorbeeld Heidegger meer dan deze dacht een zekere mate van theatraliteit opzocht. Het heeft ermee te maken dat de filosofen en de poëten vlakbij elkaar wonen, maar elk op een verschillende bergtop. Maar het betekent ook, om naar een ander moment in de gesprekken te verwijzen dat bijvoorbeeld de analytische filosofie wellicht dichter bij de wetenschappers dan op de berg waar de filosofen te vinden zijn. Het punt is immers dat met Heidegger de filosofie een punt kon bereiken waar de filosofie het goddelijke kon aantreffen binnen de immanentie. Maar ook, wil men daarbij uitkomen, voortdurend moet zien komaf te maken met de gedachte dat het zijn een zijnde zou zijn, een ding.

Je begrijpt dat ik je wel dankbaar moet zijn, want dit boekje met gesprekken tussen twee filosofen, de een net tachtig, de ander, Ger Groot is een generatie jonger, maar men ziet zomaar dat Sam IJsseling ondanks het feit dat het schrijven hem niet meer goed afgaat, toch nog met zijn voeten in de filosofische humus staat. Zijn eigen bekendste werk, over de Griekse Goden en wat ze filosofisch kunnen betekenen, waarom polytheïsme een voorwaarde mag heten voor waarlijk pluralisme. Dat wil zeggen dat er meer mogelijkheden zijn om naar de wereld te kijken en dat een filosoof niet zozeer die ene waarheid moet zoeken, want er duikt dan altijd wel een andere visie op, die ook waar zou kunnen lijken, zodat men tenslotte bij de eeuwige derde uitkomt. Uitdrukkelijk neemt Samuel IJsseling afstand van de notie these-antithese-synthese zoals Hegel dat zag, wel als zovele mogelijkheden waarin we de wereld zoals die is, kunnen terugvinden.

Men kan menen dat zo een reeks gesprekken in boekvorm niet echt iets bijbrengen, maar Ger Groot is een collega-filosoof met een aantal inzichten die niet sporen met wat Samuel IJsseling van belang acht, waardoor op een aantal punten Ger Groot de hakken in het zand zet en zich niet zomaar gewonnen geeft, zodat Samuel IJsseling wel moet doorgaan met zijn gedachtegang. Net het denken over radicaal pluralisme moet ons wel interesseren. Het paganisme bij IJsseling spoort misschien wel enigszins met wat Goethe en Schiller vooropstelden, twee eeuwen geleden, maar toch is de visie van IJsseling meer confronterend omdat hij via het aannemelijk maken van een veelgodendom, vooral de moeilijkheden kan uitwerken die de waarheidsvraag met zich brengt, wat dan weer tot die andere filosofische hoax voert, de zekerheid. Het blijft voor mij opvallend dat de brede media niet deze IJsseling uitverkoren hebben, die toch dichter aanleunt bij het levensgevoel van de laatste decennia van vorige eeuw en ook deze eeuw tot hiertoe uitdrukken kan, namelijk het besef dat het moeilijk is van iets absoluut zeker te zijn, laat staan dat er een filosofische eenduidige waarheid zou bestaan, maar net de filosoof van de afgrondloze zekereheid, Etienne Vermeersch.

Het opvallende namelijk is dat we hier onder ogen krijgen dat een democratisch bestel niet gediend is van de gedachte dat het mensen gegeven is altijd weer exact te kunnen zeggen wat juist is. Ger Groot verwijt de filosoof IJsseling dat punt van universaliteit, of beter, van de onmogelijkheid vast te stellen wat universeel rechtvaardig zou zijn helemaal uit te werken. Het kan zijn dat mensen geen behoefte hebben aan een moreel relativisme, wat naar mijn beperkte inzicht nu toch ook niet het grootste probleem kan zijn, want weten dat men oordelen kan, moet, met niet altijd voldoende kennis en informatie, laat ook toe soms een oordeel achterwege te laten. Maar tegelijk kan men zichzelf de luxe besparen van de absolute zekerheid. Laat nu net dat de gekte van deze tijd zijn. Koketteerde men dertig jaar met een heilig niet weten, met een (afspiegeling van) eindeloze mogelijkheden, dan geldt nu ten allen kante de zekerheid, radicale zekerheid. Herinneren we ons de heisa rond het boek van Piketti, Le capital au XXIième siècle, dan maakte het op mij indruk dat hij al die data had doorgelopen. Maar geen criticus die kon uitleggen of zijn benadering boven twijfel verheven zou zijn, want dat nam men nu eenmaal aan. IJsseling zal menen dat rechtvaardigheid inderdaad aan de context gebonden is, zal daarom wellicht meer hebben aan het essay van Tomas Sedlacek, die precies uitlegt dat wie de economie als studie en de resultaten ervan te stevig op tafel gooit, vergeet dat het economisch handelen niet op objectieve gegevens alleen gebeurt maar tevens op een vorm van projectie, van verwachtingen over wat de toekomst brengen zal. Investeren, desinvesteren, consumeren... het zal wel niet altijd even doordacht zijn en het hoeft daarom ook niet slecht af te lopen.

In de voorstelling van zaken die IJsseling aandraagt, merken we dat democratie nu net gebaat zou wezen als we het concept van de samenleving meer vanuit het verschil benaderen, in plaats van een (geforceerde) eenheid voorop te stellen. In zekere zin komt IJsseling met een herkenbare benadering, vanuit zijn aandacht voor het verschil, voor het erkennen van verschillen binnen een groter geheel belangrijker is dan het identieke en eenvormige, want, zegt hij, als we daar de idee van mimesis, aan koppelen, dus de nabootsing, de spiegeling, maar ook de herhaling, dan krijgen we het beeld van een samenleving waarin niet het gelijke primeert, maar individuen als bijna hetzelfde, maar dus niet identiek mogen gelden. Dat komt mij voor een interessante invalshoek te bieden om de verscheidenheid in de samenleving niet enkel te aanvaarden, maar het ook als een kracht, een motor te laten wezen. Waartoe? In de mate dat mensen, individuen altijd in vele opzichten gelijk en afspiegelingen van elkaar ook hun eigen uniciteit hebben, maar dus ook het vermogen zelf iets te starten, kan een samenleving een soort levenssap ervaren, die het geheel blijft voeden.

Verder laat deze visie toe de radicale benadering van gelijkheid los te laten, maar tegelijk ruimte te laten voor wat anderen doen respect op te brengen. Racisme en discriminatie worden vandaag gezien als bijzondere uitingen van de gekende hoofdzonden. Maar ook wie zich aan racisme en discriminatie ergert zonder er zelf mee te maken hebben, kan zich best beraden, want als er sprake is van Ira, woede, Invidia, afgunst en Acedia, gemakzucht, dan zeker in het ijveren tegen een houding, die des mensen is, zonder dat men dit zomaar moet aanvaarden. Natuurlijk kan men racisme maar moeilijk aanvaarden, maar vandaag heet het dat iedereen onderhevig zou zijn aan racisme, terwijl men dat niet zomaar kan poneren. Toch slaat men uit pure gemakzucht aan het generaliseren. En bovendien, wie in elk erkennen van verschil racisme herkent, loopt het risico dat men het individuele ook niet herkennen kan. Zelfs het erkennen van verdienste loopt dan gevaar.

Beste Adelheid, je gaf me dit boekje quasi terloops, terwijl ik het eerst even heb moeten laten liggen om dan stilletjes te beginnen lezen, aftastend en zoekend. Maar eenmaal de verschillende aspecten van het denken van Samuel IJsseling naar voor kwamen, kon ik het niet meer laten liggen. Helemaal zal ik het wel niet gevat hebben, maar ik zal in elk geval zo snel als mogelijk zijn godenboek op de kop trachten te tikken en ook "Retoriek en Filosofie", want dat intrigeert me wel. En over mimesis valt veel te zeggen. Vooral in tijden waarin men iedereen het heeft tegen plagiaat en niet anders kan dan herhalen wat anderen al vertelden. 'Tout est dit et l'on vient trop tard depuis plus de sept mille ans qu'il y a des hommes et qui pensent.[i]" Of nog: Dino Buzatti schreef een boeiende roman, "De woestijn der tartaren" en Jacques Brel maakte er "Zangra" van. Die ontdekking maakte mij duidelijk, dat je wel degelijk met het werk van anderen aan de slag kan, als eerbetoon.

Bart Haers





[i] Jean de la Bruyère;, Citations

Reacties

Populaire berichten