regeringsleider is geen scheepskapitein, helaas dan wel gelukkig



Reflectie

Opkruisend de haven (nooit) binnenvaren
over metaforen in het politieke gebeuren

Ruiterstandbeeld van een Keizer-filosoof, maar hij
was iets te weinig zelfzeker om aan het beeld
dat Plato  had meegegeven, te beantwoorden. Marcus
Aurelius was een stoïcijn en redelijk verlicht,
al moet gezegd dat we van zijn beleid
niet direct goede voorbeelden vinden.
De reden is dat hij regeerde in een gouden
tijd en dat hij vooral als krijgsheer in
herinnering blijft. Hoe het rijk
functioneerde, vergt andere benaderingen.  
Deze tekst pakte uitgebreider uit dan verwacht, omdat er iets aan de orde diende te komen dat in een systematische benadering mogelijk is, dat wil zeggen, we moeten niet kijken naar de staat, de overheid alleen, maar ook naar wat er gaande is in de samenleving en hoe beleid en het autonome handelen van burgers en gemeenschappen het geheel beïnvloeden kan, maar hoe dat gaat, blijft onderbelicht. Daarom volgt er allicht nog wel een reflectie over de kwestie. Overigens, de verleiding was groot het te hebben over de primaat van de politiek. 

Men kan er natuurlijk over klagen dat politieke berichtgeving doorspekt is van militaire terminologie, erger nog is dat men politiek bedrijven beschrijft als een meedogenloze strijd waarbij de verliezer er alles bij inschiet en de winnaar alles neemt. Men weet dat dit zo niet is, meer nog, dat men zich zo ontslaat van een oplettend volgen van wat er gaande is en dat niet enkel in politieke termen, maar ook als gebeurtenissen in de samenleving die mensen kan beroeren, schokken of tot vreugde stemmen.

Over het politieke heb ik al vaker geschreven, naar aanleiding van gebeurtenissen, naar aanleiding van essays of van uitspraken en vaak met een bepaalde overkoepelende gedachte, zoals Doomsday of de bekende uitroep "Qu'ils mangent des brioches", al dan niet terecht aan Marie-Antoinette toegeschreven, toen vrouwen uit de faubourgs naar Versailles trokken om brood te eisen en zich tegen speculatie van de graanhandel verzetten. Ik zal de enige niet zijn die nu enigszins verbaasd naar de berichtgeving over het politieke gebeuren kijkt en merkt hoezeer hoofd- en bijzaken inwisselbaar lijken en hoe het bereiken van een doel en de evaluatie van dat doel, alsmede de middelen die ervoor ter beschikking staan als bijzaak gelden. Legistiek mag een zaak opgelost heten als een wet gestemd is en via het staatsblad publiek geworden is. Maar dan moet men toch nagaan of een na veel strijd afgedwongen of gerealiseerde wet ook de gewenste gevolgen heeft. De wet die abortus onder zekere omstandigheden en mits het volgen van het juiste pad de gewenste resultaten haalt - hoe men dat zal afmeten? - krijgt die cijfermatige opvolging dus wel. Maar bijvoorbeeld wetgeving rond activering van werkzoekenden, daar ziet men veel gedoe aan de toegang, de wetgevende initiatieven, veel obstructie ook, maar een open debat over hoe we ons leven wensen in te richten en wat het nu betekent 50, 60 te wezen en hoe (betaalde) arbeid daarin past en andere vormen van inzet, blijft nagenoeg onbesproken binnen hetzelfde debat dan toch, want goed opgedeeld tot verwerkbare kost, lukt het wel. Maar dan komt de dynamiek van de interacties niet tot haar recht.

Voor de een is dat een instantie die, zonder gedoe, de beslissingen kan nemen en dat den volke de inzichten van die bij voorkeur intelligente persoon of groep, kaste klakkeloos kan volgen. Op het randje van de democratische geest, zal men zeggen terwijl men toch voortdurend om sterk leiderschap roept. Anderen menen dat democratie pas echt democratisch is als iedereen aan de besluitvorming kan deelnemen, maar dan komt men in eindeloze procedures terecht. Sinds het einde van de negentiende eeuw is de minachting voor het grauw, het gemeen nooit veraf geweest, maar als de nood het hoogst was kwamen er oppositieleiders opdraven en werd de zetelende macht gedwongen keuzes te maken, soms tot de eigen ondergang leidend, soms door wijs beleid juist tot betere oplossingen voerend. Vandaag spreekt men nog smalend over het volk, ook links doet dat, maar negeert men vele evoluties inzake scholing, loopbanen en culturele beleving van dat zogenaamde volk. Men dicht het toe zich volkomen te identificeren met cyclocross, bier en curryworsten, terwijl het evenzeer nichebezigheid is als... operabezoek. Men sprak van subculturen, maar laat bijvoorkeur graag die subculturen zien die een beschaafd mensen choqueren, dus zowel madam Bouquet, lady of the house en de familie Onslow...

John Williams heeft in die zin een mooi portret van een verstandig vorst geschetst onder de titel "Augustus", waarin hij expressis verbis de alwetende vorst afwees. Omdat we nog altijd heimelijk dromen van een politicus-filosoof, kunnen we er niet bij dat filosofen de politiek ontoereikend vinden en politici filosofie zweverig, maar geen van beide durft, op uitzonderingen na het andere domein, de andere menselijke faculteit betreden. In de filosofie heb je een traditie die gelooft dat politici best ook filosofen zijn, naar Plato, maar het gebeurt zelden dat zij er dan iets van bakken. Toch mag men niet vergeten dat politici - in een ruimere zin - zich wel met filosofie hebben ingelaten, zoals Marcus Aurelius, maar ook soms zeer pragmatisch ideeën omhelzend en vorm gevend. Robespierre behoorde tot de soort die zaken dacht te kunnen bestieren als een grote orgelman, terwijl een John Adams, de tweede president van de VS net geloofde dat je af en toe niet moet ingrijpen.

Het is nu maar de vraag of we zomaar kunnen definiëren wat filosofie betekenen moet en bij de meeste komen we dan uit bij systeemdenken. Aan de andere kant bestaat er nog een veel groter probleem, waar politici niet altijd uitgaan van een mogelijke twijfel: voor wie voert men beleid? De body public, voorheen geincarneerd in de vorst en samenvallend met de fysieke en de mystieke figuur van de vorst, kreeg een eigen bestaand; eens men die eenheid,  dat samenvallen van de vorst met het systeem, het land in twijfel trekt en opheft, dan verdwijnt de legitimiteit van de vorst en krijgt de natie die rol van body politic en verandert het speelveld. De biografie door Jean-Christian Petitfils laat zien hoe dit onder Louis XV zomaar kon gebeuren en dat met veel soebatten een symbolische verschuiving plaats kon hebben. Alleen, volgens wel ingevoerde bronnen als Ico Maly kunnen de Jansenisten noch de vooraanstaande leden van het parlement van Parijs en de andere Parlementen niet gerekend worden tot de Lumières, want ze geloven in een god... terwijl velen van hen de partij van Jansenisten steunden om politieke redenen, maar wel degelijk de zaak van de Lumières wilden steunden en hun werken lazen.

Het cruciale punt in alle voorstellingen is of politieke macht eeuwig en continue kan zijn, met uiteraard regelmatige afwisseling van de wacht, door verkiezing of vererving. Maar de geschiedenis neemt geen einde, al verandert het gezicht ervan wel, naarmate bijvoorbeeld brute macht wordt vervangen door subtielere vormen van dwang, via administraties bijvoorbeeld. Bovendien stelt die eeuwigheid ons voor het probleem dat niemand politiek kan blijven baseren op dezelfde uitgangspunten, want alleen al dat beleid kan de samenleving en mensen veranderen, zeer grondig veranderen. En als er een bepaald niveau van abstractie bereikt wordt, als het bestuur zich gaat bezighouden met papieren tijgers, dan is de opstand nabij. Papieren tijgers, bouwwerven, grootse projecten, groots en meeslepend besturen, lukt doorgaans vooral op papier. Het centrale probleem is dat overheden zo op zichzelf gericht kunnen zijn dat ze niet zien dat het volk niet volgt, of geledingen in het volk. Doorgaans staan Europese geschiedenisboekjes vol over oorlogen en opstanden en machtsgrepen, wanneer die lukken.

Soms kan de verklaring voor opstanden liggen in mislukt of onrechtvaardig beleid, maar als men beter toekijkt, merkt men dat naarmate een systeem succesvoller wordt, de zittende macht meer aangepakt wordt als plots (stilzwijgende) beloften op beter en groter niet meer haalbaar zijn omdat het systeem een zekere limiet heeft bereikt. Men vergeet namelijk wel eens dat een goed beleid, het afwenden bijvoorbeeld van oorlogen, gepaard aan betere voedselproductie en uitbreiding van het productieapparaat wel degelijk kunnen leiden tot spanningen, omdat de bestaande regels, normen en sociale verhoudingen op de helling komen te staan. Vanuit ons standpunt gezien, heeft Louis XV, maar nog meer Louis XVI daarmee af te rekenen gehad - ook al omdat ze in hun beleid bijgestaan werden door op dat moment wel goed onderlegde raadgevers, maar die desondanks geen oplossingen of nieuw beleid uit de mouw konden schudden. De revolutie of minstens opstand verklaren uit negatieve evoluties kan dus kort door de bocht blijken. In die zin is wellicht ook de opstand van de Nederlanden tegen Philips II een zaak van verwachtingen die tot het uiterste gespannen waren en waarbij de religie wederzijds een vehikel werd om de eigen situatie te verbeteren, in de Nederlanden en om het bestuurlijk centralisme verder te sturen, zoals de koning in het Escorial dat zag.

We moeten dus, als we naar de overheid kijken, of die nu democratisch is, Jacobijns centralistisch zoals onder Napoleon of op een of andere manier aristocratisch, zoals onder Louis XV, nagaan wat de oogmerken zijn en hoe ze die probeert te realiseren en wie of wat mee - achter de schermen - bij de knoppen zit. Sinds WO II hebben we in Europa, het oude Europa een aantal systemen opgebouwd die beantwoorden aan de principes van de Verlichting, die dus persoonlijke ontvoogding ondersteunden en maatschappelijke groei en bloei door het toekennen van persoonlijke rechten zonder voorwaarden toe te kennen. In het ene land leidde dat hogere uitkeringen voor een korte periode, in andere voor lage uitkeringen voor langere tijd. Lood om oud ijzer? Niet helemaal, maar wel is het zo dat de consequenties niet op dezelfde manier wegen op de arbeidsmarkt, maar dat tegelijk andere facetten, zoals stringente ontslagregelingen en de zogenaamde vereiste van ervaring ook meewegen. Dat laatste is een keuze van het HR-managers, die foute aanwervingen willen vermijden wegens de hoge kost van het leergeld.

Om maar te zeggen, in een complexe en min of meer mature samenleving zit veel ingebakken aan regelgeving, maar ook aannames en gewoonten die op zich redelijk mogen heten, maar die wezenlijk leiden tot een stapeling van (wettelijke) en economische, sociale aannames, praktijken, die het flexibele handelen uitsluiten. Oudere werknemers zijn trager, minder geneigd tot simpele onderworpenheid en kosten te duur, want al is het leergeld weggevallen er zijn andere kosten zoals afwezigheid door ziekte en het aantal dagen meer verlof waarop zij recht hebben.

De overheid die vaststelt, op goede gronden dat een prepensioen op 52 jaar niet kan, moet vervolgens de regelgeving aanpakken, maar zij moet ook het debat voeren, met HR-managers en bedrijfsleiders over hun aannames en vooronderstellingen opdat het verhogen van de pensioenleeftijd niet leiden zou tot een inkomensval voor werknemers. Sommige gaan rustig genieten van een dolce far niente, anderen hebben geen zittend gat  maar krijgen geen kansen meer terwijl ze voor zichzelf activiteiten vinden dat hun inkomen aanvult, zonder dat de fiscus met een onredelijk deel ervan gaat lopen.

Stapelingen van regels, regels die elkaar tegenspreken maar omdat ze in verschillende domeinen van beleid tot stand zijn gekomen of op verschillende niveaus van beleid uitgevaardigd werden, zorgen voor een grote rechtsonzekerheid, rechtsongelijkheid en voor een stilstand op het vlak van besluitvorming.

Al was het al duidelijk aan het begin van de nieuwe era die begon met de val van de Muur en de instorting van het communistische bestel om en rond 1989, dat ook wij, de oude democratieën problemen hadden met ons systeem, omwille van steeds meer bureaucratische regelgeving dichttimmeren van de reglementen en regelgeving op verschillende domeinen, van gezondheidszorg tot productcontrole, intellectuele rechten ook, merkte men dat bijvoorbeeld de kampioenen van de (neo-)liberale economie nieuwe bevrijdende regels gingen stapelen. Het beste voorbeeld naar mijn inzicht is de zogenaamde Ikea-wet, die verbodsbepalingen ophief wat het bouwen en exploiteren door grote winkelketens van weliswaar kleinere maar toch zeer concurrentiële expresdiscounts - meestal in franchise - in de steden. Ik maak er ook soms gebruik van, terwijl ik weet dat dit voor het kleinbedrijf en het vrije initiatief schadelijk is, banken ervan afhoudt nieuwe initiatieven voor nichezaken te financieren en zoveel meer. Met financieren bedoelen we dus leningen toestaan.

Men bekijkt een samenleving graag als een goed geordend geheel waar alles mooi naar wens verloopt, behalve het falen waarvoor men vindt dat het dringend een oplossing gezocht moet worden. Ervan uitgaande dat andere aspecten en elementen niet zullen wijzigen, zet men zich schrap, overtuigt politici en er komt een oplossing, vaak een compromis met anderen die vinden dat het geen falen kan heten... Teveel wapens in omloop? Schietpartij? De een vindt het een fait divers en de andere legt in de gauwte een wetsvoorstel met in annex enkele KB's die het wapenbezit verder moeten inperken. De feitelijke controle komt in handen van gemeenten en politie die in theorie ex officio de zaak moeten klaren: alle illegale wapens inzamelen en vernietigen? Administratieve controles, rechtszoekende burgers en een nieuwe reeks zaken die door het al zwaar belaste justitiële systeem moeten. Stilstand, maar de betrokken minister kan zeggen: ik heb het wapenbezit ingeperkt. Nou moe, de werkelijkheid blijkt iets stugger.

Het schip van staat? Het is een bijzondere metafoor, omdat ze wel degelijk de eenheid van het geheel, de staat als systeem als de rol van de politiek op de commandobrug van de samenleving weergeeft. Tegelijk staan scheepskapiteins er niet voor bekend dat ze veel democratische inspraak verdragen. Eenheid van bevel, leiderschap en dus ook volgzaamheid en in wezen botst dit met de idee van een open samenleving en een politiek bestel daarbinnen dat niet alleen op de commandobrug staan zou. Net daar wordt het complex, want als de chef van de regering en zijn crew niet alleen de koers bepalen, gedurende enige tijd, hoe zal men hen dan beoordelen? Na behouden vaart, passiegerend in de haven van aankomst, zo eenvoudig is het dus. In ons land hebben de sociale partners hun plaats in een hut achter de brug, uiteraard een fraaie hut en anderen zijn erin geslaagd een paar andere hutten te veroveren of bewegen zich geregeld in de buurt van de brug. En de kapitein?

Nu, een ander probleem wat de metaforiek waarbij het statelijke leven en het maatschappelijke bestel als een schip beschreven wordt, gaan over het feit dat een schip van haven tot haven tot haven kan varen en op een bepaald moment een laatste bestemming zal bereiken, als museumschip of als schroot. Een samenleving mag men zo een toekomst niet toedichten en dus lijkt zo een schip op dat van de Vliegende Hollander, waaraan dan weer andere bezwaren kleven, zoals de aanwezigheid van een kwade geest, toch?

Neen, waar het op aan zal komen en waar ook toenmalig President van de Raad van Staatshoofden en regeringsleiders naar verwees tijdens de crisis is dat men het schip van staat niet op het droge kan brengen om het repareren en alle reparaties moeten gebeuren met wat er aan materiële middelen beschikbaar is aan boord. Dat geldt voor de EU, al konden en wilden de VSA en het IMF wel ruggensteun geven. Het schip vaart dus altijd verder, maar welke koers het volgt en wie zet die koers uit? Samenlevingen kunnen wel nieuwe benaderingen, inzichten, doelstellingen vinden, zoals na WO I moeizaam, na WO II gedeeltelijk lukte in Duitsland, maar ook dan, bleef het schip verder varen, verdeeld en wel.

De samenleving, maar velen zetten wel graag mee de koers uit, maar als het moeilijk wordt gaan ze al snel voor een andere koers kiezen, terwijl ook een zware storm of blijvende ongunstige winden overwonnen kunnen worden. Hier blijkt dan het genie van verantwoordelijken van staat, zoals FDR, Lyndon B Johnson of Charles de Gaulle, die de wind niet zagen als gunstig of ongunstig - het was gewoon zwaar weer - maar ze zochten de juiste manschappen bij elkaar om de beschikbare middelen de storm af te rijden en vervolgens, als het even kon aan het kruisrak begonnen.

De metafoor is bijzonder, zeker voor wie op een sloep ooit door het Nauw van Calais is gevaren, zeker vanuit Boulogne-sur-Mer (voor de Groot-Nederlanders, Bonen, maar die naam dateert van voor de tijd dat de Engelse koning het graafschap als een landbrug op het continent in bezit hield en vind ik dus wat gek), naar Nieuwpoort wil varen: Komt de wind uit het Noordwesten, dan kan het op een paar graden aankomen of de wind gunstig aangewend kan worden of niet, komt die uit het noorden of noord-oosten, dan wordt het lastig en afhankelijk van het getij kan het schip nog verder van het doel afgedreven worden. En toch, wie niet rustig rak na rak afwerken wil tot de stroom keert of de wind een paar graden krimpt of ruimt komt niet over de hindernis heen, maar het vergt oefening, inzicht en scherp observatievermogen, veel meten en berekenen, om de juiste koers uit te zetten en soms moet even wat bijsturen.

Raakt het schip in gunstiger wind en zit de stroom mee, dan kan de bemanning wat rusten en de kapitein aan de eretafel genieten van gemoedelijk kouten en lekker eten. Enfin, op een jacht is dat doorgaans de kost van alleman... maar een staatsman moet wel onmiddellijk weer naar de brug als het tij keert of de wind te hard aantrekt.

Deze maritieme metaforiek lijkt romantischer dan het is, het gaat erom dat we opnieuw zouden begrijpen dat de politici, meerderheid en oppositie geroepen kunnen worden op de brug, zij hebben verantwoordelijkheid de samenleving door zwaar weer te loodsen, maar mogen ook al eens de zaak op hun beloop laten, als de omstandigheden dat toelaten, al zal men dan best het reparatiewerk niet uitstellen, want het weer is onbestendig. Maar de metaforiek is ook beperkt, omdat de staat in het bestel van de samenleving wel degelijk een leidende rol heeft, omdat er haast voortdurend muiterij dreigt, zeker in een democratie, maar vooral omdat een scheepskapitein boven allen  aan boord gesteld, geacht wordt te sturen en van alles op de hoogte te zijn. Voor een overheid in een moderne staat is dat fataal niet meer doenbaar en daar draaien vandaag heel wat kwesties rond: de overheid wil alles controleren, kan zeer veel controleren en overzien, maar burgers willen dat de overheid vooral anderen temt en in toom houdt. Dat velen zichzelf redden en een goed leven weten uit te bouwen, lijken de experten te vergeten, dat mensen best weten dat ze maar beter voorzichtig kunnen rijden, belet niet dat experten verkeerskunde ons telkens weer de les spellen, terwijl ik wel eens zware wagens snelheidsovertredingen zie maken die vragen oproepen of andere voertuigen inhalen op plaatsen waar dat bedenkelijk moet heten. Toch kan ik het begrijpen, want de hele infrastructuur kan wel eens frustreren, de controle-instrumenten en boetes neemt men er dan bij, tot ook de reserve aan toegeeflijkheid is uitgeput. Toch gaan overheden ervan uit, zoals Peter Sloterdijk al in "Kritiek van de Cynische Rede" schreef dat elke burger ten allen tijde kan ontsporen. Maar niet dus de overheid zelf, zeker niet in een democratie. Graag wil ik die gedachte verder meenemen.

Met dit essay probeer ik dus aan te geven dat de overheid, de burgers als leden van de samenleving maar ook als individuen, min of meer autonome individuen, niet een ondergeschikte rol te vervullen hebben. Leiderschap claimen van iemand, of iemand leiderschap wegens geniale karaktertrekken blijft riskant, overigens hadden vele behoorlijk goede leiders, zoals Johan de Witt, net als Willem III, LouisXV, maar ook, om maar eens een onverwachte figuur te noemen, Leopold I van België doorheen de partijdige geschiedschrijving een nogal eenzijdig stempel meegekregen, waarbij Jan de Witt als enige vooral positief in beeld komt, maar hij werd dan ook door het grauw gelyncht.

En de regeringsperiode van Leopold II? Dat is de tijd van het wilde kapitalisme, zegt men, maar het is ook dat de tijd dat de welvaart in dit land sneller toenam dan iemand had voorzien. Natuurlijk waren er daardoor problemen ontstaan: snelgroeiende steden, waar evenwel vrij snel mensen vanuit de grootst denkbare armoede hun lot konden verbeteren en daarbij door organisaties als Vooruit en erom heen werkte gesteund werden. Maar ook werkgevers die hen nodig hadden, hebben hun verdienste, vrees ik, maar dat mag geen naam heben. Dat sociale rechten afgedwongen werden, dat de kwaliteit van leven verbeterde, kan men niet ontkennen, ook niet om de mobilisatie gaande te houden.

Met dat alles maakte ik tot slot - naar ik mag hopen - duidelijk dat men beleid best goed kan uitspitten, over voldoende informatie moet zien te beschikken en toch, als het erop aankomt, zal men de moed opbrengen de lichte nevel of zelfs dichte mist te negeren. En ja, ook bij ongunstige winden kan men vorderingen maken, maar het vergt stuurmanskunst.

Bart Haers




Reacties

Populaire berichten